‘Wat is dat nou voor man?’


Floor, Gijs, Alex, Hanna vertellen het verhaal van Nel van den Brink
AmsterdamAmsterdam-West

Floor, Gijs, Alex, Hanna uit groep 8A van de Annie MG Schmidtschool in Amsterdam interviewen mevrouw Nel van den Brink. Mevrouw Van de Brink doet voor het eerst mee aan Oorlog in mijn Buurt en is de moeder van de juf. Dus dat is een bijzondere ervaring voor de leerlingen. Mevrouw Van den Brink heeft veel indrukwekkende verhalen te vertellen.

Hoe leefde u in de oorlog?
‘We hadden bijna geen brandstof. Kolen waren er niet meer, dus we stookten hout. We zaagden een keer boompje om, en sleepten het mee naar binnen, maar de takken staken nog door de brievenbus. Een buurman waarschuwde ons, want de Duitsers mochten dat niet zien. We woonden met mijn grootouders en een invalide tante samen. Toen de hongerwinter begon en er geen kolen meer te krijgen waren, zijn ook een oom en tante met drie kinderen en nog een broer van mijn moeder, bij ons komen wonen. We hoefden maar één kachel te stoken voor ons allemaal. We sliepen met z’n allen in een paar kamers. Het was krap, maar dat voelde voor mij niet zo erg. Wat ik vooral onthouden heb, is dat we alles samendeden en dicht op elkaar leefden.’
‘Soms zaagden we zelfs kastdeuren in stukken om te verbranden. We hadden geen elektriciteit, dus ’s avonds was het donker. Mijn oma trapte op een naaimachine, die een klein lampje liet branden, zodat mijn moeder kon voorlezen.’

Hoe kwamen jullie aan eten?
‘We kregen voedselbonnen, maar daarmee kon je weinig kopen. Soms haalden we soep bij een centrale keuken, maar die werd steeds slechter. Uiteindelijk aten we vaak suikerbieten. Dat vond ik eerlijk gezegd heerlijk. Want die waren heel zoet. Ik hou nog steeds van heel veel zoet. Dus ik vond die suikerbieten best lekker. Maar de familie was er wat minder enthousiast over. Mijn vader en oom gingen op hongertocht naar boeren om eten te ruilen voor spullen zoals sieraden. Ook werd er soms eten gekocht op de zwarte markt, als er geld was.’

Was u bang?
‘Ik was bang als er werd aangebeld. De Duitsers haalden namelijk mannen op om in Duitsland te werken. Daarom had mijn opa een geheime ruimte gemaakt in de gereedschapskast, als er werd gebeld verstopten de mannen zich daarin. Mijn moeder had tegen mij gezegd: ‘Als er gebeld wordt of er komen mensen, dan moet je maar nooit naar die kast kijken’. Dus ik was dan een beetje angstig en dan ging ik onder de tafel zitten en keek ik maar naar de grond. Ik was bang dat ik iets zou verraden, ook al was ik nog maar een klein kind.’

Wat is er met uw vader gebeurd?
‘Mijn vader zat in een werkkamp in Duitsland. Tegen het einde van de oorlog werd dat kamp gebombardeerd, waardoor hij kon ontsnappen. Samen met anderen liep hij helemaal terug naar Nederland. Ze hadden geen geld en geen papieren, dus ze moesten onderweg bij boeren aankloppen voor eten en onderdak. Uiteindelijk kwam hij thuis, hij liep opeens bij ons binnen. Hij was helemaal bleek. Maar ik herkende hem niet, want hij had een gigantische baard. En zijn haar was ook heel lang gegroeid, dus hij zag er heel gek uit. En mijn moeder, die wierp zich op die man, die liet hem niet meer los. En ik dacht: ‘Wat is het nou voor man?’ Dat was heel gek. Maar hij moest ontluist worden, want hij zat onder de luizen. En toen ze terugkwamen, was hij helemaal kaal geschoren. En zijn baard was er ook af. Nou ja, toen herkende ik hem natuurlijk wel.’

Had u ook leuke momenten tijdens de oorlog?
‘Ja, ondanks alles heb ik ook leuke momenten gehad. Ik speelde veel met mijn neefjes, die bij ons in huis woonden. We hadden geen speelgoed, maar we gebruikten onze fantasie. Een voetenbankje draaiden we om en dan werd het een wagentje en een beeldje werd een pop. We speelden dat we naar ons werk gingen en verzonnen verhalen. Als kind merkte ik minder van de zorgen. De volwassenen droegen die last, terwijl ik vooral bezig was met spelen.’