Archieven: Verhalen

‘Creolen, Javanen, Chinezen en Boeroes, ze kwamen allemaal bij ons thuis’

Edgar Comvalius (1960) ontmoet Xavi, Renaja, Drishti, Ghivar en Alicia onder de grote manjaboom op het schoolplein van de Ritfeldschool in Paramaribo. Hij laat de leerlingen een groene gulden zien, een briefje geld dat nu niet meer bestaat. Het was vroeger meer waard dan een Nederlandse gulden. De leerlingen mogen het niet vasthouden want het valt al bijna uitelkaar. Als iedereen zit, stellen de leerlingen de eerste vraag.

Waar bent u geboren?
‘Ik ben te Saramacca geboren, in het inheemse dorp Colombia, ik ben van de Caraïben-stam. Ik ben indiaan, van ouds af heb ik die benaming geaccepteerd, maar in de moderne tijd zegt men ‘inheems’. En mijn familie is ook meer aan het mixen, want mijn broers en zussen hebben Creoolse en Hindoestaanse partners.

Hoe was het bij u thuis toen u klein was?
‘Mijn ouders hebben twaalf kinderen gehad, vijf meisjes en zeven jongens en er was altijd een gezellige drukte. We speelden spelletjes, zoals djompo futu, djoel, gòngotè, combat en knikkeren. Wij waren niet rijk, maar leefden gelukkig. We aten vis, vlees, kippen en cassave en we plantten bananen thuis. Mijn vader was altijd bezig. Hij kweekte kippen, deed van alles, hij was niet lui. Maar we kwamen toch niet vooruit, want mijn moeder ving iedereen op. Mijn moeder zei nooit dat iemand weg moest gaan, iedereen kon blijven slapen en ze had altijd eten voor de gasten. Al was het alleen maar rijst met groente. Creolen, Javanen, Chinezen en Boeroes, ze kwamen allemaal bij ons thuis.

Wij hadden veel respect voor onze ouderen, voor broer, zus, opa of oma. Wij noemden onze broer of zus niet bij hun naam. In onze inheemse taal is zus wà wà, broer is sèwò, opa is àwò en oma is pìpì. En zo werden ze netjes toegesproken. Mijn vader was streng. We konden niet dicht bij hem zitten, hij bleef op een afstand. We moesten om zes uur thuis zijn om het erf schoon te maken. Als niet, dan wachtte de riem op je. Of een touw. Je kreeg een pak slaag, vooral mijn oudste broer. Mijn vader mishandelde hem. Pappa was streng, maar mamma was lief.’

Waar bent u naar school gegaan?
‘Ik ging naar de rooms-katholieke basisschool, vlak bij het huis waar ik woonde. Er waren paters en een kerk, we kregen ook godsdienstles op school van de paters. Het was gezellig en we hadden heel veel respect voor onze leerkrachten. Er was ook goed contact tussen de leerkracht en de ouders, vandaar dat wij ons best ook deden. Daarna heb ik ulo gedaan, later heette het lbo (lager beroepsonderwijs) en nu vmbo. Dat heb ik afgemaakt en daarna ben ik gaan werken, ik was toen 16 jaar. Ik wilde mijn eigen boontjes doppen want mijn ouders hadden het moeilijk thuis. Nu ik terugkijk op die tijd heb ik toch spijt dat ik school vroeg heb verlaten. Eerlijk gezegd was ik ook een beetje lui om naar school te gaan. Een keer had m’n oom me gepakt, toen ik was gaan spelen. Hij stuurde me weer naar school.

We kregen wel pak slaag vroeger, dat is nu niet meer, daarom zijn de kinderen nu heel anders dan vroeger. Jullie hebben het nu te goed. Ik mag mijn kinderen nu niet aanraken. Als hij of zij fout is, dan moet ik praten, maar hoelang blijf je praten? Soms wil ik een tikje geven, maar dat mag niet. De mens is veranderd, de bossen zijn er nog met schaduw en al, de natuur is er gewoon, wij mensen veranderen. We lopen nu met andere gedachten dan vroeger.’

Hebben uw grootouders u verteld over de slaventijd?
‘Ja, zo’n beetje. Mensen moesten onder erbarmelijke omstandigheden werken op die cacaoplantages werken en ze moesten bossen open kappen, kregen weinig eten en weinig rusttijd en werden mishandeld, geslagen. Ja, ik heb ervan gehoord hoe die slavenmeester met hen omgingen. En als ze ziek waren, waren ze in feite ten dode opgeschreven. Want ze konden niet werken, en kregen dus geen voeding meer. Zo was het. Het waren slaven en de Nederlanders waren de wreedste slavenhouders. Dat heb ik gehoord.’

Wat vindt u nu van Suriname?
‘Suriname is een lekker land, ik ben hier opgegroeid en ik wil hier ook sterven. Ik zeg het uit m’n hart. Je kan hier van alles krijgen. Als je bij iemand langsgaat, dan krijg je eten, je wordt gastvrij ontvangen.’

Archieven: Verhalen

‘Ik zou niet terug willen naar de koloniale tijd, we moeten het zelf gaan doen’

Jaylen, Trisha, Abhai, Patricia, Jezreël en Azahra van de O.S. Mariënburg in Commewijne, Paramaribo interviewen Wangsakrama Légimin. Hij wordt ook wel ‘meneer Bimbo’ genoemd en dat vindt hij niet erg. Hij weet veel van de geschiedenis van Mariënburg omdat hij ook gids is.

Wie waren uw voorouders?
‘Mijn voorouders komen uit Indonesië en werden hiernaartoe gebracht als contractarbeiders. Mijn opa van mijn vaders kant werd te werk gesteld op de plantage Jaglust, dat was een koffieplantage. Mijn andere opa werd te werk gesteld op plantage Visserszorg, een citrusplantage. Beide opa’s heb ik niet gekend, maar ik heb wel hun cultuur geërfd. We hadden bijvoorbeeld de Ludro-voorstelling vroeger en Djaran Kepang, dat is een dans met paarden en dan gaan mensen in trance. De dans vond ik erg mooi, maar het wordt niet meer gedaan.’

Wat vond u leuk toen u klein was?
‘Toen ik jong was, werden elke 1 juli activiteiten ontplooid door de Nederlandse Handelsmaatschappij. De treinen en de fabriek werden versierd, de kinderen deden kinderspelen, zoals mastklimmen, hardrennen, zaklopen en dat vond ik echt leuk. De ouders kregen bonnetjes van de maatschappij en ze konden ook frisdrank gaan halen en bolletjes. In die tijd kon je ook voetballen na schooltijd, maar om vijf uur moest je wel naar binnen gaan om je lessen te leren.’

Wat voor werk deed u?
‘Ik werkte hier bij de Suikeronderneming Mariënburg, eerst als magazijnmeester en later op de afdeling personeelszaken. Ik had mijn mulodiploma behaald en zou verder gaan studeren. Ik ging naar een internaat maar mijn ouders konden het niet permitteren, zodoende kwam ik terug en ging hier werken. Vroeger was Mariënburg schoon, maar na de koloniale tijd is het vergane glorie geworden. We produceren niks meer. Nu ben ik gids en geef rondleidingen op het terrein van de vervallen fabriek.’

Wat denkt u dat er in de toekomst gaat gebeuren?
‘Wat ik denk is dat wij als de nazaten van de contractanten en de slaven meer als Surinamers moeten gaan denken, want we zijn in Suriname geboren. Wat ik echt moeilijk vind hier in Suriname is de politiek. De politieke partijen zijn opgericht per bevolkingsgroep, dus de Javanen hebben hun eigen partij, de Hindoestanen hebben hun eigen partij… en dat vind ik niet goed. We zijn Surinamers, we moeten samen het land opbouwen. Maar dan moeten wij een goede leider hebben. Tot nu toe ken ik geen echte leiders in Suriname. Suriname is een groen land, alles groeit in Suriname. Toch moeten we alles importeren voor de lokale markt. Dat is toch erg.

Maar ik zou niet terug willen naar de koloniale tijd, we moeten het zelf gaan doen. De Nederlanders zijn rijk geworden van de slaven en de contractanten. De slaven werden het ergste onderdrukt, want die kregen geen betaling, de contracten wel, maar niet zoveel. En als je niet wilde werken, dan werd de politie ingeschakeld. Ik vind het eng hoe het vroeger was in Suriname, wij werden door de Nederlanders onderdrukt. De rijkdom ging naar Nederland, niet naar Suriname.’

 

Archieven: Verhalen

‘Ik heb hier als slaaf gewerkt, van vroeg in de ochtend tot diep in de nacht’

Boaz, Melody, Oscar en Philo van basisschool Omnio in Eindhoven worden door Yusuf Basci warm ontvangen. De kinderen krijgen Turkse thee en een snoepje. Yusuf laat hen zien hoe je kunt roeren in de mooie Turkse theeglaasjes zonder hard met het lepeltje tegen het glas te tikken. Daarna schenkt hij naar Turkse traditie een beetje eau de cologne in hun handen. Boaz en Oscar vinden de geur lekker ruiken.

Hoe leefde u als kind in Turkije?
‘Ik ben opgegroeid in de Turkse hoofdstad Ankara. We woonden met zijn zevenen in een buitenwijk van de stad, want de huizen in het centrum waren te duur voor onze ouders. Nu is onze wijk ook ‘centrum’ geworden, want Ankara is enorm gegroeid. Ik speelde met mijn vrienden de hele dag buiten, we klommen in abrikozenbomen om de rijpe vruchten te plukken. En watermeloenen groeiden gewoon in de wijk op de grond. Er was heel veel ruimte in onze wijk. Maar nu is het daar veranderd. Nu ben ik ‘vreemd’ daar en denk ik vaak wanneer ik in mijn oude wijk rondloop: waar ben ik?’

Waarom ging u weg uit Turkije?
‘Mijn jeugd verliep in een moeilijke tijd voor Turkije. Er waren veel politieke discussies. Wij, de linksen, wilden een beter leven voor de boeren en arbeiders. Daar protesteerden we voor. Dat protesteren was niet zonder gevaar. De politie sloeg op ons in. Mijn ouders maakten zich veel zorgen over mij. Ze waren bang dat ook ik dood zou gaan. Mijn ouders wilden dat ik wegging uit Turkije of me terugtrok uit de politieke discussies. Maar ik luisterde niet naar hen. Uiteindelijk had ik drie redenen om weg te gaan. Ik leerde een vrouw kennen, die in Nederland woonde en werd verliefd op haar. Ook vond er een maand voordat ik emigreerde een staatsgreep plaats. Het leger nam de macht over in Turkije. Voor linkse mensen werd het daarmee nog gevaarlijker. En ik had in Nederland meer kans om werk te vinden.’

Miste u uw familie toen u naar Nederland ging?
‘De komst naar Nederland was niet makkelijk voor mij. Ik groeide op in een gezin van vijf kinderen, met twee ouders. Ik was het middelste kind en had drie zussen en een broer. Mijn familie betekende alles voor mij en ik miste hen enorm toen ik naar Nederland vertrok. Ik was als een vis uit de zee.

In die tijd waren telefoons schaars en het was onmogelijk om regelmatig contact te hebben. Het voelde soms alsof ik 3000 kilometer verwijderd was van mijn wereld, van mijn ouders, broers en zussen. Maar één keer per week belde ik naar mijn ouders. Als ik hun stemmen hoorde, moest ik huilen. Ik heb veel gehuild.’

Hoe was het om in een land te wonen waar je de taal niet kent?
‘Er werden hier nog geen taalcursussen gegeven. De Nederlanders dachten dat de arbeidsmigranten na een aantal jaar terug zouden gaan naar hun thuisland. Daardoor heb ik geen goede basis van de Nederlandse taal geleerd

Ik moest erg wennen aan het rustige, stille Nederland. Het was aan het begin van de jaren tachtig moeilijk om aan werk te komen in Nederland. Waar ik in mijn oude thuisland vocht voor betere omstandigheden voor arbeiders, kwam ik in Nederland bij het Van der Valk hotel ‘zwart’ te werken. De omstandigheden daar waren niet goed. Ik heb hier als slaaf gewerkt. De diensten duurden van 10 uur in de ochtend tot 2-3 uur in de nacht. We mochten niet eten en geen pauzes nemen. In de ogen van de manager waren wij geen mensen. Gelukkig zijn de arbeidsomstandigheden bij het Van der Valk nu veel beter, heb ik gehoord.

Ik heb mijn moeilijke start om weten te zetten naar iets positiefs. Ik heb veel vrijwilligerswerk gedaan, en me ingezet voor mijn buurt en verschillende verenigingen opgericht. Mensen helpen heb ik van mijn ouders meegekregen. Mijn vader hielp mensen van het platteland werk te zoeken in de stad en mijn moeder verzorgde mensen die naar het ziekenhuis moesten. Er zijn honderden mensen naar ons huis gekomen voor hulp.’

Wat is het verschil tussen Turkije en Nederland?
‘In Turkije groeiden we op met uitgebreide familie en buren, en iedereen had veel contact met elkaar. Soms kwamen er veertig tot vijftig mensen bij elkaar in één huis, en dat zorgde voor een sterk gevoel van gemeenschap. In Nederland is het leven veel individueler. Mensen wonen apart, iedereen heeft zijn eigen leven. Het is anders, maar ook hier heb ik een hechte familie en vriendenkring opgebouwd.

Voor mij is het belangrijk om tijd door te brengen met familie en vrienden. Dat geeft kracht en steun. Als je geen mensen om je heen hebt, voel je je eenzaam en dat kan je geestelijk raken. Mijn advies is om altijd te investeren in je relaties, met familie, vrienden en buurtgenoten. Dat maakt je leven rijker en sterker, nu en in de toekomst.’

Archieven: Verhalen

‘Die zomers in Marokko maakten me trots op mijn achtergrond’

Op een mooie decemberdag wordt Loubna Bakra warm ontvangen door Elise, Bao en Lonna in de docentenkamer van de Eindhovense basisschool Het Karregat. De drie hebben zich goed voorbereid en zitten vol vragen. Al snel is het ijs gebroken. Tijdens het gesprek luisteren de kinderen aandachtig naar het indrukwekkende verhaal.

Mevrouw Bakra vertelt hoe ze als baby van twee weken oud met haar adoptieouders vanuit Marokko naar Nederland kwam. Haar adoptieouders waren familie van haar biologische ouders. Jarenlang bezocht ze hen in Marokko, zonder te weten dat zij eigenlijk haar echte ouders waren. Ze heeft nog steeds contact met haar biologische familie, al merkt ze dat hun levens inmiddels ver uit elkaar liggen.

Wanneer bent u naar Nederland gekomen?
‘Ik ben in 1977 als baby van twee weken oud vanuit Ksar Kbir in Marokko naar Nederland gekomen samen met mijn adoptieouders. Mijn adoptievader kon werk krijgen in Nederland. Waarschijnlijk hebben mijn biologische ouders mij meegegeven zodat ik een betere toekomst zou hebben.

De eerste twee jaar woonde ik met mijn ouders in een flat, maar later verhuisden we naar een huis met een tuin. In onze buurt woonden bijna geen andere buitenlandse gezinnen. Daarom groeide ik vooral met de Nederlandse taal op.

Ik ging naar een katholieke school waar bijna geen Marokkaanse kinderen zaten. Eén keer per week kreeg ik Arabische les via een speciaal project voor Turkse en Marokkaanse leerlingen. Thuis leefden we eigenlijk in twee culturen tegelijk.

We gingen veel op vakantie in Marokko en dan ontmoette ik mijn biologische ouders en broers en zussen zonder dat ik wist dat zij mijn ouders en broers en zussen waren.’

Hoe verliep uw leven verder in Nederland?
‘Toen ik zestien was, gingen mijn ouders scheiden. Daardoor viel de familieband die ik altijd had gekend weg. Ik voelde me niet meer thuis in de Marokkaanse gemeenschap, maar ook niet volledig in de Nederlandse wereld. Ik hing een beetje tussen twee culturen in.

Na de scheiding kreeg mijn vader een nieuwe partner. Zij behandelde mij niet goed en verzon dingen over mij. Daardoor voelde ik me nergens meer veilig, zelfs niet in mijn eigen huis. Uiteindelijk besloot ik om uit huis te gaan en op mezelf te wonen.

Ik hoorde ook in deze periode dat mijn adoptieouders niet mijn echte ouders waren, maar dat de tante en oom in Marokko dat eigenlijk waren. Het was een periode waarin ik veel nadacht over wie ik was en waar ik thuishoorde. Maar door mensen te ontmoeten uit verschillende culturen leerde ik dat ik mijn eigen identiteit mocht vormgeven. Ik mocht zelf kiezen wat ik uit beide werelden wilde meenemen. Dat gaf me vrijheid.’

Hoe is uw leven daarna gegaan?
‘We gingen vroeger elke zomer naar Marokko, waar ik mijn biologische ouders en mijn zes broers en zussen zag. Ik wist toen alleen niet dat het mijn echte familie was. Later viel me op hoeveel we op elkaar lijken: we houden van muziek, theater, politiek en hebben dezelfde energie. Ik herinner me de geuren, kleuren, familie en warmte. Die zomers maakten me trots op mijn achtergrond.

Maar door die hele nieuwe situatie viel voor mij een groot deel van de familieband weg. Ik voelde dat het vertrouwen weg was. Daardoor ging ik niet meer op vakantie naar Marokko. Het voelde niet meer zoals vroeger. Tegelijkertijd miste ik het ook: het eten, de geuren en kleuren en de verhalen.

Gelukkig merkte ik dat ik ook hier in Nederland mensen ontmoette uit allerlei culturen. Hun verhalen en gewoonten nam ik een beetje mee in mijn eigen identiteit. Nu voel ik dat ik mijn eigen cultuur mag samenstellen, op een manier die bij mij past.’

Archieven: Verhalen

‘In 1958 zijn we met de allerlaatste boot uit Indonesië vertrokken’

Adriane, Ruben, Eira en Tommy stappen het sfeervolle jarendertig-huis van Henk van Gijn binnen. De leerlingen van Het Karregat in Eindhoven begroeten hem hartelijk, en hij straalt meteen: hij vindt het prachtig om met de jonge journalisten in gesprek te gaan. Hij heeft dan ook veel te vertellen.

Reizen spelen een grote rol in zijn leven, van zijn geboorte in Surabaya (Indonesië) in 1950, tot zijn aankomst in Nederland, en later de emigratie naar Iran. Indrukwekkend is het ook wanneer hij het boek laat zien dat hij maakte over zijn bijzondere reis als kind: een lange tocht met de auto, samen met zijn ouders, helemaal van Iran terug naar Nederland.

Hoe was uw jeugd in Indonesië?
‘Ik ben geboren in Surabaya, op het eiland Java in Indonesië. Mijn vader bouwde daar een school voor beroepsonderwijs en hij stond het liefst zelf voor de klas. Ik was nog maar vier jaar oud, maar hij gebruikte mij al als leerling. In de jaren daarna werd het leven in Indonesië voor mensen met een Chinese of Europese achtergrond gevaarlijk.

In 1958 zijn we met de allerlaatste boot uit Indonesië vertrokken. We kwamen in Rotterdam aan, waar het Rode Kruis ons opving. We kregen als welkomstgeschenk een doosje met kleine cadeautjes. Het meest bijzondere vond ik een kwartetspel van Verkade. Mijn vader kon in Nederland geen werk vinden en kreeg uiteindelijk een baan in Iran. En zo emigreerden we opnieuw.’

Hoe verliep uw leven verder in Iran?
‘We kwamen in Zuid-Iran (Perzië) terecht. Daar woonde ik tot mijn twaalfde. Het klimaat was totaal anders dan in Indonesië. In Indonesië was het altijd warm en vochtig, maar in Iran was het warm en droog, soms wel 50 graden. Regen viel maar één dag per jaar. En dan gebeurde er iets heel bijzonders: twee dagen later stond de hele woestijn vol met kleine bloemetjes.

We maakten ook een lange autoreis van 600 kilometer door alleen maar zand, totdat we bij de bergen kwamen waar het iets koeler was.’

Hoe ging het op school?
‘Ik heb op heel veel scholen gezeten, wel zeven basisscholen in totaal. In Iran zat ik op een internationale school. Van Amerikaanse kinderen leerde ik basketballen en honkbal. Van de Engelse school kregen we Engelse les, en zelfs Schotse volksdans.

Ik ontdekte dat elk land, en soms zelfs elk dorp, zijn eigen ongeschreven regels heeft. Dat is wat cultuur voor mij betekent: dingen die iedereen blijkbaar weet, maar niemand opschrijft. In Nederland zeg je bijvoorbeeld ‘je’, maar in België moet je vaak ‘u’ zeggen, zelfs tegen kinderen. Die verschillen vind ik heel mooi, maar soms ook moeilijk. Je weet niet altijd wat ‘normaal’ is.’

Hoe zijn jullie van Iran naar Nederland gekomen?
‘We zijn met de auto vanuit Iran naar Nederland gereisd, een tocht van zes weken. We kwamen door heel veel verschillende landen: Irak, Jordanië, Syrië, Libanon, Turkije, Griekenland, Joegoslavië, Italië, Zwitserland, Frankrijk, Luxemburg, België en uiteindelijk Nederland. Overal waren grenzen, wachtrijen en controles. Pas veel later, toen ik volwassen was, begreep ik waarom het zo waardevol is dat we in Europa vrij kunnen reizen.

Voor mijn werk reisde ik later opnieuw veel: Hongarije, de VS, Denemarken, Duitsland, België, Oekraïne. In Hongarije verbaasde ik me hoe gezellig mensen uit eten gingen met muziek erbij. In de Verenigde Staten merkte ik dat mensen bang zijn om hun baan te verliezen. Zelfs tegen de politie moesten ze in heel voorzichtige, bijna ‘voorgeprogrammeerde’ zinnen praten. Dat vond ik indrukwekkend en benauwend tegelijk.’

Hoe was het om in Nederland te wennen?
‘Ik was twaalf en een half toen we naar Nederland gingen. Ik zat nog maar zes weken in groep acht en ik kreeg extra Nederlandse les om de taal beter te leren. In Nederland moest ik wennen aan nog iets nieuws: ‘de kleding-cultuur’. Ik droeg een korte broek, omdat dat volgens mijn moeder in 1949 in Nederland heel normaal was. Maar dat was het in 1962, toen wij opnieuw in Nederland kwamen, allang niet meer zo. Op school werd ik uitgelachen. Pas toen mijn moeder met de buren praatte, ontdekte ze dat de gewoontes waren veranderd. Dat leerde mij iets belangrijks: zelfs binnen één land verandert cultuur voortdurend.’

Archieven: Verhalen

‘Voor ons huis lagen twee slangen, en als er bezoek kwam gingen ze rechtop staan’

Jonas, Noah en Angelina vinden het best spannend om aan te bellen bij het huis van de 70-jarige Hedy Forbs. Maar de leerlingen van Het Karregat in Eindhoven worden warm ontvangen met gevulde speculaas en Lotusthee. Al snel starten ze het interview. Mevrouw Forbs vertelt honderduit. Ze werd in 1945 geboren in Bogor en groeide op in Jakarta. Ze maakte een lange reis op de ‘Oldenbarnevelt’ naar Nederland.

Hoe was uw leven in Indonesië?
‘Ik groeide op in Jakarta, waar mijn vader bij een persbureau werkte. Thuis hadden we een fijne jeugd: lieve ouders, een groot gezin, en een huis met een tuin en een mangoboom waar ik vaak in klom.

Ik ging naar een privéschool met nonnen. Ik vond het daar helemaal niks, vooral omdat ik elke dag melk moest drinken waar ik allergisch voor was. Gelukkig kwam mijn moeder voor me op en mocht ik ermee stoppen.

We hadden baboes die hielpen in huis, en een buurmeisje, Veronica, met wie ik graag speelde. Ik mocht eigenlijk nooit naar haar huis, dus klom ik stiekem over de muur via de mangoboom.

Voor ons huis lagen altijd twee zwarte slangen. Als er bezoek kwam gingen ze rechtop staan als iemand niet te vertrouwen was. Mijn moeder was dan extra op haar hoede. Ze waren onze ‘waakhonden’ ofwel ‘waakslangen’. Ze kwamen nooit van hun plaats af.

Ik maakte in Indonesië ook grote feesten mee, zoals de allereerste Pasar Malam (avondmarkt). Ik zag dansers, muziek, slangen, en overal kraampjes. Mijn jeugd in Indonesië was avontuurlijk en vrolijk. Ik kijk er nog steeds met heel veel liefde op terug.’

Hoe was het afscheid en de reis naar Nederland?
‘Toen ik tien jaar was, veranderde alles. Indonesië werd onafhankelijk en de nieuwe leider, Soekarno, vond dat Nederlanders moesten vertrekken. Mijn vader moest kiezen: Indonesisch staatsburger worden of weggaan. Hij koos ervoor om te vertrekken.

Op 4 november vertrokken we met de grote boot ‘Johan van Oldenbarnevelt’. We mochten bijna niks meenemen. De reis begon leuk. Er waren zwembaden en we speelden spelletjes. Maar later kregen we een enorme storm op de Golf van Biskaje. Alles schoof over het dek en vloog overboord, zelfs meubels en een piano. Ik kon niet zwemmen, dus ik was doodsbang. Ik en mijn vriendin klommen in de mast. Er zijn zelfs mensen overleden en op zee begraven. Dat vond ik heel heftig om te zien.

Na bijna vier weken kwamen we aan in Rotterdam. Het vroor 12 graden en alle bomen waren kaal. Ik had zoiets nog nooit gezien. Stichting Pelita gaf ons warme jassen, schoenen en kousen. Dat voelde heel veilig na zo’n spannende reis.’

Hoe was uw aankomst in Nederland?
‘Toen we van de boot kwamen, was alles anders dan in Indonesië. Het was koud, kaal en stil. We gingen eerst naar Elshout, een heel klein dorp. Daar woonden we drie maanden in een oud klooster samen met andere families. Voor ons als kinderen voelde het als één groot spookhuis, maar we speelden er heerlijk.

Daarna verhuisden we naar Eindhoven. Het nieuwe huis was nog niet klaar, dus woonden we eerst een paar maanden in de Bouterslaan. Uiteindelijk kregen we een huis in Valkenswaard. In Valkenswaard voelde ik me al snel thuis. Ik had meteen veel nieuwe vriendinnetjes, en bij ons thuis kwam altijd iedereen eten. Mijn moeder hielp iedereen die het nodig had.

Nederland was heel anders dan Indonesië, maar door alle lieve mensen om mij heen voelde het al snel als een nieuw begin.’

Archieven: Verhalen

‘Ik ging helemaal alleen op reis en liet al mijn familie achter in Turkije’

Op maandagmorgen worden Pleun, Finn, Jessica en Femke hartelijk ontvangen door Bingül Eren (1967) en haar twee dochters. De mooie Turkse kachel brandt en Finn mag er nog wat extra hout op gooien. Mevrouw Eren heeft een hele grote schaal Turkse oliebolletjes voor de leerlingen van Het Karregat in Eindhoven gebakken en er staan lolly’s op tafel. Ook mogen ze Turkse thee proeven, terwijl ze hen leert hoe je ‘hallo’ zegt in het Turks: mehraba. Mevrouw Eren is geboren in Turkije en kwam op 18-jarige leeftijd naar Nederland.

Hoe was het leven in Turkije voordat u naar Nederland verhuisde?
‘Ik ben geboren in Posof en woonde daar tot mijn zevende jaar, samen met al mijn broertjes, zusjes, opa’s, oma’s en nog veel meer familie. Iedereen woonde dicht bij elkaar, en het was heel gezellig. Maar in het dorp was bijna geen werk. Daarom vertrokken veel mensen, ook mijn eigen familie.

Toen ik 7 jaar oud was, verhuisde ik met mijn gezin naar de stad Zonguldak, omdat mijn vader daar werk had gevonden. Dat vond ik spannend en verdrietig, want ik moest afscheid nemen van mijn opa’s, oma’s en van de familie die in het dorp bleef. In de stad was alles veel groter en drukker dan in het dorp, en niet alle familie woonde meer dichtbij.

In Zonguldak ging ik vijf jaar naar de basisschool. Toen ik 13 jaar was, was ik klaar met school. De middelbare school was heel ver weg, dus ik bleef thuis. Ik was de oudste van zeven kinderen, dus ik hielp mijn moeder veel met zorgen voor mijn broertjes en zusjes. Ook maakte ik veel handwerk. In Turkije maakten meisjes dat vroeger voor hun bruidsschat: pannen, borden, lakens, en ook mooie geborduurde randjes langs tafelkleden, hoofddoeken en gordijnen.’

Hoe was het om naar Nederland te emigreren en alles achter te laten?
‘Toen ik 18 jaar was, ben ik getrouwd. Ik was al een jaar verloofd met mijn man. Hij woonde al in Nederland en werkte in een metaalfabriek, Zwegers. Toen we trouwden, ben ik met hem mee naar Nederland verhuisd. Ik ging helemaal alleen op reis en liet al mijn familie achter in Turkije. Dat vond ik heel verdrietig. Ik had alleen mijn kleren bij me, want al mijn spullen liet ik daar achter. Alles was nieuw voor mij: het land, het weer, de taal en de mensen.’

Hoe was het om in Nederland aan te komen?
‘Toen ik in Nederland aankwam, vond ik het erg koud en heel anders dan in Turkije. Ik sprak de taal niet, dus ik moest eerst taalles volgen. Later heb ik de taal vooral geleerd door met mijn kinderen mee te lezen toen zij naar de basisschool gingen. Dat hielp enorm. Ik kreeg mijn eerste kind toen ik 19 was, en dat maakte mij blij en minder alleen. Ook woonde de familie van mijn man in Nederland, dat voelde vertrouwd. Ik deed heel veel samen met mijn schoonzus. Langzaam begon Nederland als een tweede thuis te voelen.’

Hoe leeft u nu?
‘Nu gaat het goed met mij. Ik werk op dit moment niet meer, maar vroeger heb ik hard gewerkt, bijvoorbeeld bij Philips. Ik maak nog steeds veel handwerk, zoals dekentjes en tafelkleden. Dat heb ik vroeger van mijn moeder geleerd. Ik heb drie kinderen en zelfs kleinkinderen. Ik geniet ervan dat mijn familie dicht bij mij is. Ik wil niet meer terug naar Turkije om daar te wonen. Mijn leven is hier, met mijn kinderen en kleinkinderen, en met de dingen die ik met mijn handen maak.’

Archieven: Verhalen

‘De geur van zoveel pubers in een warm klaslokaal in Mexico is me bijgebleven’

De ontvangst bij Angelica Goyenechea-Jaramillo is hartelijk. Antonia, Emilie en Floris van basisschool Het Karregat in Eindhoven moeten nog een beetje wennen aan hun rol als interviewer, maar bij haar voelen ze zich snel op hun gemak. Ze durven zelfs de moeilijkste vragen te stellen die ze van tevoren hebben voorbereid.

Mevrouw Goyenechea-Jaramillo is in 1972 geboren in Mexico-Stad. Haar familie heeft een migratieachtergrond: veel familieleden kwamen uit Spaans Baskenland. Ze vertelt de kinderen dat ze deel uitmaakt van de Baskische diaspora, een groep mensen van wie de voorouders van Baskenland naar allerlei plekken in de wereld verhuisden.

Hoe was het voor u toen u naar Nederland emigreerde voor de liefde?
‘Ik emigreerde in 1997 naar Nederland, toen ik 25 was. Mijn zus was eerder al verliefd geworden op een Nederlandse man die in Eindhoven woonde, hij ontmoette haar tijdens een vakantie in Mexico. Tijdens hun bruiloft in Mexico was een vriend van hem aanwezig, en met hém kreeg ik verkering. Voor hem verhuisde ik naar Nederland.

In het begin was het niet gemakkelijk. Mijn toenmalige schoonfamilie behandelde me niet goed en had veel vooroordelen omdat ik uit Mexico kwam. Gelukkig zijn zij nu niet meer in mijn leven, en heb ik een liefdevolle nieuwe familie.

Het was ook pijnlijk om het grootste deel van mijn eigen familie niet meer te zien na mijn verhuizing naar Nederland. Mijn zus hoefde ik niet te missen, want die was ook voor de liefde naar Nederland gekomen. Maar bellen met de achtergebleven van familie en vrienden was toen nog erg duur en WhatsApp was er nog niet. Ik heb veel geleerd door die periode en ik wil jullie op het hart drukken dat niemand je klein mag maken. Je moet altijd sterk ‘op je poten’ staan.

Inmiddels zijn ook mijn moeder en een andere zus naar Nederland geëmigreerd.’

Heeft u ooit overwogen terug te verhuizen naar Mexico?
‘Nee, ik heb een prima leven hier. Ik zou me niet meer kunnen aanpassen in Mexico. Mijn thuis is hier bij mijn dochter, man en ik heb ook mijn werk. Toen ik ooit opperde om terug te gaan naar Mexico keek mijn man me aan en zei ‘je bent toch niet gek?’

Hoe was het eten in Mexico?
‘Heerlijk. Hier heb ik een kookboek met Mexicaanse recepten. Dit is een recept uit de staat Yucatán waarin Goudse kaas verwerkt is. Waarschijnlijk namen de handelaren zo’n kaas mee op hun schepen vanuit Nederland. De Mexicanen dachten ‘wat moeten we daar nou mee?’ en toen hebben ze er dit gerecht mee bedacht.’

Wat is het mooiste dat u meebracht uit uw geboorteland?
‘Dat is mijn poppenhuis. Een prachtige poppenhuis dat ik op 8-jarige leeftijd heb gekregen van mijn vader en in de loop der jaren zelf heb ingericht. In de kast staat een suikerschedeltje, die de Día de los Muertos symboliseert. Ik hou veel van die Latijns-Amerikaanse feestdag en toevallig valt mijn verjaardag op dezelfde dag. We vierden ook Advent-feestjes in mijn jeugd. Mijn beste herinnering is dat mijn tante zich verkleedde als de Kerstman en cadeautjes uitdeelde aan alle kinderen op het feest. Soms kwamen er wel vijftig mensen naar het huis!’

Wat was er anders in Mexico dan in Nederland?
‘De Mexicanen feesten op een andere manier dan de Nederlanders. Mensen dansen in Nederland niet op feesten. Ze kletsen hier alleen maar. Je moet bewegen en lekker dansen.

Wat ook heel anders was in Mexico waren de klassen op school. Ik zat op jullie leeftijd met veertig kinderen in de klas, en tienerjongens kunnen heel irritant zijn. Vooral de geur van zoveel pubers in een warm klaslokaal is me bijgebleven. De stank was verschrikkelijk.’

Archieven: Verhalen

‘Ouders zijn in Marokko heilig en kinderen luisteren naar hun ouders’

Oscar, Amelie, Cas en Tex mogen vandaag op bezoek bij iemand die niet in Nederland is geboren. Ze zijn welkom bij Souad Ber (de eerste vraag van Amelie is ‘hoe spreekt u uw naam uit?’), een lieve vrouw en moeder van 66 jaar die op 42-jarige leeftijd vanuit Marokko naar Nederland is gekomen om met haar man en dochter herenigd te worden. Haar huis laat haar liefde voor Vincent van Gogh zien.

Hoe heeft u uw man leren kennen?
‘Mijn man had in Nederland carrière gemaakt in de boekhouding. Toen hij naar Marokko ging om erachter te komen of hij daar zijn toekomst wilde opbouwen, kreeg hij Arabische les van mij. Zo leerden wij elkaar kennen. We hadden elkaar nog nooit eerder gezien, maar we bleken neef en nicht van elkaar te zijn.’

Was het een moeilijke keuze om naar Nederland te gaan?
‘Mijn man had wel werk, maar hij kon zijn beroep niet goed uitoefenen in Marokko en merkte dat hij heel graag naar Nederland terug wilde. Eigenlijk wilde ik helemaal niet naar Nederland. Maar mijn vader stond aan de kant van mijn man en wees me erop dat een huwelijk ‘in goede en slechte tijden’ was, en dat ik maar mee naar Nederland moest gaan. Af en toe ga ik nog terug naar Marokko, op visite.’

Wat is het grootste verschil tussen Marokko en Nederland?
‘Dat is dat kinderen hier in Nederland zelf fouten mogen maken in plaats van proberen helemaal geen fouten te maken. Ouders zijn in Marokko heilig en kinderen luisteren naar hun ouders. Hier krijgen de kinderen veel meer vrijheid en dus ook om fouten te maken. En ik vind het heel fijn dat de mensen in Nederland duidelijk zijn en zeggen wat ze bedoelen. In Marokko vinden ze dat een stuk lastiger. Je praat er altijd met respect.’

Archieven: Verhalen

‘Mijn man wou eigenlijk niet verhuizen, hij kon zijn leven in Spanje niet opgeven’

Het is een bijzondere ochtend. Na alle lessen over interviewen mogen Sjoerd, Sara en Oscar van basisschool Het Karregat in Eindhoven ein­delijk in het echt een interview houden. Dat doen ze met Hajar Adnane, 43 jaar en afkomstig uit Larache in Marokko. Zij is vanuit Spanje naar Nederland gekomen. De kinderen hebben er zin in, maar zijn ook een beetje gespannen.

Hoe kwam u in Spanje terecht?
‘Ik heb mijn man via een kennis leren kennen. Ik ben met hem getrouwd en moest nog wachten op mijn visum. Daarna zijn we naar Spanje verhuisd. Ik heb twee zoons, de oudste is 12 jaar en de jongste is 6 jaar.’

Waarom bent u uit Spanje weggegaan?
‘Ik kwam vaak op vakantie naar Nederland, meestal in mei. De natuur, de kleuren en de ruimte in Nederland vond ik mooi. Daarom besloot ik op mijn dertigste te proberen in Nederland te wonen. Mijn man wou eigenlijk niet mee verhuizen, hij kon zijn leven in Spanje niet opgeven. Hij mist nog steeds Spanje.’

Wanneer begon u zich echt thuis te voelen in Nederland?
‘Na ongeveer vier jaar. Dat komt omdat ik de taal beter beheers en met mensen kan communiceren. Daardoor voel ik me rustiger. Mijn kinderen hebben nu ook meer stabiliteit in Nederland. Taal is het sleutel naar meer zelfvertrouwen in een onbekend land. Je voelt je begrepen en je kunt je beter uitten.’

Zou u ooit terug willen naar Marokko?
‘Ja, zeker. Ik mis mijn familie, het weer, het klimaat, het eten en mijn vriendinnen. Daar ben ik geboren en opgeroeid. Ik heb daar nog steeds mijn moeder, familie en vrienden. Maar ook mijn mooie herinneringen van mijn jeugd.

Nu is het moeilijk. Mijn kinderen hebben hier hun leven, school en vrienden. De taal zou ook lastig zijn voor hen, want ze moeten daar Arabisch leren. Dat zou voor hen net zo moeilijk zijn als Nederlands voor mij was. Ik wil dat zij later zelf de keuze maken als ze ouder zijn.’

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892