Archieven: Verhalen

‘De Duitsers marcheerden door de straat, ze konden ontzettend goed zingen’

Joris, Tygo en Thomas van de Vossersschool op Terschelling gaan op de fiets naar de Willem Barentzkade, langs de boot, naar Janny Bergsma (99). Ze woont op een mooie plek met zicht op de havenkom en de Waddenzee. Mevrouw Bergsma woonde in Leeuwarden tijdens de oorlog.

Hoe oud was u tijdens de oorlog?
‘Ik was 14 jaar toen de oorlog uitbrak. Ik zat op de ulo (Uitgebreid Lager Onderwijs) en herinner me dat er ’s avonds geen licht meer mocht branden om te voorkomen dat de Engelse vliegtuigen de huizen konden zien. De Duitsers marcheerden door de straat, ze konden ontzettend goed zingen. Ook vielen ze huizen binnen, op zoek naar radiotoestellen en andere verboden voorwerpen.’

Wat vond u het ergst?
‘Mijn broertje overleed aan kinderverlamming en moest naar een barak buiten Leeuwarden omdat het een besmettelijke ziekte was. Ik kon hem niet meer zien en dat vond ik heel erg. Ik zie hem nog voor me, dat ik thuiskwam, dat hij op de grond lag te huilen van de pijn.

De bombardementen en de huiszoekingen maakten ook veel indruk op me. Ze lieten wel eens bommen vallen op het vliegveld.’

Kende u iemand die moest onderduiken?
‘Mijn vader werkte bij de spoorwegen en hij moest onderduiken toen de Duitsers hem wilden arresteren. Ook ik moest onderduiken en bracht het laatste jaar van de oorlog bij mijn tante door. Ons huis namen de Duitsers in beslag en toen we na de oorlog terugkwamen, was alles weg.’

Wat deed u het liefst in de oorlog?
‘Ik had veel plezier op de boerderijen van familieleden en ik vond het wel leuk om bonnetjes te plakken voor voedsel.’

Heeft u nog een les voor ons?
‘Na de oorlog ontmoette ik ook Duitsers die niet allemaal slecht waren en ik probeer dan ook niet alle Duitsers over één kam te scheren.’

Archieven: Verhalen

‘Het geslachte kalf is toen samen met mijn broer verstopt in de kelder’

Op een zonnige dinsdagochtend vertrekken Kisten, Julian en Marit al vroeg vanaf de Vossersschool op Terschelling naar het huis van Lea Ruig (88). Ze woont heel dichtbij school en heeft de deur al opengezet. De kinderen nemen plaats op de bank en mevrouw Ruig steekt gelijk van wal met verhalen. De kinderen hebben mooie vragen voorbereid die ze graag willen stellen, en na een poosje leiden ze haar dan toch door de vragen.

Waar woonde u tijdens de oorlog?
‘Ik woonde in Friesland op een boerderij in de buurt van Dokkum. Ik was de jongste van zes kinderen. Mijn oudste broer was 18 jaar en zat ondergedoken in de boerderij omdat hij anders moest werken voor de Duitsers. Het was soms best spannend als er razzia’s waren. Gelukkig was er wel altijd iemand die ons waarschuwde, maar zo ineens al die soldaten in de boerderij… dat maakte veel indruk. Tijdens de Hongerwinter hebben we nog een echtpaar opgevangen dat op de grond sliep omdat er geen bedden te koop waren.’

Had u ook huisdieren in de oorlog?
‘Op de boerderij waren koeien, varkens, schapen en kippen. Deze werden geslacht zodat we zelf konden eten. Het mocht niet van de Duitsers dus als er een razzia was dan moest het vlees ook worden verstopt. Op een dag had mijn familie een kalf geslacht en was er een razzia. Toen is het geslachte kalf samen met mijn broer verstopt in de kelder, hij zat dus tussen het vlees. De Duitsers hebben hem gelukkig niet ontdekt.’

Wat voor kleding droeg u tijdens de oorlog?
‘We kregen bijna geen nieuwe kleren want die waren ook niet te koop. En omdat ik een oudere zus had, kreeg ik haar kleren of werd er iets gemaakt.’

Wat deed u tijdens de oorlog in uw vrije tijd?
‘Wij hadden heel weinig. Ik weet wel dat we in de schuur een schommel hadden. Daar heb ik uren en uren en uren op gezeten. Er was weinig speelgoed. Mijn oudste broer had later een orgel omdat hij bij ons in huis zat ondergedoken. Hij kon nergens heen en zat gevangen in huis. Zo kon hij toch nog orgel spelen.’

Archieven: Verhalen

‘Op Texel kwamen de Russen in opstand tegen de Duitsers’

Na een korte wandeling naar het woonzorgcentrum nemen Bart, Rieneke, Nora en Tygo van de Prinses Margrietschool op Terschelling de lift naar de vierde verdieping. Altijd een belevenis, zo’n lift! Ze arriveren bij de woning van Griet van Holk (91), die net afscheid neemt van haar fysiotherapeut en snel haar koffie opdrinkt zodat het interview kan beginnen. Mevrouw Van Holk woonde tijdens de oorlog op Texel.

Hoe oud was u tijdens de oorlog?
‘Ik was zeven jaar oud toen de oorlog uitbrak in 1940 en ik herinner me dat de meester die dag op school zei dat we vrij kregen. Alle schoolkinderen vonden het geweldig om vrij te zijn, ze beseften nog niet wat oorlog inhield. Voor ons was oorlog wel een feest op dat moment.’

Waar woonde u?
‘Ik woonde met mijn vijf jaar oudere broer en vader en moeder op Oosterend op Texel. Mijn vader had een manufacturenwinkel. We hadden een poes die Miep heette en hij ging altijd mee naar mijn bed tot ik sliep, dan sloop de poes weg naar buiten.’

Woonden er Duitsers bij u in de straat?
‘Er waren Duitsers op het eiland en die kwamen soms langs bij de winkel, dan moest het licht uit van mijn vader. Er zaten ook Russen op Texel gestationeerd. Zij kwamen later in opstand en begonnen al die Duitsers te vermoorden en de boerderijen in brand te steken.’

Hoe vond u de bevrijding
‘Iedereen was opgelucht. Weet je, de angst ging weg. Alle dagen had je toch die spanning. Je kon feesten en hossen en achter de muziek en oh, het was een groot feest. Ik weet nog dat het een hele mooie tijd was, echt wel heel fijn.’

Archieven: Verhalen

‘We aten meestal gort uit water met suikerbietenstroop’

Dante, Bo en Sissel vertrekken met de fiets van de Vossersschool op Terschelling naar de Stilen voor een interview met de 88-jarige Edy van Sijp. Eigenlijk zijn de school en het verzorgingscentrum buren, maar de kinderen moeten na afloop van het interview nog door naar Midsland en hebben daarom hun fiets nodig. Na een grote koek en wat limonade kan het interview beginnen. Ze mag gerust een vraag niet beantwoorden als ze dat liever niet wil, zeggen de kinderen tegen haar. Edy van Sijp woonde tijdens de oorlog in de Kattenburgstraat in Amsterdam en is later naar familie op Terschelling gebracht.

Wat at u tijdens de oorlog?
‘We aten niet veel bijzonders, meestal gort uit water met suikerbietenstroop.’ Het waren moeilijke omstandigheden en de angst die mensen voelden tijdens die periode waren niet fijn. Ook al was ze nog maar een jong meisje van 8 jaar, ze herinnert het zich nog goed.

Waar woonde u tijdens de oorlog?
Ze woonde in Amsterdam in de oorlog, maar is later met een schipper naar Terschelling gebracht, samen met andere kinderen. Haar familie woonde daar. Vol met luizen kwam ze aan bij haar familie. ‘Ik vond het gevaarlijk, vertelt ze. ‘We moesten omgaan met voedselschaarste en het gevaar van bombardementen.’

Haar vader vervoerde wapens met zijn bakfiets. Ze zat dan achterop de fiets zodat de Duitsers ze niet zo snel zouden aanhouden voor een controle. Ook hielp haar vader Joodse mensen door eten naar de buren te brengen, die een grote groep onderduikers hielpen.

Hoe was het leven na de oorlog?
‘We probeerden allemaal weer een normaal leven op te bouwen.’ Het leven ging langzaam terug naar normaal, maar de herinneringen aan de oorlog bleven. Na de oorlog is ze met haar familie op Terschelling gaan wonen. Toen ze zo oud was als Dante, Bo en Sissel nu zijn, kreeg ze een graf van een Poolse vliegenier onder haar hoede. Tot de dag van vandaag onderhoudt zij het graf en heeft zij contact met zijn familie uit Polen.

Archieven: Verhalen

‘Natuurlijk nam ik kleren mee, maar ik koesterde echt een oude Surinaamse vlag’

Wat gespannen maar vrolijk zit Carmen Schaken al te wachten op haar interviewers Raf, Adam, Abi en Nina van basisschool Philipsdorp in Eindhoven. Ze stelt voor om er ‘een gezellig gesprek’ van te maken. Mevrouw Schaken is geboren in 1950 in Paramaribo en kwam in 1968, toen ze 18 was, naar Nederland. Ze heeft foto’s en spullen meegenomen om haar verhaal tastbaar te maken en ze trakteert de kinderen op zelfgebakken Surinaamse koekjes.

Waarom bent u naar Nederland gekomen?
‘Ik ben geboren in Paramaribo, de hoofdstad van Suriname, en ik groeide op in een houten huis tussen veel groen. Bij ons stonden de deur en de ramen open: mensen konden zo binnenlopen. Als je uit school kwam, ging je buiten spelen, dat was het leven. Ik bleef in Suriname tot mijn achttiende, toen heeft mijn vader mij naar Nederland gestuurd. Dat voelde dubbel.

Ik verlangde er als kind ook naar, omdat we op school veel over Nederland leerden en Nederland ver weg en bijzonder leek. Maar ik moest ook alles achterlaten: mijn vrienden, mijn vertrouwde huis en de geur van thuis. Toch zat er ook iets krachtigs in: mijn vader wilde dat ik zou studeren en iets zou worden. Later is dat een soort leidraad geworden in mijn leven.’

Hoe zag uw huis eruit?
‘In Suriname woon je vaak niet met alleen vader, moeder en kinderen. In mijn familie woonden oma’s, tantes, neefjes en nichtjes samen in één huis. En meestal heeft de oma het laatste woord, dat was gewoon zo. Als kind speelde ik het liefst buiten. We speelden tikkertje (wij zeiden soms ‘elle) en we speelden Moeder, mag ik reizen?’ Dan vroeg je: ‘Moeder mag ik reizen?’ en zei je een plek, soms zelfs ‘Amsterdam’, omdat je als kind al droomde van Nederland. Dan mocht je stapjes zetten met de letters van het woord.

We hadden niet veel gekocht speelgoed; we maakten het zelf buiten. Tegelijk was het thuis ook streng: je had schoolkleren, huiskleren en uitgangskleren. Met schoolkleren mocht je niet ravotten. En je moest op tijd thuis zijn, want rond vijf uur werd het donker. Als je te laat was, kreeg je straf, maar spelen was zó leuk dat je soms toch weer te ver wegging.’

Wat nam u mee en hoe was de reis naar Nederland?
‘Ik was 18, dus ik had niet veel spullen. Natuurlijk nam ik kleren mee, maar wat ik echt koesterde was een oude Surinaamse vlag. Die vlag hoorde bij Suriname van toen en die zat als het ware in mij. De reis vond ik eng. Ik had nog nooit gevlogen of met de trein gereisd, en ineens zat ik uren in een vliegtuig. Ik kreeg eten en iedereen at met mes en vork, dat kende ik niet, dus ik at niet.

Toen ik aankwam op Schiphol schrok ik van deuren die vanzelf opengingen. Ook in de trein schrok ik van het lawaai van een voorbijrazende trein. En het was herfst: bomen zonder bladeren, dat vond ik zó vreemd, want bij ons is alles groen. Later fietste ik door de sneeuw en voelde ik van alles om me heen: ik dacht echt, wat is dit? Alles was nieuw en ik moest snel wennen.’

Hoe was het om hier te wonen?
‘Toen ik hier was, wilde ik mijn weg vinden. Ik ben de verpleging ingegaan om mijn diploma te halen en verder te studeren. Dat is bijzonder, want in Suriname was ik eigenlijk bang voor psychiatrische patiënten. En ineens werkte ik in een omgeving waar veel mensen psychisch ziek waren. Niemand had me een handleiding gegeven; ik heb het moeten leren door te kijken, door ervaring en door studie.

Dat studeren heeft me ook geholpen in Nederland, want ik heb racisme en discriminatie meegemaakt. Er zijn mensen geweest die nare dingen zeiden, zoals dat ik ‘terug moest naar de rimboe’. Ik leerde dat je niet alles kunt veranderen, maar wel hoe je ermee omgaat. Voor mij werd het heel duidelijk: kennis is macht. Kennis is een sleutel om deuren open te maken. Nu heb ik kinderen en kleinkinderen en voel ik me hier thuis, maar ik mis Suriname ook. Daarom ben ik soms een half jaar daar en een half jaar hier. En om af te sluiten heb ik voor jullie Surinaamse koekjes gebakken, zodat jullie ook iets van die sfeer proeven.’

Archieven: Verhalen

‘Toen konden we elkaar alleen zien als we het vliegtuig pakten’

Angelica Goyenechea en haar mooie, grijze Maine Coonkat zijn blij dat de kinderen er zijn. Darwin, Gioa-Dean en Koyuki van basisschool Philipsdorp worden hartelijk ontvangen in Stratum. Het was even zoeken naar het juiste nummer, maar ze zijn er. Als ze allemaal wat te drinken hebben, starten ze met het interview. Mevrouw Goyenechea is in 1972 geboren in Mexico-Stad en inmiddels al bijna 29 jaar in Nederland. Het bevalt haar goed en ze wil hier ook niet meer weg.

Hoe was de cultuur in Mexico?
‘In Mexico dansen we veel meer als er een feestje is. In Nederland zitten mensen met een verjaardag in een kring en dan zit je daar en dan krijg je eerst taart en daarna de hartige dingen en iedereen blijft de hele tijd op zijn stoel zitten. In Mexico veranderen mensen van plaats en de taart komt aan het einde en niet in het begin. Mensen zijn ook opener, ze gaan sneller met een vreemde praten.’

Wat vond u ervan dat de familie van uw vriend gemeen tegen u deed?
‘Ik vond dat verschrikkelijk. Maar weet je, het zal altijd gebeuren dat iemand je niet leuk vindt, maar wat telt is wat je ermee doet. Je kan in de vechtstand gaan, je kan het negeren of je kan weggaan. Ik heb me niet laten kleineren en ben weggegaan. Ik wilde graag in Nederland blijven. Ik had de taal geleerd, ik had een baan en kon gelukkig een eigen huis kopen.’

Vond u het moeilijk om uw familie achter te laten toen u wegging uit Mexico?
‘Dat was pijnlijk en niet leuk. Mijn zus was getrouwd met een Nederlander en woonde al in Nederland dus dat scheelde. Toen konden we elkaar alleen zien als we het vliegtuig pakten en bellen was heel erg duur. We schreven brieven. Maar nu met de mobiele telefoons en internet kunnen we elkaar videobellen. Dat scheelt heel veel in het contact.’

Wilde u iets meenemen uit Mexico wat niet mocht?
Ikzelf wilde wel eten meenemen, maar ik zal je vertellen wat mijn moeder een keer heeft gedaan. Ze kwam een keer op bezoek en zij had een pot met bacteriën om yoghurt te maken in haar koffer meegenomen. Ze wilde haar eigen yoghurt maken. En als onschuldige, oude vrouw kwam ze zo met haar koffer de douane door. Ik was heel kwaad, heb je hier de supermarkt al gezien? Ze hebben hier zoveel verschillende soort yoghurt, maar dat kende mijn moeder niet in Mexico.’

Archieven: Verhalen

‘In Mexico is iedereen veel aardiger en wordt er veel geknuffeld’

In een kleurrijke woning in Eindhoven doet een kleurrijke vrouw de deur open voor Samm, Amani, Sebastiaan en Toby, leerlingen van basisschool Philipsdorp. Meteen voel je de Mexicaanse gastvrijheid waar Idoia Leal Belausteguigoitia in het interview zo veel over vertelt. Haar huis staat vol met mooie schatten uit Mexico en dingen die ze zelf heeft gemaakt. In 2007 kwam ze samen met haar grote liefde naar Nederland om hier een nieuw bestaan op te bouwen, en dat was erg wennen.

Wat is de reden dat u naar Nederland bent gekomen?
‘In 2002 ontmoette ik mijn huidige man, Hans. Hij werkte voor Philips in de tv-fabriek in Mexico. We wilden samen in Mexico een bestaan opbouwen en bouwden zelfs een huis op de grond van mijn ouders. Na vijf jaar moest Philips zijn fabriek sluiten vanwege de opkomst van de flatscreen-tv’s. Er was geen passende baan voor mijn man in Mexico, dus besloten we naar Nederland te gaan.’

Waar moest u aan wennen toen u in Nederland kwam?
‘Toen ik aankwam in Nederland regende het en dat vond ik verschrikkelijk. Ook de wind was heel erg wennen. In Mexico waait het ook, maar dat is een warme bries van de zee. Hier is de wind erg koud.

Aan de Nederlandse mensen moest ik ook wennen. Ze spraken geen Engels, dus ik kon met niemand communiceren. Daarnaast zijn Nederlanders erg gesloten en leken ze vaak onvriendelijk. In Mexico is iedereen veel aardiger en wordt er veel geknuffeld. Bij ons is iedereen welkom, maar in Nederland kostte het me jaren voordat iemand me uitnodigde voor een kopje koffie.’

Hoe was vroeger uw school in Mexico?
‘Jullie kunnen het je vast niet voorstellen, maar wij droegen allemaal een uniform. Dat was verplicht van 4 tot 18 jaar en soms echt heel warm. Gelukkig hadden we airco op school.
Onze schoenen moesten shinen, dus we moesten ze goed boenen. Elke maandag moest een klas iets voorbereiden en vertellen over de geschiedenis van Mexico. Daarna zongen we samen het volkslied van Mexico.

Op school hadden we een kleine tendieto (winkel) waar we in de pauze burrito’s kochten. Dat was heerlijk. Brood als lunch kenden we niet. We leerden veel Engels op school en hadden ook muziekles.’

Hoe was het leven in Mexico?
‘Het leven was geweldig. In onze stad hadden we een soort kermis die elke middag open was. Op zaterdag en zondag kon je kleine pony’s huren. Die versierden we als My Little Pony’s met verf en sterren.

In Mexico kennen we ook lucha libre. Dit is een soort worstelen waarbij mannen maskers en capes dragen. Dat is echt geweldig grappig om te zien. Jong en oud komt daar naar kijken.
Verder waren we altijd buiten. Meisjes speelden veel met het springtouw en jongens speelden altijd voetbal. We deden verstoppertje en gingen ook belletje trekken.’

Archieven: Verhalen

‘Mijn collega’s zeiden: ‘die Henk die is zo positief als wat’

Het is meteen lachen in de lerarenkamer als Mazem, Noa-Lian en Pietro van basisschool Philipsdorp Henk Bhawanidin (69) begroeten. Hij doet erg zijn best alle namen goed uit te spreken maar het lukt pas na een paar pogingen. Bij Noa-Lian gaat het wel meteen goed, want meneer Bhawanidin is haar opa (‘Nana’) en haalt haar elke woensdag op. Vandaag gaan de kinderen hem interviewen over zijn jeugd in Suriname en zijn komst naar Nederland.

Welke herinnering heeft u nog van de lagere school?
‘Ik zat op de lagere school, de Benjaminschool noemde ze dat. Mijn Nana, de vader van mijn mama, had een ezel, en daarmee ging hij elke donderdagochtend vroeg vaten melasse verkopen. Op weg terug naar huis liep hij om 9:30 uur langs mijn school als wij buiten aan het spelen waren. Dan riep ik ‘Nana, Nana!’ en stopte hij en gaf mij 10 cent. Dat ging ik dan samen met mijn vrienden opmaken aan eten: bami en gebakken cassave.’

Hoe was het om daar te wonen in Suriname?
‘Suriname is een heel fijn land met een mooi klimaat. Het is altijd 25 graden, maar er is ook veel regen. Ik had daar veel vrienden, en de mensen zijn vriendelijk. Het eten is ook heel lekker. We hebben zoveel verschillende soorten mensen dat je allerlei soorten eten hebt. Er zijn mensen uit Afrika, India, Indonesië, China, dus het Surinaamse eten is een mengelmoes van alles. Je kon niet anders dan met elkaar samenleven en dat ging altijd goed.’

Bent u ooit ontslagen?
‘Ja, in Suriname. Ik zat op kantoor bij een groot warenhuis. Ik was jong en wilde dingen veranderen. Ik ging me met vakbondszaken bemoeien, omdat ik zag dat het niet goed liep daar. Beneden waren verkoopsters die niet veel verdienden, maar de hele dag moesten staan en lopen en niet mochten uitrusten. We hebben toen een actiecomité opgericht. We wilden verkiezingen en we wilden het overnemen van de vakbond. De mensen op de werkvloer vonden het fantastisch wat wij eisten. Je bent jong, je kent niet alle spelregels, en toen zijn we pamfletten gaan uitdelen op het bedrijfsterrein en dat mocht niet. Toen hebben ze me ontslag gegeven. Maar gelukkig kon ik zo weer aan de slag, want mijn vader was goudsmid. Hij had zijn eigen zaak en daar ben ik toen gaan werken.’

Waarom gingen jullie naar Nederland en niet naar een ander land?
‘Dat heeft met de geschiedenis te maken. Suriname is een kolonie van Nederland geweest. Nederland ging naar Zuid-Amerika, pakte Suriname en zei: Suriname, jij bent van mij. Nou kan dat niet meer, maar 400 jaar geleden kon dat nog wel. Van kolonie werden we rijksdeel, zeg maar een provincie. Toen Suriname onafhankelijk werd, gingen veel Surinamers weg. Waar kan je naartoe? Naar je moederland, je vaderland. Daar mocht je naartoe want we zijn Nederlanders. Dat hebben veel Surinamers gedaan, mijn ouders ook.’

Vond u het in Suriname leuker of in Nederland?
‘Suriname vond ik heel leuk, ik had veel vrienden daar, ik speelde veel buiten. Ik vond het moeilijk om weg te gaan, maar ik moest. Als de ouders iets zeiden, dan luisterden we, dus we gingen mee.

Toen ik in Nederland kwam was het niet leuk voor mij, ik had geen vrienden. Maar ik ben meteen gaan werken en heb toen vriendschappen gesloten met mijn collega’s. En toen begon het ook leuk te worden voor mij. Doordat ik mijn best heb gedaan, mee ben gaan doen, ben ik gaan zien dat het een heel fijn land is. Maar als je je afsluit en je maar met één groep gaat bemoeien dan is het geen leuk land. Je moet altijd positief in het leven staan, dan zal je zien dat je alles veel leuker vindt. Als er iets tegenzit, daar mag je over praten, maar blijf er niet over doorzeuren. Bij DAF werkten toen nog niet zoveel donkere mensen. Maar ik probeerde het woord discriminatie niet te gebruiken, ik zei alleen maar: ‘je valt me tegen jongen’ of ‘je doet iets wat ik niet leuk vind’. En ik werd op handen gedragen. Mijn collega’s zeiden: ‘die Henk die is zo positief als wat’.’

Archieven: Verhalen

‘In Egypte kregen we weer vers water, daar kan ik nog steeds van dromen’

Eamila, Hailey, Kerim en Luz van basisschool Philipsdorp rijden met de auto naar de Parkbuurt in het oude Eindhoven. Bij de voordeur worden ze al opgewacht door Henk van Gijn, die hen meteen hun namen vraagt. Hij nodigt ze uit om mee te gaan naar de tuinkamer, waar ze uitkijken op de tuin en de eekhoorntjes die daar vrolijk rondrennen.

Meneer Van Gijn kwam in 1958, op achtjarige leeftijd, met de boot uit Indonesië aan in Nederland. Zijn ouders waren Nederlands, maar vanwege het werk van zijn vader is hij geboren en opgegroeid in Indonesië. Later woonde hij samen met zijn broertjes en zusje nog een tijd in Iran.

Waarom gingen jullie weg uit Indonesië?
‘Weten jullie wat etnisch is? Dat betekent dat je aan iemand kunt zien dat die uit een bepaald land komt of een bepaald uiterlijk heeft. In Indonesië werden na de oorlog duizenden mensen met een bepaald uiterlijk vervolgd en vermoord. Deze mensen woonden daar al honderden jaren. Daarom gingen wij terug naar Nederland.

Maar ook in Nederland worden mensen soms ongelijk behandeld. Ik heb lesgegeven aan meiden, maar dat werd door de omgeving en de cultuur niet altijd toegestaan. Toch was mijn rol prachtig, want de meiden wilden heel graag leren. Sommigen haalden in drie jaar een havo-diploma. Ze zó goed konden ze leren.

Weten jullie wanneer vrouwen voor de belastingen gelijk werden gesteld aan mannen? Dat was pas in 1988. Ik kon daar heel boos over worden, vooral over hoe sommige mannelijke collega’s vrouwen behandelden.’

Hoe was het om vanuit Indonesië naar Nederland te komen?
‘Ik was 8 jaar toen ik uit Indonesië kwam om naar Nederland te gaan. We zaten een maand op de boot. We waren het laatste vluchtelingenschip.

We hadden een kinderspeeldek. Er was een kinderjuffrouw, maar die lette niet altijd goed op. Soms wil je ook een beetje ondeugend doen en klommen wij over het hek. Samen met een vriendje heb ik alles bekeken, van voor tot achter op het schip, de schoorsteen, de hondenhokken, de machinekamer. We hebben heerlijk gespeeld op de boot.

Soms raakte het water op en kregen we heel smerig water. In Egypte kregen we weer vers water, daar kan ik nog steeds van dromen, mmm zo lekker.

Er gingen ook oudere mensen dood. We keken door de spleten in het doek dat speciaal voor de kinderen was opgehangen, zodat we eigenlijk niet konden zien wat er gebeurde. De kist schoof de zee in, bleef dan even dobberen op het water. Eerst moest die zinken en dan ging de scheepsmotor weer aan. Dat maak je dan mee. Het was best avontuurlijk allemaal.’

Hoe was de reis uit Iran?
‘Mijn vader bouwde scholen in Iran en daarom woonden we daar ook een tijd. Toen we weer teruggingen naar Nederland, ging mijn moeder met mijn zusje en jongste broer met het vliegtuig. Mijn vader vond het leuk om met de andere kinderen met de auto van Iran naar Nederland te reizen. Hij sprak Perzisch en kreeg een visum om door Arabische landen te reizen; hij wilde die graag zien.

We waren met z’n vieren. Ik en mijn broers waren 12, 10 en 8 jaar oud. De reis duurde zes weken. We reden door Irak, Jordanië en Israël. In Syrië zaten we een tijd vast; daar was het toen al onrustig. Daarna gingen we verder door Turkije, Griekenland en Joegoslavië en nog een stuk door Europa naar Nederland. Later in mijn leven begreep ik pas echt hoe waardevol het is om in Europa vrij te mogen reizen.’

Wat mist u uit Iran?
‘Ik mis de uitzichten, de wijde vergezichten. Mijn moeder had een brommer en daarmee ging ik naar de woestijn. Ik was 11 jaar. Daar was helemaal niemand, alleen zand, zand, zand. Op een keer kwam ik zomaar op een stuk asfalt terecht. Ik was per ongeluk op het vliegveld uitgekomen en er kwam een vliegtuig aan. Gelukkig was het een klein vliegtuig. De piloot en ik zagen elkaar. Hij stopte en zei: ‘Steek jij maar over’.

In Nederland mis ik die vrijheid van Iran. Hier zijn veel regels. Dat komt omdat we zo dicht op elkaar wonen. Maar in Nederland zijn er weer andere vrijheden, zoals de vrijheid van denken en spreken. Heel belangrijk.’

Welke sporen heeft het wonen in andere landen nagelaten in uw leven?
‘Niet bang zijn. Ik werkte net bij Philips. Een nieuw ontworpen machine moest naar Amerika. Collega’s werden gevraagd: ‘Wil jij mee naar Chicago om de machine te installeren?’ Ze zeiden ‘liever niet’ of verzonnen allerlei smoesjes.

Toen vroegen ze mij: ‘Wil jij, Henk?’ Ik werkte daar nog maar net. In mijn hart zei ik meteen ja, maar ik hield me rustig en zei dat ik het even met mijn vrouw moest overleggen. En ik ben natuurlijk gegaan! Ik merk dat veel mensen bang zijn om ergens anders naartoe te gaan.

Mijn broer zegt altijd: ‘Een glimlach is in elk land hetzelfde. En voetbal ook.’

Archieven: Verhalen

‘In de zomer verkocht ik water op de markt, we deelden het geld altijd’

In de vroege ochtend van een zonnige februaridag bellen Juliaan, Tuguldur, Julian en Haruya van basisschool Philipsdorp aan bij het huis van Yusuf Basci aan in Eindhoven. Ze worden hartelijk ontvangen. Meneer Basci schenkt Turkse thee in kleine theeglaasjes en zet zoete traktaties en gedroogde abrikozen op tafel. Daarna schenkt hij, volgens Turkse traditie, een beetje eau de cologne in hun handen. Het ruikt heel lekker, vinden de kinderen.

Meneer Basci is geboren ineen klein dorpje in het oosten van Turkije, maar toen hij 2 jaar was verhuisde hij naar Ankara, de hoofdstad van Turkije.

Hoe was uw kindertijd?
‘Ik ben opgegroeid in Turkije, in Ankara. Istanbul is groter, maar Ankara is de hoofdstad. Wij woonden in een buurt waar bijna alles nog natuur was. Veel bomen, heuvels, open plekken. Geen flats zoals hier. Wij waren eigenlijk alleen binnen om te slapen. De rest van de tijd waren we buiten. We hadden een grote tuin en overal om ons heen groeide fruit. Watermeloenen lagen gewoon op de grond, druiven, abrikozen, alles. Wij plukten wat we nodig hadden. Dat was normaal. Wij dachten niet: dit is bijzonder. Dat besef je pas later.

We waren met vijf kinderen thuis, plus mijn ouders. Maar eigenlijk was ons huis nooit leeg. De deur stond altijd open. Mensen kwamen en gingen. Mijn vader werkte bij de gemeente en hielp andere mensen aan werk. Mensen die arm waren, uit andere delen van Turkije, kwamen vaak bij ons langs. Dat hoorde erbij.

We hadden geen speelgoed zoals nu. Geen PlayStation, geen lego. Maar we misten het niet. We maakten alles zelf, van hout, metaal, fietsbanden. We maakten karretjes en skateboards, lang voordat dat woord bestond. Gewoon een plank met vier metalen wieltjes eronder. Dan gingen we van de heuvel af, keihard. We vielen vaak op asfalt. Dat deed pijn, ja. Maar beschermers? Die kenden we niet.

Als kind werkte ik ook al. In de zomer verkocht ik water op de markt. Het was heet, dus mensen hadden dorst. Het water zat in aardewerken kannen, die bleven koel. Geen plastic. Glas en klei. Gezond, echt gezond. We deelden het geld altijd samen. Wat we verdienden, was van ons allemaal.’

Wat speelde u het liefst als kind?
‘Voetbal was onze grote liefde, zoals bij bijna alle jongens. Maar een echte bal? Die hadden we bijna nooit. Plastic ballen gingen snel kapot en waren duur. Dus maakten we ballen van stof.

Toen ik 13 of 14 was, heb ik samen met andere kinderen een voetbalclub opgericht. Dat klinkt nu misschien groot, maar het begon heel klein. Er was net een moskee gebouwd in onze buurt. Wij hielpen allemaal mee. Stenen dragen, zelfs in de minaret, trap op, trap af. Dat deden kinderen gewoon.

Onder de moskee kwamen kleine winkeltjes. We hebben gevraagd: mag één winkeltje voor ons zijn, als clubruimte? En dat mocht. Onze club heette Cevislidere Spor, dat betekent ‘notenboom-sport’, omdat er bij ons een grote notenboom stond.

We hadden geen geld. Dus gingen we langs de huizen. We wisten: deze man werkt bij de gemeente, die kan iets meer betalen. Die ander werkt in de bouw, die iets minder. Iedereen gaf wat hij kon. Zo spaarden we genoeg voor shirts en sokken. Schoenen konden we niet betalen. We kozen onze clubkleuren zelf: rood-groen. Niet zoals de grote clubs. Dat voelde speciaal. Toen we voor het eerst onze eigen shirts aantrokken… dat gevoel vergeet ik nooit. Echt nooit.

We organiseerden toernooien. Mensen kwamen kijken. Iedereen voelde zich trots, omdat ze hadden meegedaan. Dat was gemeenschap. Samen iets maken, samen plezier hebben.’

Waarom ging u weg uit Turkije?
‘Toen ik ouder werd, raakte ik geïnteresseerd in politiek. Ik was jong en idealistisch. Ik wilde dat mensen gelijk behandeld werden, dat iedereen goed kon leven. Ik zat in een linkse studentenbeweging, wat verboden was in Turkije.

We organiseerden protesten en liepen ook voor andere landen, zoals Palestina en Nicaragua. Dat was gevaarlijk. Ik ben een paar keer opgepakt, maar gelukkig steeds snel vrijgelaten.

Die tijd was zwaar. Er gingen dagen voorbij dat dertig of wel veertig mensen werden gedood. Niet in een oorlog, maar door politiek geweld. Vooral linkse studenten, docenten, professoren. Mijn ouders waren bang en zeiden: als je blijft, ga je dood of de gevangenis in.

Ik ben niet als politieke vluchteling naar Nederland gekomen. Ik ben gekomen omdat ik met mijn vrouw trouwde. Maar de politiek speelde zeker mee. Het verschil met Nederland? Hier kon ik ademhalen. Vrij praten. Vrij leven. Dat kende ik niet op die manier.’

Hoe was het toen u net aankwam in Nederland?
‘Ik kwam op 9 oktober 1989 naar Nederland, met het vliegtuig, van Ankara naar Amsterdam. Vier uur vliegen, dat was alles. Maar mijn leven veranderde compleet.

Op Schiphol werd ik opgehaald en we gingen meteen naar het huis van mijn schoonouders. Ze woonden achter in de straat. In dat huis woonden zeven mensen. Drie slaapkamers. Mijn vrouw en ik sliepen twee jaar in een piepkleine kamer. Eén klein bed, een plastic kast van de V&D, meer paste er niet.

Het was vreemd. Nieuw land, nieuwe taal, nieuwe regels, alles was anders. Maar je bouwt het op, stap voor stap. Je hebt geen keuze. Je leert, je werkt, je past je aan. En langzaam wordt het ook jouw plek.’

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892