Archieven: Verhalen

‘Mijn ouders hadden me gezegd: val niet op want je bent Joods’

Het is extra spannend om Myriam Mater te gaan interviewen want vandaag is er ook nog een televisieploeg die opnames maakt van het gesprek. Rem, Kaj, Hedi en Lucy van de Lidwinaschool in Amsterdam-Oost willen nog wat zeggen tegen haar voordat het gaat beginnen. ‘U hoeft echt niet iets te vertellen wat u niet wilt hoor.’ Mevrouw Mater zegt dat ze dat heel lief vindt maar dat echt alles mag worden gevraagd. ‘Ik heb geen moeite met zielige dingen ofzo.’ En actie!

Was het gevaarlijk voor uw vader om in het verzet te zitten?
‘Ja. De Duitsers hadden door dat mijn vader dingen deed die niet mochten. Op een dag zijn er Duitse soldaten en NSB’ers bij ons binnengevallen om ons huis te doorzoeken. Mijn zusje en ik waren alleen thuis met de onderduikers die bij ons woonden. De soldaten hadden een lijst bij zich van alle ziekenhuizen in Amsterdam, want ze wisten dat mijn moeder in het ziekenhuis lag. Ze dachten dat mijn vader haar zou opzoeken, dus wilden ze weten in welk ziekenhuis zij lag. Ik moest toen al die nummers bellen en vragen of mijn vader er was. Aan de ene kant had ik de hoorn van de telefoon, en aan de andere kant hield er iemand een pistool tegen mijn oor. Uiteindelijk kwam ik bij het ziekenhuis van mijn moeder. Toen heeft een verpleegster mijn vader geroepen, want die was daar op bezoek. Hij had aan de telefoon in de gaten dat er iets aan de hand was en is onmiddellijk ondergedoken. De Duitsers hebben uiteindelijk niks kunnen vinden. Een paar mensen uit het verzet hebben de onderduikers in ons huis toen naar een ander adres gebracht.’

Wat gebeurde er tijdens de inval met uw schildpadden?
‘Wij hadden twee moerasschildpadden, en toen de Duitsers ons huis doorzochten vonden ze in de kelder het kistje met onze twee schildpadden. Ze gooiden ze in een pan met kokend water om er zogenaamd schildpaddensoep van de maken. Mijn zusje en ik moesten kijken en zouden de soep moeten opeten. Het werd natuurlijk helemaal geen soep, dat deden ze uit kwaadheid om ons te pesten. Wij waren heel erg verdrietig. Er zijn in de oorlog natuurlijk wel ergere dingen gebeurd, maar het waren wel ónze schildpadden.’

Wat is het verhaal van het horloge?
‘Voor mijn tiende verjaardag had ik van mijn ouders een horloge gekregen, waar ik verschrikkelijk trots op was. Op een dag zat ik in de tram. Verderop zaten Duitse soldaten. Een van hen zag mijn horloge en zei dat hij het wilde zodat hij het aan zijn dochter kon geven. Ik was heel erg bang. Mijn ouders hadden me aan het begin van de oorlog gezegd: val niet op want je bent Joods, en als een Duitser iets aan je vraagt dan moet je daar niet tegenin gaan. Ik durfde daarom geen nee te zeggen en gaf het hem. Een week later zijn mijn Joodse grootvader en grootmoeder opgepakt en naar de Hollandsche Schouwburg gebracht. Daar werd mijn grootvader zo ziek dat hij doodging.’

Archieven: Verhalen

‘De bakkers hadden het deeg opgegeten want zij hadden ook honger’

Bernadette Nyst (1935) woonde in de oorlog aan het Linnaeushof in Amsterdam-Oost. Dat is niet zo ver van de Lidwinaschool waar Jalaysa, Joshua, Lode, Oran en Nora haar nu interviewen. Mevrouw Nyst kent de school nog wel van vroeger. ‘In de oorlog waren we allemaal mager en hier kon je dan soep halen. Je nam een pannetje mee en dan kreeg je soep. Ik en mijn broers zaten hier ook op school.’

U was 5 jaar toen de oorlog begon, wat kunt u zich er nog van herinneren?
‘Ik kan me niet precies herinneren dat het begon, maar ik weet nog wel goed de gevolgen ervan, bijvoorbeeld dat we heel weinig te eten hadden. Dat weet ik nog heel goed omdat we nu zo veel hebben, bij Albert Heijn weet je niet wat je moet kiezen. In de oorlog was je blij als je wat brood kreeg. Mijn moeder sneed altijd dikke boterhammen want dat kostte minder beleg. Of een boterham met tevredenheid, zo heette dat. Dat was een boterham met alleen boter. Ik kan nu nog steeds geen eten weggooien, dat hebben alle mensen die de oorlog hebben meegemaakt.

Ik was nog heel jong en van mijn ouders mochten we niet op straat spelen. In de oorlog was het natuurlijk niet zo veilig. Hierachter heb je Jerusalem, dat was in de oorlog een landje en daar stond afweergeschut van de Duitsers. In de buitenmuur van ons huis zat een scheur van het afweergeschut. Als er werd geschoten, werd ik uit bed geplukt en moesten wij schuilen in de badkamer. En we hadden een schuilkast, daar waar later de wasmachine stond. Daar schuilden mijn broers ook zodat ze niet opgepakt zouden worden.’

Weet u nog wat er met de onderduikers is gebeurd die u in huis had?
‘Ja, we hadden twee keer een onderduiker. De eerste onderduiker die we hadden, ging elke keer naar buiten in de tuin, waarschijnlijk om de buurmeisjes te zien. Daar werd mijn vader heel boos om. Als iemand zou zien dat wij een onderduiker hadden, dan hoefde maar één iemand zich te verspreken en kwamen de Duitsers mijn vader halen en dan werd je doodgeschoten of je ging naar een kamp. Dus die onderduiker moest weg. Toen kwam er een andere onderduiker en die bleef keurig binnen, Leo heette hij. Het was heel gevaarlijk om onderduikers te hebben.

Mijn man is in Loenersloot geweest in de oorlog, bij een boer om wat eten te krijgen. Bij die boer zaten heel veel onderduikers, die zaten in het hooi. Mijn broer heeft ook nog ondergedoken gezeten bij twee hele oude tantes van mijn vader. Ik mocht toen niet weten waar hij ondergedoken zat omdat ik nog zo jong was, zodat ik het niet per ongeluk zou verraden. Als ik nu langs dat huis kom kijk ik altijd naar boven; hier heeft hij gezeten.’

Wat gebeurde er met uw broer?
‘Mijn broer – die ouder was dan ik, 18, 19 jaar – moest naar Duitsland om daar te werken in kamp Buchenwald. Hij is gevlucht uit dat kamp en wat mij het meest is bijgebleven is dat hij terug was en dat hij toen heel ziek is geworden, hij heeft twee keer tuberculose gehad. Dat is een soort longaandoening. Hij was zo mager toen hij terugkwam. Eerst was hij maandenlang ziek thuis, toen hij beter werd wilde hij gaan studeren maar toen werd hij weer ziek en heeft hij wel een jaar in een sanatorium gelegen. Hij had allerlei plannen maar die konden natuurlijk niet doorgaan door de oorlog en omdat hij daarna zo ziek was.’

Hoe was het in de Hongerwinter?
‘We hadden een fiets met houten banden en dan reed mijn vader met een van ons achterop naar een boer om aardappelen te halen. En mijn vader had nog tulpenbollen besteld om te eten maar toen kwam de Bevrijding, dus die hebben we nooit hoeven eten. Na de oorlog zijn mijn zusje en ik met een vrachtwagen naar familie in Brabant gegaan, om wat aan te sterken. Ik was heel mager. Toen zei mijn familie, je kan wel zien dat zij uit de oorlog komt. De Hongerwinter was in Amsterdam natuurlijk heel erg.

Ik weet nog dat ik 7 jaar was en ik mijn eerste communie deed in de kerk. In die tijd hadden we bonnen voor voedsel. Tegenover het IJscuypje zat een bakkerij. Mijn moeder er wilde voor mijn communie een feestje van maken met mijn klas, daarom had ze bonnen gespaard voor een cake. Maar toen hadden de bakkers al het deeg opgegeten, want die hadden natuurlijk ook honger. Mijn moeder was heel verdrietig. Dat weet ik nog heel goed.’

Archieven: Verhalen

‘We kregen rekenen en taal, maar over de oorlog werd niets verteld’

Toos Kuit (1934) woonde in de oorlog aan de Willem Beukelsstraat in Amsterdam-Oost met haar ouders en haar vier zussen. Haar nichtjes en neefjes woonde in de huizen ernaast, vertelt ze aan Laurens, Kaan, Merel en Lena van de Lidwinaschool, ook in Oost. Om een beetje aan te kunnen sterken ging mevrouw Kuit samen met twee zussen naar Bovenkarspel in Noord-Holland, waar ze bij een stel zonder kinderen kwamen te wonen.

Was u weleens bang in de oorlog?
‘Ik vond sirenes die ‘s nachts afgingen heel eng. Ik woonde tegen de Ringdijk aan, op de Willem Beukelsstraat. Achter, waar nu de Intratuin is, waren toen weilanden en daar stond het afweergeschut met een soort kanonnen. ‘s Nachts gingen de sirenes en dan moesten wij bij mijn tante in de kelder schuilen. Als de sirenes dan nog een keer gingen, kon je weer naar huis en naar bed.

Waar ik ook bang voor was waren de NSB’ers, die liepen op vrijdagavond altijd heel uitdagend door de straten. Wij gingen dan naar binnen want dat wilden we niet zien.’

Wat heeft u gedaan om de Hongerwinter te overleven?
‘In het begin ging ik nog gewoon naar school, maar op een gegeven moment was er niet meer genoeg te eten en drinken. Met distributiebonnen konden we eten halen bij de bakker, de slager en de groenteman. Een brood kostte bijvoorbeeld één bon. Je kon ook naar een gaarkeuken, er was er eentje waar nu Oostpoort is, in het zwembad. Je kon er stamppot en erwtensoep halen met een pannetje.’

Had de familie dan wel genoeg eten?
‘Een paar jaar erna ben ik met mijn twee zusjes bij een stel met een hond in huis gaan wonen in Bovenkarspel. Dat had een priester geregeld. Deze mensen namen kinderen in huis die niet genoeg te eten hadden thuis. We zijn er een half jaar geweest en al die tijd hebben we onze ouders niet gezien. Mijn andere twee zussen bleven thuis. Ik ging er gewoon naar school. We kregen rekenen en taal, maar over de oorlog werd niets verteld. We vonden het wel heel fijn dat we op een gegeven moment weer naar huis konden. Mijn moeder is ons komen halen, via de boot van Amsterdam naar Enkhuizen en een vrachtwagen.’

Wat deden jullie om het nog een beetje plezierig en leuk te houden tijdens de oorlog?
‘Wij woonden met drie families naast elkaar, allemaal neven en nichten, en samen speelden we altijd buiten. Trefbal en verstoppertje. In de straat lagen soms ook granaatscherven van het afweergeschut. Ik had een blikken trommeltje en in de ochtend zochten wij naar die scherven en dan deden we die daarin. Dat vonden we leuk. Van mijn vader mocht dit niet, misschien dacht hij dat ze nog konden ontploffen.’

Wat weet u nog van de Bevrijding?
‘Hier in Amsterdam kwamen de Amerikanen en de Canadezen met vragenwagens de stad in. Mijn man, die ik toen nog niet kende, mocht mee op de vrachtwagens de stad door. Dat vonden ze geweldig! Maar ik heb dat niet meegemaakt; ik was toen nog in Bovenkarspel. Dat vond ik wel jammer want in Amsterdam waren er ook straatfeesten. Mijn twee zussen die wel thuis waren gebleven, vertelden ons er later over en daar was ik wel jaloers op. In Bovenkarspel kwamen er een paar soldaten die even naar een school gingen, maar verder gebeurde er niet zoveel.’

Archieven: Verhalen

‘Albert liet mij onderduiken toen ik zes weken oud was’

Betty Mock was nog maar een baby toen ze werd gescheiden van haar ouders. Ze kwam terecht bij vrienden van haar ouders. Aan Marta, Fiene, Leah en Mijntje van de Lidwinaschool in Amsterdam-Oost vertelt ze haar aangrijpende verhaal over haar oorlogstijd.

Wat heeft uw onderduikvader gedaan dat hij een held was?
‘Mijn onderduikvader Albert kwam uit Paramaribo in Suriname. Hij en Janna, zijn vrouw, woonden in hetzelfde gebouw als mijn ouders en ik. Janna was de beste vriendin van mijn moeder. Albert had mij laten onderduiken toen ik een heel klein baby’tje was van zes weken oud, toen mijn vader en moeder waren weggevoerd naar Auschwitz.’

Hoe was de oorlog voor uw onderduikvader?
‘Mijn onderduikvader was voor de oorlog een hutbediende. Hij maakte de bedjes op van het personeel van de boten. Later ging hij in het verzet, hij ging anti-Duitse blaadjes rondbrengen. Dat mocht natuurlijk niet. Na een jaar ontdekten de Duitsers dit en brachten Albert Wittenberg (mijn onderduikvader) naar een gevangenis, en vanaf daar naar kamp Vught. En van Vught is hij naar Duitsland gebracht, naar een dwangarbeiderskamp. Daar werd je niet doodgemaakt, het was geen vernietigingskamp, maar je moest er wel heel hard werken. Je kreeg bijna niet te eten en het was er koud. Daar zat hij tot het einde van de oorlog, tot ze bijna bevrijd werden. De Duitsers wilden helemaal niet dat de geallieerden of de Russen zagen wat er gebeurde in die kampen. Dus werden de gevangenen meegesleurd door Duitsland heen. Dat heten de Dodenmarsen, omdat er zoveel mensen bij stierven. Die mensen vielen bij bosjes dood neer langs de kant van de weg. Sommige gevangenen wisten te ontsnappen, maar mijn onderduikvader Albert niet. Hij en duizend anderen gevangen werden in een grote graanschuur gestopt en die hebben de Duitsers in de brand gestoken. Het is heel verdrietig dat hij het niet overleefd heeft. Die man heeft een Joods kind gered, mij.’

Bent u bij uw adoptiemoeder Janna blijven wonen?
‘Ik ben in 1943 geboren, en ik kwam dus bij Albert en Janna te wonen toen ik zes weken was. Ik hoefde nog niet naar school, en omdat ik zo jong was hoefde ik gelukkig ook geen Jodenster op. Janna heeft heel de oorlog gedaan alsof ik hun echte kind was, zodat ik veilig was. Ik kreeg ook Alberts achternaam: voortaan heette ik Betty Wittenberg. We woonden hier vlak bij deze school. Ik had er een broertje en een zusje. Maar na de oorlog ben ik weggehaald bij mijn onderduikmoeder. Ik ben eigenlijk door mijn oom en tante weggehaald bij Janna zonder dat ze dat wist. Toen ben ik terechtgekomen bij adoptieouders in Laren. Ook daar kreeg ik een nieuwe naam, Betty Rijksman. Mijn nieuwe adoptiefamilie was ook Joods en had ook ondergedoken gezeten. Ze deden net alsof ik in een weeshuis had gezeten in plaats van dat ik bij Janna en Albert had gewoond.’

Kon u bij uw adoptieouders in Laren over de oorlog praten na de oorlog?
‘Dat was een gesloten boek, er mocht niet over gesproken worden. Ik wist niet eens de naam van mijn onderduikouders. Ik wist eigenlijk heel weinig. Het was natuurlijk zo’n heftig onderwerp. Ik durfde er niet over te praten. Pas toen mijn adoptieouders waren overleden, durfde ik onderzoek te gaan doen naar wie mijn adoptieouders waren. Ik kwam achter hun namen, maar Albert was natuurlijk in Duitsland vermoord en ik kwam erachter dat Janna later was overleden. Van hun kinderen, mijn onderduikbroertje- en zusje Albert en Tine, leefde Tine nog wel. Ik heb Tine ontmoet, en zij kon foto’s laten zien van mijn tijd in hun gezin. Veertien dagen na onze ontmoeting overleed ze. Haar zoon, Janna’s kleinzoon, heeft mij uitgenodigd voor de crematie. Dat was heel bijzonder, omdat zij mij als één van hen beschouwden. Als één van de kinderen van Janna en Albert. Ik mocht daarom plaatsnemen op de eerste rij. Ik heb aan de mensen daar verteld dat Tine en haar ouders mijn leven hebben gered. Met de kleinzoon van Janna en Albert heb ik historisch onderzoek gedaan en voor Albert en Janna heb ik de Yad Vashem onderscheiding aangevraagd. Die hebben ze gekregen, als oorlogshelden.’

Archieven: Verhalen

‘Vanuit een gevangenis werd ik naar Westerbork gebracht’

Na de lunch vertrekken Doruk, Wisam en Enes van de IJdoornschool in Noord naar Amsterdam-Zuid, waar ze Lous Steenhuis gaan interviewen. Na een snelle boterham en een rondje over het schoolplein stappen ze in de auto. Bij mevrouw Steenhuis staat er cola en een berg chocolade-eitjes op ze te wachten. De spekjes waren niet halal dus die laten ze netjes staan. De drie jongens halen hun handgeschreven vragen tevoorschijn en verrassen mevrouw Steenhuis met een bosje tulpen. Op tafel staan wat bijzondere spullen. De jongens zijn gelijk onder de indruk.

Hoe was het leven in de oorlog?
‘Wat belangrijk is om te weten, is dat ik me helemaal niks kan herinneren van die tijd. En dat is maar goed ook, want het is geen vrolijk verhaal. Wat ik jullie vertel heb ik bij elkaar gesprokkeld, als één grote puzzel. Achteraf ben ik langzaamaan gaan begrijpen wat voor verschrikkelijks er gebeurd was. Mijn vader en moeder waren Joods en wisten veel van politiek. Ze vonden Hitler een engerd en we gingen daarom gelijk onderduiken, in Amsterdam. Ik was toen twee jaar. Alleen werd het steeds gevaarlijker, dus gingen mijn ouders apart onderduiken. Mijn moeder in Haarlem, mijn vader in Amsterdam en ik kwam bij mijn tante en oom terecht. Ik moest tegen hen papa en mama zeggen, terwijl ze dat natuurlijk eigenlijk niet waren. In 1944 moest ik ergens anders onderduiken, omdat mijn oom zich ook moest melden bij de Duitsers. Het werd onveilig. Toen zat ik in Amsterdam ingedoken en werd ik verraden door een ander meisje…’

Hoe was het in kamp Westerbork?
‘Ook hier heb ik zelf geen herinneringen van, maar via verhalen van anderen weet ik hoe verschrikkelijk het was. Vanuit een gevangenis op het Leidseplein werd ik naar Westerbork gebracht. Daar zat ik in een weeshuis, met vijftig andere kinderen zonder ouders. Bij aankomst maakten de Duitsers foto’s van ons. Op die foto’s kan je zien dat ik niet meer ‘een wolk van een baby’ was, maar een heel boos en verdrietig meisje. In dat weeshuis zorgden Joodse vrouwen voor ons en daar kreeg ik een lappenpopje. Ik heb haar nog steeds en ze heet Mies. Ik vind het zelf een ‘slabberdewatski’ poppetje, maar ik denk dat jullie allemaal heel goed weten dat een knuffel troost kan geven. Hebben jullie ook knuffels?’

Kende u Anne Frank?
‘Dat is leuk dat je dat vraagt, want ik heb Anne Frank niet persoonlijk gekend, maar we zijn wel op dezelfde plekken geweest. Toen ik in die gevangenis zat heeft een enorm lieve mevrouw voor mij gezorgd. Ik zat namelijk op een steen te huilen. Samen met haar werd ik naar Westerbork gebracht. Vanuit daar zijn wij, vijftig weeskinderen, op de laatste trein naar Bergen-Belsen gebracht, een concentratiekamp in Duitsland. Als ik naar Auschwitz was gebracht, dan had ik hier niet gezeten. Hoe dan ook, in Bergen-Belsen zat ook Anne Frank. Ook al was zij veel ouder dan ik, vast en zeker hebben we elkaar gezien. Apart hè? En weet je, voor de oorlog woonde Anne in mijn buurt, op het Merwedeplein. We zaten op dezelfde basisschool en mijn docent had haar les gegeven. Er zijn verschillende lijntjes met Anne Frank.’

Als Hitler voor u stond, wat zou u dan doen?
‘Deze vraag heb ik nog nooit gehad. Hitler was een grote boef. Je kunt het je toch niet voorstellen dat een mens het bedenkt om zoveel mensen dood te maken. Zes miljoen Joden! Hoeveel nullen zijn dat eigenlijk? Ik zou Hitler vragen of hij wel goed bij zijn hoofd was. Ik zou niet agressief worden en zou proberen met hem te praten. Maar ja, zou ik een antwoord krijgen? Het blijft bizar.’

Archieven: Verhalen

‘Ik heb van ons gezin het meeste geluk gehad’

Jack Courant is van 1924 en woont een rit met een bus en een tram van de Rosa Boekdrukkerschool vandaan. Lewis, Jurcelijna, Faye en Arrietty maken enthousiast én gespannen de reis naar de bijna 99-jarige Jack. Hij maakte als Joodse jongeman de Tweede Wereldoorlog heel bewust mee. Hij hoopt maar dat hij, toch een dagje ouder, zijn verhaal zo duidelijk mogelijk aan de kinderen kan vertellen. Zodat ze het goed begrijpen.

Wat is het ergste dat u heeft meegemaakt in de oorlog?
‘Daar is bijna geen antwoord op te geven, maar ik zal het proberen. Er gebeurt zoveel in een oorlog, zoals je nu ook in de krant leest. Het verschil tot nu toe met andere oorlogen was dat tijdens de Tweede Wereldoorlog een hele bevolkingsgroep, de Joden, werd vermoord. Er zijn zoveel mensen afgemaakt in kampen. Ik heb niet in een kamp gezeten, nee. Wat denk je dat ik heb gedaan? Ja, ik zat ondergedoken. Toen ik een oproep kreeg van de Duitsers om te gaan werken bij ze, was ik achttien jaar. Ik wist al dat dat ‘werken’ niet iets goeds betekende. Mijn moeder vond dat ik moest gaan, anders zouden ze me halen. Maar ik zei: ik doe het niet! Ik heb mijn koffer ingepakt en mijn ster, die Joden verplicht moesten dragen, afgedaan. Joden mochten niet reizen, dus ik moest die ster eraf halen. Ik ben naar een meester gegaan, die ik aardig vond. Hij woonde in Bussum. Maar hij durfde me niet in huis te nemen. Gelukkig kende ik mensen in Haarlem die me ooit hadden gezegd: als er wat is, kom maar naar ons toe. Toch schrokken ze toen ik aanbelde. Ze waren bang geworden door al het slechts wat er gebeurde door de Duitsers. Uiteindelijk kwam ik bij een mevrouw in Rotterdam. Ik zat daar een jaar verstopt in huis. Ik heb op vier, vijf adressen ondergedoken gezeten. Honger? Nee, dat heb ik in de oorlog niet gehad.’

Bent u familie verloren in de oorlog?
‘Ja. Het is een moeilijk verhaal, maar jullie vragen ernaar. Mijn moeder en broertje zijn op een avond uit huis gehaald en meegenomen met een overvalwagen. Ze zijn uiteindelijk naar concentratiekamp Auschwitz gebracht, een van de grootste kampen, in Polen, waar heel veel mensen zijn vermoord. Mijn moeder heeft het overleefd. De Russen kwamen aan het eind van de oorlog de gevangen Joden bevrijden. De Duitsers zijn voordat dit gebeurde, met veel Joden uit het kamp gevlucht. Mijn moeder was toen ziek en de Duitsers waren bang voor ziektes. Ze hebben haar daarom achtergelaten in het lege kamp. Daardoor is zij gered door de Russen. Mijn broer was wel meegenomen door de Duitsers en is onderweg vermoord. Hij viel om door kou en honger en toen hebben ze hem doodgeschoten. Mijn vader is eerder in Auschwitz vermoord. Ik heb van ons gezin het meeste geluk gehad.’

Wat vindt u van Adolf Hitler?
‘Een grote idioot, een heel slecht mens. Een voorbeeld van een slimme man met een heel slecht karakter. En die een enorme haat tegen Joden had. Wat vinden jullie? Hetzelfde? Dat is fijn. En ja, nu is er weer een oorlog, tussen Oekraïne en Rusland. De Russen, die mijn moeder bevrijdden, die de Duitsers hebben verslagen, zijn nu de vijand. Daarom vind ik het moeilijk om nu anti-Rusland te zijn. Of er weer een wereldoorlog kan komen? Ja, daar is wel een kans op. En wat ik van Poetin vind? Dat vind ik een zak. De wereld is er vol van, maar er zijn gelukkig ook veel goede mensen. We hebben allemaal dingen waar we goed of slecht op reageren. We zijn gewoon mensen. Dat is een wijsheid, die geen indruk maakt op jullie, denk ik. Later hopelijk wel.’

Wat was een mooi moment in de oorlog?
‘Ik zat ondergedoken in een dorp in de buurt van Groningen. Mijn moeder was nog niet opgepakt en we stuurden brieven aan elkaar. Dat deden we in het geheim, via een adres van een mevrouw in Groningen. Daarvoor ging ik elke week met de bus naar Groningen. Op een dag werd de bus door twee soldaten tegengehouden om iedereen te controleren. Ze zochten Joden. Ik had een vals persoonsbewijs, gemaakt door mijn vader. De soldaten vertrouwden het niet en ik moest mee naar een gebouw waar de Duitsers zaten. Opeens moest ik plassen en dat mocht. Een bewaker liep met me mee. Op het toilet keek ik of ik ergens kon ontsnappen, maar dat kon niet. Maar… toen ik van de wc kwam, was de bewaker weg! In een seconde heb ik toen gedacht: wat ga ik doen? Ik besloot weg te lopen. Maar heel rustig, om niet op te vallen. Onderweg naar buiten groette ik nog twee Duitsers. Guten Tag. En zo liep ik naar buiten. Ik was vrij! Pas om de hoek ben ik gaan rennen. Zo heb ik mezelf gered.’

Welk cijfer geeft u het leven nu?

‘Zo’n moeilijk vraag heb ik nog nooit gekregen. Ik heb hele mooie en hele nare dingen meegemaakt. Ik kan geen cijfer geven. Het leven is de moeite waard. Ik geef het veel tienen, maar ook enen. Die dag in Groningen, toen ik besloot weg te lopen, was een tien.’

Archieven: Verhalen

‘Toen ik ondergedoken zat, was ik een soort dienstmeisje’

Jake, Boris, Wies en Lex van de Sint Antoniusschool gaan op bezoek bij Mirjam Prins (1931). Ze woont in een verzorgingstehuis voor Joodse mensen, maar omdat deze groep steeds kleiner wordt, mogen er ook andere mensen wonen. Mevrouw Prins vindt het moeilijk om haar verhaal te vertellen. Ze kan er niet van slapen, maar ze vindt het ook belangrijk dat het verteld wordt. Daarom doet ze het toch.

Hoe oud was u toen de oorlog begon?
‘Ik was negen jaar toen de oorlog begon. Mijn moeder was voor de oorlog overleden toen ik vier jaar was. Ik had een tweede (stief)moeder. Wij waren een Joods gezin en voor een Joods gezin was het altijd gevaarlijk. Je moest een ster op en mocht alleen op bepaalde uren in de winkels. Als mijn moeder iets vergeten was, moest ik de winkel nog een keer in en hopen dat ik niet zou worden verraden. Ik bracht Het Parool rond. Dat mocht niet, dat was een verzetskrant, en daarom stopte ik hem in de binnenkant van mijn jas. Op een dag werden we op straat staande gehouden, omdat er op de hoek tien mensen werden gefusilleerd. Daar moesten we als omstanders naar kijken, terwijl die krantjes in mijn zak zaten. Dat was heel eng. Als dank voor het rondbrengen van Het Parool kregen we een glaasje donker bier na afloop.’

Zijn er weleens Duitsers bij jullie thuis geweest?
‘Er kwam een keer een razzia in Amsterdam-Zuid, waar wij woonden. We hadden een portiek met vier deuren en een van de mensen die er ook woonde, was een grote meneer. Hij ging voor de deur staan en zei tegen de Duitsers: ‘Hier wonen geen Joodse mensen’. Hij was het hoofd van een school en bleef breeduit staan. Dat maakte veel indruk en de Duitsers vertrokken weer. Vanaf dat ik elf jaar was, ging ik onderduiken. Ik werd van huis gehaald door een vreemde meneer en we gingen met de trein naar Rotterdam. Hij ging in een andere coupé zitten en gaf mij een pakje. Ik dacht dat er brood inzat, maar er zat ondergoed in dat m’n moeder had meegegeven. Ik heb bij drie gezinnen ondergedoken gezeten. In het eerste gezin was er een hondje waar ik bang voor was. Toen er een overval kwam, had ik het hondje in mijn armen. Ondanks dat ik er bang voor was, gaf het hondje mij toen een rustig gevoel.’

Wat deed u tijdens het onderduiken?
‘Toen ik ondergedoken zat, was ik een soort dienstmeisje. Ik moest leren haken en alles doen wat de mevrouw zei. Daarvoor kreeg ik eten. Mijn moeder was wel brutaal. Zij heeft zich verhuurd als huishoudster bij een antiquair in Haarlem. Die mensen hebben nooit geweten dat ze Joods was. Na de oorlog is mijn gezin weer bij elkaar gekomen. Daar voelde ik mij een beetje gegeneerd over, want er waren veel mensen die de oorlog niet hebben overleefd. Ook veel ooms en tantes, nichten en neven, opa’s en oma’s hebben het niet overleefd. Het was heel bijzonder dat wij als gezin weer bij elkaar kwamen.’

Hoe was de Bevrijding voor u?
‘Op 4 mei was de Bevrijding. Mijn zus en ik waren nog in Rotterdam. We werden op een boot gezet om naar Amsterdam te varen. Onder iedere brug riepen we ‘bukken!’. Dat herinner ik mij nog. We zouden in Amsterdam met een kar worden opgehaald, maar mijn moeder zakte erdoor en toen moesten we van het station naar huis lopen. We kwamen in ons lege huis. Het was helemaal vies en leeg. Mijn vader was opgepakt en naar Duitsland afgevoerd, maar na de oorlog kwam hij weer terug. Ik zie hem nog binnenkomen. Hij was ‘s avonds voor de deur gaan liggen slapen, omdat hij de deur niet open kreeg. ‘s Morgens liep een mevrouw langs die haar hondje uit liet. Zij is op de deur gaan bonken. Wij renden met zijn allen naar beneden. We wisten dat hij onze vader was, maar hij zag er niet op zijn best uit.’

Archieven: Verhalen

‘Mijn ouders gaven me aan bevriende buren’

Simon Italiaander (1940) vertelt zijn verhaal aan leerlingen van de Rosa Boekdrukker bij fotograaf Shirley thuis. Zij woont vlakbij de school én bij zijn ouderlijk huis aan de Admiraal de Ruyterweg. Aan de keukentafel, met uitzicht op het balkon waar hij als dreumes speelde, stellen Nahla, Suzie, Inas en Ayman uit groep 7 hun vragen. Ook gaan ze de struikelstenen van zijn ouders bezoeken. De poetsdoek gaat mee.

Kunt u uw ouders nog herinneren?
‘Nee, alleen van foto’s en door verhalen van anderen ken ik ze. Vanaf het moment dat ik me dingen kan herinneren was ik al ondergedoken bij andere mensen. Wat ik toen heel normaal vond. Ik wist ook niet dat ik ‘ondergedoken’ zat. Ervoor woonde ik met mijn ouders hier aan de Admiraal de Ruyterweg op nummer 181-1. Ze woonden hier omdat mijn vader en grootvader bij de Markthallen aan de Jan van Galenstraat werkten. Vanaf daar verkochten ze groente en fruit aan de Joodse mensen van de groentewinkels. Joden mochten toen alleen bij Joden kopen. Toen in de loop van de oorlog de meeste Joden waren weggehaald, was er niets meer te verkopen. Mijn ouders wilden onderduiken, ze hadden al een adres, maar voordat ze daar naartoe konden, werden ze opgepakt. Mij hebben ze aan de bevriende buren weggegeven.’

Wat gebeurde er toen met u?
‘De buren konden me niet houden, omdat er op hun trap NSB’ers woonden. Via mensen die onderduikers hielpen kwam ik op een adres in Haarlem. Toen zij zelf een kind kregen, moest ik weg. Toen kwamen twee mensen langs, die zeiden dat ze even met me gingen wandelen. Zij hebben me op de fiets ‘ontvoerd’ naar Alkmaar om daar verder onder te duiken. Hun zoon heette ook Simon, dus werd ik Sjimmie genoemd. Daar ben ik gebleven tot na de Bevrijding. Deze familie is altijd een familie voor me gebleven. We hebben nog steeds contact.’

Heeft u een trauma van de oorlog?
‘Ik denk het niet. Ik lig er niet wakker van, al is er veel gebeurd, ook na de oorlog. Ik was in de oorlog nog zo jong dat ik het niet als iets vreemds heb gezien. Als geen normale jeugd. Zelfs dat ik niet buiten mocht spelen, omdat dat te gevaarlijk was. Dat het geen normale jeugd was, ging ik pas denken toen ik een jaar of twaalf was. Niemand vertelde me na de oorlog, ik was toen vijf, dat mijn ouders op een gruwelijke manier waren vermoord. Dat hoorde ik pas jaren later. Ze zijn in Auschwitz vermoord. Mijn moeder meteen bij aankomst, mijn vader heeft nog wat maanden moeten werken. Voor hen liggen sinds 4 mei 2009 struikelstenen voor mijn ouderlijk huis; de eerste steentjes van Amsterdam. We gaan ze zo bekijken en jullie mogen ze weer goed oppoetsen.

Na de oorlog kwam ik bij familie hier wonen en ging ik naar de Coppelstockschool aan de Pieter van der Doesstraat. Overigens werd op school helemaal niet gepraat of lesgegeven over de oorlog. Ook niet op het Barlaeus, mijn middelbare school. Mijn ‘nieuwe’ ouders kregen nog een dochter; mijn zusje noem ik haar. Het was niet heel fijn in dat gezin. Mijn nieuwe ouders gingen ook scheiden. Dat gebeurde in die tijd nog niet zo vaak. Ik heb later gelukkig een hele lieve vrouw ontmoet, waarmee ik heel lang ben getrouwd totdat ze vorig jaar overleed.’

Wat voor cijfer geeft u uw leven?
‘Het is niet ideaal geworden, maar ik geef het toch een acht. Dankzij mijn vrouw. Dus uiteindelijk ben ik wel blij dat mijn ouders mij hebben gemaakt en toen het gevaarlijk werd weg hebben gegeven. Maar voor alle nare dingen daarna, moet ik toch twee punten van de tien afhalen. Die oorlog gaat nooit weg. En er is ook niet veel voor nodig tot er weer een wereldoorlog komt. Later zeggen we misschien over nu: hadden we dit toen maar niet zo laten gebeuren. Als ik op tv kinderen in Oekraïne tussen het oorlogspuin zie spelen denk ik: nu lijkt het leuk, als kind, spelen tussen de stenen. Later krijgen ze daar last van. Zoals ik.’

 

Archieven: Verhalen

‘Van die hongertocht droom ik soms nog’

Jessie, Milou, Emilie en Neslihan van basisschool Corantijn in Amsterdam-West gingen op bezoek bij Lenie Oortwijn (1939). Haar huis was heel knus en ze had zelf koekjes gebakken. Nadat iedereen plaats had genomen om de grote ronde tafel, werd de eerste vraag gesteld. Mevrouw Oortwijn begon te vertellen en nam de leerlingen in hun gedachten mee naar vroeger.

Hoe merkte u dat de oorlog begonnen was?
‘Ik was heel klein, een baby’tje, toen de oorlog begon, maar altijd heb ik gevoeld hoe bang mijn ouders waren. Op een dag liep er een Duitse soldaat langs het huis, dat kon je horen aan die laarzen, en ik voelde de spanning van mijn ouders toen die man een tijdje stil bleef staan voor het huis. Daarna liep hij weer door, maar die angst dat weet ik nog.’

Waren er ook leuke dingen in de oorlog?
‘Na verloop van tijd kon niemand meer werken, dus iedereen bleef thuis en verveelde zich. Mijn vader was toen al weg, maar er woonde een oom bij ons in de straat en die kwam naar ons toe. Een andere broer van mijn moeder was opgepakt door de Duitsers, maar hij wist te ontsnappen en zat illegaal ook bij ons op die halve woning. Dat was oom Ben. Die drie mannen wilden klaverjassen, maar ze misten een vierde man. Toen hebben ze mij leren klaverjassen. Ik won van mijn opa! En het gezicht van mijn opa als ik won, zijn vierjarige kleindochter, dat weet ik nog heel goed. Dat vond ik heel leuk.’

Wat was er met uw vader gebeurd?
‘Hij was opgepakt omdat hij Joods was en moest werken in Auschwitz. Daarna verhuisde mijn moeder naar de woning bij mijn opa en tante Riek, dat was een ongetrouwde zuster van mijn moeder.’

Hoe was het normale leven?
‘Nou, in het begin probeerde iedereen nog een beetje normaal te functioneren, maar later ging het steeds moeilijker. Vooral in de Hongerwinter. Er was een gaarkeuken waar je soep kon halen, maar daar moest je je niet teveel bij voorstellen. En de kachel brandde niet. Bovenop de kachel stond een koekblik, waar een soort kacheltje van was gemaakt. Om aan hout te komen, zaagde mijn moeder aan de balken van de zolder en ook aan de trap. Om de tree zaagde ze er een weg, om in het kacheltje te kunnen branden. Ik werd altijd de trap op gedragen, want ik kon daar met mijn korte beentjes niet op lopen. Door de honger voelde je je eigenlijk altijd beroerd. Iedereen kreeg zweren en niemand kon werken. Ik zat op dat grote bed. En die oom van mij, die zich ook verveelde, heeft mij lezen en schrijven geleerd. Hij had zelf een heel groot Aap Noot Mies-bord gemaakt, en tekende er plaatjes bij.’

Wat vergeet u nooit meer?
‘Veel dingen spoken nog door mijn hoofd, zoals de tocht naar Koog aan de Zaan in de Hongerwinter. Mijn moeder had daar gesolliciteerd voor een baan als huishoudster, maar toen ze eenmaal aankwam stond er een tweepersoonsbed en bleek dat die man een echtgenote zocht. En ze had ook weinig keus, want ja ze had een half-Joods kind. Maar die tocht daarnaartoe, daar droom ik soms nog van. Die man die later mijn stiefvader werd, kwam ons halen met een handkar. Daar werden wat meubels opgelegd. Het was heel koud, het had gesneeuwd en je moest lopen door de polder. Dus ik moest telkens van de kar af een stuk lopen, want mijn moeder was bang dat ik zou bevriezen, en dan weer op de kar. En die man duwen, en mijn moeder liep ernaast.’

Hoe was het leven na de oorlog?
‘Chaotisch. Er waren veel problemen en over de oorlog werd niet meer gepraat. Omdat ik in die halve woning heel veel op een bed had gezeten en nooit goed had gelopen, waren mijn benen niet goed gegroeid. In Koog aan de Zaan werd ik daarom gepest. Ik kwam ook uit Amsterdam en had andere dingen meegemaakt, dus ik was een rare, vonden ze. Ik kon wel heel goed klimmen, dus ik klom in bomen waar die andere kinderen niet konden komen en daar was ik veilig.’

Archieven: Verhalen

‘Ik voelde als kind dat er iets niet klopte bij ons’

Jeanette Loeb is pas een jaar geleden verhuisd van Amsterdam-Noord naar IJburg. Rouaa, Nesrin en Ayse van de IJdoornschool in Noord gaan daarom met de auto erheen. Ayse was nog niet eerder op IJburg geweest, vertelt ze, Rouaa wel, haar tante woont ook hier. Mevrouw Loeb is net na de oorlog geboren, in 1949. Ze vertelt het verhaal over haar Joodse vader en Joodse moeder en hoe zij de oorlog ternauwernood hebben overleefd.

Hoe oud was je vader in de oorlog?
‘Mijn vader heet Paul en hij had drie broers en één zus. Hij is opgegroeid in Leiden. Mijn vader was 21 jaar toen de oorlog begon. Hij studeerde voor ingenieur Waterbouwkunde. Op een gegeven moment moesten alle Joden van school af, maar hij zat in het laatste jaar en moest alleen nog afstuderen. Hij wilde niet van school af. Toen is hij naar Den Haag gegaan, naar de minister van onderwijs en zei tegen hem: ‘Ik begrijp niet waarom ik mijn school niet mag afmaken’. Nadat ze hier samen over hadden gesproken, mocht hij alsnog zijn school afmaken. Hij heeft als enige Joodse jongen zijn studie voltooid.’ 

Waar komt uw moeder vandaan?
‘Mijn moeder Hanna is in Berlijn geboren, in 1926. Ze had een oudere zus en broer. Ze was een nakomertje. In 1938, na de Kristalnacht, werd het leven voor de Joodse mensen in Duitsland erg moeilijk. Mijn oma heeft geprobeerd samen met mijn moeder uit Duitsland te vluchten. Dat is niet gelukt, maar ze heeft wel mijn moeder als twaalfjarig meisje op de trein naar Nederland gezet. In Amsterdam woonde een verre neef en die zou haar daar opvangen. Bij de grens heeft de Duitse douane haar papieren afgepakt en toen ze vervolgens in Amsterdam aankwam werd ze meegenomen door de politie omdat ze illegaal was. Ze heeft negen maanden in een soort kindergevangenis gezeten. Gelukkig heeft die neef haar eruit gekregen. Toen in Nederland de oorlog uitbrak, was ze 14 jaar.’

Hoe hebben uw ouders elkaar ontmoet?
‘Mijn ouders hebben elkaar ontmoet in het kamp in Barneveld. Ik vertelde eerder dat mijn vader naar de minister van onderwijs was gegaan omdat hij zijn studie wilde afmaken. Diezelfde minister had veel Joodse vrienden die bij hem kwamen met de vraag of hij niet wat voor ze kon betekenen. Hij heeft toen een kamp gemaakt in Barneveld waar die vrienden de garantie kregen dat ze daar konden blijven en dat ze niet gedeporteerd zouden worden. Die vrienden hadden weer vrienden en die vrienden kwamen dan ook, en zo hoorde ook mijn vader van dat kamp. Mijn vader is toen opnieuw naar die minister gegaan en heeft gevraagd of hij ook naar dat kamp kon en zo kwam hij daar terecht. De neef uit Amsterdam kende ook mensen daar en ook hij kwam zo daar terecht met zijn gezin en met mijn moeder. Die was toen 16 jaar. Mijn moeder moest in de keuken werken en mijn vader ook en daar ontmoetten ze elkaar en werden verliefd.

Uiteindelijk is het hele kamp in september 1943 toch gedeporteerd en naar Westerbork afgevoerd. Van daaruit zijn ze na een jaar naar Theresienstadt gestuurd, dat is een kamp in voormalig Tsjecho-Slowakije, heel ver weg. Iedere dag vertrokken er vanuit dat kamp treinen naar vernietigingskamp Auschwitz of Sobibor. Op een dag kreeg mijn moeder te horen dat zij naar Auschwitz moest. Niemand wist wat er zich precies afspeelde, maar ze wisten wel dat het daar heel zwaar was. Dus mijn moeder wilde er niet heen, maar ja ze stond op de lijst. Ze was natuurlijk statenloos omdat de Duitsers eerder haar papieren hadden afgepakt. Ze heeft heel de dag in een rij voor die trein op haar beurt moeten wachten en toen ze aan de beurt was en in een kantoortje terechtkwam waar een Duitse officier zat met de lijst namen, zei ze ineens: ‘Ik kan niet weg, want ik ga trouwen’. De Duitse officier vroeg: ‘Met wie dan?’, en ze antwoordde: ‘Met een van de Hollanders, Paul Loeb’. Hij liep weg en kwam even later weer terug en zei: ‘Het is akkoord, je mag teruggaan’. Dus toen is mijn moeder niet naar Auschwitz gegaan. 18 jaar was ze, best brutaal, ze heeft dat daar ter plekke bedacht en het heeft haar gered.’

Is Joods zijn moeilijk?
‘Ik denk het wel, tenminste als je alle regels wil volgen. In de Joodse bijbel staan, net zoals in de Koran, een heleboel regels. Bij het Jodendom gaat het er niet om of je nou gelooft in God, het gaat erom dat je de regels volgt. Wij hebben 613 regels. Als je je aan al die regels wilt houden dan is het veel werk en best moeilijk, maar dat doe ik dus niet, niet aan allemaal.

Ik heb vroeger wel eens gedacht: waarom heb ik geen ooms en tantes? Waarom kan ik nergens logeren? Waarom kom ik niet uit een leuk gezin? Ik voelde als kind dat er iets niet klopte bij ons, maar ik wist niet wat het was. Als ik bij de buren ging spelen was het er warm en gezellig en als ik dan weer thuiskwam was het kil. Ik heb nooit een knuffel gekregen van mijn moeder. Mijn vader was heel erg streng, ik moest altijd mijn best doen op school en het was nooit goed genoeg wat ik had gedaan. Hij werd dan vaak boos op me. Het was zelfs zo erg dat ik na mijn eindexamen huilend naar huis fietste. Ik dacht dat ik mijn algebra en meetkunde helemaal verpest had, maar het bleek dat ik voor algebra een 9 en voor meetkunde een 10 had. Mijn vader was altijd zo dwingend: ‘je moet je best doen, het kan nog beter’, dat ik ervan uitging dat ik het niet goed gedaan had. Ik was heel erg onzeker en bang. Bang dat ik het niet goed deed waardoor veel dingen ook misgingen. Op een gegeven moment ben ik gaan praten met een psychotherapeut en weer later heb ik de moed verzameld om naar mijn moeder te stappen om haar vragen te gaan stellen over de oorlog. Ik was toen al in de 40 hoor, maar daarna ben ik wel mijn ouders veel beter gaan begrijpen. Ik ben ook minder onzeker geworden. Nu denk ik dat ik het best goed doe.’

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892