Archieven: Verhalen

‘Ik dacht: ik ga een paar jaar naar het buitenland en dan word ik rijk!’

Francesco, Noah, Zoe en Claire van basisschool Philipsdorp in Eindhoven mogen mee in de auto naar Angelines Castro om haar te interviewen. Mevrouw Castro is geboren in een klein dorpje vlakbij León in Spanje. Zij kreeg een relatie met een jongen die naar Nederland ging voor werk. Toen hij een vast contract kreeg, trouwden ze en ging ze op 19-jarige leeftijd ook naar Nederland. Het interview verloopt voorspoedig, de kinderen vragen veel door, vooral over de Spaanse munt, de peseta, die mevrouw Castro ook laat zien. Aan het einde van het interview krijgen de kinderen allemaal nog iets lekkers.

Hoe was het eigenlijk om in Spanje te wonen?
‘Leuk, maar keihard werken. Mijn vader was een boer, dus wij moesten op het land werken. Nu heb je daar machines voor, maar wij deden het met de hand. We hadden suikerbieten, boontjes en aardappels. Er was een groothandel, die nam het allemaal mee. We aten er zelf ook een beetje van. We hadden twee koeien, daar dronken we de melk van, wat over was verkochten we weer.

Ons pap had een café, dat hielden we ‘s avonds bij. Er kwamen dan mannen kaarten of een bakje koffie drinken. We hadden ook een tv, er was alleen een televisie in het café. Als er stierenvechten waren of een voetbalwedstrijd, kwam het hele dorp kijken.

We moesten ook naar school, van 9 tot 1 en dan van 3 tot 5. Als ik terugkwam van school, moest ik de vaat doen. Kwam ik te laat thuis dan kreeg ik straf, dan mocht ik bijvoorbeeld niet naar buiten. Tot 14 jaar was school verplicht, daarna ben ik ook van school afgegaan om te werken.

Mijn moeder kocht koekjes voor ons winkeltje, in een doos van drie kilo. Die mocht ik niet opeten, want die waren om te verkopen. Als mijn moeder een dutje deed, ging ik stiekem naar het winkeltje en at ik snel een paar koekjes. Maar ons mam was slim! Ik kon het alleen doen als de doos nog vol zat, anders had ze het door.’

Hoe kwam u hier?
‘Phillips ging mensen halen in Spanje. Mijn man kwam daarom in Nederland, maar hij moest eerst een vast contract krijgen anders kon hij zijn vrouw niet meenemen. Hij is 1,5 jaar alleen geweest in Nederland, toen kreeg hij een vast contract. Hij is naar Spanje gegaan en toen zijn we getrouwd en ik kwam met hem mee. Het was een grote bruiloft van twee dagen, zo ging dat in Spanje. We zijn 28 december getrouwd en 6 januari waren we samen in Nederland. De eerste keer zijn we met de trein gekomen, van Spanje naar Frankrijk en verder naar Nederland. Maar we zijn later ook nog wel eens met de bus gegaan en met het vliegtuig en sinds mijn man een rijbewijs heeft komen we met de auto.’

Hoe was het om weg te gaan?
‘De eerste keer dat ik naar Nederland ging, vond ik het niet zo eng. Toen hoefde ik niets te doen, alleen het huishouden. Het was net alsof ik vakantie had. Toen begon ik bij Phillips te werken, maar dat was ook niet zwaar. Ik dacht: ik ga een paar jaar naar het buitenland en dan word ik rijk! Ons mam had wel verdriet.

Toen ik voor het eerst weer in de vakantie naar Spanje kwam en daarna weer terug moest, was ik verdrietig. Ik was daarvoor ook nooit weggeweest. De eerste jaren zijn ook best moeilijk geweest, maar als je jong bent kun je de hele wereld aan.

We hadden vroeger nog geen telefoon om naar huis te bellen. Alles moest met brieven. Het kon wel tien dagen duren voordat die aankwamen. Mijn vader had mij een brief gestuurd in september. Toen de brief bij mij aankwam, was mijn vader al gestorven. Toen we thuis kwamen van de begravenis lag daar die brief. Die heb ik heel lang bewaard. Ons mam kon niet schrijven, ik kreeg alleen brieven van mijn vader. Mijn moeder is nooit naar school geweest, zij is toen ze 10 was bij rijke mensen gaan werken.’

Waar woonde u toen u hier kwam?
‘Ik heb eerst in Woensel gewoond. We konden daar huren van mensen die ik nog nooit had ontmoet. Toch hebben we het goed getroffen bij hen. Wij hebben nog steeds contact. Als zij in het weekend bij iemand op visite gingen, dan mochten wij mee, want we kenden nog niemand. Daarna hebben we op Strijp een huurhuis gekregen van Phillips. Daar hebben we tot 1987 gewoond. Daarna hebben we ons eigen huis gekocht.’

Was het moeilijk met de taalbarrière?
‘Ja, het was heel moeilijk. Ik kwam hier in januari en in maart ben ik bij Phillips begonnen, maar ik verstond helemaal niets. We hadden wel een tolk, maar die bleef maar een half uurtje en dan was hij weer weg. Gelukkig heb je hier overal goede mensen, en met handen en voeten kom je een heel eind. Toen ik bij Philips begon, volgde ik daar een cursus Nederlands, daar ben ik drie jaar gebleven. Ik heb tegen mijn man gezegd: als ik hier de taal niet leer, dan ben ik weg.

In het begin durfde ik niet te praten. Ik dacht dat mensen me zouden uitlachen.Toen zei een collega tegen mij, praat maar tegen mij. Wat als ik het niet goed zeg?, vroeg ik. Dan zeg je het maar twee keer, zei hij, zo moet je het leren. De buurvrouw hielp mij ook. Ik kan nu Nederlands praten en lezen, maar schrijven vind ik nog steeds moeilijk. Met mijn telefoon gaat het wel.

Door Phillips waren er veel Spaanse mensen in Eindhoven. We hadden hier een Spaans centrum. We gingen daar in het weekend allemaal naar toe. Ik kende hier niemand en zo begon ik mensen voor het eerst een beetje te leren kennen.’

Was het uurloon goed?
‘Het eerste loon wat ik heb gekregen weet ik nog goed, dat was 560 gulden. Dat was voor die tijd een heel redelijk loon. Toen ik op het land werkte kon mijn loon onzeker zijn. In Nederland was ik iedere maand zeker van loon. Dat vond ik heel fijn. Ik kon in de supermarkt altijd kopen wat ik wilde.

We hadden niet veel in Spanje. In het eerste jaar dat ik in Nederland was, kocht ik alles wanneer ik in de winkel was. Ik vond frikandellen ook heel lekker. Ik ben het eerste jaar 8 kilo aangekomen. Het was echt vakantie. ‘Is dat jullie Angelines?’, vroegen de mensen toen ik terug was in Spanje.’

Mist u Spanje?
‘Spanje is mijn land. Mijn familie zat daar. Toen ik voor het eerst naar Nederland ging waren ons pap en ons mam in Spanje, en de moeder van mijn man ook nog. Inmiddels leven die niet meer. We waren vroeger met zes man thuis, maar ik heb alleen nog meer één broer en één zus over. Nu heb ik hier 3 kinderen en 2 kleinkinderen, als ik nu naar Spanje zou gaan zou ik die missen. Ik heb zelfs een kleinkindje op komst! Mijn kleinkinderen komen iedere week eten. Dan kook ik. We waren eigenlijk van plan terug te gaan naar Spanje als we met pensioen waren, maar ik heb nu mijn kinderen hier en mijn kleinkinderen. Dus ik ga niet meer weg. In de zomer gaan we nog wel naar de familie.’

Archieven: Verhalen

‘Ik vind stamppot heel lekker, mijn buurvrouw leerde mij dit gerecht’

Tessa, Nienke, Isabel en Milo gaan op bezoek bij de 59-jarige Bingul Eren, die geboren is in Turkije. Bij aankomst worden ze heel vriendelijk door haar verwelkomd. Ze begeleidt de leerlingen van basisschool Philipsdorp in Eindhoven naar de achterkant van het huis, waar een aanbouw is met een schattige kachel waarop thee wordt gemaakt. Ze krijgen heerlijke oliebollen. Isabel wil het liefst de hele dag blijven om oliebollen te eten.

Waar bent u geboren?
‘In een dorp in Posof. Daar gebruikten we geen auto’s, maar paarden voor boodschappen en andere taken. Er was geen waterleiding, dus we moesten water halen met een emmer bij een waterput. Tegenwoordig is alles anders: er zijn auto’s en voorzieningen zoals hier in Nederland.

Ik ben alleen naar de basisschool geweest. Mijn favoriete vak was muziekles, omdat ik een mooie stem heb. Ik mocht vaak zingen, en dat vond ik erg leuk. Later ben ik naar een stad verhuisd.’

Hoe vindt u het in Nederland?
‘Op mijn 17de trouwde ik en een jaar later kwam ik naar Nederland. Kort daarna was ik zwanger. Ik heb drie kinderen, onder wie een tweeling. Het was moeilijk in het begin omdat ik hier alleen naartoe verhuisde. Gelukkig hielp mijn schoonfamilie mij om me thuis te voelen. Ik ging vaak met mijn schoonzusje de stad in. Zij was mijn beste vriendin, zo close dat iedereen dacht dat we echte zussen waren.

Nu vind ik het hier leuk. De mensen en de buurt waar ik woon zijn fijn, en de mensen zijn vriendelijk.

Ik heb vier jaar niet naar Turkije kunnen gaan. Toen mijn moeder mij eindelijk zag, moest ze flauwvallen. We hielden contact via brieven, en ik stuurde haar foto’s van mijn kinderen. Vorig jaar vonden mijn dochter en familie deze foto’s terug in Turkije. Ik ga tegenwoordig elk jaar op vakantie en zie mijn familie. Alleen mijn ouders zijn overleden, die mis ik nog steeds heel erg.’

Heeft u gewerkt in Nederland?
‘Ja, bij Philips, bij de videocassette-afdeling en bij Champions. Het was leuk, omdat er veel mensen uit verschillende landen werkten. Mijn werkgevers waren goed en lief voor mij.’

Wat is uw favoriete Nederlandse eten?
‘Ik vind stamppot heel lekker, met andijvie en roomboter. Mijn buurvrouw leerde mij dit gerecht, en ik leerde haar Turkse gerechten. Ik noem haar abla, wat zus betekent en familiegevoel uitdrukt. Wij zijn net als echte zussen voor elkaar.’

Archieven: Verhalen

‘Ik kwam uit Marokko en nu kom ik uit Nederland’

Ahmed El-Farah zit met zijn vrouw en dochter te wachten op de kinderen die hem komen interviewen, Amani, Zoë, Diya en Elisa. Amani kent hij erg goed, dat is zijn achterkleindochter, hij vindt het leuk dat hij een stukje familiegeschiedenis met haar kan delen. Hij heeft wat dingen klaarliggen die hij de kinderen wil laten zien. Zo heeft hij een oude identiteitskaart van Marokko en zijn eerste Nederlandse verblijfsdocumenten. Ook heeft hij de blouse die hij aanhad tijdens zijn reis naar Nederland, erbij gepakt, dit alles laat hij trots zien.

Waar komt u vandaan uit Marokko?
‘Ik kom uit Beni Said in Marokko, maar nu kom ik uit Nederland.’

Had u moeite in Marokko met het leven?
‘Ja het was moeilijk in Marokko. Er was niet altijd werk. Wanneer er wel werk was, konden we redelijk goed leven maar op momenten dat er geen werk was, hadden we veel moeite met rondkomen. Wanneer je in Marokko ontslag kreeg, was er niet iets zoals de sociale dienst of een uitkering waardoor je nog wat inkomen had.

Wij hebben gelukkig nooit honger geleden. Omdat iedereen een stuk land had en iedereen wat eten verbouwde, was er altijd wel iets te eten. Vaak woonden families dicht bij elkaar en hielpen we elkaar ook waar het nodig is. We moesten er wel hard voor werken.

Wij hadden een mooi en ruim huis in Marokko. Ons huis stond hoog in de bergen en we hadden een mooi stuk land waar wij ook eten op verbouwden. Vanuit de berg waar wij op woonden, konden we zo naar de zee kijken. Helaas staat het huis er nu niet meer.’

Waar werkte u in Marokko?
‘Ik had allerlei baantjes. Ik heb bij boeren op het land gewerkt, maar ook banen gehad in de bouw. In Marokko kon je niet altijd kiezen voor het werk dat je leuk vond. Omdat er zo weinig werk was pakte je alles aan wat je kon krijgen.

Wij maakten lange dagen. In Marokko werkte ik soms van zonsopgang tot zonsondergang. In de zomermaanden werkten we niet in de middagen, dan hadden we een siësta. Tijdens de drie heetste uren van de dag konden we even gaan rusten, vaak van twaalf tot drie uur. Het was dan te warm om te werken.

We verdienden weinig. Bij licht werk verdiende ik 8 dirham per dag en bij zwaar werk 10 dirham per dag. Omgerekend naar euro’s is dat 0,80 eurocent tot 1 euro per dag. Dit is natuurlijk wel al zestig jaar geleden. Nu verdienen ze in Marokko ook meer, maar nog niet zoveel als in Nederland.’

Had u veel vrienden in Marokko?
‘Ik had wel wat vrienden, maar ik had nooit veel vrienden. Ik vond een klein groepje vrienden altijd veel fijner. Ik deed ook veel leuke dingen met familie. In Marokko is familie heel belangrijk.’

In 1966 kwam u naar Nederland. Waarom?
‘Ik moest gaan werken. Ik wilde een beter leven voor mijn familie en kinderen. Toen hoorde ik dat ik dit kon waarmaken door te gaan werken in Nederland. Toen ik naar Nederland vertrok, mochten de gastarbeiders hun vrouwen nog niet meenemen. Zij moesten achterblijven, dat was moeilijk maar ik ben toch gegaan. Ik liet alles achter wat ik had: mijn vrouw en dochter die pas 9 maanden oud was, mijn moeder en de rest van familie. Mijn thuis liet ik achter en daar was ik erg verdrietig om. In de jaren dat ik in Nederland was, heb ik ook nog drie andere kinderen gekregen.

Ieder jaar ging ik vier weken op vakantie naar Marokko. Ieder jaar dat ik weer terug moest om te werken, was het moeilijk. Ik was 11 jaar alleen.Toen er steeds meer mensen terug wilden naar Marokko om bij hun gezinnen te zijn, mochten wij uiteindelijk onze gezinnen hierheen halen. Mijn gezin is naar Nederland gekomen in 1977.’

Hoe was het om hier te komen?
‘Het was vooral moeilijk omdat de reis naar Nederland veel geld koste, wat ik niet had. Ik kreeg hulp van anderen om dit te betalen. Toen ik in Nederland was, was het ook moeilijk om te communiceren en alles geregeld te krijgen. Gelukkig kende ik al mensen die mij daarbij geholpen hebben, ook heb ik het geluk dat ik al wat Frans sprak en daarmee kwam ik ook ver.

Het leven nu is gelukkig goed. Ik heb mijn kinderen de kansen kunnen geven die ik ze wilde geven en we zijn allemaal dicht bij elkaar. Het kan natuurlijk nooit honderd procent goed gaan, maar redelijk goed is ook al goed genoeg.’

Is Nederland anders dan Marokko?
‘Ja zeker, Nederland is plat en koud. In Marokko hebben we heel veel bergen en is het vaak warm. Maar als we kijken naar hoe het land geregeld is, vind ik Nederland het beste land ter wereld.’

Archieven: Verhalen

‘Somalië was een goed land, maar door de oorlog is veel verloren gegaan’

Kai, Moayed, Isra, Levi en Sarah ontvangen de 54-jarige Qabul Salah op hun school, Philipsdorp in Eindhoven. Mevrouw Salah is geboren in Mogadishu in Somalië, en kwam in 1995 naar Nederland. Voordat ze beginnen met het interview, praten ze eerst een tijdje over van alles en nog wat. Zo verdwijnt de spanning en voelt iedereen zich op zijn gemak.

Wat gebeurde er in Somalië?
‘We woonden in Somalië in een groot huis met familie. In 1991 brak er oorlog uit. We volgden het nieuws en wisten dat er iets ging gebeuren. Mensen vluchtten van wijk naar wijk. Het was onveilig; in een land zonder regering wordt alles verwoest. Somalië was een goed land, maar door de oorlog is veel verloren gegaan. Oorlog is voor geen enkel land goed.

Ik moest vluchten naar Jemen. De meesten gingen naar Ghana of Kenia, ik koos voor Jemen. Mijn familie en foto’s van mijn ouders en familie liet ik achter. Ik kon niets meenemen, met lege handen ben ik gekomen. Jemen was geen fijn land om te blijven, de situatie was daar ook niet stabiel. Ik heb veel dingen gemist in Somalië als jonge meid. Ik wilde nog studeren.

Uiteindelijk kwam ik in Nederland in verschillende asielzoekerscentra terecht. De eerste en tweede waren fijn, maar de derde niet, omdat je met veel mensen op één kamer zat en niemand rekening met elkaar hield.’

Hoelang duurde het om Nederlands te spreken?
‘Ongeveer 1,5 jaar. In het asielzoekerscentrum heb ik het geleerd door eigen inzet en vrijwilligerswerk. Na vijf jaar kreeg ik een verblijfsvergunning en kon ik gaan werken. Ik heb mensen begeleid en gewerkt als tolk. Door vrijwilligerswerk heb ik veel vrienden gemaakt. Ik heb in Nederland tot NT2 geleerd. Ik wilde graag een mbo-opleiding doen, maar dat is niet gelukt.’

Woont er nog familie in Somalië?
Ja, mijn broer leeft nog. Eén broer. Mijn vader en andere broer zijn omgekomen tijdens de oorlog. Mijn moeder is overleden van verdriet. Ik mis mijn familie heel erg.’

Is uw leven nu beter in Nederland dan toen u hier kwam?
‘Ja, veel beter. Ik woon nu langer in Nederland dan in Somalië en voel me een beetje Nederlands.’

Als het goed gaat in Somalië, zou u daar weer willen wonen?
‘Als het goed is en mijn kinderen willen mee, dan wel. Ik wil bij mijn kinderen blijven. Misschien later met pensioen zou ik er graag op vakantie gaan.’

Archieven: Verhalen

‘Als er ooit zoiets gebeurt, mag je twijfelen aan gezag’

Op een zonnige ochtend in januari gaan Valerie, Mitchell, Danica en Amaril op weg naar verpleeghuis Douvenrade in Heerlen. Ze hebben interviewvragen bij zich, een doos chocolade en een uitnodiging. Bij Douvenrade worden ze hartelijk ontvangen. Ze krijgen eerst een stuk cake en limonade. Daarna gaan ze van start. De kinderen hebben vragen voorbereid voor Vera Wijsman. Zij vertelt het verhaal van haar oom Cornelis Wijsman. Cornelis was 14 jaar toen de oorlog begon en woonde aan de Pijnsweg 47 in Heerlen.

Waarom verstopte uw oom zich voor de Duitse bezetters?
‘Tijdens de oorlog kregen agenten de opdracht om alle jongens van achttien jaar en ouder op te pakken voor de Arbeitseinsatz. Zij moesten in Duitsland werken. Jongens probeerden zich te verstoppen om niet opgepakt te worden, maar er waren ook mensen die elkaar verraadden. Dat maakte het extra gevaarlijk.

Op een dag stond de politie bij mijn opa en oma voor de deur. Mijn oom Cornelis was verraden. De politie doorzocht het hele huis. Mijn oom had zich eerst nog kunnen verstoppen, maar hij werd bedreigd: als hij niet tevoorschijn kwam, zou de hele familie worden opgepakt. Daarom kwam hij toch tevoorschijn. Hij werd meegenomen en opgesloten in de gevangenis aan de Akenstraat in Heerlen. Ook twee vrienden van hem, met wie hij was opgegroeid, werden opgepakt.

Hoe wist uw oom te ontsnappen?
‘Mijn oom zei tegen zijn vrienden dat hij niet wilde wachten tot ze hem naar Duitsland zouden brengen. Hij wilde ontsnappen. Zijn vrienden vonden het te gevaarlijk, maar hij was vastbesloten.
Toen de gevangenisdeur openging, greep hij zijn kans. Hij trok zich over de muur omhoog en rende weg, richting de Akenstraat. Na zijn ontsnapping dook hij onder bij dokter Van Berkel. Later werd deze arts opgepakt omdat hij meerdere mensen had geholpen met onderduiken.

De politie kwam daarna bij mijn oma langs en zei dat ze het haar kwalijk namen dat haar zoon was ontsnapt. Mijn oma antwoordde: ‘Ik heb hem zo opgevoed. Ik heb hem geleerd: laat je niet pakken.’

Wat is er met de andere jongens gebeurd?
‘De twee vrienden van mijn oom, Jozef Luja en Leo Vinken, zijn wel naar Duitsland gebracht. Zij zijn daar omgekomen bij het werk. Dat maakte diepe indruk op mij. Juist degenen die gehoorzaamden, overleefden het niet. Daarom heb ik altijd tegen mijn eigen kinderen gezegd: als er ooit zoiets gebeurt, mag je twijfelen aan gezag. Blijf altijd zelf nadenken.’

Hebben uw ouders ook een moeilijke tijd gehad tijdens de oorlog?
‘Mijn moeder was half Duits en kwam uit Keulen. Na de bevrijding kregen alle kinderen een sinaasappel, maar zij en haar zus niet, omdat ze als Duits werden gezien. Later hoorde ik vergelijkbare verhalen. Zo was er een meisje dat geen eten kreeg omdat haar vader Duits was. Een Amerikaanse soldaat greep in en zorgde ervoor dat zij toch mocht mee-eten. Dat moment is mij altijd bijgebleven.’

Waren er ook Joodse mensen die opgepakt werden?
‘Hier vlakbij, in Benzenrade, speelde zich nog een ander oorlogsverhaal af dat ik nooit ben vergeten: dat van Henriëtte Neter, een Joods meisje van tien jaar dat hier ondergedoken zat.
Ze kwam oorspronkelijk uit Amsterdam en dacht dat ze hier veilig zou zijn. Maar zij is verraden, gedeporteerd naar Auschwitz en vermoord. Achter het kapelletje in Benzenrade is een paadje naar haar vernoemd: het Henriëtte Neterpaadje.’

Archieven: Verhalen

‘In september 1944 zag ik de eerste Amerikanen binnenkomen via Benzenrade’

Alfya, Sami, Armin, Orpita en Rimas komen op een zonnige dag in januari naar verpleeghuis Douvenrade in Heerlen om de 101-jarige Theo Holka te interviewen. De kinderen zijn erg onder de indruk dat meneer Holka al zo oud is en alles nog zo goed kan herinneren. Hij was 15 jaar toen de oorlog begon en woonde met zijn twee boers en ouders in de Frankenlaan.

Ze zoeken een fijne plek op in het verpleeghuis in het restaurant bij het raam. Na een lekker stuk cake en limonade starten de kinderen met hun vragen. Alfya is de fotograaf en legt het interview vast.

Wat herinnert u zich nog van het begin van de oorlog?
Ik herinner me het begin van de oorlog nog goed, ik was 15 jaar. Mijn ouders en mijn twee broers en ik waren allemaal thuis toen drie Nederlanders bij ons kwamen aanlopen met nieuws: zij hadden Duitse soldaten gezien in de stad. Ik ging samen met vijf vrienden naar de Sittardseweg om te kijken. Daar zagen we ze aankomen: een enorme colonne, te voet, met paarden en huifkarren, en grote rijen Duitse herdershonden erbij. Ze liepen in rijen van acht tot tien soldaten naast elkaar en zongen:Auf der Heide steht ein kleines Blümelein, und das heißt: Erika’.

In het begin ging het leven nog redelijk normaal. We voetbalden, speelden verstoppertje, hielpen thuis en genoten van onze grote tuin waar mijn vader groente verbouwde. Dat was belangrijk, want bij de groenteman kregen alleen de Duitsers groenten. Mijn vader werkte bij de mijn, en mijnwerkers kregen eens per maand een fles drank. Die ruilden we bij boeren voor voedsel. Zo konden we overleven.

We woonden in de Frankenlaan, een internationale buurt met Duitsers, Oostenrijkers, Joegoslaven en Polen. Mijn ouders waren Polen, ik sprak Pools thuis, Nederlands op school plat Limburgs op straat en Duits bij vrienden.’

Vond u de oorlog ook spannend?
‘Jazeker, er gebeurde veel en wij, jonge jongens stonden er soms met onze neus bovenop. Tijdens de oorlog stortten meerdere vliegtuigen neer bij Dunkrade (Doenrade). Ze werden vaak geraakt door Duits afweergeschut of beschadigd door bombardementen op het Ruhrgebied. Op een dag hoorden we dat er weer een vliegtuig was neergestort. Met een man of tien gingen we ernaartoe, op de fiets, naar een weiland, ongeveer honderd meter van de weg. Toen we bijna bij het wrak waren, kwamen er meteen Duitsers. Ze vroegen wat we deden, en wij verzonnen snel dat we mensen wilden helpen. Ze stuurden ons weg.

Ik heb ook een vliegtuig gezien waar iemand uit sprong met een parachute. Het vliegtuig stond in brand. Het wiel van dat vliegtuig ligt nu nog op een boerderij.’

Had u ook vrienden in de oorlog?
‘Tijdens de oorlog had ik veel contact met mijn vrienden. We hielden elkaar op de hoogte van wat er gebeurde. Ik weet nog dat in Valkenburg zeven ondergrondse verzetsmensen zijn doodgeschoten. Tijdens de grote staking in heel Nederland waren er hier bij de mijnen ook stakingen en er zijn hier ook zeven mensen vermoord. Allemaal tegelijk zijn ze doodgeschoten in een kuil geloof ik. Ook iemand uit onze straat, Tempelaars heette hij.

Er waren ook veel aardige Duitsers. Mijn buurjongen was een Duitser, en ik was bevriend met hem. Zijn vader waarschuwde me om mijn duiven te verbergen. Ik hield duiven, maar dat mocht niet in de oorlog. De bezetters waren bang voor spionage. Dus het was levensgevaarlijk als je nog duiven had, want wie betrapt werd, kon naar Auschwitz gestuurd worden. Dat was dus heel aardig van hem terwijl hij eigenlijk de vijand was.’

Wat weet u nog over het einde van de oorlog?
‘In september 1944 zag ik de eerste Amerikanen binnenkomen via Benzenrade. Ze hadden groot geschut bij zich, bij de Kruisstraat. We stonden te kijken toen de politie kwam en zei dat er driehonderd SS’ers onderweg waren. We moesten meteen naar huis. Onderweg durfden we niet verder en doken bij vreemde mensen naar binnen. Daar zaten we zeker een uur. De SS’ers kwamen niet.

De volgende dag stonden we op de kolenberg bij de mijn. Van daaruit zagen we duizenden Duitse soldaten te voet richting Duitsland vertrekken. Een dag later kwamen bij de Kopkesmolen honderden Amerikaanse tanks en bussen met soldaten. Heerlen was bevrijd.

Bij de molen gaf een Duitse soldaat zich over. We kregen Lucky Strikes van de Amerikanen. Ik hoorde een Amerikaan Pools praten en vertelde dat mijn ouders ook Pools waren. Ik vroeg of ik een geweer mocht hebben. Dan moet je een witte band hebben’, zei hij. Die had ik niet, maar ik kreeg het geweer toch mee, en ook een verrekijker.

Thuis werd het geweer weer opgehaald door handhavers. Ook zonder kogels is het goed’, zeiden ze, ‘de mensen schrikken toch.’

Archieven: Verhalen

‘Mijn oma belandde in het zigeuner-lager van Auschwitz’

Naya, Lize, Dax en Matthew bezoeken verpleeghuis Douvenrade voor een bijzonder interview over de Tweede Wereldoorlog in Heerlen. In het restaurant zitten ze aan tafel met Sheila Meinhardt, die vertelt over haar oma, Maria Steinbach, een Sinti-vrouw die de oorlog overleefde. Ze deelt herinneringen die ze van haar oma en familie heeft gehoord en toont indrukwekkende schilderijen die ze zelf maakte. De kinderen, die hun vragen hebben voorbereid, luisteren aandachtig terwijl Matthew foto’s maakt.

Kunt u vertellen over uw oma en hoe ze hier in Heerlen woonde?
‘Mijn oma Maria, ofwel mami zoals wij het zeggen, werd geboren in Heerlen in 1920. Ze woonde met haar familie in een woonwagenkamp op de Heksenberg bij de Brunssummerheide. Een woonwagenkamp ligt vaak buiten het bewoonbare gebied, in een hoek waar Sinti-gemeenschappen samenleefden.

De woonwagens waren van hout, getrokken door paarden, en vanbinnen mooi bewerkt. Kinderen konden vrij spelen, de mensen plukten kruiden in de bossen en leefden dicht bij de natuur. Het was een ongedwongen leven. Later trokken ze naar Eindhoven, waar het leven plotseling heel anders werd.’

Wat veranderde het leven van uw mami?
‘Op 16 mei 1944 werd mami opgepakt door de politie van Eindhoven samen met de nazi’s. Er vond een razzia plaats en iedereen op het kamp werd meegenomen. Het gebeurde heel vroeg in de ochtend, onverwachts. Alles moest snel worden ingepakt, er was geen tijd om knuffels of persoonlijke spullen mee te nemen.

Mijn mami had een dochter van twee, Helene, en een kind op komst. Haar man, mijn opa, was al eerder opgepakt op 9 mei en naar kamp Amersfoort gebracht. De familie werd naar kamp Westerbork gebracht en verbleef daar kort voordat ze drie dagen lang in een veewagon naar Auschwitz werden vervoerd. Tijdens die reis was er nauwelijks eten of drinken, en het was heel zwaar voor kleine Helene.’

Wat gebeurde er in Auschwitz?
‘In Auschwitz werden vrouwen en mannen gescheiden. Mijn oma belandde in het ‘Zigeunerlager’. Kleine kinderen werden meteen gescheiden van hun moeder en geselecteerd om vermoord te worden. Op 4 juli werd Helene, twee jaar oud, vermoord. Op 9 juli werd de pasgeboren Jozef vermoord, hij was op 23 mei geboren. De Duitsers vonden dat kinderen niets waard waren, omdat ze niet konden werken.

De barakken in het kamp waren lang en smal, met stapelbedden en harde vloeren. Er was geen eten of dekens. Ondanks alles overleefde mijn oma door haar enorme innerlijke kracht. Later werd ze overgebracht naar kamp Ravensbrück en kon daar werken, waardoor ze het overleefde.’

Hoe kon u oma overleven?
‘Mijn oma werkte hard in het vrouwenkamp en werd uiteindelijk bevrijd toen de Amerikanen Ravensbrück binnenvielen. Ze kon zich herenigen met mijn opa en begon langzaam een nieuw leven, bijna alles wat ze bezat was weg: hun woonwagen, viool, gitaar en andere spullen.

Ze sprak nooit over de oorlog, maar ik heb de puzzelstukjes bij elkaar gezocht. Haar verhaal leert dat trauma niet alleen verdriet is, maar ook kracht kan geven. Haar veerkracht hielp haar overleven en inspireert ons nog steeds.’

Hoe ging het verder na de oorlog?
‘Na de bevrijding moesten ze opnieuw beginnen, geld verdienen langs de deuren en hun leven weer opbouwen. Ondanks het verlies en verdriet, was ze blij haar man terug te zien. Mijn oma overleed in 1995 op 75-jarige leeftijd, en ik vertel haar verhaal nu, zodat haar herinnering en de herinnering aan de kinderen die vermoord zijn niet verloren gaan.

Toen ik geboren werd heb ik een stukje van het trauma van mijn oma meegekregen. Dat heet trans-generationeel trauma. Het zijn een soort verborgen wonden, littekens die je van buitenaf niet ziet. Daar heb ik een schilderij over gemaakt, dat zijn de wonden van mijn ziel.’

Archieven: Verhalen

‘Als er luchtalarm was, gingen velen de grotten van Valkenburg in’

Zuzanna, Xavi, Kisanet en Emma gaan in Heerlen iemand met een bijzonder verhaal interviewen: Mieke Fox. Terwijl Kisanet foto’s maakt, vertelt mevrouw Fox haar verhaal. Zuzanna, Xavi en Emma luisteren aandachtig en stellen de vragen die zij van tevoren hebben opgesteld.

Hoe zag het begin van de oorlog eruit?
‘Ik was zeven jaar oud toen de oorlog begon, in mei 1940. Ik droeg een wit jurkje met een grote strik in mijn haar, want meisjes droegen toen geen broeken. Ik was de middelste van drie kinderen, ik had een oudere en een jongere zus. Op 10 mei kwamen ineens de Duitse vliegtuigen over Rotterdam. Dat was heel beangstigend, want vliegtuigen zag je toen bijna nooit. Opeens vielen er bommen uit de lucht. Alles stond in brand. Bij ons thuis waren alle ramen eruit geblazen. Mijn vader probeerde ze nog dicht te plakken. Ik vergeet nooit hoe eng dat was.’

Hoe was het leven in Rotterdam tijdens de oorlog?
‘Rotterdam werd bijna helemaal verwoest. Overal brandden huizen en mensen moesten vluchten. Wij pakten snel wat spullen bij elkaar en gingen te voet weg, want bijna niemand had een auto. We namen alleen het hoogstnodige mee, zoals dekens en een klein kistje met belangrijke papieren dat mijn oudste zus moest dragen. Mijn vader zei dat mensen eerder bij ouders naar papieren zouden zoeken dan bij een kind, zodat we beschermd waren. We hebben een hele nacht in een weiland geslapen. De volgende dag gingen we naar mijn tante, die een slagerij had. Ons huis was helemaal kapot. Mijn vader ging terug om te kijken of het nog te redden was en gebruikte glas uit schilderijen om de ramen voorlopig dicht te maken.’

Hoe was het leven nadat jullie naar Valkenburg gingen?
‘Via een vriend van mijn vader zijn we naar Valkenburg gegaan, omdat het daar veiliger was. We gingen met een verhuiswagen. Mijn vader was musicus; hij speelde saxofoon en was dirigent. Mijn moeder, een Friezin, begon daar een hotel dat uiteindelijk groter werd en dat ik later overnam. Mijn vader noemde het hotel ‘Rotterdam’ en de Rotterdamse en Friese vlag hingen altijd uit. In Valkenburg moest ik meteen naar school en ik kreeg snel nieuwe vriendinnetjes. We hadden veel spullen uit Rotterdam meegenomen, zoals speelgoed, schaatsen en tennisballen, waardoor de kinderen daar graag met ons wilden spelen. Zo leerden we ook snel plat Limburgs praten.’

Wat gebeurde er in de grotten?
‘In Valkenburg waren grotten, zoals de Gemeentegrot en de Catacomben. Als het luchtalarm afging, gingen de meeste mensen de grotten in, vooral degenen die erg bang waren, zoals mijn schooljuffen. Tijdens de bevrijding hebben we veertien dagen in de Catacomben doorgebracht. Elk gezin had een eigen plekje, afgescheiden met lakens en dekens. Er was een gaarkeuken waar men in een lange rij voedsel kreeg, en gaslampen brandden in de grot. Voor ons kinderen was het spannend; ik organiseerde poppenkastvoorstellingen en andere spelletjes voor de kinderen.’

Hoe ging de bevrijding?
‘Op 17 september 1944 mochten we de grot weer uit. Het moment dat je ineens weer licht zag, staat me nog helder voor de geest. Toen we teruggingen naar ons hotel, lag er een dode Duitse soldaat binnen. Amerikaanse en Engelse soldaten kwamen daarna in Valkenburg aan. Wij zagen voor het eerst ook zwarte soldaten, die werden gediscrimineerd binnen het leger, maar wij vonden het bijzonder om met hen te praten. De Amerikanen deelden chocola uit en soms kregen wij brood of gebak van de soldaten.’

Kunt u iets vertellen over de ‘Verboden voor Joden’-bordjes?
‘Tijdens de bezetting moesten alle zaken een bord buiten hangen met de tekst ‘Verboden voor Joden’, ook bij ons hotel. Mijn pianoleraar was Joods en droeg een ster. In het begin kreeg ik nog les van hem, maar ineens was hij verdwenen. Hij overleefde de oorlog gelukkig.’

Hoe kijkt u nu terug op de oorlog?
‘De oorlog heeft mijn jeugd bepaald. We moesten snel groot worden, maar we hebben ook geleerd door te gaan. Ik ben dankbaar dat ik het heb overleefd, want veel mensen hebben dat niet. Ik heb geleerd hoe belangrijk vrijheid is. Daarom vind ik het belangrijk om mijn verhaal te blijven vertellen, zodat kinderen begrijpen wat oorlog met mensen doet.’

Archieven: Verhalen

‘In de nacht hoorden we dat er in Aken gebombardeerd werd’

Stanislaw, Ysaira, Jolie, June en Luca komen met z’n vijven naar het verzorgingstehuis in Heerlen om mevrouw Frijns te interviewen. Ze hebben op school vragen bedacht die ze haar willen stellen. Stanislaw maakt de foto’s. Met z’n allen nemen ze plaats in een gezellig hoekje, om vervolgens om de beurt een vraag te stellen.

Kunt u zich nog herinneren hoe uw leven eruitzag toen de oorlog begon?
‘Ik was tien jaar oud toen de oorlog begon. We woonden met ons gezin aan de Markt in Simpelveld, op de Molsberg. We waren met zes kinderen thuis, vier jongens en twee meisjes. Mijn vader werkte in de mijnen als ondergronds opzichter. We hadden het niet breed, maar we kwamen niets tekort. Toch wisten we niet wat er allemaal zou gaan gebeuren.’

Wat was uw eerste herinnering aan de oorlog?
‘In het begin herinner ik me vooral de vliegtuigen. Ze kwamen heel vroeg in de ochtend over, rond vier of vijf uur. De lucht was zwart van de vliegtuigen. Ik lag nog in bed en hoorde het zware gebrom. Mijn moeder zei: ‘Och, och, nu krijgen we oorlog’. Wij wisten helemaal niet wat ons te wachten stond. Het was angstig, maar ook onwerkelijk.’

Hoe kwam de oorlog uw dorp binnen?
‘Niet veel later kwamen de Duitsers het dorp binnen. Ze marcheerden met een hele groep door de straten, met geweren en zelfs een tank en kanon erbij. Dat maakte diepe indruk. Opeens was de oorlog niet meer iets van ver weg, maar stond hij gewoon voor je deur.’

Hoe was school in die tijd?
‘School was heel anders tijdens de oorlog. We moesten in het dorp blijven voor school. Er werd in Simpelveld een huishoudschooltje gemaakt voor de zevende en achtste klas – dat is nu de eerste en tweede klas van de middelbare school. Daarna moest je gaan werken; pas met veertien jaar mocht je officieel aan het werk.’

Merkten jullie al dat de oorlog op zijn einde liep?
‘Tegen het einde van de oorlog merkten we dat er iets ging veranderen. Simpelveld ligt vlak bij Duitsland en we hoorden dat er in Aken gebombardeerd werd. ’s Nachts was het dan soms heel licht aan de hemel, door al dat vuur en die explosies.’

Kunt u zich de bevrijding nog herinneren?
‘Bij de bevrijding kwamen de Amerikanen. In de weilanden van de boeren stonden tanks en auto’s, het leek wel een legerplaats. Wij liepen daar gewoon tussendoor, tussen die soldaten. We waren niet bang. We kregen snoep en chocolade van hen, dingen die we al heel lang niet meer hadden gehad. De Amerikanen kwamen ook bij ons thuis. Ze hadden daar een wagen staan waarin ze schrijfwerk deden. Bij ons thuis hadden we een grote kamer en die gebruikten zij als kantoor.’

Archieven: Verhalen

‘We kropen stiekem door brandgangetjes om te kijken hoe er gevochten werd’

Rayan, Tamim, Jayce en Rayvian gaan naar het verzorgingshuis vlak bij hun school in Heerlen. Daar interviewen ze de 93-jarige meneer Bosgraaf over zijn jeugd tijdens de oorlog. In hun handen hebben ze een stuk papier met vragen die ze hebben voorbereid zodat ze er tijdens het interview af en toe even op kunnen spieken.

Kunt u iets vertellen over hoe u het begin van de oorlog meemaakte?
‘Ik was acht jaar oud toen de oorlog begon. We woonden op de Molenberg in Heerlen, vlak bij de Duitse grens, samen met mijn vader, moeder, een broer en een zus. Mijn vader werkte in de mijn, net als veel andere mannen in onze familie. Dat gaf ons een klein voordeel, want mijnwerkers hoefden niet naar Duitsland om te werken. Als kind begreep ik in het begin eigenlijk niet wat er aan de hand was. Op een vroege ochtend, rond vijf uur, werden we wakker van een enorm lawaai. De lucht was zwart van de vliegtuigen. Het voelde meteen verkeerd, maar toch gingen we die dag gewoon naar school.’

Wanneer merkte u dat de oorlog ernstiger werd?
‘Vooral tegen het einde werd het echt heftig. Er gingen geruchten dat de Amerikanen eraan kwamen. Mensen in de buurt hingen vlaggen uit en begonnen te juichen. Toen kwam er een groep soldaten door de velden aan en iedereen dacht dat het Amerikanen waren, maar het bleken Duitsers. Die riepen dat de vlaggen weer naar binnen moesten. Ze zeiden zelfs: ‘Heute Abend könnt ihr euch freuen.’ Ze wisten dat ze verloren hadden, maar er werd die dag nog hard gevochten. Op de Molenberg, bij het spoor van de Wilhelmina-mijn, hadden de Duitsers zich ingegraven. Dat spoor lag hoger dan de akkers en werd gebruikt als verdedigingslijn. De eerste Amerikanen die wij zagen, lagen ingegraven bij het Zusterbosje. Wij gingen met een groep jongens kijken, maar een Amerikaanse commandant stuurde ons weg. Even later vlogen de granaten vanuit de richting van Aken. We waren net op tijd weg.’

Hoe gevaarlijk was het voor u als kind om dit allemaal mee te maken?
‘Vooral ’s nachts was het eng. Dan kwamen de bommenwerpers en ging het luchtalarm af. We vluchtten de kelder in en zaten met alle kinderen op een hoop kolen, met een deken erover. Overdag waren we toch nieuwsgierig. We kropen stiekem door brandgangetjes tussen de huizen om te kijken hoe er gevochten werd. Dat was levensgevaarlijk. Een keer vloog er een kogel rakelings over ons hoofd. Toen zijn we zo snel mogelijk weggegaan.’

Wat is een beeld uit de oorlog dat u nooit bent vergeten?
‘Na een gevecht gingen we toch weer kijken. In een schuttersputje lag een Amerikaanse soldaat, half ingezakt, met zijn geweer nog in zijn hand. Zijn helm had twee gaten: een kogel erin en er weer uit. Dat beeld staat voor altijd op mijn netvlies. Er lagen meer doden, maar die konden niet meteen worden weggehaald omdat er nog geschoten werd. Een buurjongen heeft later zo’n helm gekregen en die lang als souvenir bewaard. Wij mochten van mijn vader eigenlijk helemaal niet gaan kijken, maar we deden het toch.’

Kwam u ook in aanraking met onderduikers?
‘Ja. Op school wisten we dat de directeur een onderduiker had en bij de dominee zat er ook een. Mijn zwager had er eveneens een. Sommigen zijn gepakt, maar de meesten hadden geluk. Ik zat in het kinderkoor en bij een dansavond danste ik met een leuk meisje. Later bleek dat zij Joods was en ondergedoken zat. Mijn vader was boos toen hij dat hoorde, omdat het gevaarlijk was, maar ik wist dat toen helemaal niet.’

Hoe was de tijd direct na de bevrijding?
‘Na de bevrijding trokken de Amerikanen in de lege huizen in de buurt. Daar hadden Duitsers en NSB’ers gewoond die naar Duitsland waren gevlucht. Op een dag stond onze straat vol met grote stapels munitiekisten, zelfs voor onze voordeur. Een soldaat liet die kisten verplaatsen. Hij had een oogje op mijn zus, die lang rood haar had. Ik had dat zelf ook. De Amerikanen waren daar dol op. We kregen chocolade, sigaretten en van alles.’

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892