Erfgoeddrager: Alex

‘Wat is dat nou voor man?’

Floor, Gijs, Alex, Hanna uit groep 8A van de Annie MG Schmidtschool in Amsterdam interviewen mevrouw Nel van den Brink. Mevrouw Van de Brink doet voor het eerst mee aan Oorlog in mijn Buurt en is de moeder van de juf. Dus dat is een bijzondere ervaring voor de leerlingen. Mevrouw Van den Brink heeft veel indrukwekkende verhalen te vertellen.

Hoe leefde u in de oorlog?
‘We hadden bijna geen brandstof. Kolen waren er niet meer, dus we stookten hout. We zaagden een keer boompje om, en sleepten het mee naar binnen, maar de takken staken nog door de brievenbus. Een buurman waarschuwde ons, want de Duitsers mochten dat niet zien. We woonden met mijn grootouders en een invalide tante samen. Toen de hongerwinter begon en er geen kolen meer te krijgen waren, zijn ook een oom en tante met drie kinderen en nog een broer van mijn moeder, bij ons komen wonen. We hoefden maar één kachel te stoken voor ons allemaal. We sliepen met z’n allen in een paar kamers. Het was krap, maar dat voelde voor mij niet zo erg. Wat ik vooral onthouden heb, is dat we alles samendeden en dicht op elkaar leefden.’
‘Soms zaagden we zelfs kastdeuren in stukken om te verbranden. We hadden geen elektriciteit, dus ’s avonds was het donker. Mijn oma trapte op een naaimachine, die een klein lampje liet branden, zodat mijn moeder kon voorlezen.’

Hoe kwamen jullie aan eten?
‘We kregen voedselbonnen, maar daarmee kon je weinig kopen. Soms haalden we soep bij een centrale keuken, maar die werd steeds slechter. Uiteindelijk aten we vaak suikerbieten. Dat vond ik eerlijk gezegd heerlijk. Want die waren heel zoet. Ik hou nog steeds van heel veel zoet. Dus ik vond die suikerbieten best lekker. Maar de familie was er wat minder enthousiast over. Mijn vader en oom gingen op hongertocht naar boeren om eten te ruilen voor spullen zoals sieraden. Ook werd er soms eten gekocht op de zwarte markt, als er geld was.’

Was u bang?
‘Ik was bang als er werd aangebeld. De Duitsers haalden namelijk mannen op om in Duitsland te werken. Daarom had mijn opa een geheime ruimte gemaakt in de gereedschapskast, als er werd gebeld verstopten de mannen zich daarin. Mijn moeder had tegen mij gezegd: ‘Als er gebeld wordt of er komen mensen, dan moet je maar nooit naar die kast kijken’. Dus ik was dan een beetje angstig en dan ging ik onder de tafel zitten en keek ik maar naar de grond. Ik was bang dat ik iets zou verraden, ook al was ik nog maar een klein kind.’

Wat is er met uw vader gebeurd?
‘Mijn vader zat in een werkkamp in Duitsland. Tegen het einde van de oorlog werd dat kamp gebombardeerd, waardoor hij kon ontsnappen. Samen met anderen liep hij helemaal terug naar Nederland. Ze hadden geen geld en geen papieren, dus ze moesten onderweg bij boeren aankloppen voor eten en onderdak. Uiteindelijk kwam hij thuis, hij liep opeens bij ons binnen. Hij was helemaal bleek. Maar ik herkende hem niet, want hij had een gigantische baard. En zijn haar was ook heel lang gegroeid, dus hij zag er heel gek uit. En mijn moeder, die wierp zich op die man, die liet hem niet meer los. En ik dacht: ‘Wat is het nou voor man?’ Dat was heel gek. Maar hij moest ontluist worden, want hij zat onder de luizen. En toen ze terugkwamen, was hij helemaal kaal geschoren. En zijn baard was er ook af. Nou ja, toen herkende ik hem natuurlijk wel.’

Had u ook leuke momenten tijdens de oorlog?
‘Ja, ondanks alles heb ik ook leuke momenten gehad. Ik speelde veel met mijn neefjes, die bij ons in huis woonden. We hadden geen speelgoed, maar we gebruikten onze fantasie. Een voetenbankje draaiden we om en dan werd het een wagentje en een beeldje werd een pop. We speelden dat we naar ons werk gingen en verzonnen verhalen. Als kind merkte ik minder van de zorgen. De volwassenen droegen die last, terwijl ik vooral bezig was met spelen.’

 

 

 

Erfgoeddrager: Alex

‘Hij herkende mijn moeder meteen

Fija, Mia, Alex en Emilio uit groep 8A van de Annie MG Schmidtschool in Amsterdam interviewen meneer Cor Bongers. Meneer Bongers woonde in de oorlog aan de Aalsmeerweg in Amsterdam. Ook al was hij een klein jongetje toen, hij heeft veel bijzondere herinneringen.

 Wat is de eerste herinnering die u heeft van de oorlog?
‘Ik herinner me dat ik een keer buiten speelde en even naar binnen ging, want ik moest plassen. Toen hoorde ik mijn vader binnen vreselijk huilen, mijn moeder en een buurman waren hem aan het troosten. Maar het was heel erg voor mij om dat hevige verdriet van mijn vader te zien. Die schok blijft je hele leven bij je. Een hevig huilende vader verwacht een kind niet.’

Waarom moest uw vader zo huilen?
‘Mijn vader had een schoenmakerswinkel, maar na twee jaar oorlog was het materiaal voor de schoenen op. Toen had mijn vader geen werk en geen geld voor eten voor het gezin. Hij wilde een van zijn poetsmachines uit de werkplaats verkopen of ruilen voor eten. Hij liep op een dag met de poetsmachine op zijn oude fiets naar de polder. De eerste dag heeft hij geleurd en gebedeld met de machine, maar niet kunnen ruilen. ’s Avonds mocht hij bij een boer in de koude schuur blijven slapen. De volgende dag ging hij weer op pad. En toen was er een boer, die wel graan wilde geven voor de poetsmachine. Mijn vader sjouwde blij met de zak graan op de fiets door de polder terug naar de stad. Maar bij Badhoevedorp stonden twee Duitse soldaten, die mijn vader tegenhielden. Mijn vader sprak geen Duits en moest de zak graan inleveren. De Duitsers namen het gewoon in beslag, wat hij ook probeerde, want ook de soldaten hadden niet veel te eten. Die vreselijke tocht bracht hem tot de huilbui.’

Waar woonde u in de oorlog?
‘In de oorlog woonden we op de Aalsmeerweg. De Aalsmeerweg was een van de breedste straten van Amsterdam, breder dan de Overtoom. De soldaten liepen door onze straat te marcheren. Wij vonden dat wel leuk en gingen ook soldaatje spelen. We liepen te marcheren met een bezemstok over onze schouder als geweer. Ik was zogenaamd de commandant en we liepen over het brede trottoir. Ik zei dan: ‘Links, links’. Plotseling kwam er een colonne Duitse soldaten langs in een vrachtwagen en eentje gooide een brood naar ons. Ik liep voorop als de ‘commandant’ en ik had dat brood gevangen. Ik rende meteen naar huis en riep: ’mamma, mamma ik heb brood!’. Vlakbij huis hoorde ik geratel achter me, dat was een man op een fiets met houten banden. Hij had in de verte gezien dat ik brood had gekregen en was hard achter mij aangefietst en pikte zo het brood uit mijn handen. Toen kwam ik huilend thuis. Dat was ook wel erg voor een jochie van vijf jaar. Maar de Duitsers waren soms best vriendelijk voor kinderen.’

Had u broers of zussen?
‘Ik heb drie broers, ik ben de oudste. Mijn broer Jos werd in mei 1944 geboren, de hongerwinter was net een beetje voorbij. Door het tekort aan eten, maakten moeders die baby’s hadden, geen borstvoeding. Mijn moeder had voor Jos ook te weinig borstvoeding. Toen hebben de kerk en het Rode Kruis en de gemeente besloten contact te zoeken met boeren in Friesland, waar wel eten was. Er waren honderd boeren bereid een baby op te nemen. Er was een schip, dat voer van Amsterdam naar Lemmer, in het zuiden van Friesland. Daar stonden mensen klaar om de baby’s op te vangen. De kinderen werden in een groot ruim gelegd met wat stro en dekens. Het schip ging varen, maar midden op het IJsselmeer begon het hard te waaien en het schip ging slingeren. De baby’s werden misselijk en er ging ook een baby’tje dood. De kapitein durfde niet verder te varen en is naar Enkhuizen gevaren, dat was toen de dichtstbijzijnde grote haven. In Enkhuizen is de kapitein hopeloos verward door de straten van Enkhuizen gaan roepen: ‘Wie wil er een baby’tje adopteren, ik heb honderd baby’s aan boord! Ze moeten gevoed worden!’. Er kwam een dokter en een dorpsomroeper, een man met een grote toeter. Hij ging door de straten lopen en binnen een uur waren alle baby’s verdeeld onder de mensen. Wat een fantastische mensen!’

Heeft uw moeder uw broertje weer teruggekregen?
Mijn moeder kreeg bericht dat Jos in Enkhuizen was terecht gekomen bij de familie Kofman. Toen de oorlog was afgelopen, heeft mijn vader een handkar gehuurd. In de handkar mochten mijn moeder en mijn andere broertje zitten en ik moest met mijn vader duwen. Ik was toen zes jaar en zo zijn we lopend langs Purmerend naar Enkhuizen gelopen. Dat deden we in twee dagen. De eerste avond stopten we bij een boer. We mochten in de schuur slapen en we kregen ook nog wat te eten, heel lief. Maar de boer waarschuwde dat we stil moesten zijn, want er sliepen ook wat Duitse soldaten. Die moesten lopend weer terug naar Duitsland, naar huis. Maar je wist nooit of die jongens nog agressief konden worden.’
‘De volgende dag zijn we in stromende regen doorgelopen naar Enkhuizen. We kwamen daar drijfnat aan. Toen we binnenkwamen bij de familie Kofman zat onze Jos midden op tafel met grote ogen naar ons te kijken. Hij herkende mijn moeder meteen. Dat was een heel mooi moment.’

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Erfgoeddrager: Alex

‘Een Russische soldaat stond bij ons in de tuin, op zoek naar eten’

Beatrix Terreehorst woont nu aan het Spaarne in Haarlem, maar groeide tijdens de oorlog op in Oost-Duitsland. Alex, Valentijn, Jonathan en Louis van de Hannie Schaftschool zijn benieuwd naar haar verhaal. Na een korte fietstocht komen ze bij haar huis aan, waar de sleutel uit het raam naar beneden wordt gegooid. De limonade en cake staan al klaar en de fotoboeken liggen open. In de zithoek gaan de jongens van start.

Hoe begon de oorlog voor u?
‘Ik was twee jaar toen de oorlog begon, dus dat weet ik niet meer zo goed. Ik woonde toen in Oost-Duitsland. Mijn ouders waren wel Nederlands, dus ik had ook de Nederlandse nationaliteit. Als de sirenes afgingen, wist je dat er gevaar was. Speelden we buiten speelden, dan moesten we meteen naar huis of naar een schuilplek. Dat was soms gewoon bij mensen in huis, want iedereen opende dan zijn deuren zodat anderen veilig konden schuilen. Bij een bombardement vlogen de stenen in het rond, waardoor het erg gevaarlijk was.’

Waar verstopten jullie je tijdens bombardementen?
‘Ik was vaak heel bang als de sirenes gingen. Dan kropen we onder het dekbed en hielden we onze oren dicht zodat we het geluid minder hoorden. Mijn moeder moest vaak werken, ook ‘s nachts. Dan waren wij met z’n drieën alleen thuis: mijn zus, mijn broertje en ik. We zochten dan zelf een schuilplek. In huis hadden we een kleine schuilkelder in de gang. Als het echt gevaarlijk werd, gingen we naar buiten, naar een soort grot in een heuvel. Daar konden we schuilen zonder dat iemand ons zag. Dat gaf een beetje een veilig gevoel, maar het bleef spannend.’

Hoe was het leven als kind in de oorlog?
‘Buiten speelden we verstoppertje of met een springtouw. Een bal hadden we niet. Binnen spelen deden we met heel weinig speelgoed. Mijn zus had een pop en mijn broertje een houten auto, maar ik had zelf niets. Eten was schaars. Soms lag er geen brood meer in de kast als ik naar school moest. Dat gaf een naar gevoel.

Gelukkig deelden mensen veel met elkaar. Soms kreeg ik een boterham van een klasgenootje. We verzamelden ook eten van het land, zoals restjes van de oogst. Daar maakten we bijvoorbeeld stroop van. Mijn moeder kookte grote pannen met hutspot, die we deelden met de buren. De ene buur had de uien, de andere buur de aardappelen. Iedereen hielp elkaar.’

Hoe eindigde de oorlog?
‘Toen de oorlog voorbij was, kwamen de Canadezen met tanks door de straat. Ze gooiden snoep en eten naar de kinderen. Dat was een heel blij moment. Maar daarna kwamen de Russen in het gebied waar ik woonde. Toch zaten daar ook aardige mensen bij. Ik weet nog dat er een Russische soldaat bij ons in de tuin was, op zoek naar eten. Je kunt niet zeggen dat iedereen slecht is.

Later ging ik naar Nederland met het Rode Kruis, samen met mijn broer en zus. Een half jaar zijn we in Heemstede geweest, daarna sprak ik vloeiend Nederlands. Toen ik 15 was, verhuisden we definitief naar Nederland. We zijn toen met de trein en het vliegtuig vanuit Oost-Duitsland gevlucht naar het Westen. Dat had het Nederlandse consulaat voor ons geregeld.’

Erfgoeddrager: Alex

‘Ik herinner me nog hoe ik op de deuren sloeg’

Alex, Medine, Matthew en Sepp van de Visserschool in Amsterdam West interviewen meneer Arnold Paalvast. Meneer Paalvast is geboren toen de oorlog net begon. Hij werd de oudste van een gezien met negen kinderen. Hij woonde niet in Amsterdam, maar in Den Haag tijdens de oorlog.

Wat gebeurde er op het vliegveld?
Mijn moeder had een zus en die werkte op een klein vliegveld. Daar kwamen veel parachutisten aan die als doel hadden om de koningin mee te voeren naar Duitsland. Mijn moeder was doodsbang wat daar allemaal ging gebeuren. Zij was toentertijd acht maanden zwanger van mij en haar vliezen braken te vroeg. Ik heb toen drie dagen zonder vruchtwater in de baarmoeder geleefd en werd daardoor blauw geboren!’

Wat heeft uw vader meegemaakt tijdens de oorlog?
‘Mijn vader had in de oorlog een paard en wagen. Dat paard sliep ergens in de buurt van zijn bedrijfje. Op een dag kwamen de buren mijn vader vertellen dat hij uit moest kijken, want anderen wilden het paard slachten om op te eten. Toen heeft mijn vader het paard in de bijkeuken laten slapen. Mijn vader heeft ook een keer een paar dagen in de gevangenis gezeten. De Duitsers dachten namelijk dat hij meel had gejat. Hij is later vrijgelaten.’

 Moest u schuilen tijdens de oorlog?
Mijn vader heeft vaak moeten schuilen. Onder de kachel zat een luik en daar bleef mijn vader, soms heel lang, onder de grond verstopt voor de Duitse soldaten tijdens een razzia. Mijn vader werd onder die vloer zo zenuwachtig dat hij bijna kaal weer tevoorschijn kwam. Mijn ouders wisten wanneer er een razzia zou komen. Ze kregen een tip van de overbuurman, die bij het elektriciteitsbedrijf werkte. De Duitsers hadden tijdens de oorlog alle elektriciteit afgesloten, maar als ze een razzia uitvoerden, werd de elektriciteit wel even aangezet. Mijn ouders deden de stofzuiger in het stopcontact en als deze begon te loeien, wisten we dat er een razzia aankwam. Waarschijnlijk hadden de Duitsers de elektriciteit nodig om de lichten in de woningen aan te kunnen zetten om zo makkelijker mensen op te sporen.’

Wat is uw engste herinnering aan de oorlog?
Mijn engste herinnering vond plaats rond 1943. Ik was toen ongeveer 4 jaar. Als er een razzia van de Duitse soldaten kwam, schuilde mijn vader dus onder de grond. De razzia werd uitgevoerd om mannen tussen de 16 jaar en 60 jaar mee te nemen naar Duitsland en ze daar dwangarbeid te laten uitvoeren. Ik mocht niet gevonden worden als de Duitsers aan de deur kwamen. Ze zouden dan vragen ‘Waar is je vader?’ Als klein kind zou ik waarschijnlijk eerlijk zeggen waar mijn vader zich verstopt had. Daarom stopte mijn moeder me in de muizenkast. Dit was een grote rommelkast die in ons huis stond. Er zat geen licht in en deze kast kon op slot. Ik vond dat doodeng en raakte dan volledig in paniek. Ik herinner me nog hoe ik op de deuren sloeg. Die paniek ken ik nog wel.’

Erfgoeddrager: Alex

‘Na de oorlog dachten we dat alles meteen weer goed zou komen’

Vanaf de basisschool De Pinksterbloem in Amsterdam-Oost fietsen Alex, Valentijn, Odilie, Fons en Nanook naar het huis van Myriam Mater. Mevrouw Mater was een meisje van 9 toen de oorlog uitbrak. Ze wist niet dat ze Joods was en het was helemaal niet belangrijk, maar opeens werd het gevaarlijk om Joods te zijn. Ze vertelt het allemaal met een lach en geniet van de kinderen, maar de verhalen maken diepe indruk.

Waarom mocht u niet opvallen?
‘Voor de oorlog wist ik niet eens dat ik Joods was. Mijn moeder was Joods en droeg een Davidster, maar mijn vader hoefde dat niet omdat hij niet Joods was. Het was natuurlijk een idioot idee, omdat de Joden niks bijzonders zijn. De Duitsers hadden bedacht dat zij de schuld van alles waren en dus moesten worden uitgeroeid. Mijn vader was het hier niet mee eens en heeft heel veel Joden gered. Hij verzon een manier om Joden te ontsterren en moest later in de oorlog onderduiken.’

Wat dacht u toen de Duitsers bij u thuis binnen wilden komen?
‘Wij waren natuurlijk heel bang. Mijn vader en zusjes waren ondergedoken en mijn moeder lag in het ziekenhuis. Ik was thuis omdat ik voor de onderduikers die we in huis hadden, moest zorgen. Mijn zusje kwam toevallig langs. De Duitsers hadden ons eerst opgesloten in een kamer en zijn toen gaan zoeken. Dat ging met veel geschreeuw gepaard en we waren als de dood dat ze de onderduikers zouden vinden. Wat we niet wisten was dat ze naar mijn vader op zoek waren. Toen ze niks vonden hebben ze ons uit die kamer gehaald en ik moest het ziekenhuis bellen waar mijn moeder lag. Ik kreeg mijn vader aan de lijn terwijl ik een revolver van de Duitser in mijn oor had. In een opwelling zei ik in het Frans: ‘Niet naar huis komen’. De Duitse soldaat verstond het niet en werd vreselijk kwaad. Als wraak hebben ze onze schildpadden in kokend water gegooid. Dat was natuurlijk erg wreed en het waren onze schildpadden, maar dat staat niet in verhouding met wat veel andere mensen hebben meegemaakt. Niet veel later is mijn moeder overleden.’

Wat weet u nog van de Bevrijding?
‘De mensen kwamen als paddenstoelen uit hun huizen en riepen dat er weer vrede was en dat de moffen zouden verdwijnen. We dachten dat alles meteen weer goed zou komen. Maar de lijken lagen nog opgestapeld en moesten nog begraven worden. De huizen lagen nog in puin. We hadden toen ook woningnood. Mijn moeder had de oorlog niet overleefd dus we waren daar heel verdrietig over.

Uiteindelijk is het natuurlijk heel goed met mij gekomen. Ik denk nog wel aan de oorlog, maar het doet me geen verdriet meer. Het is al heel lang geleden. Het erge is dat het maar doorgaat. We hebben nu ook weer mensen die uit de meest vreselijke oorlogen komen. Ze komen hier als vluchteling en zij hebben net zoiets meegemaakt als wij toen.’

Erfgoeddrager: Alex

‘Het lied gaat over stenen waarmee slaven mishandeld werden’

Ruth Christien Lo Asioe is 85 jaar en woont in een bejaardenhuis voor Surinamers, tegenover het multiculturele ouderencentrum De Hudsonhof. Faraz, Laura, Elian, Douae en Alex, leerlingen van de nabijgelegen Admiraal de Ruyterschool, gaan haar daar interviewen, in een een gezellige ruimte waar meerdere culturen samenkomen.

Hoe woonde u in Suriname en heeft u een leuke herinnering aan uw kindertijd?
‘Ik woonde in een houten huis in een tijd dat vrijwel alle huizen in Suriname alleen koud water hadden. Warm water was alleen voor de rijken. Het douchewater was trouwens niet echt koud, want de buizen lagen boven de grond en werden door de zon verwarmd. In de regen baden vond ik het lekkerste dat er was. Gewoon met je kleren aan in die warme regen. We haalden de dakgoten uit elkaar om een dikke straal te krijgen. Ook zwom ik in de rivier of in de colakreek. Ze noemen die kreek zo, omdat het – schone – water wel cola leek. Dorre bladeren die erin veroorzaken een theewaterkleur. Mijn vader was burgemeester van beroep en mijn moeder was onderwijzeres, net als ik later ben geworden. Ik was hun enige kind. We hadden het goed.’

Hoe was het op school?
‘Op school hadden we dezelfde lesboeken als in Nederland. Toen ik een toets moest doen om na de basisschool toegelaten te worden op de mavo kon ik alle kreekjes en bruggen over de rivieren opnoemen, nu nog. Tegenwoordig zijn er Surinaamse schoolboeken met heel andere onderwerpen. Ik wist altijd al dat ik onderwijzeres wilde worden. De poppen thuis waren mijn schoolklasje. Mijn motto is dat als je je inzet je alles kunt bereiken en je je eigen weg kunt creëren. Zo ben ik na de mavo door gaan leren. In mijn veertig jaar als onderwijzeres heb ik op diverse scholen lesgegeven, in verschillende vakken. Als ik in Suriname op vakantie ben, ga ik nog altijd even langs bij ‘mijn’ schooltje.’

Is er een verschil tussen Suriname en Nederland?
‘Het grootste verschil is natuurlijk de temperatuur. Het is daar vaak meer dan 34 graden. In Nederland werken we van negen tot vijf, in Suriname van acht tot één, want daarna is het er veel te heet. Ik mis de warmte van daar niet, ik hou van koelte. Ook het eten is anders. Ik eet bijvoorbeeld minder aardappelen en meer bananen, cassaven en patatten. Suriname, Nederland en alle andere landen hebben hun eigen identiteit, maar we moeten het wel samen doen.’

Bent u wel eens gediscrimineerd?
Vroeger werd ik wel eens gediscrimineerd in de bus of de tram, maar daar maakte ik mij niet zo druk om. Ik laat zelf mensen in hun waarde. Belangrijk is hoe je je opstelt ten opzichte van de ander. Als jij stug en onaardig bent naar de ander toe dan lok je datzelfde gedrag uit. Maar als je aangenaam doet, is er geen vijandschap. Of je nu zwart, bruin, blauw of wit bent, we zijn allemaal mensen, vind ik.’

Heeft u voorouders die te maken hebben gehad met slavernij?
‘In de slaventijd vonden de Europeanen, de Nederlanders ook, dat zwarte mensen geen mensen zijn. Volgens hen hadden ze geen hersens, geen hart. Ze kwamen alleen om alles te halen. Goud, hout en bauxiet, de grondstof voor aluminium. Alle rijkdommen van Suriname zijn naar Nederland en naar Amerika gegaan. Dat is treurig. De regeringen in Europa hebben besloten dat de slavernij moest worden afgeschaft, dat gebeurde in 1863. Nederland was het laatste land in Europa dat het afschafte. Mijn vaders grootmoeder was nog een slavin. Zij woonde op een plantage met haar Joodse meester, de eigenaar van de plantage. Met hem heeft ze haar eerste kinderen gekregen. Ze was gewoon bezit van die man en was aangewezen om kinderen van hem te krijgen. Later trouwde ze met een Chinese man van de plantage en kreeg kinderen met hem. Vandaar mijn Chinese achternaam Lo Asioe. Mijn overgrootvader was een Chinees en mijn overgrootmoeder een Afrikaanse.’

En dan zingt mevrouw Lo Asioe met de kinderen een liedje uit de slavernijperiode:

Faya siton no bron miso no bron miso
Faya siton no bron miso no bron miso
Adygen masra Yanki kiri suma pikin
Adygen masra Yanki kiri suma pikin

‘Faya betekent vuur en siton is steen. De tekst luidt dus: Hete steen brandt me niet zo, meester Jan heeft alweer iemands kind vermoord. Slaven moesten voor straf – als ze volgens de meester niet hard genoeg werkten of bijvoorbeeld een banaan hadden weggenomen – op hete stenen staan en ze in hun handen houden. Tijdens het vasthouden zongen ze dit lied.’

Bent u trots dat Suriname nu onafhankelijk is en waarom woont u nu in Nederland?
‘Ja, ik ben trots op die onafhankelijkheid. Je moet groot worden en op je eigen benen gaan staan. Elk kind moet leren lopen. Het is vallen en opstaan. Maar het is niet gegaan zoals ik het zou willen. Nu is alles een beetje minder in Suriname dan toen we nog een kolonie waren. Bij de onafhankelijkheidsverklaring was ik in Nederland bij mijn moeder, die toen op sterven lag. Toen ik weer terug was in Suriname heb ik gevraagd of ik mijn Nederlandse paspoort mocht inruilen voor een Surinaams paspoort. Alleen met een Surinaams paspoort mocht ik als schoolleiding blijven en dat wilde ik graag. Pas toen ik met pensioen ging en bij mijn kinderen en kleinkinderen ging wonen in Nederland, heb ik mijn paspoort weer ingeruild voor een Nederlands paspoort. Dat kon omdat ik in de kolonie Suriname als Nederlandse was geboren. Ik wilde weer hier wonen, omdat ik mijn kleinkinderen vreselijk miste. Ik ging oppassen, zodat mijn dochter kon werken. Dat is nu tweeëndertig jaar geleden, zo oud als mijn oudste kleinkind nu is.’

Erfgoeddrager: Alex

‘Mensen mochten mij niet omdat ik een buitenlander was’

Leonoor, Maud en Alex interviewen Annemarie ten Brink in een leeg lokaal van de Nieuwe Havo in Amsterdam-Noord. Mevrouw Ten Brink is met de metro naar school gekomen. Rustig vertelt ze over haar verleden in Nederlands-Indië.

Wat is uw connectie met Nederlands-Indië en hoe bent u daar gekomen?
‘Mijn vader was marine-officier bij de koninklijke marine, en hij was in Nederlands-Indië geplaatst. Eigenlijk moest hij om de zoveel jaar terug naar Nederland, maar vanwege de oorlog die uitbrak bleef hij in Indonesië. Mijn moeder woonde al vanaf haar zevende in Nederlands-Indië. Mijn vader kwam destijds met een schip aan in Nederlands-Indië, en ontmoette er mijn moeder. Ze werden verliefd en trouwden. In 1931 werd ik geboren. Wij hadden thuis een kokkie (die kookte) een jangas (deftige bediende) die serveerde en de afwas deed, en een tuinier. We waren vaak in de keuken en zagen daarom ook wat de kokkie deed. Het was altijd gezellig bij de kokkie.’

Hoe was het om in zo’n kamp te zitten?
‘Bij de Slag in de Javazee heeft mijn vader meegevochten. Hij kwam helemaal overspannen terug. Ik was zelfs bang voor mijn vader omdat hij zo erg veranderd was: je herkende de aardige man van vroeger niet meer. Mijn vader ging eerder het kamp in dan wij, en ik was eigenlijk wel een beetje opgelucht omdat hij zo veranderd was. Alleen heb ik hem helaas daarna nooit meer gesproken omdat hij gestorven is nog voordat wij het kamp ingingen. Hij was erg ziek geworden, maar ze hadden geen medicijnen. Door deze gebeurtenis wisten wij al dat de kampen niet zomaar iets waren. Uiteindelijk werden ook wij opgepakt. Ik was intussen 11 jaar oud, en moest helpen met corvee en schoonmaken of koken voor het kamp. Ook moesten we van de Japanse wacht grond omspitten, gras snijden en koffers sjouwen op het station. Omdat ik zo jong was, vroeg ik me niet echt af wat er in het kamp gebeurde, het was gewoon afwachten. Ik was wel erg blij dat ik er met mijn zussen, broertje en moeder zat. Waren ik en mijn zus jongens geweest, dan hadden we naar het mannenkamp moeten gaan.’

Hoe was het om voor het eerst in Nederland te komen?
Toen de oorlog voorbij was, was er heel veel onrust in het land. We besloten daarom met de boot naar Nederland te gaan. Onderweg stopten we bij Sri Lanka omdat we kleding en benodigdheden nodig hadden. Vier maanden zijn we er gebleven, ik ging er naar school en had een leuke tijd. Toen het zover was om op de boot naar Nederland te gaan, had ik al best wat geleerd op school. Ik wist bijvoorbeeld hoe ik moest rekenen. Hoewel mijn hele familie Nederlands is, was het toch best raar om in Nederland te zijn. Ik woonde bij mijn tante. Het schoolleven in Nederland vond ik niet zo leuk. Mensen mochten mij niet omdat ik een buitenlander was. Ik kon nooit zeggen hoe slecht mijn situatie was, want ze begrepen me niet. Ze zeiden bijvoorbeeld dat zij het veel zwaarder hadden gehad in de Hongerwinter. Uiteindelijk is alles toch goed gekomen en heb ik hier een heel mooi leven. Ik ben nu vrijwilliger bij Vluchtelingenwerk omdat ik weet hoe die mensen zich voelen. Oorlog en al dat verdriet en dan hier ook nog eens veel mensen die je niet begrijpen…’

Erfgoeddrager: Alex

‘Je kreeg heel erg het gevoel er niet meer bij te horen’

In zijn gezellige huiskamer vol foto’s en schilderijen aan de muur en met zijn vrolijke krullenbolhond Doebie aan zijn voeten, vertelt oud-huisarts Jack Courant aan Adam, Alex, Badr en Bodhi Jay van de school Spring High zijn aangrijpende oorlogsverhaal. Eerst zijn ze wat verlegen en durft niemand wat van de cake of chocolade-eitjes te nemen. Maar gaandeweg breekt het ijs. En nemen ze uiteindelijk weer afscheid, vol verhalen en met een volle mond.

Hoe voelde u zich toen het oorlog werd?
‘Dat is een goede en ook moeilijke vraag. We wisten al een poosje dat de Duitsers in eigen land vreselijk tegen de Joden tekeer gingen. Hier was het nog rustig en Duitsland ver weg. In 1938 kwamen veel Duitse Joden naar Nederland; die vertelden hoe erg het daar was. En toen begon de oorlog hier. Ik was zestien. Op een mooie lentedag werd ik wakker van een geluid: pof, pof, pof. Toen ik uit het raam keek, zag ik Duitse parachutisten uit een vliegtuig vallen. “Dit is het begin van de oorlog,” zei mijn vader. In het begin merkte je niet veel van de bezetting. We dachten dat het wel mee zou vallen. Maar langzamerhand werd het steeds erger.’

Moest u onderduiken?
‘Ja, omdat ik Joods ben. In 1942 werden steeds meer dingen verboden. Overal hingen plakkaten met ‘Verboden voor Joden’. Je mocht niet meer in het zwembad, de tram, de trein. Fietsen moesten worden ingeleverd, telefoon en radio ook. Je kreeg heel erg het gevoel er niet meer bij te horen. Op een dag kreeg ik een kaart in de bus; we woonden aan de Boterdiepstraat in Amsterdam-Zuid. Ik moest me melden voor een werkkamp. Ik wilde me niet uitleveren aan de vijand. Maar als je je niet meldde, kreeg je flinke straf. Ik zei mijn ouders dat ik niet zou gaan, pakte mijn koffertje en ging weg, alleen. Ik haalde de ster van mijn jas en daardoor voelde ik me buiten ineens weer een gewoon mens! Maar waar moest ik naartoe? Ik had twee vrienden waar ik me veilig bij voelde. Maar allebei schrokken ze van mijn vraag om me onder te laten duiken. Dan liep je zelf ook risico, als het ontdekt zou worden. Een dienstmeisje van een van mijn vrienden zei: “Dan ga je toch met mij mee”. Dat werd mijn redding. Zo kwam ik in Rotterdam terecht. Daar moest ik binnenblijven, onzichtbaar, doodstil in de kast als er visite kwam. Een keer moest ik me snel verstoppen terwijl ik mijn tanden poetste. Zat ik de hele avond met tandpastaschuim in mijn mond in de kast. Ik heb op vier, vijf adressen ondergedoken gezeten en allemaal waren ze anders. Bij de een was het gemakkelijker en was ik vrijer dan bij de andere. Zoals in Veendam.’

Wat is daar gebeurd?
‘Van daaruit ging ik éen keer in de week naar Groningen om te kijken of er post was van mijn familie. Op een dag werd de bus waarin ik zat aangehouden. Ik moest mijn persoonskaart laten zien. Die was natuurlijk vals, van een Rotterdamse student, die ‘m als verloren had opgegeven. Erop zat wel een foto van mij. Ik vertelde de militairen dat ik op weg was naar mijn professor, maar moest toch mee naar het hoofdkantoor in Groningen, een gevaarlijke plek waar mensen ook gemarteld werden. Ik moest ineens nodig plassen en vroeg of ik naar het toilet mocht. Een NSB’er hield de wacht voor de deur, maar toen ik de deur weer open deed, was hij weg. Ik liep de trap af, groette een Duitser en wandelde de voordeur uit. Tot de hoek heb ik nog rustig gelopen. Daarna ben ik gaan rennen. Ik was vrij!’

Wat is er met uw familie gebeurd?
‘Mijn moeder is wonder boven wonder uit concentratiekamp Auschwitz teruggekomen. Mijn vier jaar jongere broertje zat daar ook twee jaar en moest toen mee op die vreselijke dodenmars, omdat de Duitsers het kamp leegmaakten zodat de Russische bevrijders niemand zouden vinden. Hij was uitgemergeld, het was midden in de winter, hij was dun gekleed en zonder schoenen. Hij viel om en is toen doodgeschoten. Mijn vader werd in 1944 op de trein naar Westerbork gezet. In de wagon schreef hij nog snel een briefje aan ons en duwde dat door een gleuf in de wand naar buiten. Op de buitenkant schreef hij: ‘Wie dit vindt, s.v.p. op de post doen’. Een bakkersknecht in Drenthe, Rein Straat uit Tynaarlo, bracht elke dag een mand brood lopend naar het volgende dorp. Onderweg vond hij vaak van die briefjes en postte die dan. Hij liep daar altijd in de schafttijd van de NSB’ers, zodat ze niets zouden zien. En daarom heb ik dit briefje van mijn vader. Hij is naar Auschwitz gebracht en heeft de oorlog niet overleefd.’

Het boek dat Jack Courant over zijn oorlogservaringen schreef heet ‘Niets hebben meegemaakt‘.

           

 

Erfgoeddrager: Alex

‘Opeens stond er ’s nachts een Duitse soldaat met geweer bij mijn bed’

Alex, Emma, Danas en Bente spraken met Anna Min de Rover, die nog altijd in de buurt van haar ouderlijk huis woont. Zij was negen jaar toen de oorlog begon. Haar gezin mocht als één van de weinige families tijdens de oorlog in Bergen blijven. Wat ze daar meemaakte, vertelt ze aan de leerlingen van de Matthieu Wiegmanschool.

Hoe merkten jullie dat het oorlog was?
‘Op de ochtend van 10 mei 1940 vlogen ’s morgens om vijf uur vliegtuigen over richting het vliegveld. Het dreunen van de bombardementen kon je aan de Oosterweg helemaal horen. Zoiets vergeet je nooit meer Het was heel eng, een soort dreiging. Dat dat voor ons het begin van de oorlog betekende, hoorde je pas later op de radio.’

Wat vond u het engste moment in de oorlog?
‘Eén moment is me goed bijgebleven. Middenin de nacht stond er een keer opeens een Duitse soldaat bij mijn bed; zijn geweer in de aanslag. Ze hadden het hele huis overhoop gehaald, op zoek naar mijn oom. Dat was een heel eng moment. Mijn oom had te maken met de ondergrondse. Deze mensen hielpen onderduikers door bijvoorbeeld bonkaarten te stelen zodat ze ook genoeg te eten hadden. Mijn oom is later neergeschoten door de Duitsers.
We hadden onderduikers in de schuur wonen. De soldaten kwamen wel eens die schuurtjes controleren en gooiden ze allemaal omver. Onze onderduiker toen zat achter een plank in de hoek, maar we hadden de deur van de schuur opengelaten zodat het net leek alsof iemand er druk bezig was. De Duitsers sloegen precies onze schuur over. Dat was wel heel spannend.’

Wat was het dierbaarste dat u had tijdens de oorlog?
‘Dat ik mijn hele familie bij elkaar had. Dat duurde helaas niet lang. De jonge jongens werd opgepakt tijdens razzia’s. Eén broer is verraden en werd naar Duitsland gestuurd om te gaan werken. Hij had het eerst niet goed, maar later had hij het weer beter. Een keer raakte hij gewond en moest vanwege een bomscherf naar het ziekenhuis. Toen werd dat ziekenhuis gebombardeerd, en alle zieken moesten snel naar de kelder van het ziekenhuis. Hij heeft de oorlog gelukkig wel overleefd.’

       

Erfgoeddrager: Alex

‘Een huis van oorlogsmateriaal’

De eerste jaren van de oorlog voer Eva met haar familie tussen België en Nederland. Toen de Duitsers hun schip in beslag namen, kwamen ze te wonen in de Recht Boomssloot.

Was u bang tijdens de oorlog?
‘Daar was ik eigenlijk nog te jong voor, want ik ben in ‘39 geboren. In 1940 brak de oorlog uit, en toen voeren wij op een schip. Mijn moeder had vrij snel drie kinderen, toen hebben we een paar jaar gevaren tussen België en Nederland. Het laatste jaar van de oorlog moesten we van dat schip af, want de Duitsers namen het in beslag. Toen stonden we aan de wal met alles.’

Waar ging u toen naar toe?
‘We kwamen bij onze oma in huis en die woonde op de Oude Waal. Wij sliepen in de kelder. Maar die stond onder water. Dan brachten ze ons door het water heen naar bed. Heel raar was dat.
Amsterdam werd gebombardeerd en toen is er een verdwaalde bom op de Recht Boomssloot terechtgekomen. Er zijn heel veel mensen overleden. Dat huis werd met oorlogsmateriaal weer opgebouwd. Toen kregen wij dat huis.’

Kende u mensen die ondergedoken hebben gezeten?
‘Ja, mijn vader en een oom. Die moesten naar Duitsland werken in een kamp. Wij hadden in ons huis, boven het fornuis, een koker en als de Duitsers een huiszoeking kwamen doen kropen ze daar met z’n tweeën in. Ze deden er een plankje voor en daar verstopten ze zich elke keer. Muisstil zaten ze daar, tot die Duitsers weer weg waren. Ze hebben altijd geluk gehad dat ze niet gevonden zijn. Je hoorde al op de gracht dat het bezig was en dan werd er gauw gewaarschuwd naar elkaar, dan kon je je snel verstoppen.’

Waar haalde uw familie eten vandaan tijdens de hongerwinter?
‘Mijn vader scharrelde van alles bij elkaar. Hij voer op een bootje en hij ving overal wel wat. Daar een kool, en daar wat eten. We hebben ook wel bieten gekookt. Er werd stroop van gemaakt. Mijn vader zorgde altijd voor eten. Hoe hij dat deed weet ik niet. Hij ging altijd op jacht. Ik weet wel dat we veel kool aten.
Mijn vader zette het laatste jaar van de oorlog een kacheltje op de Recht Boomssloot, bij het water, want de mensen hadden geen vuur en hadden ook geen kolen om te koken. De buren mochten, om de beurt, op dat kacheltje koken. Maar op het laatst gingen de buren ruzie maken, wie er aan de beurt was. Mijn vader werd er helemaal gek van en heeft die kachel een schop gegeven, zo de Recht Boomssloot in.’

Kunt u zich iets herinneren van de bevrijding?
‘Dat er feest was op straat, dat weet ik wel. De mensen waren allemaal uitgelaten. Mijn ouders gingen heel veel uit, ze waren allemaal helemaal doorgeslagen van vreugde, dat ze verlost waren van het juk. En dan moest ik op mijn broertje en zusje passen.’

foto’s: Marieke Baljé