Archieven: Verhalen

‘Verraden door zijn eigen vrouw, mijn moeder’

Wij hebben het indrukwekkende verhaal van mevrouw Loos gehoord. Haar vader, Cornelis Loos is aan het eind van de oorlog opgepakt en gefusilleerd op Rozenoord. De Duitsers waren getipt dat hij in het verzet zou zitten. Iemand had hem verraden en dat bleek een persoon te zijn die heel dichtbij hem stond, namelijk zijn vrouw, de moeder van mevrouw Loos.

Wat herinnert u zich van de inval waarbij uw vader is meegenomen door de Duitsers?
“We woonden in een boerderij aan de Spanbroekerweg. Mijn broer en ik lagen in de bedstee. We moesten slapen van mijn vader. Hij was met drie andere mannen aan het kaarten toen de Duitsers binnen vielen. Meteen namen ze de mannen en mijn vader mee. Ze werden verdacht van lidmaatschap van een verzetsbeweging. Mijn broer en ik zijn die avond achtergelaten. Met z’n tweeën. Op het moment dat mijn vader werd opgepakt wisten wij niet wat er met hem ging gebeuren. Uiteindelijk is hij op 8 maart 1945 gefusilleerd op Rozenoord, helemaal aan het einde van de oorlog. Net als de andere mannen van de kaartclub. Ze zijn samen begraven op de begraafplaats in Spanbroek. Ik kan me herinneren dat ik met meerdere mensen naar de begraafplaats liep. Allemaal met stokken waar kaarsen aan zaten, een soort lantaarntjes.”

Welke rol had uw moeder bij deze inval?
“Mijn moeder heeft mijn vader en eigenlijk de hele kaartclub verraden. Ze was daarvoor al van huis weggegaan, naar mijn tante zei ze. Dat was niet zo, heb ik via familie gehoord. Mijn moeder is gevlucht vanuit Spanbroek naar Hoorn. Daar werd ze later in een restaurant opgepakt voor verraad. Ze heeft mijn vader verraden door heel stiekem briefjes in de jaszak van hem en van de andere mannen van de kaartclub  te stoppen, briefjes van een verzetskrant. Gewoon verraad. En dat terwijl mijn vader en de mannen niet in een verzetsgroep zaten. Tien jaar heeft ze hiervoor in de gevangenis gezeten.”

Wat was de impact hiervan op de band met uw familie?
“Ik ben na de inval bij familie geplaatst, omdat ik geen vader en moeder meer had. Mijn broer is bij de andere kant van de familie geplaatst. Jaren later hebben we weer contact gekregen. Ook met mijn moeder. Ik ben bij haar geweest in de gevangenis samen met een meneer uit Spanboek. Nooit heeft ze verteld waarom ze mijn vader had verraden. Ik heb het gevraagd, maar ze gaf geen antwoord. Spijt had ze ook niet. Door wat zij heeft gedaan is de familieband verbroken. Mijn broer had beter contact met haar en heeft zelfs een aantal maanden bij haar gewoond toen ze uit de gevangenis kwam. Ik kwam niet vaak bij haar. Wel heb ik nog de begrafenis van mijn moeder moeten regelen, omdat mijn broer toen al was overleden. Dat liet me koud. Ik heb haar nooit vergeven voor wat er met mijn vader is gebeurd. Ik houd haar daar nog steeds verantwoordelijk voor.”

Oorlog in Mijn buurt, 10 februari 2016, interview met Anneke Loos, foto’s: Katrien Mulder

Archieven: Verhalen

‘Een Eskimo kus als enige herinnering’

Wij interviewden mevrouw Schagen bij het Rozenoord monument in het Amstelpark. Mevrouw Schagen werd een maand na het begin van de oorlog geboren. Ze woonde in Wognum. Haar vader had een leidende rol in het verzet en een kapperszaak waar hij veel onderduikers knipte en schoor: “dat moest ook gebeuren.” De vader van mevrouw Schagen werd opgepakt door de nazi’s en op 8 maart 1945 gefusilleerd bij Rozenoord. Ze kan zich bijna niets van hem herinneren. Vorig jaar werd het monument onthuld, waar ook de naam van haar vader een plaatsje gekregen heeft. Nu heeft ze een tastbare herinnering aan hem.

Wat merkte u van de oorlog?
“In het dorp waar ik woonde hadden we genoeg te eten tijdens de Hongerwinter, omdat wij een moestuin hadden. Daarom kregen we mensen uit de grote stad aan de deur die om een pannetje eten vroegen. We hadden wel een tekort aan bepaalde voedingsstoffen, zoals vlees. Al ons vee was gestolen door de nazi’s. Iedere dag kregen we een liter melk, maar daar moesten we met vier volwassenen en zes kinderen van drinken. Ik hoorde ’s nachts vaak vliegtuigen overvliegen, die gingen bombarderen in Duitsland. Toch koesterden we geen haat tegen Duitsers. We hadden een paar Duitse soldaten te logeren en zij waren erg aardig. Een van hen heeft een keer pannenkoekjes voor me gebakken.”

Herinnert u zich dat uw vader werd opgepakt?
“Ik was heel jong, maar ik weet nog dat we aan tafel zaten toen er plotseling nazi’s ons huis binnenstormden. Ze maakten veel lawaai en namen mijn vader mee. In maart hoorde ik dat hij gefusilleerd was, maar ik wist toen niet wat dat woord betekende. Ik ging de straat op en zong: ‘mijn vader is gefusilleerd’. Mijn broer werd daar heel boos om. Pas maanden later kreeg mijn moeder te horen waar zijn lichaam was en mochten we hem begraven. Toen de kist naar beneden zakte, klonken er saluutschoten. Mijn tante viel flauw van de schrik, maar ik dacht eerst dat ze doodgeschoten was.”

Wat betekent het monument voor u?
“Het monument geeft mij een tastbare herinnering aan mijn vader en daar ben ik erg blij mee. Ik weet bijna niets meer van mijn vader, alleen dat hij mij weleens een Eskimo kus gaf. Dan bewogen we onze neuzen langs elkaar heen. Mijn oudere broers en zussen hebben veel problemen gehad met de dood van mijn vader. Mijn broer had vaak last van woedeaanvallen. Ik weet niet zo goed hoe het voor mijn moeder was dat ze jong weduwe was. Daar sprak ze niet over. Ik ben blij dat de kinderen van nu nog interesse hebben in de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog. Het is belangrijk dat het verleden doorgegeven wordt en ik vind het fijn dat jonge mensen het initiatief genomen hebben om een monument voor de gefusilleerden te maken.”

oorlog in mijn buurt 2 februari 2016, interview met Marga van Schagen, foto: Katrien Mulder

Archieven: Verhalen

‘Een koffertje met dubbele bodem’

Wij spraken met meneer van Melle over zijn oom, de verzetsstrijder Job van Melle die vlak voor het einde van de oorlog bij Rozenoord is gefusilleerd door de Duitsers. Meneer van Melle heeft zijn oom nooit persoonlijk gekend, maar hoorde veel over hem van zijn familieleden.

Wat deed uw oom in het verzet?
“Mijn oom Job gaf geheime berichten door uit Engeland. Hij woonde in Goes, maar opereerde in de Randstad. Hij heeft ook een tijd ondergedoken gezeten bij mijn ouders in Utrecht. In Amsterdam logeerde hij bij de moeder van Gijs en Pieter Gorter die hij kende via het verzet. Ook zij zijn bij Rozenoord doodgeschoten. Oom Job bewaarde de informatie in een koffer met een dubbele bodem zodat de papieren niet direct zichtbaar waren. Bovendien stond alles in geheimtaal, morsecodes, geschreven. Op een avond in 1944 was Oom Job aan de late kant, de spertijd was al ingegaan. Hij werd aangehouden door de Duitse politie. Hij gooide de koffer in de bosjes in de hoop dat die niet gezien werd. Helaas werd de koffer gevonden, Job werd opgepakt. Tijdens het verhoor waren de Duitsers heel gewelddadig. Ze probeerde Job namen te ontlokken van andere verzetsmensen. Hij heeft zijn mond stijf dichtgehouden. Als hij dat niet gedaan had, zouden er nog veel meer mensen vermoord zijn. Dit speelde allemaal tegen het einde van de oorlog. De Duitsers wilden in deze periode zoveel mogelijk verzetsstrijders en gevangenen doden. De fusillades bij Rozenoord zijn daar een voorbeeld van. Oom Job was een de 140 mensen die daar vermoord werden. Hij heeft postuum – na de oorlog, een onderscheiding van de koningin gekregen.”

Hoe was de oorlog voor uw vader en moeder?
“Mijn vader was directeur van het Diakonessenhuis, een ziekenhuis in Utrecht. Daar zaten Joodse mensen ondergedoken. Ook bracht er weleens een verzetsstrijder de nacht door. Om de Duitsers buiten het ziekenhuis te houden, zeiden ze dat er besmettelijke ziektes heersten. Mijn vader deed aan de onderduikers voor hoe ze moesten hoesten zodat het zo echt mogelijk leek. In 1944 werden ze verraden en werd mijn vader gearresteerd. Hij weigerde om andere namen te geven en werd in het verhoor, net als mijn oom, mishandeld. Achteraf zei hij tegen mij dat hij vond dat hij te weinig gedaan had. De meeste verhalen heb ik van mijn moeder gehoord.”

Wat is uw herinnering aan oom Job?
“Ik ben na de oorlog geboren en heb hem dus niet gekend. Oom Job schijnt een erg aardige man geweest te zijn. Hij had musicus willen worden. Er werd thuis veel over hem gepraat, mijn ouders waren trots op hem en mijn broer is naar hem vernoemd. Het Rozenoord-monument vind ik erg mooi geworden. Oom Job heeft een ligstoel gekregen. Hoe ouder de mensen waren, hoe comfortabeler de stoelen zijn. Oom Job was destijds pas 49 jaar.”

Oorlog in Mijn buurt, 8 februari 2016, interview met Marius van Melle, foto’s: Katrien Mulder

Archieven: Verhalen

‘‘We hebben hem!’’

Wij interviewden mevrouw Kuiper-De Jong in haar woning in Spanbroek. Ze heeft ons verteld over de oorlog en over Johannes Hoek, de verzetsstrijder die bij haar en haar ouders op de boerderij woonde. We zijn ook met mevrouw Kuiper-De Jong naar de begraafplaats geweest waar Hoek en andere verzetsstrijders begraven liggen. Hoewel het al meer dan zeventig jaar geleden is dat Johannes Hoek vermoord is, was mevrouw Kuiper-De Jong erg emotioneel toen ze over hem vertelde.

Hoe kende u Johannes Hoek?
“Jan was tien jaar ouder dan ik. Hij werkte al vanaf 1935, vanaf zijn achttiende, voor mijn vader op onze boerderij. Ik had een hele goede band met Jan, hij was een soort oudere broer. Ik denk nog veel aan vroeger, het zijn tijden die een mens nooit meer vergeet. Ik mis hem nog vaak en raak nog altijd geëmotioneerd als ik aan de avond denk dat ze hem en anderen uit het dorp hebben opgepakt.”

Wisten u en uw ouders dat hij in het verzet zat?
“We wisten het niet zeker, maar we hadden wel vermoedens. Toen hij werd opgepakt, werden er briefjes gevonden in zijn kast. Zo kwamen we erachter. Ik vind het bewonderenswaardig dat hij in het verzet zat. Maar ook moeilijk, hij moet altijd in angst geleefd hebben. Hij was ’s avonds weleens op pad, terwijl dat niet mocht vanwege de avondklok. We weten nu dat hij meehielp bij een droppingplaats, een plek waar de Engelsen voedselpakketten vanuit de lucht dropten. Als de Engelsen waren overgevlogen, was Jan altijd laat thuis. Later ben ik er ook achter gekomen dat ik zelf onbewust heb meegeholpen met het verzet. Elke week fietste ik naar de naaischool in Hoorn. Onderweg kwam er altijd iemand naast me fietsen om een praatje te maken. Bleek dat hij al die tijd blaadjes in mijn fietstassen stopte! Daar heb ik thuis nooit wat over gezegd.”

Wat gebeurde er die avond dat Johannes Hoek werd opgepakt?
“Dat was schrikken. We gingen ‘s avonds gewoon naar bed, in de hoop dat er niets zou gebeuren. Midden in de nacht werd er opeens op de ramen en deuren gebonkt: ‘Aufmachen, aufmachen!’ Het eerste wat ik dacht was: het zijn Hollanders! We moesten snel handelen, we hadden namelijk ook onderduikers in huis die zich voordeden als logés en familie. Daar trapten de schreeuwende mannen nog wel in. Maar ze zochten Jan. Het hele huis was omsingeld en ze liepen met handgranaten rond. Er werd gedreigd deze in het hooi te gooien. Maar op een gegeven moment hoorden we ze schreeuwen: ‘We hebben hem’. En ik dacht: ’zie je wel dat het Hollanders zijn’. Ze waren van de Landwacht, de Nederlandse hulpdienst van de Duitsers. Buiten hebben ze Jan flink in elkaar geschopt. Daarna mocht hij naar binnen, waar mijn vader met de leider van de Landwacht stond te praten. Hij mocht zich aankleden en bedankte mijn vader nog voor alle mooie jaren bij ons op de boerderij. Toen werd hij weggevoerd…”

 

 

 

Archieven: Verhalen

‘”Ik ben degene die in het verzet gaat!”’

Wij interviewden mevrouw van Melle in haar huisje aan de Keizersgracht. We spraken over haar oom, verzetsstrijder Job van Melle en over haar vader die ook voor het verzet werkte. Haar vader overleefde de oorlog, haar oom niet. Mevrouw van Melle heeft nooit geweten dat Job van Melle bij Rozenoord gefusilleerd is.

Wat herinnert u zich van uw oom als verzetsstrijder?
“Mijn oom was vol overtuiging. Toen de Duitsers Nederland binnenvielen, zei hij tegen mijn vader: ‘Jij hebt kinderen om voor te zorgen en de verantwoordelijkheid voor de arbeiders in je fabriek. Ik ben degene die in het verzet gaat!’ Ik was in die tijd pas zes jaar, maar ik herinner me hem nog goed. Hij woonde in Goes, net als wij. Hij bracht als koerier belangrijke berichten over uit Engeland die de Duitsers niet mochten onderscheppen. Eerst ging hij met de trein, later met de fiets. In het begin van de oorlog hadden de fietsen nog rubberbanden, maar oom Job heeft ook op houten banden gereden. Toen dit niet meer kon, liep hij lange afstanden om informatie over te brengen.”

Waren er meer familieleden betrokken bij het verzet?
“Ondanks de waarschuwing van oom Job, was mijn vader ook bij het verzet betrokken. Hij werd al vroeg in de oorlog opgepakt en gevangengezet. Ik herinner het me nog precies. Ik zat achter ons orgel toen de Duitsers binnenvielen. Ze droegen geen uniformen, maar alledaagse kleding. Eén van hen zei: “Johannes Jacobus van Melle.” “Ja, bin ich!” antwoordde mijn vader. Toen namen ze hem mee. Een heel schokkende ervaring. Ik heb altijd veel bewondering gehad voor de manier waarop mijn moeder daarna alleen voor een gezin met vier kinderen zorgde. Toen Zeeland bevrijd werd, kwamen er geregeld Engelsen en Canadezen over de vloer. Mijn moeder speelde dan piano en we zongen Engelse liederen. Gelukkig heeft mijn vader de oorlog overleefd. Hij zat eerst lange tijd vast in de gevangenis van Haren. Later werd hij overgebracht naar kamp Vught. Hier heeft hij het erg zwaar gehad. Na de oorlog heeft mijn vader altijd moeite gehad met de Duitse taal. Dat heb ik van hem overgenomen. Ik kijk en luister nog steeds niet graag naar de televisie als er Duits gesproken wordt. Door alles wat er gebeurd is, begrijp ik ook goed hoe moeilijk het nu voor die Syrische kinderen moet zijn. Op zo’n jonge leeftijd maakt alles grote indruk.”

Wat vindt u van het Rozenoord-monument?
“Het voelt gek, voor mijn werk moest ik vaak op plaatsen aan de Amstel zijn, maar ik heb nooit geweten dat het daar gebeurd is, dat oom Job daar gefusilleerd is. Ik wist alleen dat hij in de Apollolaan was opgepakt. Het ontroerde me toen ik erover hoorde. Uiteraard heb ik het monument bezocht. Maar in mijn huis staat een piano die van oom Job geweest is. Dat is mijn eigen aandenken aan hem.”

Oorlog in Mijn buurt, 9 februari 2016, interview met Yolanda van Melle, foto: Katrien Mulder

 

 

Archieven: Verhalen

‘Controleren of de bedden warm waren’

Mevrouw Kahn-Rijxman was nog maar twee maanden oud toen de oorlog begon. Omdat haar vader Joods was en Lily er zelf ook Joods uitzag, kon ze in die tijd bijna niet naar buiten. Ze kon dus ook niet naar de kleuterschool. Samen met haar vader bracht ze de oorlog grotendeels binnenshuis door.

Wat merkte u van de oorlog in de buurt?
“Er woonden veel mensen om ons heen die in het verzet zaten en er waren ook veel Joodse families. Het was aan het begin van de oorlog echt een Joodse buurt. De Duitsers kwamen dus vaak langs, er waren razzia’s en er werden regelmatig huiszoekingen gedaan. Onze buurvrouw zat ook in het verzet en had een hondje dat zij Beertje noemde. We hadden in de straat afgesproken dat als er Duitsers aankwamen, zij zou doen alsof ze hem naar binnen ging roepen. ‘Beertje, binnenkomen!’ riep ze dan heel hard. Zo wisten we meteen dat we moesten oppassen. Mijn vader, die Joods was, ging dan naar zijn onderduikplek, een ruimte onder de grond. Ik leerde al op heel jonge leeftijd te zeggen: ‘Papa is weg’, zodat ik hem niet per ongeluk zou verraden. Als het gevaar geweken was, riep de buurvrouw weer: ‘Beertje, ga maar buitenspelen!”

Was u weleens bang?
“Ik herinner mij veel angst uit die tijd; ik was heel vaak bang. De Duitsers kwamen altijd onverwacht en dan hadden ze hele straten afgezet. Ze konden zomaar binnenkomen om een huis te doorzoeken. Onze bovenburen waren verzetsstrijders, dus daar hadden ze veel aandacht voor. Als ze dan langskwamen waren ze heel luidruchtig. Soms kwamen ze zelfs in de avond of ’s nachts. Dan controleerden ze bij alle bedden of er iemand in geslapen had. Als ze nog warm waren, maar er lag niemand in, dan betekende dat natuurlijk dat er iets niet klopte. Daar hebben we toen iets op bedacht. De zoon van de broer van mijn moeder kwam een tijdje bij ons in huis slapen. Als de Duitsers dan zouden komen, konden we elk warm bed verklaren zonder dat papa in gevaar kwam.”

Kwam u al die tijd niet buiten?
“Ik ben in die tijd heel weinig buiten geweest, in tegenstelling tot mijn zusje. Zij had heel blond haar, net als mijn moeder en was daarom niet verdacht voor de Duitsers. Ikzelf had donker haar, net zoals mijn Joodse vader. Dat had te veel argwaan gewekt. Heel soms, als de kust veilig was, gingen we ‘s avonds samen op bezoek bij de overbuurman en zijn dochtertje. Mijn vader ging dan kaarten en ik speelde met dat meisje. Ik vond het weleens moeilijk dat mijn zusje wel gewoon naar buiten kon, maar ik heb aan deze tijd wel een heel bijzondere band met mijn vader overgehouden. Hij was mijn enige houvast.”

Archieven: Verhalen

‘’… en ik was verliefd natuurlijk’’

Wij hebben mevrouw van Louw geïnterviewd. Wij vonden het bijzonder dat het leek of mevrouw van Louw in de oorlog nooit bang geweest was, terwijl haar verzetsverhalen heel spannend waren.

Was uw familie al sinds het begin van de oorlog in het verzet?
“Mijn hele familie was betrokken bij het verzet en ikzelf ook een beetje, ik was heel jong natuurlijk. Als er thuis een pak van die illegale blaadjes kwam, vouwde ik die met mijn grootmoeder. Ze moesten natuurlijk onmiddellijk de deur uit, want als je een huiszoeking kreeg, ging je meteen mee naar Duitsland, naar het kamp. Zo is mijn vader eigenlijk ook gepakt. Hij was bij de schoenmaker om zijn schoenen te halen, toen er daar een inval kwam. Mijn vader werd gefouilleerd en de Duitsers vonden het krantje dat hij toevallig in zijn binnenzak had. Hij werd opgepakt en meteen meegenomen. Zijn knecht probeerde nog te helpen door te zeggen: ‘Ah die man kan er niks aan doen, zijn vrouw zit in het verzet’. Toen werd mijn moeder ook gezocht en moesten wij allemaal onderduiken.”

Is er bij u thuis weleens een inval geweest?
“Een paar keer. Eén keer toen we een Joodse onderduiker hadden, Bram, die eigenlijk niet helemaal goed bij z’n hoofd was. Professor in de letteren, hij kon wel 40 talen, maar voordat hij iets begreep moest je het wel 100 keer uitleggen. Dat was gevaarlijk. Mijn oma had een heel raar hoog houten bed met een ruimte onder het matras. Daar hebben we hem verstopt. Eerst herhaalden we wel een half uur: ‘Bram, je mag niet boven komen, alleen als wij roepen.’ De Duitsers kwamen in die kamer, heel spannend, maar het is goed gegaan.”

Wat deed uw man tijdens de oorlog?
“Tja. Ik ontmoette mijn man een paar jaar na de oorlog. Hij had voor de Duitsers gewerkt, gevaren op de Zuiderzee. Aan het eind van de oorlog is hij met de Duitsers gevlucht. Later moest hij in België in een kamp van de Amerikanen in de mijnen werken. In de winter, heel zwaar. Toen ik hem leerde kennen vond hij dat hij niet met mij kon omgaan: hij was toch fout geweest in de oorlog. Maar door zijn verhaal begreep ik hem; ik realiseerde me dat hij destijds nog heel jong was, 17 jaar. Hij had het thuis heel slecht, al vanaf het begin van de oorlog was er vreselijke honger, hij zat in nood. En ik was verliefd natuurlijk. Bij mij thuis was het eerst een ramp, maar later accepteerden ze hem. Zelf heeft hij nooit spijt gehad van zijn werk in de oorlog: ‘Anders was ik waarschijnlijk doodgegaan van de honger’ zei hij.”

 

 

Oorlog in Mijn buurt, 3 februari 2016, interview met mevrouw van Louw, foto’s: Katrien Mulder

 

Archieven: Verhalen

‘Omvallen of doorwandelen…’

Ik interviewde de neef van mijn grootvader. Hij en mijn opa Eddy zijn Joods, ze overleefden de oorlog in de onderduik. Mijn opa is inmiddels overleden. Ik heb hem nooit gekend maar zijn neef Eddy wel. Ik vond het interviewen eerst moeilijk omdat ik Eddy vragen stelde over zo’n zware en verdrietige tijd, maar hij moedigde me aan en zei: ‘Je moet nu maar even opzij zetten dat je het verdrietig vindt.’

Hoe was het leven bij jullie thuis en in de buurt?
“In de straat woonde mijn vriendinnetje Anki en haar zusje, daar stoeide ik mee. En op de hoek woonde een arts, Plem Lopes Cardozo, een heel gekke man, ik was dol op hem. Hoe hij overleed weet ik niet. Maar ik weet nog wel hoe ontroostbaar ik was en met mijn ouders naar een speelgoedwinkel ging in de Beethovenstraat waar ik iets mocht uitzoeken. Van onze straat liep ik elke dag naar school, de Daltonschool in de Jan van Eyckstraat. De eerste klassen gingen aardig, maar daarna ging het snel bergafwaarts omdat ik niet zoveel zin meer had. Ik herinner me dat ik in mijn schrijfwerk tekeningen maakte. Mijn ouders dachten dat dat heel bijzonder was maar mijn lerares was wat minder enthousiast.

Aan mijn ouders heb ik alleen maar goede herinneringen. Mijn vader werkte, ik weet niet waar en mijn moeder was huisvrouw. Mijn vader reed in een Citroën. Ze waren, geloof ik, lid van de socialistische partij, de SDAP. Er kwamen veel vrienden over de vloer: politiek bewuste mensen. Er waren gesprekken over de oorlogsdreiging. Als ik niet mocht weten waar het over ging spraken mijn ouders Engels. Die klank van het Engels is in mijn oren gebleven.”

Wat herinner je je van het begin van de oorlog?
“Op 15 mei 1940, toen Nederland had gecapituleerd, stonden mijn moeder en ik buiten op straat. Van de overkant kwam een roodharige vrouw, een NSB-ster, op ons af en zei: ‘We krijgen jullie wel!’ Ik weet niet meer wie zij was, maar voelde en begreep wel de dreiging die uit haar woorden sprak. Van de anti-joodse maatregelen die volgden herinner ik me gek genoeg niets.. Wel het moment dat mijn buurman bij mij in de klas kwam.
Ik was 11 jaar toen onze bovenbuurman mij opeens overdag uit school kwam halen. Ik kon niet meer naar huis zei hij, mijn ouders waren weggehaald. Onmiddellijk moest ik onderduiken. Hij nam mij mee. Ik weet nog dat ik mijzelf inprentte niet te huilen. Uit levensbehoud. Dat heb ik volgehouden. Ik wilde er niet bij stil staan. Je kon omvallen of je kon proberen door te wandelen.”

Hoe was de bevrijding voor jou?
“Ik was bijna 14 jaar en hoopte dat ik mijn ouders weer zou terugzien. Ergens hingen lijsten van het Rode Kruis met daarop de namen van mensen die vermoord waren. De namen van mijn ouders vond ik daartussen. Er werden wilde bevrijdingsfeesten georganiseerd, waar werd gedronken en gedanst. Mijn oudere neef Eddy vond ik terug. Hij was 25 jaar, ook zijn ouders waren vermoord. Toch deden we mee met de feesten.”

 

 

Archieven: Verhalen

‘“Jij gaat niet terug naar Berlijn.”’

Mevrouw Bruno woonde tijdens de oorlog met haar ouders en broer op de Cornelis Schuytstraat. Ze gaf haar studie op om voor haar familie te kunnen zorgen. Toen haar oudere broer moest werken in Duitsland, hielp ze hem onderduiken. Ook ging ze op pad om eten te halen voor de familie.

Wat betekende de oorlog voor u?
“Ik was boos. En ik heb gemerkt: als je heel boos bent, dan ben je niet bang. Ik wilde Frans studeren, maar dat kon niet omdat de universiteit gesloten werd. De Duitsers gooiden ons hele leven in de war. Wat doen die vreemde mensen hier? dacht ik. Die soldaten liepen overal, haalden de winkels leeg, lepelden soepborden advocaat naar binnen alsof het niets was, ze gingen zingend door de straten. Het werd in de loop van de oorlogsjaren erger en erger. Mijn leven begon net, maar die vijf jaar ben ik misgelopen.”

Hoe heeft u uw broer helpen onderduiken?
“Mijn broer werd tewerkgesteld in Berlijn. Toen mijn grootvader overleed in 1943, heeft mijn vader mijn broer een telegram gestuurd met de vraag of hij naar Amsterdam kon komen voor de begrafenis van zijn grootvader. Er was iemand bij de posterijen, die had dat ‘groot’ weggelaten. En voor de begrafenis van je vader mocht je terugkomen. Zodra mijn broer thuiskwam was ik vastbesloten, ik zei hem: ‘Jij gaat niet meer terug naar Berlijn.’ Ik ging met hem naar het Centraal Station waar hij met andere jongens moest verzamelen om terug te gaan. Een voor een werden de namen geroepen. Toen mijn broers naam klonk zei hij luid ‘ja’, zodat ze hem niet meteen zouden missen. Ik had al een kaartje voor hem gekocht naar Hilversum. Heel langzaam zijn we toen naar de buitenkant van de groep geschuifeld om daarna snel in de trein naar Hilversum te springen. Onderweg kwam er opeens een Duitse soldaat langs, ik pakte mijn broer beet en knuffelde hem alsof we een verliefd paartje waren. De soldaat liep door. Zodra we in Hilversum waren, pakten we de trein terug naar Amsterdam. Daar dook mijn broer onder in het souterrain van ons huis tot het eind van de oorlog.”

Wat aten jullie in de Hongerwinter?
“In de stad was geen eten meer, dus ging ik op pad in de hoop bij boeren spullen te ruilen voor eten. Op de fiets, eerst naar Amsterdam-Noord, en toen daar niets meer te halen viel, fietste ik verder, naar de Noordoostpolder. Het werd steeds moeilijker. De boeren hadden al genoeg kleding en dekens aangeboden gekregen, en wilden goud, zilver en horloges. Op die hongertochten heb ik vreselijke dingen meegemaakt. Hele rijen mensen trokken weg uit Amsterdam, arme gezinnen die niet veel te ruilen hadden, liepen vele kilometers om ergens wat eten te krijgen. Ik stond een keer met een groep bij een boer, die niets wilde geven aan een man. ‘Je hebt al een hele kar vol’, zei die boer, ‘u krijgt niets meer’. De man trok het laken weg dat over de kar lag, en liet zien wat hij met zich meedroeg: zijn eigen kind, bezweken aan de honger en kou.”

 

Archieven: Verhalen

‘Ineens lag ik in het water’

Wij zijn Ame, Fenna, Lot en Mundo en wij hebben mevrouw Odinot-Bon geïnterviewd over haar herinneringen aan de oorlog. En al was mevrouw Odinot toen nog zo jong, ze kan zich nog een heleboel herinneren. De verhalen die ze vertelde vonden wij heel indrukwekkend.

Waar denkt u als eerste aan als u terugdenkt aan de Tweede Wereldoorlog?
“Aan het verlies van mijn zusje Greetje. Mijn zusje is overleden in november 1944. Ze was heel ziek geworden door difterie en later kreeg ze ook nog kinderverlamming. Er waren in die tijd geen medicijnen om haar te helpen of om de pijn te verzachten.  Ik kan mij haar begrafenis nog goed herinneren. Greetjes kist stond in een koetsje met paard ervoor en werd zo naar de Nieuwe Oosterbegraafplaats gereden. Ik mocht niet bij de begrafenis zelf zijn, kinderen werden in die tijd van dat soort dingen weggehouden. Na de oorlog ben ik met mijn vader gaan kijken bij haar grafsteen.”

Heeft u honger gehad tijdens de oorlog?
“Zelf heb ik geen honger gehad. Mijn vader werkte als pianostemmer en kreeg van klanten niet alleen geld, want daar had je tijdens de oorlog eigenlijk niet zoveel aan, maar ook eten. Soms kreeg hij voor zijn diensten een kool of brood. Daar was mijn moeder dan heel gelukkig mee, ze kon er altijd iets van maken.”

Waar was u tijdens de oorlog?
“Tijdens de oorlog ben ik door onze gereformeerde kerk ondergebracht bij een boerenfamilie in Wieringermeer. Mijn broer Henk en ik gingen er met een boot daar naartoe. Ik weet nog dat ik bovenop mijn koffertje zat te wachten op de boot, een tjalk noemden ze dat. Ik wiebelde heen en weer en plots lag ik in het water, tussen de wal en het schip. Mijn vader heeft mij toen snel uit het water getrokken, op de kant. Ik mocht kletsnat in de kajuit komen en werd in een bedstee gestopt. Het was natuurlijk winter en hartstikke koud. In de bedstee kreeg ik warme melk. Dat was een echt godendrankje! Ik hou er nog steeds van. Henk en ik zaten met honderd andere kinderen in het ruim van die boot. Op het dek was een groot wit kruis geschilderd zodat de vliegtuigen wisten dat er mensen in vervoerd werden. En wonder boven wonder zijn we niet gebombardeerd. Mijn broer en ik zijn in verschillende families ondergebracht om zo de Hongerwinter te overleven. Ik logeerde bij de familie De Engels. In mei, met de bevrijding, kwamen we pas terug naar Amsterdam.”

Hoe herinnert u zich de Bevrijding?
“Ik weet nog goed dat ik terugkwam naar huis en met een strik in mijn blonde haren naar mijn moeder ben gerend. Ik was zo blij! Verder was de bevrijding een groot feest, overal in de buurt waren feestjes op pleintjes en kinderen fietsten op versierde fietsen. Alleen voor mijn moeder was het geen feest. Zij voelde het gemis van mijn zusje nog erger, zij was zo verdrietig. Ze kon het ook niet opbrengen om mijn broer te helpen met het versieren van zijn fiets. Henk heeft toen de Nederlandse vlag uit de standaard gepakt en is daarmee de straat op gegaan. Zwaaiend met de vlag liep hij rond om te vieren dat we waren bevrijd.”

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892