Erfgoeddrager: Milan

‘Op 4 en 5 mei ging ik niet naar school want dan was er iets geheims’

Fleur, Isa-Sofie en Milan van ’t Fonnemint in Sint Annaparochie interviewen Geertje Kingma die vertelt hoe de oorlog een schaduw wierp op haar familie. De kinderen luisteren geboeid naar het verhaal over haar vader die bij de NSB zat en na de oorlog drie jaar in de Blokhuispoort en Westerbork vastzat. Mevrouw Kingma vertelt eerlijk over de eenzaamheid, het gepest op school en de pijn van het niet mogen praten thuis

Wat heeft uw familie gedaan in de oorlog?
Toen ik drie maanden in de buik van mijn moeder zat, was de oorlog voorbij. Maar mijn vader was al gevangengenomen op 16 april en naar de Blokhuispoort gebracht. Hij zat in de oorlog bij de NSB. Dat werd hem heel zwaar aangerekend.

Toen hij drie jaar later vrijkwam, was de sfeer in huis veranderd. Mijn broer en zus waren toen 14 en 13 jaar. Er was veel ruzie en iedereen moest zijn plek weer vinden. Er hing een groot geheim over ons gezin. Ik wist niet wat het was, maar ik wist dat er iets met mijn vader was. We mochten thuis niet over de oorlog praten.

Toen ik een jaar of negen was, speelde ik op een dag met een vriendin. Ze vroeg of mijn vader in de gevangenis had gezeten. Ik had een scherp geheugen en ineens kwamen alle herinneringen naar boven. Ik vroeg mijn ouders wat er precies was gebeurd, maar ze zeiden: ‘Als je wat ouder bent, vertellen we het wel’.

Maar ze vertelden het nooit. Ik werd een eenzaam kind, kon niet met anderen praten en had een hekel aan school. Ik wou niet eten en ik ging niet naar school op 4 en 5 mei, want ik voelde dat dat geheim daarmee te maken had. Het geheim is pas opgelost toen ik in 1985, ik was toen 30 jaar, het dossier van mijn vader in Den Haag las.”

Wat heeft uw vader gedaan bij de NSB?
Mijn vader was timmerman en had een aannemersbedrijf. In de crisisjaren, eind jaren dertig, was er weinig werk en hij koos voor de NSB om geld te verdienen. In de laatste oorlogsjaren, in maart of april, werd hij op de Spanjaardslaan in Leeuwarden door een auto aangehouden. Hij wist niet waar ze heen gingen. Ze reden naar Dokkum om een zekere ‘Maarten’ te bevrijden, die door het verzet was vastgehouden.

Het was een domme actie van de NSB’ers want de Canadezen stonden op twee kilometer afstand. Toen de auto met vijf NSB’ers aankwam, werden twee mannen uit het publiek gegrepen en op de spatborden gedwongen. Ze werden doodgeschoten. Mijn vader zag dit niet, hij kwam eerst niet uit de auto. Hij zag ergens een fiets, jatte die en fietste naar Vrouwenparochie. Dagen later werd hij gearresteerd en vastgezet in de Blokhuispoort en in Westerbork. In Westerbork had hij een ontsteking die niemand wilde behandelen, totdat een andere gevangene hem hielp. Hij hield er littekens van over. Hij zat drie jaar gevangen. Dat was het geheim. Als je het weet, moet je erover praten. Het gaat over mijn vader, niet over mij. Ik ben niet schuldig.’

Hoe was het voor u als kind?
‘Ik was een heel verlegen, bang kind. Ik durfde niet met andere kinderen te spelen. Ik werd heel erg gepest op school, ook op de christelijke ulo. De leraren wisten wel wat er gaande was. Een vriend van mijn vader, die oppasser was in de Blokhuispoort, vertelde later aan mijn vriendinnetje dat ik ‘een meisje uit een verkeerd nest’ was. Dat deed pijn. Toen mijn vriendje overleed aan een ongeluk, kwam die oom niet op zijn begrafenis.

Later, toen ik met mijn huidige man trouwde, zeiden zijn ouders: ‘Waarom nou een meisje van die mensen?’ Dat was triest. Maar ik ben later zelfverzekerder geworden door mijn talenten: pianospelen, teksten schrijven, muziek maken. Ik heb tien jaar in een cabaret gezeten en nu vertaal ik popliedjes in het Fries. Maar het geheim bleef er hangen. Pas toen ik het dossier las, wist ik de waarheid. Ik moest leren dat ik geen schuld had.’

Is er ook iets met uw moeder gebeurd?
Mijn moeder was een pittige vrouw, een sterke moeder. Omdat mijn vader gevangen zat en er geen kostwinner was, kreeg ze geld van buren en haar ouders. De regering gaf een regeling: alleenstaande vrouwen van NSB’ers met kinderen moesten openbare gebouwen schoonmaken als straf in ruil voor geld. Mijn moeder kreeg de opdracht om de openbare school in Vrouwenparochie schoon te maken. Voor het eerst zat ik toen op een wc met doorspoeling, wat ik heel eng vond. Mijn 15-jarige zus hielp ook mee.

Mijn moeder is de dans ontsprongen om opgepakt te worden, waarschijnlijk omdat ze zwanger was van mij. Er zijn veel kinderen van ‘foute Nederlanders’ naar andere gezinnen gestuurd voor heropvoeding, waar ze mishandeld werden. Het is een gigantisch probleem wat hier achter deze geschiedenis zit.’

Heeft u de bevrijding gevierd?
‘Ik heb nooit een 5 mei-feestje gevierd. 4 mei wel, maar dan ging ik ook niet naar school. Het was allemaal taboe. Ik heb mijn vader ontzettend lief, maar ik moet in mijn hoofd de keuze die hij maakte verzoenen met de liefde die ik voor hem heb. Het is moeilijk. Ik hoop dat de wereld leert van deze geschiedenis. Het herhaalt zich, zie je in Rusland en Oekraïne, en bij Israël en Palestina. Kinderen lopen gigantische trauma’s op. Maar ik ben blij dat we nu kunnen praten over de waarheid, ook al was het moeilijk.’

Erfgoeddrager: Milan

‘De mensen kwamen levend uit de schuilkelder, maar het vijvertje was weg’

Jan Vlemmix (1935) arriveert ruim op tijd voor zijn interview op basisschool de Klimboom in Eindhoven. Hij wordt ontvangen door zijn interviewers: Jorja, Milan, Chaitely en Sara. Ze hebben zelf vragen voorbereid en meneer Vlemmix heeft zijn memoires meegebracht om zijn verhaal kracht bij te zetten.

Konden jullie naar school?
‘Aan het begin van de oorlog moesten wij gewoon naar school, maar op een gegeven ogenblik kwamen er Duitsers in de school te liggen. Toen moesten wij ergens anders naartoe, naar andere scholen of andere plekken. Ik heb wel eens met de hele school in een groentewinkel gezeten of in een leeszaaltje van de bibliotheek. Soms hadden we gewoon geen school.

Ik heb nog een foto van een rapportje van voor de oorlog en tijdens de oorlog. In het rapportje tijdens de oorlog zijn we maar een keer een paar maanden naar school geweest en sommige vakken hebben we niet eens gehad. Toen de oorlog afgelopen was, hebben er ook nog Engelsen in de school gelegen, konden we weer niet naar school…’

Heeft u wel eens een bombardement meegemaakt?
‘Ik heb drie keer een echt bombardement meegemaakt. Een groot bombardement in de binnenstad en een paar kleinere. Bij ons in de tuin stond een schuur. Ik was eens met mijn broer en een buurjongen aan het spelen, toen er twee deuren verder een bom viel. De man die daar woonde was dood. De scherven van de bom vlogen achter de schuur langs. Door de schuur zijn we dus goed weggekomen.

De grote bombardementen, zoals op de binnenstad en later na de bevrijding, dat was zware munitie waarmee je hele gebouwen kapot kon maken. Er waren ook kleine bommetjes. Daar zaten veel los ijzer, spijkers en schroeven in, dat waait alle kanten uit als zo’n bom valt. Wij noemden ze destijds splinterbommen, die waren heel gevaarlijk.

Een van onze buren had zelf een schuilkelder gemaakt, waar ze in konden kruipen als er een bombardement was. Hij had het heel mooi aangelegd en daarnaast had hij een vijvertje gemaakt met twee rode goudvissen er in. Op een dag is er op het huis en de schuur een bom gevallen. De mensen zijn gelukkig levend uit de schuilkelder gekomen, maar het vijvertje was weg. Ik ben gaan kijken, op zoek naar die goudvissen, en vond ze op een schuur een eindje verderop. Ze lagen allebei op het dak.’

Hoe waren de grote bombardementen?
‘Ik heb ook het Sinterklaasbombardement meegemaakt. Het was 6 december, 1942, Sinterklaas. Toen hadden de Engelsen verzonnen dat ze maar eens een bombardement moesten doen op de Philipsfabriek. Op de plek waar de lichttoren is, werden spullen gemaakt die de Duitsers konden gebruiken voor oorlogvoering. De Engelsen voerden hun bombardement midden op de dag uit. Heel de Demer hebben ze vernield. Ze gooiden deels raak, maar er kwam ook heel veel op de stad zelf.

Op die dag was ik met mijn twee broers naar mijn peettante gegaan in de stad om te kijken wat Sinterklaas daar had gebracht. Vlakbij het huis van mijn tante viel een bom. Ik liep de kamer uit, de gang in, en de hele pui van de keuken en de voordeur viel de gang in, net als de ramen en de deuren…

Ik ben eroverheen geklommen en naar buiten gelopen. We zijn door de tuin, over het puin heen, naar de Amsterdamse bank gelopen. Daar hebben we in de kelder gewacht tot het voorbij was. Op de markt stond van alles in brand en er lag puin, troep en scherven van bommen. Wij hebben het er gelukkig goed vanaf gebracht.’

Wat is er gebeurd met uw vader?
‘Volwassen mannen werden opgepikt om in Duitsland te gaan werken. Daar kon je onderuit komen door onder te duiken als je dat durfde. Mijn vader had er schrik voor. Hij was er wel in geslaagd om een baantje te krijgen bij de PTT, want hij had begrepen dat als je een overheidsbaan had, je dan niet naar Duitsland hoefde. Hij had die baan amper, toen hij een brief kreeg dat hij zich moest melden als arbeider in Duitsland. Ik zie hem nog lopen, met zijn kartonnen koffertje.

Hij is postbode geworden in Nuremberg, terwijl hij niet eens Duits kon… Toen wij in september waren bevrijd, hoorden we niets meer van hem, daarvoor schreef hij nog weleens een brief. Wij wisten dus niet of hij er nog was. Toen was het mei 1945, heel Nederland was nu bevrijd. We kregen het bericht dat hij onderweg was naar huis. Ik weet niet hoe hij het gedaan heeft, lopen of liften of stukjes met de trein. Ik heb buiten staan te wachten en toen kwam hij aan…’

Erfgoeddrager: Milan

‘Zes weken lang at ik erwtenbrood met appeljam’

Bahita, Jarrion, Milan en Hafsa vinden het best spannend als ze de lift nemen naar de vierde verdieping van het verpleeghuis Douvenrade in Heerlen. Met de hele klas zijn ze naar het verpleeghuis gekomen om een interview te houden over de Tweede wereldoorlog in hun buurt. Maar het ijs is snel gebroken met de spraakzame Leo Quadvlieg.

Toen de oorlog begon, was meneer Quadvlieg drie jaar oud. Hij woonde met zijn ouders en zijn tweelingbroer in de Josephinastraat in Bleijerheide, een wijk van Kerkrade, vlakbij de Duitse grens. Veel van zijn familie woonde daar ook. Als klein kind merkte hij in het begin niet zoveel van de oorlog. Maar tegen het einde werd het levensgevaarlijk, vertelt hij al snel. De kinderen hangen aan zijn lip.

Wat gebeurde er aan het einde van de oorlog?
‘In september 1944 kwam het front recht voor onze buurt te liggen. De Duitsers zaten over de grens in Herzogenrath en de Amerikanen zaten aan de andere kant, op de Nieuwstraat. Dat is precies de grens tussen Bleijerheide en Kerkrade. Ze lagen zó dicht bij elkaar dat ze elkaar voortdurend beschoten. Vliegtuigen vlogen dag en nacht over en er werd vooral vanuit de lucht gevochten.

In Bleijerheide zaten Amerikaanse soldaten van de Old Hickory Company. Dat was een onderdeel van het Amerikaanse leger, jonge jongens die vanuit Amerika waren gekomen om Europa te bevrijden. Zij kwamen Kerkrade binnen en vestigden zich in onze buurt. Van daaruit vochten ze tegen de Duitsers die net over de grens zaten.’

Was dat niet gevaarlijk?
‘Ja, heel gevaarlijk. Daarom kwam het bevel dat we weg moesten. Met de hele familie, zo’n vijftien mensen, werden we geëvacueerd. We namen mee wat we konden dragen en vertrokken samen met een lange stoet mensen uit Kerkrade richting Ubachsberg.

Onderweg sloegen er granaten in tussen de vluchtende mensen. Acht granaten. Dertien mensen kwamen om het leven. We kwamen langs toen die mensen er net lagen. Ik was nog een kind, maar dat beeld ben ik nooit vergeten. In Ubachsberg staat nu een monument voor hen.’

Waar moesten jullie naar toe?
‘In Ubachsberg werden we opgevangen door een boer. Zijn schuur was helemaal ingericht voor evacués. Met vijftien mensen uit één familie zaten we daar bij elkaar. We zijn er zeker zes weken geweest.

Wij waren met zes kinderen: mijn tweelingbroer en ik, en vier neefjes en nichtjes. Voor ons voelde het soms zelfs als een avontuur. We speelden in de weilanden en ravotten tussen het stro. In het dorp was een grote keuken waar voor iedereen gekookt werd. Brood was er bijna niet. Mijn moeder maakte appeljam van geplukte appels en bakte brood van erwten. Zes weken lang at ik erwtenbrood met appeljam. Later hoefde ik dat nooit meer.’

Konden jullie helemaal niet terug?
‘Mijn vader is in die tijd één keer teruggegaan naar Bleijerheide om te kijken hoe het met ons huis was. Er woonde nog een man in onze straat die niet geëvacueerd was. Die man heeft mijn vader verteld dat de Duitsers bij ons binnen waren geweest en van alles wilden meenemen, ook de piano. Hij is toen voor onze spullen gaan staan en heeft tegen die Duitsers gezegd dat ze niks mochten meenemen. Dankzij hem is ons huis niet leeggeroofd.

Het huis waarin wij woonden was van een Duitser. Wij huurden het. Dat was heel normaal in die tijd omdat we zo dicht bij Duitsland woonden. Iedereen in mijn woonplaats had ook wel familie in Duitsland wonen. Het was dan ook heel gek toen de oorlog uitbrak dat er ineens een harde grens werd getrokken. De huizen in Kerkrade die in het bezit van Duitsers waren werden door de gemeente in beslag genomen. De eigenaar werd over de grens gezet en de gemeente bood het huis te koop aan. Mijn vader moest daar goed over nadenken. Hij vroeg zich af of we het wel konden betalen en of het verstandig was. Nu is het onbegrijpelijk. Het ging over een bedrag van 4800 gulden.’

Herinnert u zich de bevrijding nog?
‘Ja, ik weet het nog goed. In onze buurt werd een grote molen op het trottoir gezet, als teken dat hier Nederlanders woonden. Wekenlang was het feest. Ik was toen negen of tien jaar en ging elke maandag naar die molen. Er was muziek van de harmonie, kinderen kregen limonade en ijsjes.’

Het was vrolijk en dat was het lang niet geweest. Er werd ook gedanst. Tijdens die bevrijdingsfeesten heb ik leren dansen. Niet omdat het moest, maar omdat het weer mocht. Dansen betekende vrijheid.’

 

Erfgoeddrager: Milan

‘Je moest werken voor de Duitsers’

Jurre, Milan en Jort van Openbare Basisschool ’t Jok uit Hoorn wandelen vanuit school naar het huis van mevrouw Jetta de Beer. Jurre is haar kleinzoon en ook de andere jongens komen wel eens vaker bij haar thuis om wat te drinken. De vader van mevrouw De Beer heeft van november 1942 tot mei 1945 gewerkt in Duitsland. Tussendoor is hij heel kort thuis geweest en in die periode is zij verwekt.

Waarom bleef uw vader niet op Terschelling toen?
‘Mijn vader moest wel terug naar Duitsland. Onderduiken deed je niet, omdat je vrienden dan verplicht naar het strafkamp moesten. In Duitsland kreeg mijn vader bericht dat ik geboren was. Hij las dat in een brief en in zijn brieven terug aan huis schreef hij dat hij heel blij was. De brieven van mijn vader werden allemaal opengemaakt en nagekeken, je mocht namelijk niet schrijven dat de Duitsers stom waren.’
‘Op Terschelling waren in de oorlog rond de tweeduizend Duitsers tegenover vierduizend eilanders. Er was geen keuze, je moest werken voor de Duitsers. Op het eiland aan de bunkers of in Duitsland in de kruitfabriek.’

Waar werkte u vader?
Ik dacht dat mijn vader altijd in een melkfabriek had gewerkt. Ik wist niet dat het een kruitfabriek was. De mensen die daar werkten vertelden er nooit over. Veel later ben ik met een groep naar het gebied geweest om de fabriek te bezoeken. Het was heel groot en veel was verborgen zodat de Engelsen het niet konden vinden. Ik heb daar op dezelfde plek gestaan als waar mijn vader het telegram ontvangen heeft dat ik was geboren. Heel bijzonder was dat.’

Wanneer kwam u vader terug?
Mijn vader kwam terug op 1 mei en hij had mij nog nooit gezien. Mijn zus is tien jaar ouder dan ik, maar zij herkende hem toen hij thuiskwam. Hij was heel mager en droeg een gekke muts. De buurvrouw zei dat het haar vader was, maar ze geloofde het niet.’

Erfgoeddrager: Milan

‘Toen hij terugkwam uit Duitsland, was ik bang van mijn vader’

Joop Martensen (88) woont in de Hofstaete in Alkmaar en is een hele vrolijke man die activiteiten organiseert en een koor leidt. Als Sophie, Norah, Maurice en Milan aankomen zit hij nog aan de uitgebreide koffietafel in de eetzaal gezellig met iedereen te kletsen. Hij neemt de leerlingen van de Cilinder in Alkmaar mee naar zijn huisje en de interviewers installeren zich aan de grote tafel bij het raam.

Hoe was het begin van de oorlog voor u?
‘In het begin van de oorlog waren de Duitsers heel aardig. We kregen een Duitse burgemeester, er marcheerden soldaten door de straten met muziekcorpsen en ik marcheerde en zong mee. Ik vond dat prachtig. De Duitse soldaten konden heel mooi zingen.’

Had u last van honger?
‘Ik had heel veel honger de laatste twee jaar van de oorlog. Mijn vader was opgepakt en werkte in Duitsland en mijn zus en ik waren de oudsten en moesten zorgen voor hout voor de kachel en eten; het maakte niet uit hoe. In het eten uit de gaarkeuken zat geen voeding en daarom gingen we bedelen en scharrelen, op zoek naar eten in de rijkere buurten. Ik stal brood van de bakkerswagen en melk uit de melkwagen. Af en toe werd ik gezien, en moest ik wegrennen en schuilen maar ik was heel gehaaid en klein dus niemand heeft me ooit kunnen pakken. Ook was ik een jochie met een koppie met witte krullen; daar waren de Duitsers wel gek van, dus als ze me zagen kreeg ik alleen een waarschuwing.’

Waarom werd uw vader opgepakt?
‘Omdat in Duitsland alle jonge mannen werden ingezet om mee te vechten in de oorlog, moesten jonge Nederlands mannen te werk worden gesteld in Duitsland- zonder betaling. Alle jonge Nederlandse mannen werden opgeroepen. Toen mijn vader werd opgeroepen en hoorde dat er een razzia rondging, is hij ondergedoken met vrienden. Maar op een keer toen mijn vader in dat huisje naar het toilet ging, keek een Duitse soldaat hem door het kleine raampje recht aan: hij schrok zich rot. De Duitser pakte hem op en hij moest met vele anderen op transport, lopend. Ik ben hem nog een heel stuk gevolgd en voelde me heel verdrietig.

Toen hij terugkwam was ik bang van mijn vader; hij was komen lopen uit het oosten van Duitsland omdat de boerderij waar hij werkte was platgebombardeerd. Hij liep in lompen met lange haren en een lange vieze baard. Hij had zich al die tijd, 700 km lang lopend naar huis, niet kunnen wassen. Hij stonk een uur in de wind en ik dacht : wie is dat nou? Ik herkende hem niet.’

Heeft u iets meegemaakt wat heel eng was?
‘Af en toe ging ik met een grote jute zak op pad en klom ik over het grote hek bij de remise; daar lagen bergen kolen met hele grote brokken vetkool. Ik gooide de kolen over het hek heen en dan klom ik weer terug. Op een keer stond daar plotseling een spoorkees. Ik dacht: nu ben ik erbij… Maar hij hielp me mijn zak te vullen en liep met me mee naar huis. Hij hielp mij met gevaar voor eigen leven want in 1944 werd je gewoon tegen de muur aan gezet en doodgeschoten voor dat soort dingen. Die man was een held; ik ben hem nog altijd dankbaar.’

Waar voelde u zich veilig tijdens de oorlog?
‘Bij mijn familie. Andere mensen kon je niet meer vertrouwen, zelfs je naaste buren niet. Als mensen in nood zijn, kunnen ze erg veranderen. Buren begonnen onderling te stelen en waren in staat om jouw laatste stukje brood mee te pikken. Mensen kunnen heel anders worden in een oorlog.’

Erfgoeddrager: Milan

‘Ik heb haar niet kunnen vinden omdat ik haar slavennaam niet weet’

Orelia Blinker ontvangt Bob, Seppe en Milan bij haar thuis in Volewijck. De jongens van basisschool het Wespennest worden hartelijk ontvangen en hebben veel vragen voorbereid die ze aan mevrouw Blinker gaan stellen. Mevrouw is geboren in 1940 in Marowijne District in Suriname, op een plantage die Vacomjetepousse heette. Ze waren thuis met zes kinderen, had veel familie en heeft een leuke jeugd gehad. Mevrouw Blinker was 24 jaar toen ze met haar zoontje naar Nederland kwam, zwanger van de tweede. (1964).

Hoe was uw jeugd in Suriname?
‘Ik had een leuke jeugd, ik had veel plezier en heel van familie om me heen. We waren altijd bij elkaar. Ik had ook een honddie Jack heette, hij was echt mijn speelkameraad. Er waren niet veel andere kinderen in de buurt. Ik ben geboren op een plantage, daar was het altijd heel gezellig. We waren niet rijk, maar hadden nooit honger. Toen ik de leeftijd had om naar school te gaan moest ik naar de stad, naar Paramaribo. Tot ik 18 was en op de Mulo zat, woonde ik bij mijn nicht.Ik vond het niet echt leuk dat ik naar Paramaribo moest. Mijn familie zag ik niet veel meer, alleen tijdens de vakanties en dan ging ik ook direct daarna terug.’

Hoe was de reis vanuit Suriname?
Ik ben verhuisd naar Nederland omdat mijn man hier was, hij studeerde hier. Hij heeft een studie tot bankwerker gevolgd, daar was destijds veel vraag naar. We zijn met de boot van Suriname naar Nederland gegaan, dat duurde maar liefst twee weken. Je had geen vertier, je dag bestond uit eten, drinken en dan slapen. s’Avonds werd er wel eens gedanst.’

Waar woonde u vroeger in Nederland?
‘Ik heb vroeger vier jaar in Amsterdam-Oost gewoond, tot ik naar Noord verhuisde. De mensen waren leuk in Amsterdam, ik had hele lieve buren. Ik heb nooit nare opmerkingen gehad van andere mensen. Er waren niet veel zwarte mensen in de buurt waar ik woonde, slechts twee gezinnen.’

 Wat kunt u zich het beste herinneren van Suriname?
‘Alles, ik kan me alles herinneren. De schooltijd was heel leuk, ik ben op de basisschool wel eens gepest omdat ik goed kon leren. De meester trok me dan wel eens voor, dat vonden andere kinderen niet leuk. Ook kan ik me de Tweede Wereldoorlog nog goed herinneren, ook al was er geen oorlog in Suriname; we merkten dat wel. Suiker konden we bijvoorbeeld alleen maar op de bon halen. Tijdens oorlog wilde de Duitsers ook kolonies hebben, ze zijn zelfs naar Suriname gegaan, maar daar hoor je nooit wat over. Ze kwamen met een oorlogsschip, maar voordat ze aan land konden komen, capituleerden ze al.  Ze konden dus niets uitrichten en hebben zich overgegeven.’

Heeft u familie gehad die de slavernij hebben meegemaakt?
‘-ijn opa en oma niet, maar mijn overgroot-opa en -oma wel. Er is tegenwoordig een website waar je kan zoeken naar familie uit die tijd. Ik heb dat gedaan en vond heel veel mensen, alleen mijn overgrootmoeder niet. Ik heb haar niet kunnen vinden omdat ik haar slavennaam niet weet. Slaven kregen vroeger speciale slavennamen, ‘bemoeial’ is er bijvoorbeeld één.’

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Erfgoeddrager: Milan

‘Al die gele briefjes zijn vermoorde familieleden’

Livia, Cate, Milan en Maritou van de Dongeschool gaan op een stormachtige dag met hun begeleider met de auto naar Amstelveen om Dolly Rouwers (1936) te interviewen. Zij is kind van een Duitse, katholieke vader, die in 1920 naar Nederland kwam, en een Joodse moeder. Dolly heeft veel foto’s van haar familie in vroegere tijden. En verhalen. Maar eerst: ‘Jullie willen vast wat drinken. Er is appelsap en perensap. Je kan of een glas of een rietje pakken. Neem maar wat je wil!’

Moesten uw moeder en u een ster dragen in de oorlog?
‘Mijn moeder moest dat wel. Ik kom uit een zogenoemd gemengd gezin. Mijn moeder werkte in de slagerij van mijn vader in de Van Woustraat. Ze is toen een keer opgepakt door de Duitsers, omdat ze op haar witte slagersjas geen ster droeg. Ze heeft toen een paar dagen gevangen gezeten bij de Sicherheidsdienst, in de Euterpestraat. Gelukkig kwam ze weer vrij. Het bijzondere is dat mijn middelbare school, de Gerrit van der Veenschool, na de oorlog in dat gebouw zat. In de fietsenkelder van school, had mijn moeder jaren daarvoor dus in de cel gezeten. Hoe bizar.
In de oorlog zat ik op de Wilhelmina Catharinaschool aan de Weteringsschans, op loopafstand van mijn huis aan de Van Woustraat. Wij kinderen noemden dat de WC-school. Ik heb een onbezorgde schooltijd gehad. Ik speelde met alle kinderen, je lette niet op wie er Joods was en wie niet. Maar op een gegeven moment moesten de Joodse kinderen weg. Er werd een muur geplaatst en zij moesten voortaan aan de andere kant van de muur naar school. Weer later waren ze allemaal weg. Opgepakt of ondergedoken. Omdat mijn zus en ik een Duitse vader hadden, bleven we buiten beeld. Na de oorlog lazen we de gedichtjes van klasgenoten terug in het poesiealbum van mijn zus en zag je namen van kinderen die niet zijn teruggekomen, waaronder Ankie Horduik of Hordijk, een goede vriendin van m’n zus. Ik heb het album altijd bewaard.’

Zijn familieleden van u opgepakt?
‘Oh, de grote razzia van juni 1943! In dat jaar moesten alle Joodse mensen zich melden of ze werden opgepakt. Mijn moeder was helemaal in paniek. Alle familieleden werden weggehaald. Ook het gezin van mijn even oude neefje Eddy. Mijn moeder zei tegen hen: “Laat Eddy bij ons. Wij zorgen wel voor hem.” Maar ze wilden bij elkaar blijven en namen Eddy mee de trein in, de ondergang tegemoet. Zijn ouders hebben nog een kaartje uit de trein gegooid met daarop de tekst ‘Ik zit hier met Eddy op schoot…’ Ze zijn nooit meer teruggekomen. Ik heb het grote boek met de 102.000 namen van de Nederlandse Joden die vermoord zijn. Zie je al die gele briefje die in het boek zitten? Dat zijn allemaal vermoorde familieleden van mij. Ik heb ze allemaal goed gekend. Sommigen hebben geprobeerd onder te duiken. Sommigen hebben het overleefd. Mijn familie en ik hebben door de jaren heen steeds meer waardering gekregen voor mensen die onderduikers in huis hebben genomen.’

Hoe heeft uw gezin de Hongerwinter beleefd?
‘Omdat mijn vader slager was, hadden we de eerste tijd genoeg te eten. Aan het eind van de oorlog moest de winkel sluiten, omdat er gewoon niet meer genoeg was. Mijn vader ging dan op pad om eten te ruilen tegen kruiden, die hij nog had uit de slagerij. Ruilde hij peper en zo voor tarwe. Daarvan liet hij bij de molen in de Czaar Peterstraat, die er nog steeds staat trouwens, meel malen. Waar we dan weer brood van maakten. Mijn ouders stuurden ook eten naar familie in het kamp. Wij hadden wel genoeg.’

Heeft u bombardementen of beschietingen meegemaakt?
‘Ja, er waren bombardementen in Amsterdam-Noord en ook op de Apollolaan, vlak bij jullie school. Ik weet nog dat we dan met mijn moeder thuis gingen schuilen in het trappenhuis, omdat je eerder had gezien dat na een bombardement het trappenhuis meestal nog overeind stond tussen al het puin. We wisten dus, dát is het sterkste punt van het huis. Daar stonden we dan, mijn moeder met haar armen om mij heen. Gelukkig kwam in 1945 de Bevrijding. Een vrolijke tijd, er waren overal feesten en er werden spelletjes georganiseerd, waaronder een hardloopwedstrijd bij ons in de Van Woustraat. Ik werd eerste en won een leverworst… van mijn vaders slagerij! Worst had ik genoeg gegeten, dus toen heb ik gevraagd of ik het mocht ruilen voor yoghurt. Dat mocht. Ik ben nog altijd dol op yoghurt. Ik eet het elke ochtend.’

Erfgoeddrager: Milan

‘Ich will zu meiner Mutti,” huilde de soldaat

Ytje de Vries was de één na jongste thuis. Ze had twee zussen, een broer en een jonger zusje. Het gezin woonde op een boerderij net buiten Tytsjerk, voorbij het bruggetje bij de Woelwijk. De bungalows die er nu staan, waren er toen nog niet. De weg naar Leeuwarden door de Groene Ster ook niet. Ze woonden aan it ein fan ‘e reed (aan het eind van de weg). Ytje was graag bij haar vader in de stal, tussen de varkens, de koeien en de paarden. Ze was bijna drie jaar toen de oorlog begon. Aan Mila, Lútzen en Vera van OS de Romte vertelt ze haar verhaal.

Bent u wel eens bang geweest in de oorlog?
‘Op een ochtend liep ik hand in hand met mijn heit uit de stal, toen ineens twee Duitse soldaten in groen uniform en met een hoge hoed op voor ons stonden. Ze zaten op hele grote paarden; veel grotere paarden dan die wij hadden. We schrokken. Mijn heit kneep in mijn hand van angst. Ik voel het nog. Ook ik was bang. En die mannen praatten heel gek, vond ik. Dat Duits klonk maar wat raar, alsof ze blaften. De Duitsers eisten voor de nacht de schuur op, voor veertig soldaten en veertig paarden. Mijn heit mocht blijven om op de koeien te passen. De rest van het gezin moest weg. We gingen naar mijn pake en beppe in Suwâld.’

Is er ook een razzia bij jullie thuis geweest?
‘Op een zondag, we kwamen net uit de kerk, zat er bij ons huis een jonge man onder de perenboom op het bankje. Hij huilde en was smerig. Mijn mem vroeg hem wat er was. “Laat mij maar,” zei hij, “ze pakken mij toch wel.” Dat vond ik heel erg. Toen zei mem: “Eerst maar eens een bakje koffie!” Hij vertelde dat hij vanwege een razzia uit Leeuwarden gevlucht was. Hij was door de weilanden en sloten weggerend en kwam zo helemaal uitgeput bij ons huis aan. Hij is heel lang bij ons gebleven. Hennie Boelens was zijn naam, het was een aardige jongen. Na hem kwamen er meer onderduikers bij ons thuis. Ik mocht niet weten waar ze verstopt zaten, dan kon ik het ook niet vertellen als de Duitsers ernaar vroegen. Er kwamen onder andere twee kinderen uit Rotterdam, hongervluchtelingen, net zo oud als wij. En een evacué uit Limburg; een jongen van ongeveer elf, die onder de luizen en vlooien zat. Dat vond mijn moeder heel erg, ze was er zelf altijd heel precies in. Maar er was ook geen zeep of shampoo in de oorlog. En zo kwamen er steeds meer onderduikers bij. Op een gegeven moment waren we met zestien mensen in huis, waarvan negen onderduikers. Mijn zusje en ik waren de kleinsten en moesten tijdens het eten op de drempel zitten, omdat er geen ruimte meer aan tafel was.’

Hadden jullie ook last van de Hongerwinter?

‘Nee, want we woonden op een boerderij. We hadden altijd wel melk, daar maakten we ook boter van. En we hadden perenbomen, bessenstruiken en een groentetuin en aardappelen van Klaas de Graaf. Soms kwam er in het geheim ‘s nachts een slager bij ons thuis om een varken te slachten. Het vlees werd snel gebakken en in weckflessen gedaan. Dat was veel werk op een dag, maar het moest zo snel mogelijk gebeuren, want de Duitsers mochten er niet achter komen. Toen de oorlog bijna voorbij was, kwamen er nog twee jonge Duitse soldaten bij ons. Ze waren net iets ouder dan jullie, een jaar vijftien. Ze huilden van de honger, want ze kregen aan het eind van de oorlog bijna niks meer. “Ich will zu meiner Mutti,” zei de een. Natuurlijk kregen ze te eten. Bij ons ging er nooit iemand weg zonder eten. Mijn ouders hielpen iedereen. Er waren ook wel NSB’ers in het dorp, die kenden wij en zij kenden ons. Maar ze hebben nooit verraden dat wij onderduikers hadden. Ik denk omdat mijn heit en mem altijd heel goed waren voor anderen.’

   

Erfgoeddrager: Milan

‘We hebben twee jaar in het kamp doorgebracht tot het werd bevrijd’

Ise, Milan, Nanne en Valentina stappen een paar haltes van hun school, de Sint Antoniusschool, uit aan de Wibautstraat in Amsterdam. Vandaar is het nog maar 10 minuten lopen naar de Transvaalkade waar Wil de Brave woont. Het is een gezellige bovenwoning, met veel oude spulletjes, een oude klok en het hele Volk van Laaf luistert mee naar de verhalen en het interview. Ze vergeten de tijd, zo boeiend is het.

Uit hoeveel personen bestond uw gezin?
‘Toen de oorlog begon had je mijn vader en mijn moeder en mijn broer en mijn zus, dus uit vier personen. Ik ben in januari 1944 geboren dus ik was de vijfde.’

Hoe kwam u in kamp Westerbork terecht?
‘Mijn vader was altijd ontzettend recalcitrant, dat betekent dwars. Wat niet mocht dat deed hij. Hij had bijvoorbeeld nooit zin om met een gele Jodenster op te lopen, die verstopte hij altijd onder zijn jas. Hij had blond haar en blauwe ogen, geen stereotype Joodse man. Mijn vader werd regelmatig opgepakt, dan zat hij even in de gevangenis maar werd telkens weer vrijgelaten omdat hij een gezin had. Dan mocht hij naar huis toe.

Eten kopen deed je met bonnetjes, maar toen ik net geboren was had mijn moeder voor mij nog geen bonnetjes. Ze knipte daarom bakkersbonnetjes voor brood door en plakte ze aan elkaar. Dus van vier bonnetjes maakte ze er zes. En dat heeft een buurvrouw gezien en aan de moffen verteld, en zodoende zijn we opgepakt. We woonden toen in de Zwanenburgerstraat 47, daar ben ik geboren, midden in de Jodenbuurt.

Toen we net aankwamen in het kamp, was ik erg ondervoed. Ik ben toen niet bij mijn moeder in de barak terechtgekomen, maar in het ziekenhuis van het kamp. Mijn vader moest werken. Hij was vrachtwagenchauffeur en automonteur voor de moffen, daarom hoefde ons gezin dus niet op transport. We hebben twee jaar in het kamp doorgebracht tot het werd bevrijd.

Vorig jaar hoorde ik via een neef van mij ineens dat toen wij bevrijd zijn uit kamp Westerbork ik op Schiermonnikoog ben geweest om aan te sterken. Ik was dus bijna 2 jaar toen ik vanuit daar weer terug ben gekomen in het gezin bij mijn ouders. Ik heb dat nooit geweten.’

Wat is uw eerste herinnering aan de oorlog?
‘Dat is dan dat toen we in de straat woonden hier, net na de oorlog en dat ik zag dat de twee huizen blokken naast ons helemaal afgebroken waren. Alle Joodse mensen waren weggevoerd en in de hongerwinter zijn die huizen helemaal leeggehaald. Alle houten kozijnen en deuren alles van hout eruit en werd gebruikt als brandhout.

Hoe heeft u later over de oorlog gehoord?
‘Niet van mijn ouders. Bij ons thuis werd er nooit over gesproken, omdat de rest van de familie allemaal is vermoord en wij het hebben overleefd. Ik heb dat zelf ontdekt toen ik een jaar of 4 was. Iemand schold me uit voor Jood. Dat heb ik aan mijn ouders verteld en toen heeft mijn vader me verteld dat ik een Joods meisje ben. Vanaf dat moment maakte ik altijd ruzie met mensen die me uitscholden. Ik was een keer zo boos toen een meisje met heel lang haar tegen me zei: ach hou toch je mond rot Jood, dat ik haar van de ene kant van de straat aan haar haar naar de andere kant heb gesleept totdat iemand me tegenhield en zei: ‘Wil, nu moet je loslaten, nu is het wel genoeg’. Ik was zo boos.

In mijn tijd werd op school ook niet over de Tweede Wereldoorlog gesproken. We leerden wel over Napoleon en Lodewijk de 14e. De oorlog was nog te dichtbij, denk ik. Later ben ik voorzitter geworden van het 4-5 mei Comité hier in de Transvaalbuurt en toen heb ik die dingen gehoord van mijn moeder. Maar ze had het er liever niet over.’

 

Erfgoeddrager: Milan

‘Altijd bezig of er iets te eten viel’

Siem Rosman moest in de oorlog, net als veel andere kinderen in die tijd, vaak van school wisselen. Hij had maar weinig les. Een keertje vroeg uit of een dag geen les is gaaf, maar jarenlang maar heel weinig school, dat vond eigenlijk geen kind in de oorlog leuk. Aan Fatima, Amani en Milan van de Singelschool in Schiedam vertelt hij dat schoolgebouwen vaak werden gebruikt door de soldaten, waardoor veel kinderen naar dezelfde school moesten. ‘Dit betekende dat je meestal alleen ’s ochtends of alleen ’s middags les had.’

Had u Joodse vrienden?
‘Die had ik niet. Onder de 65.000 mensen die in 1940 in Schiedam woonden, waren maar honderdvijftig Joodse gezinnen. Het was bijna toeval als je Joodse kinderen kende. Niemand had een idee van het lot dat deze mensen wachtte, zoals dat van de familie Van Praag. Het was al ver in de oorlog toen het gezin, dat schuin tegenover de school in de Nassaulaan woonde, werd weggevoerd. Mensen waren onwetend wat oorlog betreft. Toen de Duitse vliegtuigen op 10 mei 1940 kwamen, stonden we allemaal op straat. Achteraf dom, want het kon gevaarlijk zijn. Maar we hadden geen idee wat oorlog was. We wisten alleen iets door berichten op de radio.’

Zijn er ooit Duitsers bij u aan de deur geweest?
Siem: ‘Niet bij mij, maar wel bij mijn vrouw Fia.’
Fia: ‘Bij ons thuis waren ze gek op het koninklijk huis. Maar als de koningin of kroonprinses jarig waren, mocht je natuurlijk geen vlag buiten hangen. Dan hingen we in de kamer een krantenknipsel met foto’s aan de muur. We deden dit ook op 30 april 1942. Op 3 mei zei mijn vader: haal nu maar weg. Op 4 mei ’s morgens om zes uur ging de bel. Mijn moeder keek van boven uit het raam en zag een Duitse officier en een Nederlandse agent aan de deur. ‘Openmaken!’ Mijn vader moest mee. ‘Hij wordt gegijzeld, geef hem eten mee voor een dag’, zeiden ze. Mijn vader was actief in de politiek. Hij was plaatselijk voorzitter van de partij CHU. Anderhalf jaar heeft hij gevangen gezeten. Onder meer samen met burgemeester Van Haaren. Die werd in december ‘42 vrijgelaten, mijn vader pas in december ‘43. Samen met nog honderdzestig mannen.’

Hoe was de Hongerwinter voor u?
‘Ook wij aten tulpenbollen. Via de radio had de Nederlandse regering in Londen gezegd dat de spoorwegen moesten gaan staken. Zodoende reden er geen treinen meer die belangrijk waren voor het goederentransport. In Schiedam ontstond een tekort aan brandstof en voedsel. Er was geen verwarming meer, we gingen ook niet meer naar school. Ik ben eens de hele Rotterdamsedijk uitgelopen achter een Duitser aan die met paard en wagen was. Iedere keer als hij niet keek, haalde ik een paar bruinkoolbriketten van de wagen. Ik had daarvoor altijd een juten zakje bij me. Op Oudjaarsdag 1944 ben ik met mijn vader eten gaan halen, vanuit Schiedam lopend de Rotterdamsedijk uit naar Schiemond, met het pontje naar de overkant. We gingen naar Hoogvliet, tafellakens ruilen voor aardappelen. Een halve mud hadden we kunnen krijgen. Dat was flink sjouwen, want dat is 35 kilo, maar gelukkig hadden we een kinderwagen mee. De dag erna kwamen we bij het vliegveld op Rotterdam-Zuid Engelse bommenwerpers over vliegen. Die gingen echt heel laag. ‘Dit gaan we niet overleven’, dacht ik. Maar de vliegtuigen raakten ons niet. Toen bleek dat we de pont naar huis niet meer konden halen. We hebben een politieman gevraagd waar we konden overnachten. ‘Ja, bij mij op bureau’, zei die. Het werd een bijzondere jaarwisseling want de enige agent die de wacht hield ging naar huis, met ons tweeën hielden we de politiepost bezet. We hebben op de potkachel aardappels gepoft. En lekker dat dat is, zeker als je honger hebt. Om twaalf uur was het een drukte van belang, de Duitsers deden aan nieuwjaarsschieten.’

U bent ook nog tegen het einde van de oorlog naar Broek op Langendijk, in Noord-Holland, gegaan omdat er te weinig eten was. Hoe was dat?
‘Met vijftig kinderen scheepten we in, in een schuit met stro op de bodem. We waren twee dagen onderweg. Bij Amsterdam lagen we stil om te slapen. Aangekomen meerden we aan achter de kerk, waar de gezinnen kwamen om de kinderen af te halen. Ik was de oudste, dus mijn ouders hadden gezegd dat ik op mijn broertjes moest letten. Maar toen bleek ik ingedeeld in een ander dorp dan zij. Ik heb net zo lang gepraat tot ik kon ruilen met een ander gezin om toch bij hen in de buurt te blijven. In Broek op Langendijk was het die periode aardig weer, we kregen wel wat lessen van de hoofdonderwijzer, maar hadden ook veel tijd om bootje te varen en vogeltjes te kijken. En voor 3 cent kon je een boek lenen. Ik heb lekker zitten lezen.’