Archieven: Verhalen

‘Ze huilde. Ze huilde van de kou.’


De hele oorlog is voor ons geen verschrikking geweest. We hebben heel veel geluk gehad. Het was voor ons een ‘ver-van-ons-bed-show’. Als de oorlog begint woont Rob in de Perziklaan 21 en Liet op de hoek van de Valkenboskade.

Veranderde de oorlog veel voor u?
Rob: De eerste vier jaar heb ik er weinig van gemerkt. De school op de Hyacintweg, ging gewoon door en het werk van mijn vader ook. Hij werkte bij de bank van 9 tot 5 en de Duitsers vonden het belangrijk dat het bankverkeer bleef draaien. Hij kreeg als het ware een soort vrijstelling. Maar dat hing wel een beetje af van welke commandant je trof. Mocht het nodig zijn dan had mijn vader wel een hok in de schuur om zich te verstoppen. Achteraf was die gedachte wel erg optimistisch.
Uit de krant haalden we weinig informatie en wat erin stond bleek ook niet altijd betrouwbaar. We hadden nog geen mobiele telefoons en eigenlijk kwamen we niet vaak op veel verschillende plekken. Dus onze wereld leek klein en veilig. Op 1 juni 1943 ben ik lid geworden van de voetbalclub en daarbij heb ik met veel plezier kunnen spelen. Het laatste jaar van de oorlog merkten we er veel meer van. Toen was er maar weinig te eten en het was ook koud.

Liet: Ik was heel klein tijdens de oorlog. Iedereen van de familie heeft het overleefd, zelfs onze kat. We hielden hem veilig binnen. Wel heb ik als klein meisje gezien dat mijn vader en een paar vrienden zich verstopten onder een luik in de vloer van de slaapkamer bij mij thuis. Ik werd toevallig wakker en had dit niet mogen zien. Mijn moeder was doodsbenauwd. De razzia zou morgen of de dag erna komen, dus mijn moeder drukte mij op het hart mijn mond te houden. Dat heb ik gedaan.

Kunt u beschrijven hoe de hongerwinter voor u was?
Rob: In 1944- 1945 was er geen eten en geen brandstof. Ik ben met mijn vader een keer naar Poeldijk gelopen, naar een boer. Hier gingen we eten halen. We hebben denk ik wel 8 adresjes bezocht tijdens de hongerwinter. Tulpenbollen en suikerbieten aten we. Van tulpenbollen maakten we een soort chips. De suikerbieten kookten we eerst, het water werd er zoet van. Daarna klopten we het op en dat noemden we ‘klopklop’. Met voedselbonnen kon je eten kopen. Dat eten werd gemaakt in gaarkeukens en als je langs ging, kon je met een bon een portie krijgen. Er werd ruw opgeschept. De kunst was als de pan bijna leeg was, met je hoofd in de pan te hangen om de restjes eruit te lepelen en mee naar huis te nemen. Je was trots als dat je lukte.

Liet: Ik was nog klein. Ik herinner me wel dat ik een jaar of 4 was en een wit jasje van konijnenbont aan had. Ik zat op de slee en mijn moeder nam me mee. Ze huilde. Ze huilde van de kou. In de hongerwinter was er niet veel te eten. Hierdoor herinner ik me nog goed dat mijn moeder een sinaasappel had weten te bemachtigen, net na de oorlog. Ze was blij dat ze ons iets gezonds kon geven. Maar we vonden het vies, we kenden helemaal geen sinaasappels.

Wanneer was u erg bang?
Rob: Op nieuwjaarsdag, 1 januari 1945. Ik weet het nog goed. Opa en oma waren op bezoek. We hoorden een raket, een V1, en als jonge knul vond ik het stoer en spannend om te kijken. Maar  mijn moeder joeg me weg van de ramen. Als het geluid ophield, wist je dat de raket zou neerstorten. En als de raket op je neerkwam, was je dood. Als alleen de ruiten sprongen kon je maar beter onder een tafel zitten.

Liet: Ik hoorde ook die V1 raket op 1 januari 1945. Mijn ouders doken allebei onder de tafel en dachten dat ze een arm van mij en een arm van mijn broertje beet hadden. Het bleek dat ze allebei een arm van mijn broertje beet hadden. Ik stond voor het raam. Gelukkig sprongen de ruiten niet en bleef ik ongedeerd. We hebben dit moment van de V1 raket op 1 januari 1945 apart van elkaar intens beleefd, zonder elkaar te kennen. Gelukkig kunnen we het nu samen navertellen.

Archieven: Verhalen

‘Ik had mijn broodje bewaard, maar door al het rondslingerend glas, was dat niet meer te eten.’

Als de oorlog begint woont de tiener Claar van Berckel met 5 broers en 2 zussen in het Bezuidenhout. Haar vader is rechter en wordt door de Duitsers goed in de gaten gehouden. Regelmatig komen zij bij de familie Van Berckel aan huis, op zoek naar redenen om de vader van Claar op te pakken.

Is iemand van uw familie opgepakt?
Mijn vader heeft altijd van alles gedaan om de Duitsers dwars te zitten. Toch lukte het ze nooit om mijn vader op iets te betrappen. Ze kwamen dus wel regelmatig controleren. Dat kon ook midden in de nacht zijn. Twee van mijn oudere broers moesten eigenlijk in Duitsland werken, maar die waren ondergedoken. Soms kwamen mijn broers toch thuis. Het was altijd doodeng als juist op dat moment ook de Duitsers langskwamen om mijn vader te controleren. Dan moesten we heel vlug de broers verstoppen.

Hoe deed u dat?
Daar hadden we een bijzondere truc voor. Op de tweede etage van ons huis was de kamer van mijn zusje en mij. In onze klerenkast hadden we een gat in de muur gemaakt. Zo kwam je onder de trap richting zolder terecht. Het gat konden we met kledingplanken onzichtbaar maken. Voor de jongens, die zich daar verstopten, was dat heel benauwd.
Omdat de Duitsers ook plots ’s nachts kwamen controleren, moest je altijd alert zijn. We trainden er zelfs voor, hoe snel de jongens vanuit hun bed op die verstopplek konden komen. En niet alleen moesten ze de kast in, wij moesten er ook voor zorgen dat hun matrassen werden omgedraaid. Anders troffen de Duitsers een warm en leeg bed aan. En mijn zusje en ik moesten voorkomen dat we buiten adem aan het nahijgen waren van de inspanning. We hebben dit zo vaak geoefend, dat als de deurbel ging, we alles in 1 minuut konden klaarspelen.

Heeft u het bombardement op het Bezuidenhout meegemaakt?
Ja, wij woonden in het Bezuidenhout. We hoorden heel vaak de V1 en V2 raketten, die vanaf het Haagse Bos werden afgevuurd op Engeland. En dan was het goed luisteren, ‘gaat ie door, of valt ‘ie naar beneden?’. Als de raket doorvloog, was het zielig voor de Engelsen, maar dan waren wij gelukkig veilig.
Op de dag van het grote bombardement van 3 maart 1945 waren wij thuis. Eerder al, op 1 maart, vielen er bommen bij ons in de straat. Op dat moment belde een moeder met kind aan, die wilden schuilen. Ik keek via het trappenhuis naar beneden, maar juist toen werd ons huis geraakt en viel overal glas naar binnen. Daardoor waren we bij het grotere bombardement van 3 maart veel alerter en zijn we die dag snel in de kelder gaan schuilen.

Er was die winter enorme honger. De Duitsers hadden toegestaan dat de Zweden meel leverden aan Nederland, waar de bakkers witte broodjes van bakten. Mijn grote broer had zijn brood in 1 keer opgegeten, hij wilde even geen honger voelen. Ik had mijn broodje bewaard, maar door al het rondslingerend glas, was dat niet meer te eten.

Archieven: Verhalen

‘’

In 1939 fietst Wim naar Luxemburg met mensen van de kerk. Eenmaal daar krijgen de mannen een telegram, dat zij direct terug moeten komen; ze moeten het leger in.

Wat deden de Duitsers toen zij Nederland binnenkwamen?
Toen ze hier kwamen, hingen ze meteen hakenkruizen op. Op elk pand dat in gebruik was zag je dit terug, vreselijk. Radio en dekens moest je inleveren. Maar als ze kostbare dingen zagen, werd dit ook afgepakt. Ik had mijn radio niet ingeleverd. Maar je moest erg voorzichtig zijn als je naar radio luisterde. De Duitsers probeerden de zenders en ontvangers te vinden.  De koningin was gevlucht toen Nederland bijna verslagen was. Op dat moment waren de mensen erg boos en gooiden ze hun wapens neer. Maar via de radio, Radio Oranje, gaf ze ons moed en daar zijn we haar nog steeds dankbaar voor.

Welke gebeurtenissen zijn u het meest bij gebleven?
Wij moesten met zes soldaten de duinen in om de Duitsers, die met parachutes naar beneden kwamen, in de gaten te houden. Wij moesten ze direct neerschieten, omdat anders wijzelf neergeschoten zouden worden.
Mijn vrouw heeft tijdens de oorlog een joods jongetje, met gevaar voor eigen leven, naar Groningen in veiligheid gebracht. De jongen had namelijk geen familie meer. Zij waren vermoord. Ik ben erg trots dat mijn vrouw dat voor die jongen heeft gedaan.
Wat mij vooral is bijgebleven, dat de joden weg wilden vluchten. Zij betaalden vissers een hoop geld, zodat zij met hen weg konden varen. De Duitsers schoten  de boten naar de bodem. Dat was ontzettend heftig om te zien.

Wat deed u tijdens de oorlog?
Eerst was ik een krijgsgevangene en werkte ik op het kantoor van de moffen. Daarna kreeg ik het aanbod om les te geven op een Duitse school. Ik dacht: “Les geven bij de moffen? Nee, nooit van mijn leven.” Na lang getwijfeld te hebben, heb ik het aanbod toch aangenomen. De jeugd kon er immers niets aan doen dat er oorlog was. Op de school werkte bijna alleen maar mensen die anti-NSB waren. Bijvoorbeeld de leerkracht Engels sprak ook alleen maar Engels. Hij wilde geen Duitser zijn. Er werd mij gevraagd om in de aula les te geven over de oorlog. Ik mocht alles vertellen. Ook wat er niet goed was aan de oorlog. Deze kans heb ik met twee handen aangegrepen. We wilden niet dat de jeugd de oorlog normaal zou vinden. Toen de invasie bezig was en de NSB’ers vluchtten, zat ik zonder huis. Een leerling had mij een tip gegeven over het huis in de Meloenstraat. Daar zou een NSB’er hebben gewoond, waardoor ik dat huis misschien zou kunnen krijgen. Ik stuurde een brief, waar ik snel antwoord op kreeg.  De zus van de NSB’er wilde het huis graag verhuren. Zij was gelukkig tegen de NSB. In dat huis heb ik nog papieren gevonden en een badge met een hakenkruis. Door dit aan de Duitsers de laten zien redde het mijn leven toen ze mij wilde neerschieten. Zo’n badge hadden namelijk alleen de mensen met hoge rangen bij de NSB. Toen de vorige bewoner van het huis vrij kwam, wilde hij het huis weer terug hebben. Na een proces bij de rechtbank, mocht ik er toch blijven wonen, omdat ik in Den Haag werkte en hij in Delft.

Archieven: Verhalen

‘In een koude storm werd ik achterop de fiets bij mijn vader naar Rozenburg gebracht.’

In de oorlog leert de vader van Kees Zijderveld hem dat de Duitsers slecht zijn en zij, de geallieerden, goed. Pas veel later kwam hij erachter dat niets zwart of wit is, maar dat er veel grijstinten zijn. In het begin van de oorlog lijkt het gewone leven gewoon door te gaan. Kees maakt soms spannende dingen mee, maar hij is natuurlijk ook gewoon een kind. Dus na een spannende dag valt hij in slaap en gaat de volgende dag weer spelen. Pas in de hongerwinter wordt het door de schaarste steeds grimmiger.

Wat was het spannendste dat u mee heeft gemaakt in de oorlog?
Wij woonden aan de Laan van Poot. Ik was 8 jaar en samen met mijn moeder hoorden we thuis het luchtalarm afgaan en we zagen vliegtuigen aankomen door het grote woonkamerraam.  Mijn moeder vertrouwde het niet helemaal en zei dat we onder de trap moesten gaan zitten. Mijn moeder had net de deurklink vast om naar de gang te gaan toen een granaat door de voorruit naar binnen knalde. En terwijl wij onder de trap doken ontplofte de granaat. Pas toen het luchtalarm weer stil werd, zagen we wat voor geluk we hadden gehad. Het raam, waardoor we naar de vliegtuigen keken, was helemaal kapot. De gordijnen, een schilderij, het tapijt en de vloer waren ook totaal vernield. Maar wij waren ongedeerd.

Kent u mensen die ondergedoken zaten?
In 1943 kregen we een brief waarin stond dat we ons huis uit moesten. Wij gingen naar de Stephensonstraat, bij de Laan van Meerdervoort. Een heel groot mooi huis. Aan de ene kant woonde meneer Stoutjesdijk. Dat vonden wij een toepasselijke naam, hij was namelijk een NSB’er. Er hing veel propaganda aan zijn ramen. Aan onze andere kant woonden verzetsmensen. Wat zij deden weet ik niet, want daar spraken we nooit over. Op een middag hoorde ik in het kantoor van mijn vader gitaarmuziek en gezang. Het was erg mooi, maar het was zeker niet mijn vader. Ik durfde niet naar binnen te gaan. Mijn moeder was in de keuken en ik vroeg haar wie er op het kantoor zat te zingen. Dat was een Indische jongen. Hij heette Boy. Hij is maar twee of drie dagen gebleven. Dat hij zo kort bleef, had vooral met buurman Stoutjesdijk te maken. Het was gewoon te gevaarlijk.

Hoe was de hongerwinter voor u?
We hadden erg veel honger. We aten niets anders dan twee droge boterhammen per dag. Via een kennis van mijn vader, een dominee in Rozenburg, werd er een oproep in de kerk gedaan; wie er een mager 10-jarig jongetje uit de stad wilde opnemen, om wat eten te geven. En zo kwam het dat ik op 1 februari 1945 in een koude storm achterop de fiets bij mijn vader naar Rozenburg werd gebracht. Daar kwam ik in een arbeidersgezin. Deze mensen werkten allemaal op boerderijen in de omgeving. Bij aankomst mochten mijn vader en ik meteen mee-eten. Aardappelen in de ene schaal en vette jus in de andere. Je pakte een vork, prikte je aardappel eraan en haalde de aardappel door de jus en at het op. Ik had al een hele tijd niet goed gegeten. Toen ik mijn vader even later uitzwaaide op de dijk moest ik midden op de dijk overgeven. En dat kwam niet doordat ik het zo erg vond dat mijn vader wegging, maar doordat mijn lichaam het vet en de aardappelen niet meer gewend was. Ik ben 4 maanden op Rozenburg gebleven. Dus tot en met de bevrijding. Het was voor mij een goede tijd. Ik had te eten, ik mocht naar school, kreeg daar vrienden en ik leerde het boerenleven kennen. Dat vond ik heerlijk. Ik wilde ook niet terug naar Den Haag. Het boerenleven paste zo goed bij mij dat ik daar ook mijn werk van heb gemaakt.

 

 

Archieven: Verhalen

‘Zo’n mooi woord, mobilisatie. Dus ik noemde mijn pop Mobilisatie, afgekort Mobi.’

Mijn man en ik kenden elkaar niet in de oorlog, maar we hebben wel exact dezelfde V2-raket zien tollen en rare toeren zien uithalen, voordat deze neerstortte in de buurt van het huis van mijn oom.

Hoe was het voor u toen de oorlog uitbrak?
Toen de oorlog uitbrak was ik 5 jaar oud. Mijn vader werd opgeroepen voor de mobilisatie. Mijn moeder werd daar erg verdrietig van. Ik natuurlijk ook, maar ik vond het zo’n mooi woord, mobilisatie. Zo mooi, dat ik mijn pop de naam Mobilisatie gaf, afgekort Mobi. Ik had ook nog twee andere poppen. Die had ik Beatrix en Irene genoemd. Maar dat mocht niet meer, omdat dat natuurlijk de namen van de prinsesjes waren, dus noemde ik ze Trix en Renée.

Wanneer was u bang?
Mijn ouders lieten altijd een lampje branden. Na 8 uur ’s avonds was er geen elektriciteit meer. Dat zetten de Duitsers uit. Dus werd het donker in huis. Ik had daar niet zoveel last van, omdat ik jong was en ik tegen die tijd al in bed lag. Maar als de Duitsers wat van plan waren, werd de elektriciteit weer aan gezet en ging dat lampje dus weer branden. Zo wisten mijn ouders meteen dat de Duitsers eraan kwamen. Mijn vader moest dan meteen naar de benedenbuurman, melkman Siem Straathof. Hij had een soort luik in zijn vloer. Daar ging mijn vader onder liggen. Mijn moeder zei dan tegen mij: mond houden en alleen maar lief lachen, zodat ik mijn vader niet kon verraden. Elke keer als mijn vader onder de grond moest, was ik vreselijk bang. Ik wist nooit hoe dat af zou lopen. Mijn moeder en ik keken vanuit het torenraam van ons huis over de Mient en wachtten tot de Duitsers weer vertrokken. Zo zagen we daar de razzia’s. We durfden pas te kijken als de Duitsers weer weg gingen. Dan liepen Nederlandse mannen tussen Duitse soldaten, die met getrokken geweren op hen gericht, schreeuwend wegliepen naar de vrachtwagens. Dat was vreselijk om te zien.

Heeft u ook spannende dingen meegemaakt?
Jazeker. Mijn moeder was heel dapper en inventief. Zij had bijvoorbeeld de radio verstopt door wat plankjes in een kast los te maken. Zo konden we naar Radio Oranje luisteren. Ik hoor nog de openingstune. Heerlijk! Mijn moeder heeft paspoorten vervalst om mannen onder de Arbeitseinsatz uit te laten komen. Zo maakt ze mijn vader 10 jaar ouder op zijn paspoort en verfde ook zijn haar grijs. Daardoor werd hij nooit meegenomen om verplicht in Duitsland te werken. Ook sprak mijn moeder erg goed Duits. Als Duitse soldaten aan de deur kwamen voor razzia’s of andere controles dan deed mijn moeder allercharmantst, lachte vriendelijk en stond de soldaten in correct Duits te woord. Daardoor kwam er eigenlijk nooit een soldaat ons huis binnen. Ik heb een beetje van haar dapperheid mee gekregen. We stapten op een middag in de tram. En daar zat een Duitse soldaat. Naast hem was er nog een plek vrij. Ik riep direct heel hard: “Maar daar ga ik niet naast zitten!” Mijn moeder siste dat ik mijn mond moest houden. Maar gelukkig werd de soldaat niet kwaad.

Ons gezin was koningsgezind en juichten om de berichten van de geallieerden, ook weer zo’n mooi woord. Maar buitenshuis hielden we dat voor ons. Dat was veiliger.

Archieven: Verhalen

‘ ’s Nachts hoorde je bommenwerpers over de huizen vliegen’

Karel de Boer is 20 jaar als de oorlog begint. Hij wordt wakker van harde knallen en ziet twee vliegtuigen achter elkaar aanjagen. Een paar minuten later gaat het luchtalarm af. Het is oorlog.

Waar woonde u toen de oorlog begon?
Ik woonde in hetzelfde huis als nu en weet nog goed hoe het allemaal begon. Ik sliep op zolder en werd wakker van harde knallen. Twee vliegtuigen zag ik achter elkaar aanvliegen. Het was een prachtig gezicht maar ook erg gevaarlijk.
Na 2 jaar moesten wij hier uit de Kauwlaan weg. Er moest een tankgracht komen. Alles tussen het strand en de tankgracht moest wijken. Mijn ouders hadden vrienden aan de Wassenaarseweg en we mochten bij hen komen wonen. De ochtend dat we verhuisden, stond plots één van de vrienden van de Wassenaarseweg voor de deur. De Duitsers hadden hun huis overgenomen. Gelukkig belde er toen een vriend uit Rotterdam, dat hij nog wel plek had. Rotterdam was net gebombardeerd. Dus het voelde wel raar om juist daar te gaan wonen. We moesten alles in ons huis achterlaten, zodat de Duitsers er meteen in konden trekken. Maar de mensen die ons kwamen helpen verhuizen hebben ons goed geholpen. Want ik wilde niets achterlaten voor de Duitsers. We hebben zelfs de brandende kachel uit het huis gehaald. Ik denk dat dat uiteindelijk de reden is waarom er tijdens de oorlog niemand in dit huis is gaan wonen.

Wat deed u tijdens de oorlog?
Ik wilde mijn studie afmaken in Rotterdam. Maar ik weigerde een verklaring te tekenen, dat ik niets tegen de Duitsers zou ondernemen. Daardoor mocht ik niet verder studeren. Om mijn vader niet in problemen te brengen, heb ik mijzelf bij de Duitsers gemeld en gezegd dat ik de verklaring niet had ondertekend. Ik werd daarop naar Duitsland gebracht en moest 3 jaar lang onder dwang werken. Ik woonde toen in een barak vlak naast een fabriek. De kamer waar we sliepen was ongeveer net zo groot als een woonkamer, maar daar stonden dan stapelbedden voor tien mannen. Wat mij nog steeds bijstaat is, dat de man die onder mij sliep, na vier dagen werd opgepakt en naar een concentratiekamp werd afgevoerd.
Tijdens de bevrijding zat ik nog in Duitsland. Wij hebben onszelf bevrijd. We hadden auto’s gejat en we wachtten tot er weer genoeg treinen reden om ons naar Nederland te brengen. Treinen waren toen een soort open vrachtwagens. Wij werden naar Limburg gebracht, want de rest van Nederland was nog niet bevrijd. Toen de Duitsers echt verslagen waren, ging ik terug naar Rotterdam om mijn spullen te halen. Ik wilde weer terug naar mijn oude huis in Den Haag. Niet iedereen mocht naar Den Haag terug. Alleen de mensen die er voor de oorlog woonden en werkten.

Wat staat u nog het meeste bij van de oorlog?
De angst die je altijd had, want je was nooit veilig. ’s Nachts hoorde je de bommenwerpers over de huizen vliegen. Soms vielen er per ongeluk bommen naar beneden of werden er vliegtuigen neergeschoten. Je wist nooit waar ze terecht zouden komen.
In Duitsland waren de mensen niet vriendelijk tegen de mensen die moesten komen werken uit andere landen. Ook is de omgeving bij de fabriek vaak gebombardeerd. We moesten dan de schuilkelders in, waar je de harde knallen goed hoorde. Het gebouw trilde zo hard, dat er scheuren in de muur kwamen. Daarna kwamen dan Duitse politietroepen, heel nare mensen, om alles weer in orde te maken. Als de politietroepen er waren, dan had je het als werknemer erg moeilijk.

Archieven: Verhalen

‘De Duitsers hadden vanuit de duinen op ons raam geschoten.’

Wout Vogel wordt op 5 april 1940 geboren en is dus nog een baby als de oorlog uitbreekt. Veel van zijn herinneringen komen uit brieven, die zijn vader aan zijn grootvader in Indië schrijft. Die zit daar gevangen in een Jappenkamp. De brieven worden nooit verstuurd. Wout heeft ze uitgetypt, waardoor een dagboek met indrukwekkende verhalen uit zijn vaders oorlogstijd is ontstaan.

Hoe kwamen jullie aan een nieuw huis toen jullie moesten evacueren?
In november 1942 kregen we bericht dat we begin december ons huis uit moesten. Maar we hadden nog geen nieuw huis om in te wonen. Mijn moeder kwam in de trein een meneer tegen die met pensioen was en van de Duitsers zijn huis aan de Händellaan uit moest. Ze is toen naar zijn huurbaas in Monster gegaan om te vragen of wij in dat huis mochten wonen. Hij vond dat best, alleen moest het evacuatiebureau het goedkeuren. Het was nog een hele toestand om iemand daar te spreken te krijgen. Mijn moeder heeft toen de portier een gulden gegeven om met een NSB’er van dat bureau te mogen praten. Die heeft uiteindelijk geregeld, dat we in het huis aan de Händellaan mochten wonen.

Hebben jullie onderduikers in huis gehad?
Ja, we hadden 3 joodse onderduikers. Een echtpaar, wij noemden ze tante Dia en oom Jan. Hun echte namen waren tante Fie en oom Sam. En Max, een jonge jongen, woonde ook bij ons. Mijn ouders zijn wel eens vreselijk boos op Max geworden, omdat hij gevaarlijke dingen deed. Ik weet nog, dat op een dag vliegtuigen overvlogen voor voedseldroppings. Max heeft toen met een Nederlandse vlag boven uit het raam staan zwaaien. De volgende dag kregen we vreselijk op onze donder van mijn vader, want er zat een gat in het raam. Hij dacht dat wij de ruit met een gordijnroede kapot hadden gemaakt. Tot hij versplinterd hout, een jasje met kogelgat en een kogel zag. Wat bleek: de Duitsers hadden vanuit de duinen op het raam geschoten, omdat ze die vlag hadden gezien. Oom Sam is opgepakt in 1944. We weten niet hoe. Zijn broer zat in het verzet en is ook opgepakt. In Auschwitz zijn ze elkaar weer tegengekomen en zijn uiteindelijk allebei omgekomen. Gelukkig hebben tante Fie en Max de oorlog wel overleefd.

Wat gebeurde er na de bevrijding?
Een paar dagen na de oorlog heb ik ellenlange rijen Duitsers over de Laan van Meerdervoort zien marcheren, die werden afgevoerd. Op de hoek van de straat stonden we lange neuzen naar ze te trekken. En ik herinner me ook de enorme overwinningsparade over het Savornin Lohmanplein met Prins Bernard erbij. In de stromende regen kwam een ongelooflijke hoeveelheid tanks langsrijden. Jarenlang hebben de tanksporen nog in het asfalt gestaan. Later hebben we eindeloos gespeeld in de bunkers in de duinen. Toen het mijnenvrij was gemaakt konden we er gewoon in. Daar lag van alles! We zochten kogelhulzen met hele slaghoedjes om op de tramrails te leggen. Als de tram er overheen reed, hoorde je een grote knal. Dan stopte de tram en kwam de bestuurder boos achter ons aan.

Archieven: Verhalen

‘Hij is in ons eigen huis letterlijk onder de grond ondergedoken’

Joke de Boer woont met haar familie tijdens de oorlog in een klein huisje in de Fuchsiastraat op nummer 16 in Den Haag. Haar vader wordt in Indië gevangen genomen in een Jappenkamp en ze helpt haar broer met onderduiken in hun eigen huis. Ze maakt een bombardement mee, waarbij de bommen enkele tientallen meters naast haar neervallen.

Heeft u zelf iemand laten onderduiken?
Rond 1943 werden jonge mannen opgeroepen om gedwongen in Duitsland te gaan werken. Als ze dat niet wilden, dan werden ze opgepakt door de Duitsers. Mijn eigen broer was 21 jaar toen de oorlog begon en wij werden in 1944 door de ondergrondse gewaarschuwd dat ze de volgende ochtend zouden worden opgehaald. Mijn broer moest dus wegwezen, maar waar moest hij naartoe? In die tijd is hij bij ons ondergedoken. In een klein smal kamertje in ons huis hadden wij al eerder in de kruipruimte in het zand een schuilplaats gemaakt. Daar had mijn broer een matras, een deken, een fles water en een paar droge crackers. Hij is toen dus in ons eigen huisje letterlijk onder de grond ondergedoken. De volgende ochtend stonden de Duitsers voor de deur met de opdracht de jongen op te halen. Ik was alleen thuis, toen ze het hele huis onderzochten. Ze vonden niemand, maar stonden wel boven het hoofd van mijn broer in dat kamertje.

Heeft u mensen gekend die zijn opgepakt in de oorlog?
Mijn vader zat in die tijd in het bestuur in Indië en tijdens de Japanse bezetting werd hij gevangen genomen en naar een Jappenkamp gebracht. Vanaf dat moment hebben we hem niet meer kunnen bereiken. Voor ons was dat vreselijk, omdat mijn moeder, mijn broer en ik helemaal niet wisten hoe het met hem was. Wij hebben mijn vader jaren niet gezien. Gelukkig heeft hij het wel overleefd. Het was geweldig en onwezenlijk toen hij terug kwam uit Indië. Toen hij hier in de winter aankwam, was zijn enige bezit de kleding die het het Rode Kruis hem had gegeven. Ik zie hem nog aankomen met een plunjezak over zijn schouder. Hij was mager en niet helemaal gezond, maar hij leefde.

Wat was het gevaarlijkste wat u heeft meegemaakt in de Tweede Wereldoorlog?
In de winter hadden we hier in het westen geen eten meer. Ik ben met een vriendin op de fiets naar het oosten gegaan om eten te halen. Daarvoor moesten we de IJssel oversteken. Die afstand haalden we natuurlijk niet in 1 dag. Daarbij komt dat tijdens onze tocht de Duitsers, dichtbij Eindhoven, één van onze fietsen innamen. We konden het niet maken om zonder iets terug te komen en gingen om beurten lopen en fietsen. We ontmoetten een groep Nederlanders, die ook over de IJssel wilde. Eén man heeft de Duitsers overgehaald om ons over te varen. We mochten het niemand vertellen, omdat dat strafbaar was. We kwamen aan in het oosten en daar hebben we door middel van ruilen wat eten gekregen. Maar hoe moesten we dat naar Den Haag krijgen? We konden het eten in melkbussen stoppen en met de melkrijder meerijden. Tijdens het wachten op de melkrijder kwam er een bombardement. Ze gooiden bommen op tientallen meters van ons vandaan. Toen dacht ik, ‘Nu heeft ons laatste uurtje geslagen’.

Archieven: Verhalen

‘Mijn moeder en ik kwamen afzonderlijk van elkaar in een éénpersoonscel terecht.’

Wim van Slobbe woont aan het begin van de oorlog samen met zijn moeder in de Archipelbuurt, die aan de Celebesstraat een pension runt. Wim zit in zijn laatste jaar van de HBS-b en is hard aan het studeren voor zijn examens als hij op 10 mei 1940 vanuit zijn zolderraam Duitse vliegtuigen ziet overvliegen.

Wat herinnert u zich nog van de eerst oorlogsjaren?
Ik zat midden in mijn eindexamen voor de HBS. Het is vreemd om te bedenken dat er bij de Grebbeberg hevige gevechten plaatsvonden, terwijl het leven hier in het begin gewoon doorging. Ik heb gewoon eindexamen gedaan en was van plan daarna medicijnen te studeren in Leiden. Van dat plan kwam echter niets terecht, omdat er op de Universiteit Leiden stakingen waren uitgebroken. De aanleiding daarvoor was een protestrede van hoogleraar Cleveringa tegen het ontslag van zijn joodse collega. De stakingen leidden tot de sluiting van de universiteit. Ik besloot daarop dan maar voor gymleraar te gaan studeren aan de H.A.L.O. in Den Haag. Verder weet ik van het begin van de oorlog dat de Duitse bezetter tal van verenigingen en organisaties sloot, waaronder ook de padvinderij waar ik lid van was.

Hoe voorkwam u dat u moest werken in Duitsland?
Op een gegeven moment moest iedereen zijn radio inleveren. Ik heb toen in de vloer een luik gemaakt waaronder zich een flinke kruipruimte bevond. Daar hebben we de radio, maar ook een koperen vijzel en twee koperen hoorns van mijn padvindersband verstopt. Koper moest namelijk ook ingeleverd worden. Dat weigerde mijn moeder. Ze wist namelijk dat de Duitsers daar kogels van maakten en daar wenste ze niet aan mee te werken. Toen alle mannen tussen de 17 en 40 jaar zich moesten melden om te gaan werken in Duitsland, kwam dat luik wederom van pas. In de kruipruimte onder dat luik hebben we toen een slaapplaats gemaakt, waar ik iedere avond bivakkeerde. Op die manier was mijn bed onbeslapen en ook niet warm als de Duitsers kwamen controleren. Toen ze uiteindelijk langskwamen, lag ik al onder de vloer en kon ik de voetstappen met de zware laarzen boven mijn hoofd horen. Het was vreselijk spannend. Vooral omdat ik bang was, dat de vloer het misschien zou begeven. Gelukkig ben ik niet ontdekt.

Kende u mensen die bij het verzet zaten?
Mijn moeder verhuurde kamers in ons huis in de Celebesstraat. Een jongeman, genaamd Heusdens, huurde een kamertje aan de straatzijde. Hij maakte valse papieren voor het verzet. Ook hadden wij via het verzet een joods echtpaar in huis genomen. Hun naam herinner ik me niet meer. Van de één op de andere dag waren ze verdwenen naar een nieuw adres. Leo Voogd, de leider van de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers (LO) in Den Haag, belegde soms een bijeenkomst in ons huis. Dat deed hij samen met onder andere de zusjes Hekkema, die als koeriersters voor het verzet werkten en de kamer van het joodse echtpaar hadden overgenomen. Ik raakte ook betrokken bij het verzet, ik hield me met een kleine groep bezig met valse bonkaarten. Op een dag ging het mis. Leo Voogd werd gearresteerd en kwam in de Scheveningse gevangenis, het Oranjehotel, terecht. Hij is na veel verhoren waarschijnlijk doorgeslagen, want begin 1944 werden mijn moeder en ik ook opgehaald voor verhoor in het Oranjehotel. We kwamen afzonderlijk van elkaar in een éénpersoonscel terecht. Ik moest die delen met vier man. Eindeloos werd ik gehoord, omdat ze de connectie tussen ons en Leo wilden bewijzen. Zowel mijn moeder als ik hielden stand. Het was vreselijk. Je zit daar maar in een heel kleine ruimte, waarvan je de deur niet zelf kunt openen en je ook niet weet wanneer die deur wel open gaat. Dat geeft een gevoel dat je bijna niet kunt beschrijven! Toen ik eindelijk vrij kwam en ineens weer op straat liep, was dat heel onwennig en was ik constant bang om iets verkeerd te doen. Een heel eng gevoel.

Archieven: Verhalen

‘Soms vroor het in de hongerwinter wel 20 graden.’

Loes Meijer is 9 als de oorlog begint. Ze woont in Amsterdam in een buurt waar veel joden wonen. Vanuit haar raam ziet de vliegtuigen overvliegen. Ook ze ziet hoe de bommen vallen op haar stad. Tegenwoordig woont ze in de Haagse Vogelwijk.

Heeft u zelf moeten onderduiken?
Nee, ik niet. Mijn broer wel. Hij had de leeftijd dat hij voor de Duitsers moest werken. Om daar onderuit te komen, heeft hij zich verstopt. Zelf hoefde ik nooit onder te duiken. Soms was er wel een alarm op straat te horen. Dat geluid is vergelijkbaar met het huidige alarm, dat elke eerste maandag van de maand te horen is. Het alarm was in alle straten te horen en iedereen wist wat het betekende. Wanneer het alarm uit 2 tonen, hoog en laag bestond, moesten we snel naar binnen. Het was mogelijk dat we snel ons huis in moesten en ramen en deuren sluiten, maar het kon ook zijn dat we de schuilkelders in moesten. Deze kelders waren meer een soort gangen. Aan de buitenkant was het een bobbel, vaak met gras overgroeid. De muren waren van beton. Daar stonden we dan met veel mensen te wachten tot het alarm weer ééntonig klonk zonder verschillende hoogtes. Dan pas mochten we de kelder weer uit komen.

Heeft u veel gemerkt van de hongerwinter?
Ja, de hongerwinter was vreselijk, vreselijk! Het was ontzettend koud. Zo koud kan je je bijna niet voorstellen. Zulke koude winters hebben we gelukkig niet meer. Soms vroor het wel 20 graden! In die kou stonden we dan in een lange rij te wachten op wat graan bij de graanboer. Soms stond ik daar met mijn moeder. Soms met een vriendinnetje. Met dat vriendinnetje heb ik nu nog altijd contact. Al 81 jaar. Per persoon kreeg je dan 2 pond graan van de graanboer. Ouderwetse koffiemolens werden gebruikt om het graan te malen en daar kon je dan pannenkoeken of brood van bakken. Dat werd dan in gaarkeukens klaargemaakt. Vaak hadden we ook soep. Die soep vond ik erg smakelijk. Maar ze hadden bijvoorbeeld ook suikerbiet. Die smaak kan ik me nog herinneren. Helemaal niet lekker.

Wat is uw mooiste herinnering van de oorlog?
De winters waren ontzettend koud, maar de zomers daarentegen waren wel weer warm. Wij woonden dichtbij een meertje. Dat was afgezet met balken. Soms liepen daar ook ratten rond. In dat buitenwater heb ik leren zwemmen, tussen het kroos. We hadden een hengel met een band eraan, die je om kreeg. Iemand had die hengel vast en dan werd je omhoog gehesen. Je kon dan mopperen wat je wilde, maar ze lieten je gewoon in het water vallen. Later kreeg je ook een losse lijn. Dat was dan een los touw, voor als je al kon zwemmen. Dat buitenwater is later een prachtig zwembad geworden, maar ik vond het watertje, waar ik heb leren zwemmen eigenlijk veel romantischer.

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892