Archieven: Verhalen

‘Kikkersprongen maken, uren achter elkaar ’

Annette Lubbers schreef een boek over het Lloyd Hotel. Hiervoor interviewde zij 100 mensen, waaronder de Joodse Hannelore Grünberg, en Februaristaker Geert Bethlehem. Allebei verbleven zij in de oorlog in het Lloyd Hotel. Ze zijn inmiddels overleden, Annette vertelt hun verhaal.

Hannelore Grünberg,
12 jaar toen de oorlog begon.

“Ik vluchtte met mijn ouders uit Duitsland, met ongeveer duizend andere Joden. We voeren met het schip de St. Louis naar Cuba. Maar daar aangekomen, mochten we het land niet in. Terug naar Duitsland kon niet, dus zwierven we met de boot rond, niemand wilde ons toelaten, ook Amerika niet. Terug in Europa werden we verdeeld over een aantal landen. Wij kwamen in Nederland, eerst in een opvangkamp achter prikkeldraad. We beseften toen niet dat we voor altijd onze vrijheid kwijt waren. Daarna gingen we naar het Lloyd Hotel. Daar waren voor de gezinnen ‘kamertjes’ gemaakt, gescheiden door gordijnen. Het was heel gehorig, er was geen privacy. Maar ik was me niet bewust van de situatie. Ik had veel lol, er waren een heleboel kinderen en je kon er fantastisch spelen. Ik kon naar school in Zuid en we gingen op bezoek bij vrienden van mijn ouders in de stad. Maar op een gegeven moment moesten we het Lloyd uit. We gingen naar Westerbork en later naar verschillende kampen. Mijn ouders zijn allebei vermoord.”

Geert Bethlehem
18 jaar toen hij meedeed aan de Februaristaking.

Hij vertelt zijn verhaal voor het eerst: “Ik deed mee met de Februaristaking van 25 en 26 februari 1941, het protest tegen de razzia’s in de Jodenbuurt. De tweede dag van de staking ben ik op straat opgepakt. Iemand tikte op mijn schouder en ik maakte een geintje door in de bokshouding te gaan staan. Het was een Duitser die dacht dat ik iets te maken had met een gebeurtenis eerder die dag: er was een tram omvergeduwd door de stakers, omdat hij toch reed. Ik moest mee, net als veel andere stakers. Van het leegstaande Lloyd Hotel maakten de Duitsers een gevangenis. We werden beziggehouden met van alles: trappen oprennen, onder bedden door tijgeren en hüpfen, kikkersprongen maken met je handen naar voren, uren achter elkaar. Iedereen werd afgemat. Ik werd in de kelder verhoord en moest de namen geven van de aanstichters van de staking. Ik zei: ‘ik ken geen namen.’ Toen kreeg ik klappen. Dit ging een aantal dagen zo door. Wat de Duitsers niet wisten was dat de echte aanstichters van de staking ook in het Lloyd zaten, zoals Piet Nak. Die gaven via de koks geheime boodschappen door over wat ze gezegd hadden tijdens de gewelddadige verhoren. Zo waren de verhalen altijd op elkaar afgestemd. Ik werd om de paar dagen mishandeld, een keer sloegen ze mij zo hard dat er bloed op de laars van de ondervrager spatte. Ik moest het er vanaf likken. Dat heb ik geweigerd. Na nog meer klappen ben ik doorgeslagen, ik heb namen gegeven van collega’s waarvan ik wist dat zij niets met de staking te maken hadden. Ik mocht naar huis. Ik voelde me schuldig en was bang voor het lot van mijn collega’s. Gelukkig zijn ze niet opgepakt.”

Hannelore Grünberg-Klein
Februaristaking, 25 februari 1941. Stakende bestuurders in de Sarphatistraat, Amsterdam. Foto: Spaarnestad Photo / Hollandse Hoogte

 

 

Archieven: Verhalen

‘Buigen tot de Jap uit het zicht is’

Meneer Benschop had als jongetje een fantastisch leven in Indië, in een mooi huis met acht bedienden. Totdat Nederland bezet werd en ook in Indië de oorlog uitbrak.

Zag u de oorlog aankomen?
“Toen Japan op 7 december 1941 Pearl Harbour aanviel, verklaarde Nederland de oorlog aan Japan. Iedereen in Indië dacht: Ach, die Jappen komen wel, maar ze kunnen niks. Hun tanks zijn van blik en ze hebben vliegtuigjes van papier. Dat bleek een vergissing. Ze landden op Java en Nederland moest na elf dagen capituleren. Ik ging met mijn moeder en broertje met de trein naar Malang, waar een wijk was klaargemaakt voor blanke gevangenen. Mijn vader werd krijgsgevangene van de Jappen. Wij hadden met zijn vieren één koffertje mee, de kleren die we toen aan hadden, hebben we de hele kamptijd gedragen, meer hadden we niet.”

Heeft u steeds in hetzelfde kamp gezeten?
“Nee, eerst in de Wijk, gewoon een woonwijk waar een prikkeldraadhek omheen werd gezet. Vrouwen en kinderen werden in bestaande huizen gestopt, vier gezinnen per huis. In alle grote plaatsen in Indië had je deze wijken. Na een tijdje ging ik met mijn moeder en broertje naar een echt kamp en toen ik tien werd, moest ik naar een kamp voor jongens en mannen, kamp 7. Ik ging met een vriendje en vond het eigenlijk niet zo erg. Ik zie het nog voor me: met zijn dertigen op een vrachtwagen. Ik vond het een avontuur, ik dacht: Wat is dit geweldig, waar gaan we nu weer naartoe?’ Achter mij stonden de andere jongens te huilen.”

Hoe zag het leven in het kamp eruit?
“We sliepen op britsen in gigantische loodsen met 80 à 90 jongens. We lagen op een rij, ieder op zijn gevlochten bamboematje van 50 cm breed. Het lag heel hard. Het bed was twee meter lang, ik was heel klein, dus achter me had ik nog ruimte voor mijn doosje met rotzooitjes. Er was een goot en daar waren de wc’s en de wasgelegenheid. Als er een Jap langskwam, moest je buigen en je mocht pas omhoog als hij uit beeld was verdwenen. Als je keek dan kreeg je al klappen. En als je knoeide bij het koken of te laat was met het uitgraven van de latrines, dan werd je ook geslagen, vreselijk hard. We waren met jongens vanaf 10, tot ongeveer 23 jaar. Er zaten ook twee paters gevangen, geweldige kerels die goed voor ons zorgden. Ik herinner me het stoeien, vechten, slaan en opscheppen. Iedereen kwam op voor zichzelf, dacht aan zichzelf. Ik droeg toen een zwart bakelieten brilletje, met sterke glazen. Het is een godswonder dat die heel is gebleven in die omstandigheden! Gelukkig, anders had ik niks kunnen zien.”

Hoe merkte u dat het kamp bevrijd was?
“De Japanse commandant ging op zijn beroemde tafeltje staan, hield nog één keer een donderpreek en een appèl. Hij zei dat de oorlog af was gelopen, maar dat iedereen in de kampen moest blijven van de Britse bevrijders. Er was een Indonesische opstand. Zodra de Jappen hun wapens hadden ingeleverd, namen de Indonesiërs het over. Ze hadden zich tijdens de oorlog verenigd en wilden onafhankelijk zijn van Nederland.

Ik herinner me het moment dat er een spierwitte man binnenkwam, in een klein broekje. Hij had rood haar, met grijs erdoor en een enorme rode baard. Dat was mijn vader. Ik herkende hem niet.”

Archieven: Verhalen

‘Het laatste versje’

Het Joodse meisje Erna Fleischhauer was 11 jaar toen de oorlog in Nederland begon. Een jaar eerder was zij uit Duitsland gevlucht voor de Nazi’s .

Waarom kwam Erna naar Nederland?
“Erna wordt in 1929 geboren in Adelsdorf, een klein stadje in Duitsland. Ze woont op een boerderij. Haar vader is veehandelaar en haar moeder helpt in het bedrijf. In november 1938 breekt de Kristallnacht uit en wordt alles wat Joods is vernield. Een meisje dat bij Erna in de straat woonde verklaart later: ‘Erna’s huis werd geplunderd, alle meubels, potten en pannen werden gestolen. Ze hakten met messen in de kussens, er dwarrelden allemaal veren rond. Nazi’s verbrandden de spullen van de Joodse dorpsbewoners in een groot vuur en vernielden alle ruiten.’ Een half jaar later worden er speciale kindertransporten geregeld. Joodse kinderen kunnen naar Engeland om daar veilig te wonen. Het transport is alleen voor kinderen, ouders mogen niet mee. Erna gaat in haar eentje alvast op weg naar Engeland en haar ouders zijn van plan haar achterna te reizen zodra ze een visum krijgen.”

Waarom ging ze uiteindelijk niet naar Engeland?
“Vlak nadat Erna in Nederland aankomt, hoort ze dat haar ouders geen visum krijgen. Ze blijft in Nederland op haar ouders wachten. Ze wordt ondergebracht in een vluchtelingenkamp op Rottemerplaat. Daarna gaat ze nog naar een paar kindertehuizen in Hilversum en Wijk aan Zee tot ze wordt opgevangen door het vluchtelingencomité en naar het Lloyd Hotel wordt gebracht. Daar verblijft Erna met nog een aantal andere kinderen. Er zitten veel meer Joods-Duitse vluchtelingen in het Lloyd. Als de oorlog uitbreekt moet ze daar weg en wordt ze opgevangen door de bekende schrijfster Clara Asscher-Pinkhoff. Ze gaat bij haar in Groningen wonen. Al die tijd wacht Erna tot haar ouders komen, maar door de oorlog kan niemand het land in of uit.”

Heeft ze haar ouders nog gezien?
“Erna’s vader, Justin, wordt al snel naar concentratiekamp Dachau gebracht. Haar moeder, Bertha, wordt naar een getto in Polen gedeporteerd. Zonder dat Erna dat weet. Erna gaat terug naar Amsterdam en komt terecht op de Herman Elteschool. Dit was een Joodse school waar veel Joodse kinderen naartoe gingen die niet meer naar een gewone school mochten. Omdat Erna niet zo goed Nederlands leest en schrijft komt zij een klas lager terecht dan ze eigenlijk zou moeten zitten. De meester maakt een aantekening in zijn schrift dat Erna Fleischhauer na de ‘vacantie’ in klas 5 wordt geplaatst. Daar raakt ze bevriend met Alida Lopes Dias (Alie). Alie heeft een poëziealbum, waarin al haar vriendinnen schrijven. In zijn schrift houdt de meester ook bij wie er vertrekken naar Duitsland. Een voor een verdwijnen de meisjes die in het album hebben geschreven. Erna schrijft op 18 september 1942 als laatste vriendinnetje een versje in het album van Alie. Erna gaat naar school tot zij op 20 juni 1943 naar Westerbork wordt weggevoerd. Op 23 juli 1943 wordt ze in Sobibor omgebracht. Ze heeft haar ouders nooit meer gezien.”

foto’s: Marieke Baljé

 

Archieven: Verhalen

‘Terug in de tijd’

Wij interviewden meneer Jack Weil over het dagboekje en de foto’s van zijn moeders eerste man, Jules Loszynski. Meneer Weil vond deze unieke papieren nog niet zo lang geleden op de zolder van zijn overleden moeder. Een groot deel van de foto’s maakte Jules tijdens de oorlog in het Lloyd Hotel. Het hotel is vlakbij onze school, we spelen daar weleens verstoppertje. Jules heeft de oorlog niet overleefd, maar meneer Weil kon ons veel vertellen over hem en zijn bijzondere foto’s.

Hoe heeft u de foto’s en het boekje gevonden?
“Toen ik de zolder van mijn moeder aan het opruimen was, vond ik tussen haar koffers en oude lampen een paar enveloppen waar negatieven in zaten. Die bleken van foto’s te zijn die haar eerste man, Jules, had gemaakt in de oorlog toen hij een bijbaantje had in het Lloyd Hotel. Het zijn foto’s van Duits-Joodse vluchtelingen die daar werden opgevangen. Niemand had tot nu toe foto’s gezien van het Lloyd Hotel uit die tijd, heel veel mensen sprongen dan ook een gat in de lucht toen ik ze gevonden had.”

Wie staan er op de foto’s?
“Duits-Joodse vluchtelingen voor wie het na de Kristallnacht niet meer veilig was in Duitsland. Jules maakt van iedereen foto’s, van kleermakers, schoenmakers, bakkers en koopmannen. Het bijzondere aan de foto’s is dat je echt een idee krijgt van hoe het toen was. Bovenin het hotel waren grote slaapzalen. Zo zie je op een foto van de slaapzaal een man in bed liggen. Je ziet kleermakers aan het werk, in kleermakerszit. Op de foto van de keuken zie je grote pannen, er moesten ongeveer driehonderd man te eten krijgen. Ook is er een foto van een kinderfeestje. Daar wordt Poerim gevierd, een soort Joods carnaval, waarbij alle kinderen verkleed zijn. Een kindje is verkleed als piraat.”

Hoe zijn de spullen van Jules bewaard gebleven?
“Op een gegeven moment is Jules opgepakt, net als mijn moeder. Ze zijn toen via kamp Westerbork naar het Duitse concentratiekamp Bergen-Belsen vervoerd. Hier moest hij werken voor de Duitsers. Hij hield tegelijkertijd stiekem een dagboekje bij, wat in die tijd heel dapper was. Dat mocht helemaal niet! In het boekje schrijft hij het meest over eten en sigaretten. Ook dit boekje heb ik gevonden op de zolder van mijn moeder. Uiteindelijk is Jules op 3 december 1944 overleden in het kamp, nadat hij heel ziek werd. Maar zijn foto’s had hij toen allang verstopt bij vrienden in Amsterdam. Mijn moeder, die Bergen-Belsen wel heeft overleefd, is na de oorlog de foto’s gaan halen. Het dagboekje had ze uit het kamp mee teruggenomen.”

Welke foto spreekt u het meeste aan?
“Ze zijn eigenlijk allemaal heel bijzonder, want fotografie was in die tijd nog een hele toestand. Maar vooral de foto van Jules zelf spreekt mij erg aan. Het is een beetje een aparte vogel, met z’n vlinderdasje. Ook vind ik de foto’s van de werkplaatsen heel interessant. Ze nemen je echt terug in de tijd. Heel veel mensen die op de foto’s staan hebben de oorlog niet overleefd. Misschien maar een op de tien, zoals mijn moeder. Twee fototoestellen, dat boekje, wat brieven en deze bijzondere foto’s: dat is alles wat er over is van Jules Loszynski.”

foto’s: Marieke Baljé

Archieven: Verhalen

‘Het klappertanden van mijn vader’

Wij interviewden meneer John Philips over zijn buurt tijdens de oorlog en over zijn onderduik. Hij woonde met zijn broers en zussen in de Czaar Peterbuurt. Zijn vader was communist. Zijn oudere broers deden illegale dingen.

Hoe merkte u dat het oorlog was?
“Ik herinner me dat wij als kinderen altijd honger hadden en op zoek gingen naar eten. Met mijn vriendjes zocht ik bijvoorbeeld vaten waar je nog wat stroop uit kon scheppen. Ik herinner me ook de geur van versgebakken brood bij de militaire bakkerij van de Moffen in de Conradstraat. Wij konden het brood niet kopen, het was voor de soldaten. De broden werden vervoerd met paard en wagen met een zeil eroverheen, voorop zat een militair met een geweer. Op een keer gingen we er met een stel jongens achteraan. Een van ons maakte het zeil open, kroop eronder en gooide een voor een die broden op straat. Maar er kwamen veel meer mensen op af, waardoor die soldaat het in de gaten kreeg en in de lucht ging schieten. Ik vluchtte snel weg, maar wel met twee grote broden onder mijn arm!”

Zat er iemand van uw familie in het verzet?
“Mijn vader was communist. Mijn oudere broers deden illegale dingen, zoals aanplakbiljetten ophangen en illegale kranten verspreiden. Ik vond het een hele nare spannende tijd, de Duitsers wilden mijn vader en broers oppakken. Toen ze hen niet konden vinden, hebben ze mijn moeder opgepakt. Ik heb twee dagen een beetje wezenloos op straat rondgezworven met mijn twee broertjes. Tot ik mijn moeder weer zag, ik was zo blij. Ze was vrijgelaten. Ze hadden haar twee dagen in een kast opgesloten. Ze heeft natuurlijk niet gezegd waar mijn vader en mijn broers waren. Mijn oudste broer is uiteindelijk toch nog opgepakt en naar Vught gebracht. Daar is hij zwaar mishandeld.

Daarna moesten we onderduiken, we zaten driehoog achter in de Czaar Peterstraat, maar later was het te gevaarlijk om allemaal op één adres te zitten. Mijn vader was voor de oorlog machinist bij de spoorwegen en met behulp van een oud-collega kwamen we weg met de trein. Ik weet nog dat we in het pikkedonker in de Rietlanden in een lege wagon stapten. Toen we in Assen uit de trein sprongen, stond daar opeens een Mof met een geweer. Hij schreeuwde en wilde ons gevangennemen. Ik hoorde toen een soort geklepper in het donker, het bleek het gebit van mijn vader te zijn, hij was heel hard aan het klappertanden. Ik weet niet meer waarom, maar we mochten weg.”

Hoe was het om onder te duiken?
“Ik heb eerst in Friesland op een boerderij gezeten. De boer had voor ons een luik in de hooischuur gemaakt, waar we in moesten kruipen als er onraad was. Ik kon er niet tegen om opgesloten te zijn en toen we daar een keer zaten, kreeg ik het zo benauwd dat ik het luik open trapte en naar buiten ben gerend. De boer was woedend. Daarna zijn we op een boerderij in Groningen terecht gekomen waar ik mocht helpen op het land. Daar heb ik de bevrijding meegemaakt. Aan de ene kant van de brug liepen de Duitsers, terug richting Duitsland, ze stalen nog snel even alle fietsen. Aan de andere kant kwamen de Canadezen binnen.”

foto’s: Marieke Baljé

Archieven: Verhalen

‘Splinters in het eten’

Wij zijn Chadia, Igor en Jules van tien jaar oud. Wij hebben meneer Ruud Has geïnterviewd over zijn ervaringen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Meneer Has had een heleboel te vertellen. Sommige verhalen vonden we heel bijzonder. Onder de indruk van het bezoek zijn we weer naar school gegaan.

Heeft u iets bijzonders meegemaakt tijdens de oorlog?
“Zeker. Ons huis is gebombardeerd tijdens de oorlog. Ik woonde in Amsterdam-Noord op de Varenweg, vlakbij de Fokkerfabriek. Gelukkig waren we tijdens het bombardement op vakantie bij mijn oom en tante. Daar kregen we een telegram dat er een bom op ons huis was gevallen. Toen we terugkwamen was er weinig meer over van het huis. De Hitlerjugend was alle huizen afgegaan om spullen uit het puin te halen. Later kwam ik erachter dat mijn vriend Adri was omgekomen tijdens het bombardement. Het gekke was dat we in de kelder onze kerstballen nog helemaal intact terugvonden. Geen enkele glazen bal was stuk. En dat terwijl onze piano in de bomen van het Florapark hing. Daarna zijn we in een huis in de Rivierenbuurt gaan wonen. Voordat wij kwamen woonde er een Joods gezin, veel van hun spullen lagen nog in het huis. Na de oorlog hoorden we dat de familie de oorlog niet overleefd had.”

Heeft u honger gehad in de oorlog?
“We hadden het wel zwaar tijdens de oorlog, maar echt honger heb ik niet gehad. Iedereen kreeg voedselbonnen waarmee je aan eten kon komen. Ik heb zelfs een keer in de Pijp een bonnenboekje gevonden. Mijn ouders waren daar heel blij mee. Eigenlijk hadden ze het boekje moeten inleveren, maar volgens mij hebben ze het gehouden. Mijn broer is geboren tijdens de oorlog en omdat we een baby hadden, kregen we extra eten. Mijn ouders hebben hem Ernst genoemd omdat het ernstige tijden waren. Ik heb nog van de melk van Ernst gedronken, toen we geen andere melk meer konden krijgen. Later, toen alles schaars werd, kon je bij de gaarkeuken eten krijgen. Ik ging daar met een pan naartoe om voedsel te halen voor de hele familie. Ik weet nog dat ik een keer met een emaillen pan op weg ging. Onderweg heb ik die laten vallen. Toen ik thuiskwam met de volle pan zaten er allemaal splinters in het eten. Dat konden we niet meer eten. We hebben de maaltijd gegeven aan de man die altijd voor ons raam om eten kwam vragen. Hij heeft alles opgegeten denk ik.”

Hoe was de Bevrijding?
“De Bevrijding was een groot feest. Maar er gebeurde ook nare dingen. Ik heb gezien hoe NSB’ers uit hun huis werden gehaald door verzetsstrijders met geweren. Die NSB’ers werden opgesloten. Ook werden de vrouwen die met de Duitsers heulden kaalgeknipt, midden op straat. Ik had geen idee wat ik ervan moest vinden. Ik weet nog wel hoe leuk het was toen mijn vader over de Bevrijding hoorde. Hij is meteen terug naar huis gegaan en ging koekjes bakken. Geen gewone koekjes, maar koekjes gemaakt van meel, zout en water. Die werden gebakken boven een klein kacheltje. Zo droogden de koeken uit en konden we ze eten. Ze waren alleen helemaal niet lekker!”

Archieven: Verhalen

‘Soepele vingers, een geluk bij het ongeluk’

Wij zijn Nino, Daniël en Emre en wij interviewden Albert Dreese over zijn moeder Rita Noach. Zijn vader, de man van Rita, was ook bij het interview aanwezig. Mevrouw Noach was Joods. Haar familie werd verraden toen ze wilden onderduiken. Zelf overleefde ze uiteindelijk de oorlog omdat ze voor de Philipsgroep werkte.

Wat gebeurde er toen uw moeder ging onderduiken?
“Mijn moeder en haar familie hadden een onderduikadres gekregen via de zakenpartner van mijn grootvader. Toen ze bij het adres aankwamen stond de politie op ze te wachten, in plaats van mensen uit het verzet. De zakenpartner van mijn grootvader had ze belazerd. En waarom? Na de oorlog kwam mijn moeder erachter dat hij blijkbaar het bedrijf van haar vader wilde inpikken. Mijn grootmoeder deed toen een zelfmoordpoging door haar polsen door te snijden. Zij moest daarom naar het ziekenhuis en mijn moeder mocht met haar mee. Mijn grootvader werd wel meteen opgepakt. Na een paar dagen mochten mijn moeder en grootmoeder weer naar huis. Door een fout van de Duitsers waren ze uit de administratie verdwenen en werd er niet meer naar ze gezocht.”

Hoe kwam uw moeder bij de Philipsgroep terecht?
“Mijn moeder en grootmoeder hadden het moeilijk. Ze kenden niemand uit het verzet en konden nergens een onderduikadres vinden. Na een poosje besloten ze zichzelf toch maar aan te geven, want ze wisten niet meer hoe ze aan eten moesten komen. Gelukkig zijn ze niet naar Westerbork afgevoerd, maar werden ze naar kamp Vught gebracht. Vught ligt vlakbij Eindhoven, waar Philips een fabriek ging opzetten. Mijn moeder had de mazzel dat ze jong was en daarom soepele vingers had. Zo kon ze heel goed lampen in elkaar schroeven. Dat is toch een klein gelukje bij een groot ongeluk. Doordat ze voor Philips kon werken, heeft ze de oorlog overleefd.”

Waarom was de Philipsgroep haar redding?
“Tijdens door oorlog stierven veel mensen aan de honger en door het zware werk in de kampen. Toen mijn moeder in kamp Vught voor Philips werkte, was dat anders, Philips regelde het eten. Het bedrijf zorgde heel goed voor de werknemers. Nadat de groep niet meer voor Philips kon werken, werd het eten natuurlijk minder. Maar toch bleef het elke keer voldoende. Uiteindelijk werd de groep met de trein naar Auschwitz gebracht en zag het er niet goed uit. Philips heeft toen gebeld met de bazen in Berlijn en wist hen ervan te overtuigen dat het om een bijzondere groep ging. En zo reisde de groep heel Europa door langs diverse concentratiekampen voor technisch werk. Tijdens haar verblijf in Auschwitz hoorde mijn moeder via andere gevangenen dat haar ouders waren omgekomen. Daar was ze natuurlijk heel verdrietig over, maar ze had er al rekening mee gehouden. Zodra ze had gezien wat er gebeurde in Auschwitz, had ze haar hoop verloren.

In de Philipsgroep zaten zo’n zeshonderd vrouwen, die bijna allemaal de oorlog hebben overleefd. Mijn moeder ging later eens in de zoveel jaar naar de reünies van Philips. Daar zag ze haar vriendinnen dan weer. Want met veel vrouwen had ze echt een vriendschap opgebouwd. Zelfs na de oorlog spraken ze nog regelmatig af.”

Archieven: Verhalen

‘’Wij zijn hier veilig’’

De moeder van mevrouw Kroese was Duits en overleed net voor de oorlog aan bronchitis. Vanwege haar moeders afkomst kreeg de vader van mevrouw Kroese dubbele bonnen voor hemzelf en zijn drie dochters. Hij deelde die bonnen met de buren, dat bleek uiteindelijk de redding van het gezin te zijn. Haar vader heeft er steeds voor gezorgd dat mevrouw Kroese en haar zussen de oorlog zonder al te veel zorgen zijn doorgekomen.

Hoe herinnert u zich oorlog?
“Het was een spannende tijd. Als er ’s nachts een boom was omgezaagd, sprokkelden mijn zusjes en ik snel de overgebleven takjes, voor brandhout. Ik stond als jongste op de uitkijk, de zenuwen gierden door mijn lijf. Ik herinner me echte armoede, alles was op de bon. Ik zag eens een man het schors van een boom eten, zo’n honger had hij. Ik weet ook nog dat er op de hoek van de Ceintuurbaan een NSB’er woonde. Als mijn zusje en ik erlangs liepen, zongen we met gevaar voor eigen leven: ‘Op de hoek van de straat staat een NSB’er. Het is geen man, het is geen vrouw, maar een Farizeeër.”

Heeft u ook plezierige herinneringen aan de oorlog?
“Als ik aan mijn vader denk, heb ik mooie herinneringen. Ik was 9 toen mijn moeder stierf. Mijn vader zorgde daarna voor mij en mijn twee zusjes, hij deed het huishouden en had een schoenmakerij. De Duitsers vorderden alles, ook huiden, maar mijn vader had leer in de tuin verstopt en kon zo schoenen blijven maken. Hij heeft de oorlog ver van ons afgehouden. Het was een spannende tijd, maar hij zorgde ervoor dat ik geen angst had. Op de Beethovenstraat waren bijvoorbeeld Duitse soldaten ingekwartierd, de Engelsen wilden die plekken bombarderen. Wij woonden daar zo dichtbij dat de granaatscherven bij ons door de ramen zouden kunnen vliegen. Dus toen het luchtalarm ging, riep vader ons naar binnen, de gang in. Daar zaten we met zijn vieren, hopend dat we niet geraakt zouden worden. Mijn vader bleef herhalen: ‘we zitten hier veilig, op dit huis komt geen bom. Op dit huis komt geen bom.’ En het hielp. We waren niet bang.”

Hoe was het om half Duits te zijn tijdens de oorlog?
“Het is goed dat mijn moeder de oorlog niet heeft meegemaakt, dat zou moeilijk geweest zijn voor haar als Duitse. Mijn vader kreeg dankzij haar wel dubbele bonnen, maar hij heeft er niet van geprofiteerd. Hij gaf veel weg aan buren. Na de oorlog kwamen er mannen aan de deur, die ons wilden wegvoeren. Mijn vader zei: ‘die meisjes horen bij mij en blijven hier. Ga maar navraag doen bij de buren.’ De buren vertelden toen dat mijn vader tijdens de oorlog zo royaal was geweest met voedsel uitdelen. Kinderen van zo’n goede man konden niet weggevoerd worden, dat zagen die mannen toen wel in.”

Archieven: Verhalen

‘Papieren verstopt in het meel’

Mevrouw van Gogh was 7 jaar toen haar vader in 1943 werd opgepakt omdat hij in het verzet zat. Zelf deed mevrouw van Gogh ook gevaarlijke dingen. Ze bracht bijvoorbeeld bibliotheekboeken naar joodse onderduikadressen.

Hoe was het leven in uw buurt tijdens de oorlog?
“Ik woonde samen met mijn ouders, mijn grootmoeder en later met mijn broertje (die werd in 1944 geboren) in de Rustenburgerstraat. Het begin van de oorlog herinner ik mij als heel zorgeloos. Veel mensen dachten dat de oorlog hooguit een jaar zou duren. Ik rolschaatste lekker op straat, er waren geen auto’s meer, de stad was doodstil. Vanaf 1943 werd het slechter, er was weinig te eten, het was koud, we hadden geen licht meer en mijn vader werd opgepakt. We gingen op hongertochten naar Noord-Holland, soms op de fiets. Heel zwaar, want de fietsen hadden houten banden. Je werd wel reusachtig zelfstandig, ik was zeven jaar en ging al alleen met een vriendinnetje op rooftocht.

Ik weet nog dat we geen licht meer hadden in huis. Mijn neef gebruikte de voorlamp van zijn fiets om licht te hebben bij het lezen van zijn studieboeken. We hadden ook carbidlampen, carbid lijkt een beetje op krijt. Dat moest in kleine stukjes gehakt worden en dat brandde dan. Het was mooi wit licht, maar wel gevaarlijk. Je moest altijd een zonnebril opdoen, anders werd je verblind.”

Waarom werd uw vader opgepakt?
“Mijn vader zat in het verzet. Hij heeft veel Joden ondergebracht in Noord-Holland. Hij vervalste Sonderausweisen (daarmee kon je ook na Sperrtijd naar buiten) en stamkaarten. Er kwamen dus opvallend veel mensen bij ons over de vloer, terwijl er NSB’ers in de straat woonden, zoals de horlogemaker. In 1943 was er een inval bij ons thuis. Mijn grootmoeder wist de belangrijke papieren, het bewijsmateriaal, nog op tijd in het meel te verstoppen, ze zijn door de Duitsers niet gevonden. Mijn vader werd wel meegenomen. Mijn moeder was heel verdrietig, maar we hadden gelukkig veel steun van het verzet. Mijn vader ging eerst naar Kamp Vught waar hij Joden tegenkwam die hij had geholpen met onderduiken. Hij heeft ook in Westerbork gezeten en hij moest werken in de Amsterdamse bossen. Daar brachten we hem pakjes, met bijvoorbeeld sokken. We gaven het aan een man die aan de andere kant van het hek stond, maar gek genoeg zijn de pakketjes nooit bij mijn vader aangekomen.  Ik heb weleens gedacht dat ik mijn vader nooit meer terug zou zien. Maar na een jaar, begin 1944 werd mijn vader vrijgelaten. Waarom weet ik niet.”

Welke gebeurtenissen in de oorlog zijn u het meest bijgebleven?
“Mijn grootmoeder die de papieren verstopte in het meel; de terugkomst van mijn vader en de enorme honger. Ik weet ook nog goed dat ik bibliotheekboeken haalde in de Rijnstraat om die naar onderduikers in Oud-Zuid te brengen. Die jongens verveelde zich vreselijk. Het was zwaar werk, zeker als je zeven bent. Vaak kreeg ik dan wat te eten. Ik herinner mij ook nog de fusillade op het Weteringplantsoen in maart 1945. Het was een vergeldingsactie, want er was een aanslag gepleegd op een Duitse officier. 36 willekeurige mensen werden doodgeschoten op straat. Ik liep daar met een vriendinnetje. De Duitsers riepen dat we moesten blijven staan. Ze wilden gewoon publiek hebben.”

Archieven: Verhalen

‘Een beetje brutaal’

Mevrouw Coby Spaan woont nog steeds in hetzelfde huis als tijdens de oorlog. Ze vertelde ons over haar Joodse buurmeisje, Alie. Toen Alie weggevoerd weg, kreeg Mevrouw Spaan haar rolschaatsen in bewaring. Alie heeft ze nooit kunnen ophalen, want ze is gestorven in het Kamp Vught. We bezochten samen de struikelsteentjes die voor Alie en haar familie geplaatst werden.

Hoe was het om op te groeien tijdens de oorlog?
“We hadden het vrij goed thuis. Mijn vader heeft altijd goed voor ons gezorgd. Hij kon aardig Duits spreken en was ook wel een beetje brutaal. Hij liet zich niet zomaar alles aanleunen door de Duitsers. Hij was een beeldenmaker en had een klant in Friesland. Daar stuurde hij dan beeldjes in hoge kisten naartoe. Deze kisten hadden een dubbele bodem en de man betaalde niet met geld maar in natura. De kisten kwamen dus zogenaamd leeg terug, maar in de dubbele bodem zat dan wat eten, zoals rozijnen en spek of gecondenseerde melk. Mijn moeder maakte daar dan rijstebrij van. De Duitsers hebben het nooit ontdekt en zo kwamen wij toch vrij goed de Hongerwinter door.”

Herinnert u zich ook iets leuks uit de oorlog?
“Overdag speelden we altijd buiten of in onze grote tuin. Bij andere kinderen moest je altijd weken van tevoren vragen of je mocht komen spelen, maar bij ons was dat nooit een probleem. Iedereen was welkom! Mijn vader had zijn atelier in de kelder en we mochten van hem ook met alles spelen, zolang we het maar opruimden. We konden dus kleien, verven of tekenen. Voor mijn zus was het echter minder leuk.  Zij was 15 jaar toen de oorlog begon en werkte in een chocoladewinkel. Toen de oorlog uitbrak mocht ze niet meer alleen naar buiten. Mijn vader was bang dat een Duitse soldaat haar zou verleiden of haar iets aan zou doen. Ze mocht niet langer werken in de chocoladewinkel, maar moest bij hem in het atelier gaan werken.”

Hadden jullie ook onderduikers?
“De zus van meneer Frank, die bij mijn vader werkte, zat bij ons ondergedoken. Ze verbleef in de werkplaats van mijn vader in de kelder en breide sokken voor ons. Dat was best spannend want boven ons woonden een Duitser en een NSB’er.  Die hebben haar nooit ontdekt. Toch heeft ze de oorlog niet overleefd. Ze wilde op een dag absoluut naar de kapper. Dit was natuurlijk niet heel slim, maar ze ging. Toen was er een razzia in de straat van de kapper en werd ze opgepakt. Ze is nooit meer teruggekomen.”

Struikelsteentjes voor Alie en haar familie

 

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892