Archieven: Verhalen

‘Op school in Paramaribo werd ik uitgelachen om mijn accent, zelfs door leraren’

Nore, Anna en Rosa interviewen de 67-jarige Sylvester Aboikoni die geboren is in het binnenland van Suriname. Hij vertelt openhartig over zijn leven, zijn familie en de geschiedenis van zijn voorouders, die sterk verbonden is met slavernij en het koloniale verleden, en hij laat zien hoe die geschiedenis nog steeds invloed heeft op zijn leven. Op 20-jarige leeftijd kwam meneer Aboikoni naar Nederland. De leerlingen van de Talisman in Eindhoven luisteren aandachtig, terwijl hij ze mooie foto’s uit het verleden toont.

Wat is uw achtergrond?
‘Ik kom uit het binnenland van Suriname en hoor bij de Saramaccaners. Dat is een van de Marron-gemeenschappen. Onze voorouders zijn gevlucht uit de slavernij en zijn diep het bos in gegaan om vrij te kunnen leven. Dat doen we al honderden jaren, met onze eigen cultuur, taal en leiders.

Leiderschap speelt een belangrijke rol speelt in mijn familie. Mijn opa was opperhoofd en een wijze leider. Hij leerde mij dat je nooit alleen staat, maar altijd onderdeel bent van een gemeenschap. Dat noemen wij Ubuntu: ik ben omdat wij zijn. Die lessen neem ik mee in zijn rol als ‘hoofdkapitein’. Dat betekent dat ik een leidende verantwoordelijkheid heb binnen onze gemeenschap, zowel in Suriname als in Nederland. Ik probeer mensen bij elkaar te brengen en zorg te dragen voor verbinding, net zoals mijn opa dat deed.’

Heeft slavernij nog invloed gehad op uw familie?
‘Ja, slavernij is heel dichtbij. De vader van mijn opa leefde nog in slavernij. Dat betekent dat het geen ver verleden is, maar iets wat maar een paar generaties achter ons ligt. De verhalen zijn altijd doorverteld.

Marrons worden vaak verkeerd begrepen. Wij worden soms ‘weggelopen slaven’ genoemd, maar dat klopt niet. Wij hebben onszelf ‘onttrokken’. Die strijd om menswaardigheid zit nog steeds in wie wij zijn. Dat heeft ook invloed op hoe ik kijk naar onrecht en discriminatie vandaag de dag.’

Hoe was het om naar Nederland te komen?
‘Dat was heel moeilijk. In Suriname kende iedereen mij. Ik was daar actief en voelde me gezien. Toen ik naar Nederland kwam om te studeren, was ik ineens niemand. Ik voelde me vaak eenzaam en had moeite met de cultuur.

Ik voelde me heel verloren. Ik liep zelfs huilend door de straten en vroeg me af wat ik hier deed. Toch heb ik geleerd om contact te zoeken met mensen en bruggen te bouwen. Dat sluit weer aan bij Ubuntu: samen red je het, alleen niet.’

Heeft u discriminatie meegemaakt?
‘Ja, veel. Op school in Paramaribo werd ik uitgelachen om mijn accent. Zelfs leraren deden soms mee. Dat deed pijn, maar het maakte me ook vastberaden om te laten zien dat ik het wel kon.

Ook in Nederland kreeg ik te maken met vooroordelen. Sommige mensen hadden meteen een beeld van mij. Ik heb geleerd om daar niet met boosheid op te reageren, maar met gesprek. Door mijn verhaal te vertellen, veranderde de houding van mensen vaak. Dat is iets wat ik altijd probeer mee te geven: oordeel niet voordat je iemand kent.’

Hoe heeft u uw vrouw leren kennen?
‘Dat is een bijzonder verhaal. Ik was met een vriend in de stad in Eindhoven. We spraken twee vrouwen aan en nodigden hen uit om naar een café te komen waar mijn vriend muziek draaide. Een van die vrouwen zei toen tegen mij: ‘Zwarte mensen werken niet’. Dat raakte me.

Later die avond kwam zij toch het café binnen. Ik negeerde haar eerst, maar ze stuurde me een drankje. Dat was haar manier om sorry te zeggen. We raakten aan de praat en leerden elkaar beter kennen.

De relatie was niet meteen makkelijk. Haar ouders wilden geen zwarte schoonzoon. Dat deed pijn, maar ik bleef rustig. Uiteindelijk wilde haar moeder met mij praten. Dat gesprek veranderde alles. Ze accepteerde mij volledig en later werden we zelfs bevriend. Dat laat zien hoe belangrijk het is om elkaar echt te leren kennen. Nu zijn we al 41 jaar samen en 38 jaar getrouwd!’

Wat wilt u dat kinderen van uw verhaal leren?
‘Dat je niet moet oordelen over mensen die je niet kent. Iedereen heeft een verhaal. Onze geschiedenis is niet alleen mijn geschiedenis, maar ook die van Nederland. Door nieuwsgierig te zijn en naar elkaar te luisteren, kun je bruggen bouwen in plaats van muren.’

Archieven: Verhalen

‘We gingen bij andere huizen vruchten plukken, dat was spannend en leuk!’

Norah, Dion en Ilhan ontmoeten Raymond Chin Kwie Joe in een klaslokaal van hun school, de Talisman in Eindhoven. Meneer Chin Kwie Joe (1962) is in Suriname geboren en gaat hen daarover vertellen. Op 20-jarige leeftijd kwam hij naar Nederland. Hij heeft foto’s van zijn kindertijd en bijzonder Surinaams snoepgoed meegenomen.

Waarom ging uw opa naar Suriname?
‘Hij kwam rond 1912 vanuit Kanton, in China, naar Suriname om te werken. Zijn oom was al in Suriname en die had gezegd dat mijn opa daar ook heen moest. Deze oom wilde in Suriname een aantal winkels opzetten, en voor het winkelpersoneel had hij het liefst familieleden. Dus mijn opa vertrok naar Suriname. Hij ging werken in een klein winkeltje op een groot landgoed van zijn oom, die eerder al als contractarbeider uit China was gekomen. Contractarbeiders werkten heel hard voor weinig geld en hadden vaak een moeilijk leven. Toen mijn opa genoeg geld had verdiend, liet hij een vrouw overkomen uit China met wie hij trouwde. Mijn andere opa is in Suriname geboren, en hij is met een Nederlandse vrouw getrouwd. Hij had haar leren kennen toen hij in Eindhoven op de Philips-school studeerde.’

Wat zijn bijzondere herinneringen uit uw jeugd?
‘Toen ik jullie leeftijd had, woonden we aan de rand van de stad. Soms gingen we stiekem naar buiten via het raam en de heg. De hond ging ook mee. En dan plukten we bij andere huizen vruchten. Dat was spannend en leuk! Een andere dierbare herinnering zijn de uitstapjes die we maakten naar het binnenland van Suriname. Er was daar een groot meer, en boven op de berg stonden huizen, die je kon huren. Er was daar een grote ‘kom’, die we vol lieten lopen met water en dat was ons zwembad. Je kon over alle bergen heen kijken. Dat was heel mooi!’

Hoe voelde het om in twee culturen te wonen?
‘Ja, ik was het gewend, dus je weet niet beter. Er waren overigens veel meer dan twee culturen. In Suriname wonen mensen uit India, hindoestanen en moslims, mensen uit Afrika, Indonesië, China en dan ook nog de Nederlanders, de indianen uit Suriname zelf en Joden. Ieder sprak zijn eigen taal. Door al die verschillende invloeden, had je ook veel verschil in de keukens. Het Surinaams eten is lekkerder en gevarieerder dan het Nederlandse.’

Archieven: Verhalen

‘Ik ben lombokjes gaan stelen voor mijn moeder in het tuintje van de nonnen’

De voorouders van Peter Rufi kwamen uit Europa, maar gingen in 1800 naar Nederlands-Indië om te werken en vestigden zich daar. Meneer Rufi is dus een zogeheten Indo. Toen hij 3 jaar was, tijdens de Tweede Wereldoorlog, vielen de Japanners het huidige Indonesië binnen. Samen met zijn moeder en zusje van 1,5 verbleef hij 3,5 jaar in een kamp, gescheiden van zijn vader die in een ander kamp werd geplaatst. Na de oorlog is het gezin herenigd. Meneer Rufi deelt zijn verhaal met Emma, Lana en Ruben van basisschool de Talisman in Eindhoven. 

Hoe was het om in een kamp te zitten?
‘Kijk, als je thuis bent, dan weet je dat je de deur uit mag, tot aan de straat bijvoorbeeld. In het kamp was dat hetzelfde. We woonden in een barak en je kon overal naartoe, maar nooit verder dan het hek van prikkeldraad, wachters hielden ons in de gaten. Er waren ook andere kinderen in het kamp en we gingen één keer per dag naar een soort schooltje. Dan deden we spelletjes of zongen we liedjes. Buiten dat uurtje was er echt niets te doen, je hing alleen maar wat rond en je hield je wel gedeisd want er waren veel mensen die je in de gaten hielden.’

Klopt het dat u pepers had gestolen van de Japanners?
‘Ik had mijn moeder horen praten over het klaarmaken van lekker eten. Hiervoor had ze lombokjes (pepertjes) nodig, maar die had ze niet. Om mijn moeder blij te maken ben ik die toen voor haar gaan stelen in het tuintje van de nonnen, maar ik werd betrapt. Ik kreeg boze woorden van moeder-overste en daarna bracht ze mij naar het huis van de Japanse commandant. Deze man liep altijd met een stok door het kamp en gaf een tik of een pak rammel als je iets niet goed deed. Ik vond die stok vreselijk. Ze liet me in het huis van deze commandant in de hoek wachten tot hij binnen zou komen. Ze wist wel dat hij er die dag niet was, maar ik heb lang staan bibberen. En dat was mijn straf.’

Wat zag u toen u uw vader zijn eigen graf zag graven?
‘Voordat we in dat kamp terechtkwamen, hadden de Jappanners mijn vader gearresteerd. Hij had brandstof in de fik gestoken om te voorkomen dat de Japanners die konden gebruiken voor hun tanks. Hij kreeg straf en zou onthoofd worden. Verschrikkelijk natuurlijk! Wij moesten erbij staan, terwijl ik te klein was om het goed te beseffen. Mijn vader groef zijn eigen graf en nam afscheid van ons. Hij werd geblinddoekt, knielde voor zijn graf, kreeg een klap met het zwaard in zijn nek en viel in het graf. We dachten dat hij dood was. Mijn moeder huilde verschrikkelijk, dat vond ik nog het ergste.

De volgende dag moesten we naar de haven en daar zag ik opeens mijn vader. ‘Daar loopt papa’ zei ik, ‘ik dacht dat hij dood was?’ En mijn moeder dacht dat natuurlijk ook. Dus ik vond het erg verwarrend, maar ze was ook erg blij. Ze hadden dus gedaan alsof ze hem onthoofden, maar ze hadden hem alleen met de platte kant van het zwaard in zijn nek geslagen. Hierdoor viel hij in het graf, maar was hij slechts bewusteloos. Zelf dacht hij ook dat hij zou sterven, maar realiseerde zich later in zijn cel dat hij nog leefde.’

Wat voelde u toen de oorlog voorbij was?
‘Toen was ik al bijna 7. Het was aangrijpend en spannend. We moesten ons verzamelen voor het huis van de commandant. Er was een soort podium en daar klom de Hollandse kampcommandante op. Naast haar stond de Japanse commandant voor wie ik zo bang voor was. En deze commandant deed iets wat hij nooit deed; hij boog voor ons. Normaal was het zo dat als er een Japanner langskwam, wij voor hen moesten buigen, dus ik vond dat heel raar.

We hoorden dat de Amerikanen bommen hadden gegooid op Hiroshima en Nagasaki. Mij zei dat niets maar het moest vast verschrikkelijk zijn. De vrouwen van het kamp waren echter erg blij dat dit gebeurd was want hierdoor was de oorlog voorbij en waren we weer vrij.

Wat is dat ‘vrij’? Ik wist helemaal niet wat dat was. Iedereen begon te huilen, te juichen en te schreeuwen. Dus ik dacht; dit hoort erbij, dus ik deed driftig mee, geen idee waarom. Men zong het Wilhelmus, dat had ik nog nooit gehoord want dat mochten we niet zingen, maar ik probeerde toch mee te zingen. Toen kwam er een vlag tevoorschijn: rood, wit blauw en die werd in de mast gehesen. Iedereen was blij, we waren bevrijd en de oorlog was voorbij.’

Archieven: Verhalen

‘Mijn tante nam ons mee op excursie naar de plantages en vertelde er over’

Op een zonnige middag bezoeken Leo, Benjamin en Lara van basisschool de Talisman in Eindhoven Gisèle Mambre. Ze is in 1970 geboren in Willemstad, de enige stad van Curaçao. Op haar achttiende vertrok ze naar Nederland om te studeren. Nu woont ze al meer dan dertig jaar in Nederland, langer dan ze ooit op Curaçao heeft gewoond. Ze werkt als journalist, schrijft verhalen en zit in de gemeenteraad van Eindhoven, waar ze de inwoners van de stad vertegenwoordigt.

Hoe was het om op te groeien in Curaçao?
‘Ik ben in het ziekenhuis in Willemstad geboren. Het klimaat is er altijd warm, zo rond de veertig graden. Als kind was mijn jeugd heel vrij en speels. Alle stranden waren toegankelijk, iedereen kon overal naartoe. Dat is nu een beetje veranderd, het eiland is veel toeristischer geworden en daarmee ook commerciëler.

Wij woonden in de stad, maar er woonden ook familieleden op het platteland. Zij woonden in houten huizen of in een soort hutten met een dak van maïsbladeren. Op Curaçao zijn ook veel landhuizen. Dit zijn grote huizen van rijke Nederlanders die vroeger mensen tot slaaf maakten. De meeste van die huizen worden nu niet meer bewoond. Sommige zijn gekocht door de families van vroegere tot slaaf gemaakten. Zij maakten er vooral musea van zodat de verhalen over het slavernijverleden kunnen worden doorverteld.’

Wat weet u over uw voorouders?
‘Ik heb drie van mijn vier grootouders gekend. We trokken veel naar de familie van mijn moeder, dus ik ben meer opgevoed met de verhalen van die kant. Mijn oma paste ook vaak op ons en heeft ons echt grootgebracht met haar verhalen.

Van mijn overgrootouders weet ik heel weinig. Die zijn nog wel tijdens de slavernij geboren, maar daarover is bijna niets opgeschreven. Er zijn geen archieven met verhalen die ik in kan kijken. Dat komt heel vaak voor.

Ik heb meegedaan aan een serie van de Volkskrant over het opzoeken van je voorouders. Ze hebben mensen geholpen door uitgebreid archiefonderzoek te doen naar familielijnen. Ze hebben de namen weten terug te vinden van drie vrouwen in mijn voorlijn, dat zijn mijn zogeheten voormoeders. Op Curaçao kun je namelijk alleen dingen over de moeders vinden. Dat komt omdat vroeger alleen werd bijgehouden of een vrouwelijke tot slaaf gemaakte een kind kreeg. Wie de vader was, werd niet opgeschreven.

Drie namen, dat is alles wat ik heb. Meer niet, want er werd verder niet bijgehouden hoe ze leefden of wat ze hebben gedaan. Dat vind ik jammer. Je probeert iets in te vullen, maar je mist echt iets. Ik schrijf zelf verhalen, en op basis van wat we weten over de slavernij probeer ik me een beeld te vormen van hoe het voor mijn voorouders heeft kunnen zijn. Maar het is niet gebaseerd op de echte waarheid van hun leven.’

Kreeg u vroeger les op school over de geschiedenis van Curaçao?
‘Op school kregen we vrijwel alleen maar geschiedenisles over Europa, hetzelfde onderwijs als in Nederland. Niet veel over de slavernij en bijna niets over het eiland zelf. Maar ik had een tante die geschiedenislerares was. Die vond geschiedenis heel belangrijk en vertelde ons altijd veel verhalen over het slavernijverleden van Curaçao. In de grote vakantie maakte ze vakantiereisjes met mij, mijn nichtjes en neefjes, mijn broertje en zusje. Dan gingen we op excursie naar de plantages op het eiland en vertelde ze er van alles over. Dat is een van de leukste en fijnste herinneringen van mijn jeugd. Dankzij mensen als mijn tante heb ik veel meer geleerd dan wat ik op school heb meegekregen.’

Hoe was het om naar Nederland te komen?
‘Ik kwam naar Nederland om te studeren. Op het eiland kon dat niet. De meeste jongeren gingen in die tijd naar Nederland. Ik wilde het liefst naar Amsterdam, maar dat mocht niet van mijn moeder, zij vond het te groot. Ze wilde dat ik ergens naartoe ging waar ook familie van me was. Mijn neef studeerde in Zwolle en in de buurt woonden ook wat neven en nichten van mijn moeder. Vandaar dat ik in Zwolle ben terechtgekomen.

Het was moeilijk om mijn thuis en familie achter te laten, maar tegelijkertijd ook leuk. Ik was 18 jaar en wilde nieuwe dingen ontdekken. Achteraf ben ik ook heel blij dat ik in Zwolle terechtgekomen ben. Het is echt een prachtige stad. Ik ben in Zwolle eerst naar de lerarenopleiding gegaan. Dat heb ik twee jaar gedaan. Toen ontdekte ik dat het niet per se is wat ik wilde doen. Daarna ben ik geswitcht naar journalistiek.’

Hoe is het leven hier in Nederland?
‘Ik vind het fijn dat ik hier heb kunnen studeren en werken. Alles wat ik heb willen doen, heb ik hier kunnen doen. Maar ik vind het soms jammer dat ik vaak een van de weinige zwarte mensen ben. De meeste mensen in mijn omgeving lijken niet op mij. Als ik op Curaçao ben, zie ik vooral mensen die op mij lijken. In de gemeenteraad van Eindhoven ben ik de enige zwarte vrouw. Er zijn wel mensen van andere nationaliteiten, maar dat je een van de weinigen bent van een andere afkomst, dat merk je wel.’

Heeft u te maken gehad met racisme en nare opmerkingen?
‘De eerste keer dat ik een nare opmerking kreeg, was ik heel boos. Inmiddels ga ik er soms ook wel eens met humor mee om. Soms zeggen mensen: ga terug naar je eigen land. Dan denk ik: dit ís mijn land. En als ik terug zou gaan naar mijn eigen land, is het nog steeds Nederland, want Curaçao hoort bij Nederland. Dat snappen ze dan niet.

Maar soms is discriminatie ook subtieler. Niet meteen: ga terug naar je eigen land. Maar meer van: oh, jij zit ook in de gemeenteraad? Alsof ik dat niet zou kunnen. Of: oh, heb je ook gestudeerd? Dat zijn ook nare opmerkingen, gebaseerd op de aanname dat ik bepaalde dingen niet zou kunnen. Ze zeggen het dan niet zo direct, maar ze bedoelen het wel. Dat soort opmerkingen zijn soms gemener dan de directe uitspraken.’

Gaat u ook naar de herdenking van de slavernij?
‘Zeker, elk jaar. Op 1 juli wordt herdacht dat de slavernij officieel is afgeschaft in 1863. Dat heet Ketikoti, wat letterlijk ‘verbroken ketenen’ betekent. Dat is voor mij een belangrijke dag. Samen met anderen heb ik in het Parktheater een Ketikoti-herdenking opgezet, nog voordat het officieel door de gemeente werd opgepakt. Vanaf 2023 wordt het officieel gevierd, maar daarvóór waren wij er al mee bezig. Mensen gingen vroeger altijd naar Amsterdam om het te vieren, maar nu hebben we in Eindhoven onze eigen gelegenheid. Daar ben ik trots op!’

Archieven: Verhalen

‘Om twaalf was het al heel warm en dan gingen we zwemmen in de oceaan’

Fillin, Luuk en Fatih van basisschool de Talisman in Eindhoven gaan op bezoek bij Guus Bruno. Meneer Bruno is geboren in het voormalige Nederlands-Nieuw-Guinea dat tegenwoordig bij Indonesië hoort. Hij verhuisde in 1960 als 9-jarig kind naar Nederland. Hij vertelt over zijn bijzondere jeugd ver weg van Nederland en over de uitdagingen die hij tegenkwam in een land dat hem niet altijd met open armen ontving. De kinderen stellen om de beurt een vraag van het papiertje dat ze bij zich hebben.

Hoe was uw jeugd?
‘Ik ben geboren in Nieuw-Guinea toen het nog bij Nederland hoorde. Nieuw-Guinea behoorde deels tot Nederland en deels tot Australië. Ik woonde er samen met mijn ouders en acht broers en zussen. Het was daar heel anders dan hier in Nederland. We leefden dicht bij de natuur, met veel bossen en de oceaan in de buurt. Achter ons huis was eigenlijk alleen maar jungle. Ik ging als kind vroeg naar school en was dan klaar rond twaalf uur. Om twaalf was het al heel warm en zwommen we in de oceaan. Ik had een hele fijne jeugd in Nieuw-Guinea.’

Heeft u bijzondere herinneringen aan uw jeugd daar?
‘In de jungle leefden verschillende stammen. Sommigen zijn zelfs tot op de dag van vandaag nooit ontdekt. Als kind leerde ik dat sommige stammen in de jungle gevaarlijk waren. Ik ben eens met mijn broertje en vrienden de jungle in gegaan en toen werden we gespot door een aantal mensen uit zo’n stam. Ze hadden grote messen bij zich en begonnen achter ons aan te rennen. We moesten echt keihard wegrennen om veilig thuis te komen. Het was: òf onthoofd worden, òf zo hard mogelijk rennen. Die gevaarlijke stammen werden door velen van ons koppensnellers genoemd. We noemden ze zo omdat ze dus mensen onthoofden. Maar daar bleef het niet bij… Ze aten de onthoofde mensen ook op.’

Waren jullie gelovig thuis?
‘Mijn vader was katholiek en mijn moeder was moslim. Mijn moeder heeft haar geloof deels opzij moeten zetten omdat mijn vader niet wilde dat wij mee zouden doen met de ramadan. In Nieuw-Guinea, en ook in Indonesië, duurt de Ramadan veertig dagen in plaats van een maand. Mijn vader vond dat wij als kinderen niet voor zo’n lange tijd moesten leven zonder overdag te eten of drinken. Mijn moeder heeft ons altijd de keus gegeven: wil je moslim worden? Dan mag dat. Wil je katholiek blijven? Dan is het ook oké. Mijn moeder was de dochter van een Maharaja, een soort koning. Zij had dus de titel ‘prinses’. Ze heeft haar titel opgegeven toen ze met mijn vader trouwde.’

Waarom moest u weg uit Nieuw-Guinea?
‘Mijn vader werkte bij de KNIL, het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger. Hij en zijn collega’s kregen een tip, namelijk dat de toenmalige president Soekarno het hele eiland onafhankelijk wilde maken en dat het niet langer veilig was voor ons om er te blijven. We moesten toen zo snel mogelijk weg. We hebben al onze spullen ingepakt en toen begon een lange reis. Eerst moesten we met een bootje naar het eiland Biak, waar een klein vliegveldje was. Vanuit daar vlogen we naar Jakarta en daar stapten we over op een groter vliegtuig, richting Europa. We maakten ergens een tussenstop in Duitsland. De deurtjes van het vliegtuig gingen open, en opeens bevonden we ons midden in de wintertijd. Voor het eerst van mijn leven had ik het echt koud! En sneeuw had ik nog nooit gezien.’

Waar ging u wonen in Nederland?
‘Mijn vader moest nog een jaar uitdienen bij het leger. Samen met mijn moeder, broers en zussen zijn we bij mijn tante in Den Haag gaan wonen. Daarna zijn we verhuisd naar een klein dorpje vlakbij Tiel, dat heet Echteld.

In Nieuw-Guinea had ik de kleuterklas al lang gevolgd. Maar toen wij in Nederland kwamen, moest ik weer terug naar de kleuterklas. Ze dachten volgens mij dat wij geen Nederlands konden spreken. Maar dat konden wij wel! Mijn moeder had altijd gezegd: jullie zitten op een Nederlandse school in Nieuw-Guinea, dus jullie spreken thuis ook Nederlands.’

Hoe werd u ontvangen door andere kinderen uit de buurt?
‘In het dorp waar we terechtkwamen waren ze niet gewend aan mensen met een andere huidskleur. Daardoor ontstonden er vaak ruzies tussen mij en klasgenoten. Je moest jezelf echt bewijzen om erbij te horen. Het was een harde tijd. Ik moest als het ware vechten voor mijn plekje in de maatschappij.’

Heeft u nog bijzondere herinneringen aan uw jeugd in Nederland?
‘Op een ochtend tijdens de winter had mijn moeder mij gewaarschuwd: niet op het ijs staan. Maar goed, ik was jong en eigenwijs… Met een paar vrienden ben ik er toch op gegaan. Ik gleed over het ijs en ineens zakte ik erdoorheen! Ik kwam onder het ijs terecht. Ik heb tegen het ijs geslagen en gestampt tot ik boven kwam. En mijn vrienden? Die stonden alleen maar te kijken en liepen vervolgens weg. Rillend als een gek ben ik toen weer thuis aangekomen. Mijn moeder zag me aankomen. Ze zei: wat had ik vanmorgen tegen jou gezegd? Niet op het ijs. En ik kreeg een pak slaag. Mijn moeder was heel klein maar kon heel hard slaan! Met de pollepel.’

Archieven: Verhalen

‘We hadden thuis niet veel geld, maar we waren wel heel hecht’

Florian, Marit en Berlin moeten even zoeken naar het huis van Gerda Narain (1958). Ze zijn met de fiets van hun school, de Talisman in Eindhoven, vertrokken. Als ze binnenkomen herkennen ze mevrouw Narain van het schoolplein want ze werkt er als overblijfmoeder. In de huiskamer zijn mooie afbeeldingen en beeldjes te zien van hindoestaanse goden. Mevrouw Narain is geboren is Suriname en kwam op 20-jarige leeftijd naar Nederland.

Waarom zijn uw voorouders naar Suriname gekomen?
‘Mijn voorouders kwamen uit India, uit de streek Bihar. Ze kwamen naar Suriname omdat daar werk was. Na de afschaffing van de slavernij hadden de plantages nieuwe arbeiders nodig. Mijn overgrootouders kwamen met een contract en gingen werken op suiker- en koffieplantages. Er werd hen beloofd dat ze na tien jaar terug naar India konden gaan, maar dat gebeurde vaak niet.

Het leven was zwaar, ze werkten hard op het land. Toen hun contract afliep, gingen ze zelf groenten verbouwen en verkopen. Ze werkten niet meer voor een baas, maar leefden van hun eigen grond.

Mijn ouders werkten ook hard. Mijn vader werkte in de bouw, maar overleed toen ik zes jaar was. Mijn moeder werkte op de plantage en deed ook schoonmaakwerk. We hadden het niet breed, maar we redden ons samen.’

Hoe was het om op te groeien in uw gezin?
‘Ik groeide op in een groot gezin met acht kinderen, ik was de vijfde. We moesten allemaal meehelpen in huis en met werk. Als kind deed ik kleine klusjes, zoals afwassen bij buren. Daar verdiende ik ongeveer 10 cent mee. Dat lijkt nu weinig, maar toen was dat normaal.

We hadden niet veel geld, maar we waren wel heel hecht. We deden alles samen. Ondanks de armoede kijk ik terug op een fijne jeugd. Mijn moeder werkte heel hard en zorgde voor ons allemaal. Wij hielpen waar we konden.

Dat maakte ons sterk en zorgde ervoor dat we goed met elkaar omgingen. Ook later, toen we naar Nederland verhuisden, bleef die band belangrijk. Langzaam kwam de hele familie weer bij elkaar.’

Hoe was het om van Suriname naar Nederland te verhuizen?
‘Ik kwam in 1979 naar Nederland, ik was toen 20 jaar oud. Mijn ouders hadden een huwelijk voor mij geregeld, zo ging dat in die tijd. De reis was niet makkelijk. Ik moest mijn familie achterlaten en begon helemaal opnieuw in een ander land.

In Suriname was het warm en vertrouwd. In Nederland kwam ik ineens in de kou terecht, zelfs in de sneeuw. Dat was een enorme verandering.

We gingen weg omdat het onrustig werd in Suriname na de onafhankelijkheid. Er was een staatsgreep en het werd onveilig. Mijn broertje vluchtte eerst naar Nederland, daarna volgde de rest van de familie. Het begin was zwaar, maar stap voor stap bouwde ik een nieuw leven op.’

Hoe veranderde uw leven toen u in Nederland ging werken?
‘Toen ik in Nederland kwam, ging ik na een jaar werken in een conservenfabriek. Daar verwerkten we producten van blik naar pot. Later ben ik in de gastzorg gaan werken.

Mijn ex-man had verschillende banen: hij was lasser, maakte treinen schoon en werd later machinist. Langzaam bouwden we een nieuw bestaan op. Ik kreeg drie kinderen en steeds meer familie kwam ook naar Nederland.

Mijn leven veranderde veel, maar ik bleef altijd dichtbij mijn cultuur en geloof. Ik ben hindoe en dat is belangrijk voor mij.’

Archieven: Verhalen

‘Vanuit onze cultuur is ons geleerd om liever te praten over leuke dingen’

Jolie, Melda en Julian van basisschool de Talisman in Eindhoven mogen Joyce Radesy (79) interviewen. Ze is opgegroeid in Jakarta, waar ze met haar familie een fijn leven had, in een groot huis met personeel. Op 11-jarige leeftijd moest ze plotseling Indonesië verlaten vanwege de oplopende spanningen. Ze vertrok zonder afscheid te kunnen nemen van haar vriendinnen. Na een boottocht van vier weken kwam ze aan in het koude Nederland.

Haar moeder heeft veel littekens opgelopen door de oorlog, maar daarover werd nooit gesproken. Dit wordt ook wel ‘Indisch zwijgen’ genoemd.

Hoe voelde het om op te groeien in een koloniale samenleving?
‘Het leven in Jakarta was erg goed. We woonden in een groot huis, samen met onze ouders, oma’s, ooms en tantes. Ook hadden we personeel, onder wie een huishoudster. Zij nam van veel taken in het huis van mijn moeder over. Mijn moeder wilde alleen altijd zelf koken. Onze tuin had een grote omheining van bamboe en daarbuiten mochten we niet komen. Ik heb dan ook veel in de tuin vertoefd, waar ook de melatiplant groeide. De bloemen van deze plant staan symbool voor de herdenking en worden vaak tijdens rituelen gebruikt. Ik heb hem thuis staan en hij betekent veel voor mij.

Ik zal op een Indonesische school en werd iedere ochtend door mijn oma gebracht in een driewieler. Aan het einde van de ochtend kwam ik thuis en dan ging ik altijd eerst douchen en daarna eten. Na het eten ging iedereen slapen vanwege de hitte. Als we weer wakker werden, werd er thee geschonken met lekkernijen erbij. We hadden het goed in Jakarta.

Mijn vader heeft Indisch, Indonesisch en Pruisisch bloed, en mijn moeder is half Indisch en half Indonesisch. Zelf heb ik een lichtere huidskleur dan veel Indonesische mensen. Bij de onafhankelijkheid van Indonesië mochten we kiezen of we een Nederlandse of Indonesische nationaliteit wilden hebben. Wij kozen voor de Indonesische. Maar in de politieke strijd werden we in Jakarta toch gezien als Nederlanders. Op dat moment was Nieuw-Guinea als enige nog niet onafhankelijk, en er kwam daarom een anti-Nederlandse sfeer. Dit had tot gevolg dat mijn vader werd geboycot op zijn werk. Er werden leuzen op muren gekalkt zoals ‘Nederlanders willen jullie dat wij gehakt van jullie maken?’ en ‘rot op naar je eigen land’. Ook op school zeiden klasgenoten tegen mij dat ik een wel erg lichte huidskleur had.

Door de oplopende spanningen besloten mijn ouders Jakarta te verlaten en naar Nederland te emigreren.’

Dacht u vaak aan de oorlogstrauma’s van uw moeder?
‘Mijn moeder was altijd heel angstig. Ze kon weinig hebben en raakte snel overspannen. Ik wist dat ze veel had mee gemaakt, maar erover praten dat deed ze niet. Ze zei dan altijd ‘soedah’ wat staat voor ‘laat maar’ of ‘het is goed zo’. Vanuit onze cultuur is ons geleerd om liever te praten over leuke dingen en niet te negatief te zijn.’

Archieven: Verhalen

‘Het rook anders bij mijn vriendjes thuis, maar dat vond ik niet gek’

Eva, Mees en Nienke van basisschool de Talisman in Eindhoven zijn op bezoek bij Tony Liebregts. Hij is in 1954 geboren in Paramaribo, op 14-jarige leeftijd kwam hij naar Nederland. Ze mogen aan de eettafel gaan zitten, waarop meneer Liebregts allerlei Surinaamse lekkernijen heeft staan. Deze mogen ze meteen proeven en het meeste valt goed in de smaak.

Hoe hebben uw ouders een bestaan opgebouwd in Suriname?
‘Mijn opa en oma komen uit Libanon. Dit was in die tijd een kolonie van Frankrijk en in het Caribisch gebied waren ook Franse koloniën. Via Frans-Guyana zijn ze daarna in Suriname terechtgekomen. Ze waren handelsreizigers en verkochten textiel. De Libanese gemeenschap had meerdere winkels voor stoffen in Suriname. Mijn moeder is geboren in Suriname en mijn vader komt uit Nederland. Hij zat bij de Tris (troepenmacht in Suriname). Het leger van Nederland had een basis daar omdat Suriname een kolonie van Nederland was. Daar heeft mijn vader mijn moeder leren kennen en zijn ze getrouwd en hebben kinderen gekregen.

Ik heb veertien jaar in Suriname gewoond, daarna ben ik alleen naar Nederland gegaan om daar naar school te gaan. De gedachte in Suriname was veelal: alles in Nederland is beter. We kunnen het er nog over hebben of dat echt zo was.’

Merkte u iets van de verschillende culturen in Suriname?
‘Ik zal het jullie laten zien, hier is een foto van mij en mijn vriendjes. Dit was een Indiaanse jongen en dit was een Creoolse. Wij hadden het samen altijd goed met elkaar. Onze overbuurmeisjes waren hindoestaans en daar speelden wij ook mee. Maar omdat mijn vader bij het Nederlandse leger zat, stond ik ook wel eens verkleed in legertenue voor het standbeeld van koningin Wilhelmina te poseren. Het geeft de verschillende werelden weer in Suriname.

Ik merkte nooit veel verschil als ik bij andere kinderen ging spelen. Het rook wel anders bij mijn vriendjes thuis omdat ze anders kookten, maar dat vond ik niet gek. Ze deden dingen anders. Een hindoestaanse bruiloft had heel lang feest met veel goud en pracht en praal, daar was ik altijd van onder de indruk. Maar met spelen met mijn vriendjes merkte ik nooit een verschil. We hadden ook niet veel om te spelen. Als het regende, gingen we graag in onze onderbroek naar buiten om langs de weg te staan. Dan kwamen er auto’s voorbij en werden we helemaal nat, dat vonden we geweldig. We gingen ook op leguanenjacht bij de kreek.’

Vond u het niet lastig om alleen naar Nederland te gaan?
‘Natuurlijk is het lastig, je bent alleen. Ik had wel broers en zussen van mijn vader waar ik naartoe kon in het weekend, maar doordeweeks zat ik op een internaat. Wat ik leuk vond in Nederland was dat je hier zomaar een frietje kon kopen of een broodje kroket. En in de winter was er sneeuw en ijs, dat kende ik alleen van ijsklontjes uit de koelkast. Er waren veel nieuwe dingen, dat vond ik geweldig en dat maakte het leuk. Ik ben een nieuwsgierig iemand en kwam in een nieuwe wereld terecht, dat vond ik prachtig

Maar omdat ik uit Suriname kwam, dachten de kinderen met wie ik in Nederland op school zat dat ik niet kon schrijven, niet kon lezen, niet kon rekenen. Ze dachten dat ik uit de rimboe kwam en ik werd uitgescholden voor ‘rimboekikker’. Daar ben ik toen heel boos over geworden. Maar daarna was het prima, werden we vrienden en leerde ik bijvoorbeeld schaatsen van die kinderen. Ik zei altijd: je kent me niet, laat me het verhaal vertellen dan snappen jullie het.

Vier jaar later zijn mijn ouders en broertjes en zusjes ook naar Nederland gekomen. Dat was heel moeilijk voor mijn moeder die toen ongeveer 50 jaar was. Zij had haar hele leven in een tropisch land gewoond met warmte en ruimte, en ineens woonde ze met vijf kinderen op een flat in Nederland.’

Archieven: Verhalen

‘Na de Japanse bezetting werd het eigenlijk nog ingewikkelder voor ons’

Een beetje gespannen maar vooral heel nieuwsgierig vertrekken Liv, Fatima en Mannes vanuit basisschool de Talisman in Eindhoven naar de 90-jarige Dee van Eldik-Lippelt. Zij is geboren in Salatiga. Daarover gaat meteen de eerste vraag van hun interview met haar. Liv, Fatima en Mannes hebben wel gezocht op een kaart, maar konden het niet vinden. Mevrouw Eldik legt uit dat Salatiga een kleine stad is ten zuiden van de havenstad Semarang op Midden-Java.

Hoe was uw jeugd in Indonesië?
‘Ik had een hele fijne jeugd in Salatiga. Ik groeide daar op met mijn ouders. We waren Indo’s, dus we hadden een gemengde achtergrond en een Nederlands paspoort. Thuis spraken we ook Nederlands en ik ging naar een Nederlandse school.

Ik ging al vroeg naar school, eigenlijk een beetje te vroeg, want ik was best druk thuis en mijn ouders dachten: laat haar maar alvast beginnen. Maar toen, aan het einde van dat schooljaar, kwamen de Japanners en begon de oorlog. Alles veranderde ineens. De Nederlandse scholen gingen dicht en ik kon niet meer naar school.

Omdat wij van gemengd bloed waren, werden we niet opgesloten in kampen zoals de witte Nederlanders, maar het was zeker niet makkelijk. We moesten ons een beetje verborgen houden. In die tijd heb ik dus geen echte school gehad. Maar mijn ouders vonden leren wel belangrijk, dus thuis moest ik gewoon doorgaan. Mijn vader liet me Nederlands oefenen en mijn moeder liet me de tafels leren, van 2 tot en met 19.

Pas na de oorlog kon ik weer echt naar school. Maar die tijd zonder vergeet je niet. Je leven staat gewoon stil, terwijl je nog kind bent.’

Waarom kozen jullie ervoor naar Nederland te gaan na de onafhankelijkheid?
‘Na de Japanse bezetting werd het eigenlijk nog ingewikkelder. Indonesië wilde onafhankelijk worden van Nederland en dat zorgde voor veel onrust. Wij zaten daar een beetje tussenin, want we waren niet helemaal Nederlands, maar ook niet Indonesisch. Dat maakte het gevaarlijk.

Mijn vader werd in die tijd opgepakt en naar een kamp gebracht. Mijn moeder en ik kwamen later ook in kampen terecht. We hadden honger, waren vaak ziek en moesten steeds verplaatsen. Je had geen vrijheid meer, dat was misschien nog wel het ergste.

Mijn vader was op een gegeven moment best boos op de Nederlanders, omdat hij zich achtergesteld voelde. Daarom wilde hij eigenlijk niet naar Nederland. Toen kregen we de keuze: Indonesisch worden of Nederlands blijven. Mijn vader koos ervoor om Indonesisch te worden, dus we waren officieel geen Nederlanders meer. Ik moest zelfs van school af, terwijl ik daar zelf niks over te zeggen had.

Maar dat bleek geen goede keuze. De Indonesiërs zagen ons toch niet echt als een van hen. Veel mensen kregen daar spijt van, daarom werden we ‘spijtoptanten’ genoemd. We wilden ons Nederlanderschap terug, maar dat ging niet zomaar. We moesten er echt om vragen.

Mijn vader overleed ondertussen, dus mijn moeder stond er alleen voor. Zij mocht uiteindelijk wel naar Nederland, maar ik nog niet omdat ik te jong was. Mijn moeder liet mij niet alleen en bleef bij mij. Pas in 1960 mochten we samen naar Nederland vertrekken. Dat duurde dus heel lang.’

Hoe was het om in Nederland te komen?
‘Toen we eindelijk naar Nederland gingen, was dat een enorme verandering. Echt een cultuurschok. Alles was anders. Alleen al hoe mensen zich ‘wassen’ op het toilet, dat vonden wij heel raar, want wij gebruikten water. En het eten! We kregen aardappelen en groenten die helemaal doorgekookt waren, zonder smaak. Wij waren gewend aan kruidig, Indisch eten. Dat was echt even wennen. In het begin vonden we het helemaal niks.

We zaten eerst in een opvangkamp en daarna konden we pas een beetje ons eigen leven opbouwen. Toen konden we ook weer zelf koken zoals we gewend waren. Gelukkig ben ik wel snel gewend geraakt aan Nederland, maar die eerste tijd vergeet je nooit meer.

Als ik nu terugkijk, ben ik eigenlijk wel trots dat we erdoorheen zijn gekomen. Het was niet makkelijk, maar we hebben ons aangepast. Ik ben meteen gaan werken toen we in Nederland waren en had gelukkig snel een baan als boekhoudster. Mijn moeder was ook heel sterk. Na alles wat ze had meegemaakt in de oorlog, heeft ze zich hier toch goed aangepast. We hebben samen nog mooie dingen gedaan, zoals reizen door Europa.’

Archieven: Verhalen

‘Witte kinderen kregen vaker de beurt en werden sneller gekozen’

Heel dicht bij school woont de 87-jarige Jessica Mollen-van Putten. Anna Rosa, Elia en Lotte van basisschool De Talisman in Eindhoven gaan te voet op pad om haar te interviewen. Wanneer ze aanbellen, doet haar dochter Roxy de deur open. Ze ontvangt hen hartelijk en warm. Ook zij neemt deel aan het interview en helpt haar moeder bij het beantwoorden van de vele vragen die de drie leerlingen hebben voorbereid. Die vragen gaan over het leven op Aruba en de sporen van het koloniale verleden die daarin een rol spelen.

Hoe was uw jeugd op Aruba?
‘Ik ben opgegroeid op Aruba, in een klein dorpje, St. Nicolas, in de Saba Straat. Ik had een fijne jeugd met mijn ouders, broers en zussen. We woonden in eenvoudige huisjes met golfplaten daken, terwijl iets verderop grote huizen stonden van rijke Amerikanen en Nederlanders.

Voordat ik naar school ging, at ik altijd ‘Johnnycakes’, dat is iets typisch van de eilanden. Dat aten we met thee en daarna liepen we naar school. Ik zat op een katholieke school met nonnen en daar kregen we gewoon Nederlands. Daarom spreek ik nu nog steeds Nederlands.

Maar op school was er wel verschil. Witte kinderen kregen vaker de beurt en werden sneller gekozen. En we leerden vooral over Nederland, maar bijna niks over ons eigen land of over slavernij. Dat is iets wat ik later pas leerde. Dat vind ik een belangrijk koloniaal spoor: dat je opgroeit zonder je eigen geschiedenis echt te kennen.’

Wat weet u van uw familiegeschiedenis?
‘Mijn beide ouders komen van Sint Eustatius. Dat was vroeger een belangrijke plek in de slavernijhandel, en daar kun je nog steeds sporen van zien.

Van mijn opa’s kant weten we dat onze familie teruggaat tot de slavernij. Onze voorouder was tot slaaf gemaakt en kreeg een kind met een Nederlandse koopman. Daarom hebben wij nu een Nederlandse achternaam, Van Putten. Dat is eigenlijk de naam van de eigenaar. Dat vind ik best heftig, want daardoor weet je niet meer precies waar je familie oorspronkelijk vandaan komt, bijvoorbeeld uit West-Afrika. De echte naam is verloren gegaan.

Op Sint Eustatius heb je nog het slavenpad, waar mensen vanaf de schepen omhoog werden gebracht en verkocht. En er zijn nog straatnamen en gebouwen met familienamen zoals die van ons. Dat laat zien dat het koloniale verleden nog steeds zichtbaar is, ook nu.’

Wat is er in de Tweede Wereldoorlog gebeurd op Aruba?
‘Tijdens de Tweede Wereldoorlog speelde Aruba een belangrijke rol door de olieraffinaderij. Daar werkte mijn vader ook. Op een nacht, toen ik nog klein was, was er een enorme explosie. De Duitsers hadden de schepen aangevallen om de olie tegen te houden. Alles stond in brand, zelfs de zee, omdat er olie op lag. Veel mensen zijn toen overleden. Mijn vader had geluk: hij kon met een klein bootje ontsnappen, maar hij was wel zwaar verbrand. Dat is iets wat altijd in mijn familie is blijven hangen.

Toen ik later, rond mijn twintigste, naar Nederland ging om te studeren, was dat een grote verandering. Ik moest daarvoor het eiland verlaten, want op Aruba waren weinig opleidingsmogelijkheden. Ik kwam hier in de winter aan en kende dat helemaal niet. Ik liep op hakken over het ijs, dat was heel raar.

In Nederland moest ik erg wennen. Mensen wisten weinig over de eilanden en hadden soms vooroordelen. Maar uiteindelijk bouwde ik hier mijn leven op. Mijn verhaal laat zien hoe Nederland en de eilanden met elkaar verbonden zijn, door kolonialisme, slavernij en de oorlog. Dat zie je nog steeds terug in mijn familie en in wie ik ben.’

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892