Archieven: Verhalen

‘Ik zag mijn ouders huilen’

Mevrouw Schut-Demoitié woonde in Castricum toen de oorlog uitbrak. De Duitse soldaten vorderden alle huizen langs de duinen, zodat ze goed zicht hadden op de kust wanneer er een invasie vanaf de zee zou komen. Ze verhuisde samen met haar ouders en vijf broers en zussen van een huis met grote tuin naar een appartement in Amsterdam. De tuin miste ze als kind heel erg. Maar tijdens de oorlog reden er amper auto’s, dus ze speelde vaak met vriendinnen op straat of in het park.

Heeft u veel honger gehad tijdens de oorlog?
“Mijn vader had de Eerste Wereldoorlog meegemaakt. Hij verwachtte dus dat tijdens de oorlog alle grenzen dicht zouden gaan en alle invoer zou stoppen. Hij had bijvoorbeeld veel rijst ingeslagen, dat hebben we dan ook vaak gegeten tijdens de Hongerwinter. Niet zoals jullie dat nu eten, maar rijstepap. Als er geen melk was, kookte mijn moeder het met water. Ik moest ook veel havermout eten, omdat dat goed was voor de groei. Als ik vandaag zelfs het woord ‘havermout’ maar hoor, krijg ik al rillingen, het stond me zo tegen. Door het eenzijdige voedsel en het gebrek aan vitaminen was je vatbaarder voor ziekten. Mijn jongste broertje kreeg roodvonk, we vreesden dat hij zou sterven, maar dat is gelukkig niet gebeurd. De oorlog maakte je wel vindingrijk. Mijn moeder fietste af en toe naar de Noordoostpolder om eten te halen. Dit mocht natuurlijk niet, dus had ze een list verzonnen. Ze had zakken in haar jas genaaid om het eten in te doen. Wanneer ze haar jas dichtdeed, leek ze net zwanger en dan lieten de soldaten haar makkelijker door.”

Bent u zelf in aanraking gekomen met Duitse soldaten?
“Ik heb een tijdje bij mijn tante in Castricum gelogeerd. Daar woonde een Duitse soldaat alleen in een huis. Ik denk dat hij toezicht moest houden op een bepaalde wijk. Er stond een tamme kastanjeboom in zijn tuin, hij leerde me hoe ik kastanjes kon poffen. Als ik dan voorbij zijn tuin liep, riep hij: ‘Zullen we weer kastanjes gaan poffen?’. Ik mocht niet naar hem toe van mijn tante. Ik weet niet of ze bang was omdat het een man alleen was, of omdat ze zo’n hekel aan Duitsers had. Het leerde me wel dat niet alle Duitsers slecht waren. Sommige mannen wilden helemaal niet het leger in of stonden niet achter Hitler, maar werden verplicht.”

Kende u veel Joodse mensen?
“Toen we naar Amsterdam verhuisden kwamen we terecht in een straat waar veel Joden woonden. Soms werd de straat afgezet met vrachtwagens en dan gingen ze alle huizen binnen op zoek naar Joden. Ze klopten hard op de deur en riepen: ‘Aufmachen’. In de benedenwoning van ons gebouw woonde een Joods gezin. Ik speelde vaak met het dochtertje, Esther. Tijdens een van de razzia’s werden ze weggevoerd. Mijn ouders stonden te huilen toen ze naar het leeggehaalde huis keken. Als kind begreep ik niet wat er gebeurd was, maar omdat ik mijn ouders zag huilen, wist ik wel dat het erg was. Ik heb Esther nooit meer teruggezien.”

  

Archieven: Verhalen

‘Gewone Duitse jongens’

Wij hebben meneer Kees Schakel ontmoet bij het oorlogsmonument van het Muiderpoortstation. Van daaruit werden in de Tweede Wereldoorlog ruim 11.000 Joden naar kamp Westerbork vervoerd. Meneer Schakel is lid van het 4 en 5 mei comité van Amsterdam-Oost. Hij vertelde ons over de oorlogservaringen van zijn familie in het dorpje Giessen-Oudekerk.

Wat heeft uw familie in de oorlog meegemaakt?
“Mijn zus stond eens als baby in een box in de huiskamer toen er een kogel door de ruit vloog, waarbij de scherven in de box vielen. Mijn ouders waren dankbaar dat er niet nog iets veel ergers gebeurd was. Ze hadden ook een onderduiker, Jacob Huisman. Hij werd gezocht omdat hij bonkaarten had buitgemaakt. Die waren erg kostbaar, je kon er voedsel mee kopen. Een keer zaten ze te eten in de keuken, toen er onverwachts iemand langskwam. De onderduiker schoot zo onder het grote tafelkleed. Mijn ouders hielden het bezoek aan de praat tot het weer opstapte. De onderduiker is nooit ontdekt.

Later moesten mijn ouders Duitse soldaten opnemen in huis, dat noem je inkwartieren. De frontlinie verschoof steeds meer naar de grote rivieren en mijn ouders woonden daar vlakbij. Soldaten werden daar gestationeerd om eventueel aan het front te kunnen vechten. Er waren slaapplaatsen nodig voor die jonge soldaten. Mijn vader heeft weleens verteld dat het eigenlijk gewone Duitse jongens waren, die helemaal geen zin hadden in oorlog, maar ze moesten van Hitler. Je kon eigenlijk best met ze opschieten en met ze praten.”

Had uw familie genoeg te eten om te overleven?
“Mijn ouders hadden melk van de koeien en eieren van de kippen, maar ze hadden eigenlijk behoefte aan meer, ze hadden ook die onderduiker. Voor de baby, mijn zusje, was op een gegeven moment een ledikantje nodig, daar was moeilijk aan te komen. Toen hebben mijn ouders melk en andere dingen geruild met iemand die een ledikantje over had. Dat gele ledikantje is nog steeds in de familie, de kleinkinderen van mijn ouders hebben er ook weer in geslapen. Er werd op die manier veel geruild in de oorlog.”

Hoe komt het dat u zo betrokken bent bij dit onderwerp
“Toen ik een jaar of 24, 25 was, ben ik drie jaar leraar geweest op een Amsterdamse MAVO. Ik gaf les over godsdiensten. De leerlingen vroegen aan mij of ik kon vertellen over Anne Frank. Omdat ik eigenlijk bijna niks wist over Anne Frank, ben ik me erin gaan verdiepen. Toen ik er op de MAVO over vertelde, waren de kinderen muisstil. Ik weet nog dat ik vertelde dat de douchekamer de gaskamer was en dat toen sommige leerlingen, van 13 of 14 jaar in huilen uitbarstten.

Ik kreeg steeds meer interesse in het lot van de Joden. Ik leerde steeds meer Joodse mensen kennen en zo ben ik in het 4 mei comité van Oost gekomen. Toen ik in 1999 las dat er op het station Gare de Lyon in Parijs een herdenkingsplaquette was aangebracht, ben ik naar Joke Koningh, de burgemeester van Oost, gegaan. Zodoende is het monument hier bij het Muiderpoortstation op 3 oktober 2002 onthuld, precies 60 jaar nadat de deportaties waren begonnen op 3 oktober 1942.”

foto’s: Marieke Baljé

Archieven: Verhalen

‘Trouwen in de oorlog’

Wij hebben mevrouw van Dusseldorp geïnterviewd over de Tweede Wereldoorlog. Zij vertelde ons dat ze tijdens de oorlog hier vlakbij haar eerste kusje kreeg, in het Flevopark.

Heeft u honger gehad in de oorlog?
“De eerste twee jaar ging het goed, maar tegen het eind van de oorlog was er niets meer. Er was toen ook nog geen supermarkt zoals de Albert Heijn, je had alleen kleine winkeltjes: een groenteman, een slager en een bakker. Daar kon je dan je bonnen inleveren. Je moest eerst in de rij staan en vaak kwam je voor niks. Ik had een voordeel want ik was in verwachting, met mijn dikke buik mocht ik altijd voor. Wij hoefden ook niet op hongertocht te gaan zoals veel andere mensen. Wij hadden een groentewinkel en daardoor was er altijd wel genoeg eten voor onszelf. Totdat er ook op de markt niks meer aangevoerd werd en we alleen nog knollen en uien konden krijgen. Mijn man heeft eens een keertje een vat zuurkool helemaal van West naar onze winkel gerold. Toen hij aankwam stond er een hele lange rij mensen met pannetjes, potjes en schaaltjes, want we hadden niks om de groentes mee in te pakken. In een paar uur was het vat helemaal leeg verkocht.”

Is een van uw familieleden opgepakt door de Duitsers?
“Een oom van me is weggevoerd, dat was heel tragisch. Op 2 mei werd hij opgepakt om naar Dachau gebracht te worden en op 3 mei was mijn trouwdag. Mijn oom was tegen de Duitsers en had een boek uitgegeven. Hij luisterde naar Radio Oranje en was betrokken bij de verspreiding van het illegale blaadje Trouw. Maar wonder boven wonder is hij naar Amersfoort gebracht en mocht hij na tien dagen weer terug. Wegens gebrek aan bewijs. Hij is lopend op blote voeten terug gekomen.”

Was u verliefd tijdens de oorlog?
“Ja, ik was verliefd. Ik was jong. Zal ik jullie een geheimpje vertellen? Ik heb mijn eerste kusje hier in het Flevopark gekregen. Van mijn man. Ik heb hem ontmoet bij de kerkelijke verenigingen. We hadden vroeger meisjes-en jongensverenigingen. De jongens kwamen ons halen uit die meisjesvereniging. Zo begon het meestal. Ik ben op mijn 21e getrouwd, in de oorlog, met een gehuurde witte jurk. Ik heb daar nog wel foto’s van. Mijn moeder heeft toen een echt feestmaal weten te bereiden voor de broers en zusters, met inmaak van wat zij had bewaard voor die dag. We aten wel verse sla omdat we dat in de winkel hadden, verder waren er weinig groenten.”

Archieven: Verhalen

‘Fijne sliertjes suikerbiet’

Wij hebben mevrouw Henny van ter Meij geïnterviewd over de oorlog. Ze heeft ons ook wat laten zien uit die tijd. Ze vertelde ons namelijk dat haar gezin toen niet alleen de radio moest inleveren, maar ook twee koperen bloempotten. Eén bloempot heeft de familie kunnen verstoppen. Zeventig jaar later kon mevrouw Van ter Meij die ene bloempot nog aan ons laten zien.

Hoe was het leven in uw buurt tijdens de oorlog?
“Ik woonde met mijn ouders en mijn jongere broertje in de Tweede Atjehstraat op de tweede verdieping. Je kon in onze buurt goed buitenspelen, we hadden altijd de vrijheid om op straat te komen. Ik herinner me dat we gingen knikkeren, hinkelen en touwtje springen. Vlakbij ons was het Muiderpoortstation. Ik heb meerdere malen vanuit mijn raam kunnen zien hoe Joodse mensen daar werden verzameld. Als iedereen er was, stapten ze in een trein. Het was moeilijk om te zien, maar ik bleef toch kijken. In ons gezin praatten we wel over deze gebeurtenissen, ook over de spullen die we moesten inleveren. Zoals de radio en de bloempotten. Maar buiten het huis moest je oppassen met wie je praatte. In onze straat was de kapper een NSB’er en de schoenmaker een Rijksduitser (een echte Duitser). Dus ik lette goed op tegen wie ik wat zei.”

Bent u wel eens met honger naar bed gegaan?
“We hadden niet genoeg eten, maar ik kan me niet herinneren dat ik met honger ging slapen. We aten vaak suikerbieten. Mijn grootouders hadden zo’n vleesmolentje en zo maakten we er fijne sliertjes van. Het was niet lekker. Ook moest ik wel eens tulpenbollen eten. We hadden het geluk dat we familie hadden buiten Amsterdam, zo kregen we af en toe ook wat groenten. De Hongerwinter was dus niet fijn, maar we hadden niet alleen honger. We hadden bijna niets meer: geen schoenen, geen kleding, geen licht, geen gas en geen stroom. Van mijn grootmoeder kreeg ik een jurk van de bedstee gordijnen en ik had schoenen die van papier gemaakt waren. We hadden dus van alles niets.”

Heeft u de Duitsers kunnen vergeven?
“Je kan niet altijd boos blijven. Hitler en de SS’ers waren vreselijke mensen, maar deze boosdoeners zijn er gelukkig niet meer. De Duitsers van nu zijn best aardige mensen. Ik vind het goed dat we nog jaarlijks herdenken, maar zelf ga ik nooit naar de herdenking op de Dam. Het gaat mij teveel kriebelen. Ik hoef dat niet meer.”

Archieven: Verhalen

‘Dat was de enige keer in mijn leven dat ik huilde ’

Wij interviewden meneer Maurice Ferares. Hij woonde voor en tijdens de oorlog in de Smitstraat in de Transvaalbuurt en zat later ondergedoken aan het Afrikanerplein en op de Prinsengracht. Hij was achttien jaar toen de oorlog begon.

Wat was vóór de oorlog uw levensdroom?
‘Ik wilde muzikant worden. Sinds mijn achtste speelde ik al viool, maar ik wilde nog beter worden en later in een symfonieorkest spelen. Daarom ging ik vlak voor de oorlog, toen ik zeventien was, naar het Conservatorium. In december 1940, dus een halfjaar nadat de oorlog begon, ben ik via klasgenoten bij het verzet terechtgekomen. Omdat ik Joods was, moest ik in 1942 van het Conservatorium af. Daarna ben ik al snel ondergedoken. Tijdens deze jaren kreeg ik nog wel lessen thuis van mijn leraren en ik deed zelfs clandestien mijn examens. Toen ik na de oorlog terugkwam op het Conservatorium en ik nog één examen moest doen, werd mij verteld dat de examens die ik tijdens de oorlog had gedaan, niet erkend werden. Moest ik de hele vier jaar over doen! Dat wilde ik niet, ik heb het Conservatorium toen vaarwel gezegd. Daarna heb ik vijftien jaar in een orkest gewerkt.’

Wat heeft u tijdens de oorlog gedaan?
‘Via klasgenoten kwam ik in aanraking met het verzet. Hier heb ik illegale krantjes gedrukt en verspreid. Ook stal ik voedselbonnen voor onderduikers en hielp ik met het maken van illegale papieren. Ik werd een handige inbreker en oplichter tijdens de oorlog! Ik heb in die periode op vijf verschillende onderduikadressen gezeten, waarvan twee jaar in een huis op het Afrikanerplein, in de Transvaalbuurt. Dat was een Joodse buurt waar veel razzia’s werden gehouden. Zat ik daar in mijn schuilhokje boven het plafond, terwijl de Duitse politie het huis doorzocht! Ik was toen niet bang, maar de drie dagen daarna had ik altijd vreselijke hoofdpijn.”

Heeft u nu nog nare herinneringen aan de oorlog?
‘Ik denk er nog altijd heel veel aan. Mijn hele familie is vermoord in Auschwitz. Via een kennis hoorden we over de vernietigingskampen in Polen, maar pas na de Bevrijding wist ik echt wat er gebeurd was met mijn familie. Ik ging iedere dag kijken bij de namenlijsten die ze ophingen bij de Weteringschans. Lijsten met de namen van de mensen die waren omgekomen. Op een dag stonden de namen van mijn familieleden daar ook op. Dat is volgens mij de enige keer in mijn hele leven dat ik heb gehuild.
Maar waarom vragen jullie altijd alleen maar naar de oorlog? Waarom weet niemand meer iets van de tijd voor de oorlog, het interbellum? De tijd dat Hitler aan de macht kwam? Dat is juist nu zo belangrijk! Tegenwoordig zie je hetzelfde weer gebeuren. Wat is het verschil tussen het roepen van ‘minder Marokkanen’ en ‘minder Joden’? We moeten voorkomen dat het weer gebeurt en daarom moeten we niet vergeten wat er is gebeurd.’

 

foto’s: Marieke Baljé

Archieven: Verhalen

‘Schildpaddensoep’

Wij hebben meneer Piet Sijtsma geinterviewd over zijn ervaringen tijdens de oorlog. Toen de oorlog begon was meneer Sijtsma ongeveer drie jaar oud en woonde hij aan de Wagenaarstraat in Amsterdam. Meneer Sijtsma had veel te vertellen over de oorlog. Het was een heel leuk en informatief interview met een paar bijzondere verhalen.

Bent u bang geweest in de oorlog?
“Ik geloof dat ik nooit echt bang was. Ik weet nog wel dat er Duitse soldaten door de straat reden in open jeeps. Ze zaten dan op banken achterin, meestal zo’n acht soldaten bij elkaar. Tussen hun benen hadden ze een mitrailleur recht omhoog staan, klaar om in actie te komen. Dat voelde erg bedreigend. Iedereen werd dan angstig en maakte dat hij weg kwam. Mijn oudere broers zeiden tegen mij dat ik weg moest wezen als de auto de straat in kwam rijden. Zij bleven dan buiten staan om alles in de gaten te houden.”

Heeft u honger gehad tijdens de oorlog?
“Ik heb nooit echt honger gehad. Ik was het jongste kind in de familie. Mijn twee broers en mijn zus hielden mij de hand boven het hoofd, ik kreeg altijd wel een extraatje. Ook was mijn moeder heel slim, zij ging naar het platteland om daar dingen te ruilen voor eten. Mijn familie vertelde mij later dat ik als kleine jongen een truc had om aan meer eten te komen. Zij smeerde voor iedereen boterhammen – toen die er nog waren, en legde deze op de keukentafel. Ik liep daar dan naartoe en als 4-jarige was ik precies zo groot dat ik goed zicht had op alle boterhammen, ik kon goed zien welke het dikste was. Die wilde ik dan en kreeg ik ook nog, niemand vond dat erg. Tijdens de oorlog had ik een huisdier, een schildpad. Mijn vader was schipper en had deze meegenomen van een van zijn reizen. Ik weet nog dat ik vaak met het beest speelde. Op een dag ben ik met een smoesje weggelokt naar het huis van mijn opa en oma. Daarna vertelde mijn moeder dat de schildpad was weggelopen. Dat vond ik als kind heel logisch, maar nu denk ik dat ze de schildpad hebben opgegeten. Misschien is hij wel schildpaddensoep geweest?”

Wat weet u nog van de Bevrijding?
“De Bevrijding was een groot feest. Alle vlaggen hingen uit in onze straat. Ook mijn vader kwam na de oorlog eindelijk weer thuis. Hij was schipper op een vrachtschip en mocht tijdens de Tweede Wereldoorlog niet terug naar Nederland komen. Anders zou het schip in Duitse handen vallen. Het moet dus de eerste keer zijn dat ik mijn vader heb gezien, dat blijft merkwaardig, ik was toen bijna zeven jaar oud. Ik kan me het moment niet herinneren dat ik hem voor het eerst zag, maar ik weet wel dat ik het geweldig vond om opeens een vader te hebben.”

Archieven: Verhalen

‘Hij wilde de vijand in de ogen kijken’

Meneer en mevrouw van Rijswijk zijn twee van de zes kinderen van verzetsstrijder Dirk Jan van Rijswijk. Hun zussen Guurt en Nel waren ook aanwezig bij het interview. Vader van Rijswijk werd op 8 maart 1945 gefusilleerd. Hij was actief in het verzet en de familie van Rijswijk had ook een Joods meisje als onderduiker is huis.

Wat deed uw vader in de oorlog?
“Hij was gemeenteambtenaar, maar werd tijdens de oorlog hoofd van het Nationaal Steunfonds in Santpoort, onderdeel van een verzetsorganisatie die de illegaliteit in Nederland financierde. Hij had een slim administratiesysteem opgezet waarmee 160 gezinnen financieel ondersteund werden, zonder dat te achterhalen was om wie het precies ging. Hij zat ook in de Voedselcommissie en in het bestuur van de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers in Velsen/Santpoort.

Waarom werd hij gefusilleerd?
Aan het eind van de oorlog werd hij opgepakt. In maart werd hij gefusilleerd als vergelding voor een aanslag op de hoogste baas van de SS in Nederland, Hans Rauter. Het verzet wilde een vleestransport overvallen, om vlees onder hongerlijdende gezinnen te kunnen verdelen. Bij toeval passeerde de auto van Rauter. Er ontstond een schietpartij waarbij Rauter geraakt werd, maar niet gedood. Als represaille werden 300 verzetsmensen uit de gevangenissen gehaald en doodgeschoten, waarvan 59 op de fusilladeplaats aan de Amstel. In die groep zat onze vader.”

Wat voelde u toen hoorde van uw vaders dood?
Wil: “Dat dringt eigenlijk niet door als je 8 jaar bent. Na zijn arrestatie kregen we nog een anoniem briefje met tekst: ‘De jongens maken het goed. Piet’. Piet Zwart was de schuilnaam van mijn vader. Toen dachten wij dus dat het misschien wel goed zou komen.”
Henk: “Maar op 8 maart kwam de dominee aan de deur. Het was miezerig grauw weer. Hij zei tegen moeder: ‘Ik moet u mededelen dat uw man zich niet meer in het land der levenden bevindt’. En toen hoorde ik een verschrikkelijke gil van mamma.”

Wat vindt u ervan dat uw vader zoveel risico nam?
“Mensen hebben ons inderdaad wel gevraagd hoe een vader van zes kinderen zijn gezin zo in de steek kon laten. Maar mijn vader was een idealist en ook zijn geloof speelde een rol. Hij zag het als zijn taak om mee te helpen aan de bevrijding. Hij zal zich beseft hebben wat de risico’s waren, maar het streven naar vrijheid en het helpen van mensen behoorden tot het hoogste goed.

Wat betekent het monument voor u?
Wil: “Bij de onthulling besefte ik misschien pas echt wat daar had plaatsgevonden. Dat er mensen rucksichtslos zijn neergeschoten, op een vrachtwagen zijn geladen en naar een massagraf in de duinen zijn gebracht. Iedereen op straat – zelfs kinderen werden aangehouden, en moest toekijken bij de executies. Ook onze tante Truus was daarbij. Ze vertelde later dat alle gevangenen een doek over het hoofd kregen, maar dat onze vader dat weigerde. Hij wilde de vijand in de ogen kijken. En toen de Duitsers hun geweren richtten, begon hij het Wilhelmus te zingen.”

Santpoort, 1 februari 2016, leerlingen van de Dongeschool uit Amsterdam interviewen kinderen van verzetsstrijder Dirk van Rijswijk over hun vader, foto’s: Katrien Mulder

Archieven: Verhalen

‘Nu heeft mijn vader eindelijk een eigen stoel’

Wij hebben meneer Jan Willem Ittmann geïnterviewd vlakbij het monument Rozenoord in het Amstelpark. Meneer Ittmann was vier maanden oud toen zijn vader, Cesar Willem Ittman aan het eind van de oorlog als verzetsstrijder gefusilleerd werd door de Duitse bezettingsmacht in Amsterdam. Hij groeide op zonder vader. Met zijn moeder heeft hij niet kunnen praten over de oorlog.

Wat voor een man was uw vader?
“Ik heb mijn vader eigenlijk nooit leren kennen. Ik was vier maanden oud toen hij gefusilleerd werd. Tijdens de oorlog vertelde mijn vader niks aan mijn moeder over zijn werk in het verzet, om haar en ons in bescherming te nemen. Na de oorlog was het verdriet bij mijn moeder zó groot, dat we er thuis nooit over spraken. Behalve op 4 mei, want dan herdenk je de doden. Op 4 mei was het altijd een hel bij ons thuis. Alleen maar verdriet. Daarom heb ik mijn moeder ook nooit naar mijn vader gevraagd, ik wilde niet nog meer verdriet bij haar losmaken. Pas lang na de oorlog, toen schrijver Geert Mak een boek uitbracht over de erebegraafplaats in Bloemendaal waar mijn vader begraven ligt, ben ik meer over hem te weten gekomen. Over wat hij deed in het verzet, hoe hij als arts mensen hielp en hoe hij door een ander in het verzet verraden is.”

Hoe was het om zonder vader op te groeien?
“Eerst wist ik niet beter. Ik was gewoon met m’n broer en m’n moeder. Maar hoe ouder ik werd, hoe meer ik mijn vader miste. Toen ik zelf kinderen kreeg, werd ik opeens onzeker. Ben ik wel een goede vader? Ben ik te streng? Ben ik te slap? Ik heb geen voorbeeld gehad, dus ik weet niet hoe een vader zich gedraagt. En nu heb ik kleinkinderen en weet ik weer niet hoe je een goede opa bent. De hele ellende opnieuw. Tegenwoordig denk ik vaker aan mijn vader dan vroeger. Ik zou wel willen weten hoe hij was. Lijk ik op hem? Zijn laatste foto is van een half jaar voordat hij werd neergeschoten, 30 jaar oud. In mijn hoofd is hij nooit ouder geworden. Ik ben nu zelf twee keer zo oud, dat voelt heel vreemd.”

Wat betekent het oorlogsmonument voor u?
“Toen ik vier was verhuisden we van de Bos en Lommerweg naar de Churchilllaan.  Dat huis was ingericht zonder een plek voor mijn vader. Nu, bij dit monument, heeft mijn vader eindelijk weer een eigen stoel. Ik vind ook dat je op die stoel moet gaan zitten. Ik heb op mijn vaders stoel gezeten, mijn kleinkinderen hebben erop gezeten. Mijn vader ligt in Bloemendaal begraven. Daar ben ik maar een keer geweest. Die plek is voor mij minder belangrijk dan de plek waar hij gefusilleerd is. Omdat ik me juist daar met hem kan identificeren. Hoe zou ik me voelen als ik daar stond?”

 

oorlog in mijn buurt, interview met broers Ittmans, 25 januari 2016, foto: Katrien Mulder

 

Archieven: Verhalen

‘Over verzetswerk bleef je stil, ook na de oorlog’

Wij zijn Fenna, Vera en Jelle en wij interviewden meneer Cesar Willem Ittmann. Meneer Ittmann is vernoemd naar zijn vader die dokter was. Omdat zijn vader bij het verzet zat, is hij een paar maanden voor de bevrijding gefusilleerd bij Rozenoord. Meneer Ittmann was toen nog heel klein. Tijdens het interview vertelde meneer Ittmann dat hij het heel jammer vindt dat hij zijn vader nooit goed gekend heeft. Dat vinden wij erg spijtig voor hem.

Wat weet u nog van uw vader?
“Toen mijn vader werd opgepakt door de Duitsers was ik pas twee jaar oud. Ik heb daarom geen eigen herinneringen. Mijn broer, Jan Willem, was toen net een paar maanden oud, ook hij heeft geen herinneringen. We moeten het doen met de verhalen die ons werden verteld. Onze moeder heeft eigenlijk nooit veel gezegd over wat hij deed. Zo ging dat in die tijd, er werd niet veel over gesproken. Over verzetswerk bleef je stil, ook na de oorlog. Ik weet bijvoorbeeld wel dat mijn vader is verraden door de echtgenoot van een vrouw die mijn vader had geopereerd zodat ze in leven kon blijven. Hij redde haar leven en toch heeft haar man mijn vader verraden!”

Hoe bent u aan de informatie over uw vader gekomen?
“Van onze moeder wisten we dat hij arts was en dat hij in het verzet zat. Ze vertelde ons dat hij andere verzetsstrijders opereerde als ze gewond waren en dat hij ook weleens weg was om dingen te doen. Maar ze vertelde er niet bij wat hij dan deed. Pas toen er een pad werd geopend dat naar mijn vader vernoemd was, zijn mijn broer en ik ons meer gaan verdiepen, we waren toen al vijftig jaar. Bij de opening van het pad ontmoetten we twee andere verzetsstrijders die de oorlog wel hadden overleefd. Mijn broer heeft ook informatie opgezocht over onze vader in het archief.”

Bent u trots op uw vader?
“Ik heb daar een heel dubbel gevoel bij. Ik vind het goed dat hij in het verzet zat. Maar aan de andere kant vraag ik me weleens af waarom. Hij had toch een gezin waar hij voor moest zorgen? Dan wil je je leven toch niet riskeren? Soms maak ik me daar een beetje boos over, want nu heb ik mijn vader nooit gekend. En dat vind ik heel jammer. Als ik bij zijn stoel sta bij het Rozenoord monument, vraag ik me vaak af of ik op hem lijk of dat mijn kinderen op hem lijken. Daar denk ik veel over na. Het blijft een beetje pijnlijk. Maar toch ben ik wel trots op hem. Het is natuurlijk niet niks om je te verzetten tegen de bezetter. Het is een knappe beslissing. Het is mede dankzij hem dat we nu in een vrij land leven. Ik vind het ook heel bijzonder dat er een pad naar mijn vader vernoemd is. Ik zie het als erkenning voor zijn werk.”

 

oorlog in mijn buurt, interview met broers Ittmans, 25 januari 2016, foto: Katrien Mulder

Archieven: Verhalen

‘We likten alles af om maar wat binnen te krijgen’

Wij interviewden mevrouw Groot-Bosse in haar woning in Amsterdam. Haar broer Ton zat in de oorlog ondergedoken om aan tewerkstelling in Duitsland te ontkomen. Hij werd lid van de Binnenlandse Strijdkrachten. Vlak voor het einde van de oorlog is Ton door de Duitsers gefusilleerd bij Rozenoord. Zijn dood heeft een grote stempel gedrukt op het leven van mevrouw Groot-Bosse.

Hoe heeft u de oorlog ervaren?
“Ik was dertien toen de oorlog begon, erg jong en nog een beetje naïef. Dat veranderde toen het voedsel schaars werd en de oorlog steeds dichterbij voelde. Samen met mijn vader liep ik 60 kilometer, ruim 8 uur op een dag, om eten te halen. Op herenschoenen, ik had geen gewone schoenen meer. We gingen dan naar een boer in Opmeer waar mijn broer ondergedoken was. Ton stuurde ons van tevoren een briefje, dus als wij met ons karretje aankwamen, wisten we zeker dat we iets te eten kregen. Maar we hebben ook echt hongergeleden. Onvoorstelbaar, maar wij likten alles af om maar wat binnen te krijgen, zoals een poes of een hond. We aten een keer stamppot toen er werd aangebeld. Er stond een man voor de deur die al drie dagen niets gegeten had. Mijn vader kende hem wel en heeft toen met een lepel van al onze borden een beetje stamppot gehaald. Op dat moment was dat niet leuk, maar achteraf vind ik het zo mooi. Ik heb altijd veel respect gehad voor mijn vader. Hij was een hele sterke man.”

Hoe ervaart u de Duitsers nu?
Mijn vader leerde ons dat niet alle Duitsers slecht zijn. Ik weet nog dat we een keer gesnapt zijn toen we met eten terugkwamen uit Opmeer. Mijn vader leunde uitgeput tegen een brug en riep tegen de Duitse soldaat: ‘Neem alles maar mee’. Toen vroeg die soldaat: ‘Waar woon je?’, mijn vader antwoordde: ‘Om de hoek’. ‘Nou ga dan maar gauw verder’ en zo liet hij ons gaan. Er waren dus ook goede Duitsers. Ik vind het mooi dat ik, zijn dochter van bijna 89, daar nu zo over kan praten. Het heeft me wel moeite gekost, maar uiteindelijk moeten we het met z’n allen doen in de wereld. Zeker in moeilijke tijden.”

Hoe hoorde u dat uw broer was overleden?
“De pastoor kwam onze winkel binnen en vroeg mijn vader mee naar achteren te komen. Na een tijdje werd ik geroepen. Ze vertelden me dat mijn broer Ton dood was. Mijn broertjes en zusjes en ik hebben enorm gehuild, maar het echte besef kwam pas later. We wisten eerst nog niet waarom Ton was vermoord. Dat was een moeilijke en zware tijd. Achteraf hebben we begrepen dat het gezin van Ton was verraden en dat ze Ton hadden aangeraden weg te gaan. Maar hij wilde die mensen niet achterlaten. De Duitsers hebben hem toen opgepakt, in de gevangenis gezet en later vermoord.”

Wat betekent het monument voor u?
“Ik vind het goed dat het monument Rozenoord is opgericht. Ik was heel ontroerd door de uitnodiging van de opening. De bijeenkomst was erg mooi. Nog steeds ga ik op bepaalde momenten naar Rozenoord toe, bijvoorbeeld op de verjaardag van Ton.”

O
Oorlog in Mijn buurt, 5 februari 2016, interview met mevrouw Bosse, foto: Katrien Mulder

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892