‘Hij herkende mijn moeder meteen


Fija, Mia, Alex, Emilio vertellen het verhaal van Cor Bongers
Aalsmeerweg, AmsterdamAmsterdam-West

Fija, Mia, Alex en Emilio uit groep 8A van de Annie MG Schmidtschool in Amsterdam interviewen meneer Cor Bongers. Meneer Bongers woonde in de oorlog aan de Aalsmeerweg in Amsterdam. Ook al was hij een klein jongetje toen, hij heeft veel bijzondere herinneringen.

 Wat is de eerste herinnering die u heeft van de oorlog?
‘Ik herinner me dat ik een keer buiten speelde en even naar binnen ging, want ik moest plassen. Toen hoorde ik mijn vader binnen vreselijk huilen, mijn moeder en een buurman waren hem aan het troosten. Maar het was heel erg voor mij om dat hevige verdriet van mijn vader te zien. Die schok blijft je hele leven bij je. Een hevig huilende vader verwacht een kind niet.’

Waarom moest uw vader zo huilen?
‘Mijn vader had een schoenmakerswinkel, maar na twee jaar oorlog was het materiaal voor de schoenen op. Toen had mijn vader geen werk en geen geld voor eten voor het gezin. Hij wilde een van zijn poetsmachines uit de werkplaats verkopen of ruilen voor eten. Hij liep op een dag met de poetsmachine op zijn oude fiets naar de polder. De eerste dag heeft hij geleurd en gebedeld met de machine, maar niet kunnen ruilen. ’s Avonds mocht hij bij een boer in de koude schuur blijven slapen. De volgende dag ging hij weer op pad. En toen was er een boer, die wel graan wilde geven voor de poetsmachine. Mijn vader sjouwde blij met de zak graan op de fiets door de polder terug naar de stad. Maar bij Badhoevedorp stonden twee Duitse soldaten, die mijn vader tegenhielden. Mijn vader sprak geen Duits en moest de zak graan inleveren. De Duitsers namen het gewoon in beslag, wat hij ook probeerde, want ook de soldaten hadden niet veel te eten. Die vreselijke tocht bracht hem tot de huilbui.’

Waar woonde u in de oorlog?
‘In de oorlog woonden we op de Aalsmeerweg. De Aalsmeerweg was een van de breedste straten van Amsterdam, breder dan de Overtoom. De soldaten liepen door onze straat te marcheren. Wij vonden dat wel leuk en gingen ook soldaatje spelen. We liepen te marcheren met een bezemstok over onze schouder als geweer. Ik was zogenaamd de commandant en we liepen over het brede trottoir. Ik zei dan: ‘Links, links’. Plotseling kwam er een colonne Duitse soldaten langs in een vrachtwagen en eentje gooide een brood naar ons. Ik liep voorop als de ‘commandant’ en ik had dat brood gevangen. Ik rende meteen naar huis en riep: ’mamma, mamma ik heb brood!’. Vlakbij huis hoorde ik geratel achter me, dat was een man op een fiets met houten banden. Hij had in de verte gezien dat ik brood had gekregen en was hard achter mij aangefietst en pikte zo het brood uit mijn handen. Toen kwam ik huilend thuis. Dat was ook wel erg voor een jochie van vijf jaar. Maar de Duitsers waren soms best vriendelijk voor kinderen.’

Had u broers of zussen?
‘Ik heb drie broers, ik ben de oudste. Mijn broer Jos werd in mei 1944 geboren, de hongerwinter was net een beetje voorbij. Door het tekort aan eten, maakten moeders die baby’s hadden, geen borstvoeding. Mijn moeder had voor Jos ook te weinig borstvoeding. Toen hebben de kerk en het Rode Kruis en de gemeente besloten contact te zoeken met boeren in Friesland, waar wel eten was. Er waren honderd boeren bereid een baby op te nemen. Er was een schip, dat voer van Amsterdam naar Lemmer, in het zuiden van Friesland. Daar stonden mensen klaar om de baby’s op te vangen. De kinderen werden in een groot ruim gelegd met wat stro en dekens. Het schip ging varen, maar midden op het IJsselmeer begon het hard te waaien en het schip ging slingeren. De baby’s werden misselijk en er ging ook een baby’tje dood. De kapitein durfde niet verder te varen en is naar Enkhuizen gevaren, dat was toen de dichtstbijzijnde grote haven. In Enkhuizen is de kapitein hopeloos verward door de straten van Enkhuizen gaan roepen: ‘Wie wil er een baby’tje adopteren, ik heb honderd baby’s aan boord! Ze moeten gevoed worden!’. Er kwam een dokter en een dorpsomroeper, een man met een grote toeter. Hij ging door de straten lopen en binnen een uur waren alle baby’s verdeeld onder de mensen. Wat een fantastische mensen!’

Heeft uw moeder uw broertje weer teruggekregen?
Mijn moeder kreeg bericht dat Jos in Enkhuizen was terecht gekomen bij de familie Kofman. Toen de oorlog was afgelopen, heeft mijn vader een handkar gehuurd. In de handkar mochten mijn moeder en mijn andere broertje zitten en ik moest met mijn vader duwen. Ik was toen zes jaar en zo zijn we lopend langs Purmerend naar Enkhuizen gelopen. Dat deden we in twee dagen. De eerste avond stopten we bij een boer. We mochten in de schuur slapen en we kregen ook nog wat te eten, heel lief. Maar de boer waarschuwde dat we stil moesten zijn, want er sliepen ook wat Duitse soldaten. Die moesten lopend weer terug naar Duitsland, naar huis. Maar je wist nooit of die jongens nog agressief konden worden.’
‘De volgende dag zijn we in stromende regen doorgelopen naar Enkhuizen. We kwamen daar drijfnat aan. Toen we binnenkwamen bij de familie Kofman zat onze Jos midden op tafel met grote ogen naar ons te kijken. Hij herkende mijn moeder meteen. Dat was een heel mooi moment.’