Erfgoeddrager: Luuk

‘Ik moest met mijn ouders mee naar Nederland, maar eigenlijk wilde ik dit niet’

Buiten op het schoolplein van basischool De Troubadour in Eindhoven spreken Benthe, Mahir en Luuk met Henk Bhawanidin (70 jaar, geboren in 1956). Na een wat hectische start volgt een mooie ontmoeting. Ze spreken onder andere over zijn overgrootouders, die als contractarbeiders in Suriname moesten werken. Meneer Bhawanidin is geboren in Paramaribo. Na de onafhankelijkheid van Suriname verhuisde het gezin naar Nederland. Hij was toen 23 jaar.

Wat weet u over uw voorouders?

‘Twee generaties terug waren mijn familie contractarbeider in Suriname, zij werden uit India naar Suriname gebracht. Ze sloten een contract af met elkaar ondanks dat ze elkaars taal niet spraken, dit contract was voor tien jaar. Ze kregen echt heel weinig voor al het werk dat ze deden. Ze moesten op de plantages werken, koffie, katoen, suikerriet… Ze moesten het planten, zaaien en oogsten, het was echt landbouwwerk. Maar voor 10 cent per week kan je natuurlijk niet rondkomen.

Later ben ik zelf nog drie keer naar Suriname geweest en ik heb ook twee plantages bezocht. Dit roept veel emoties op, maar ik was niet boos. Jij hebt niks gedaan tegen mij dus ik ben niet boos op jou. Dat werkt niet, zo gaan we niet met elkaar om.

Nu heb ik geen familie meer in Suriname, geen verbinding meer met het land, dus ik heb dat hoofdstuk afgesloten.’

Hoe was het toen u opgroeide in Suriname?
‘Mijn voorouders waren erg belangrijk voor mij, zij zijn de roots van ons bestaan. Zo ook mijn Nana en mijn Nani, mijn opa en oma. Thuis waren wij met veel, in totaal waren wij met acht, ik had nog vijf andere broers en zussen. Wij spraken veel Nederlands, onze school was Nederlands omdat Suriname ook van Nederland was toen. Maar wij hadden het erg goed in Suriname.

Mijn vader was goudsmid en mijn moeder werkte ook al. Wij hadden thuis een goed leven door het werk dat zij deden. Voor de Surinaamse begrippen hadden wij een goed huis. Ik vond het altijd fijn om met zo veel thuis te zijn, het was heel gezellig en we speelden veel met elkaar. Ik speelde eigenlijk altijd graag buiten met mijn vrienden van toen. Het maakte voor mij niet uit wie je was, wat je huidskleur was of waar je vandaan kwam. Ik ben altijd goed geweest in vrienden maken.’

Waarom ging u naar Nederland?
‘Ik moest met mijn ouders mee naar Nederland, maar eigenlijk wilde ik dit niet. Mijn vader had meerdere broers en zussen en zij waren bijna allemaal in Nederland gaan wonen. Toen het slechter ging in Suriname, besloten ook mijn ouders naar Nederland te gaan. Met het vliegtuig zijn we naar Nederland vertrokken en hebben we eerst in Rotterdam gewoond en daarna zijn we naar Eindhoven gegaan. Ik heb er het beste van gemaakt. In Nederland ging het toen gelukkig heel gemakkelijk voor ons.’

Erfgoeddrager: Luuk

‘We liepen soms wel drie dagen voor een klein beetje eten’

Jovey, Hadewij, Luuk, Manou en Shir Yi wandelen in vijf minuutjes van hun school, de Hannie Schaftschool in Haarlem, naar woonzorgcentrum De Roos, waar de 98-jarige Greet Scholte-Schoen woont. Toen de oorlog begon was zij 13 jaar. Ze is de oudste van acht kinderen. Mevrouw Scholte-Schoen staat ze al op te wachten, want ze zijn een beetje laat. In haar gezellige appartement schuiven ze de stoelen om de tafel. Met koekjes en chocolaatjes bij de hand beginnen de leerlingen meteen met vragen stellen.

Heeft u vriendinnen verloren tijdens de oorlog?
‘Nee, maar wel een buurjongen, helemaal in het begin. Hij was soldaat en moest in de eerste vijf dagen van de oorlog, voordat Nederland zich overgaf, vechten tegen de Duitsers. Daarbij is hij gesneuveld. En later is er vlakbij ons huis ook nog een jongen die wij kenden doodgeschoten. Hij werd samen met negen andere mensen zomaar opgepakt en gedood. Dat was een strafmaatregel van de Duitsers omdat er aanslag was gepleegd door het verzet.’

Moest u uw huis uit tijdens de oorlog?
‘Ja, in 1944 wilden de Duitsers Haarlem-Noord opeens leeg hebben om IJmuiden beter te kunnen verdedigen. Wij konden gelukkig naar kennissen die een groot huis aan de Gedempte Oude Gracht hadden. Dat was een heel gedoe, want zij waren met z’n zessen en wij met ons tienen. Proppen dus. Op een gegeven moment merkte mijn moeder dat er niet zoveel gebeurde in Haarlem-Noord en dat sommige mensen stiekem weer teruggingen naar hun eigen huizen. Dat hebben wij toen ook gedaan. Maar we durfden alleen nog maar boven te wonen omdat we bang waren dat we beneden betrapt zouden worden.’

Hebben jullie iemand geholpen die moest onderduiken?
‘Mijn ouders hadden een jonge man in huis genomen die moest onderduiken om niet te hoeven werken in Duitsland. Hij heette Piet en woonde met zijn vrouw en hun baby bij ons. Hij verstopte zich altijd beneden in een grote kast. Daar had mijn moeder een dikke deken voor hem neergelegd.

Een keer zaten wij boven te eten. Omdat het rustig was in de stad, vroeg mijn moeder aan Piet of hij misschien ook boven met ons wilde eten. Juist toen stonden er opeens Duitsers voor de deur. Mijn ouders stuurden mijn kleine zusje naar beneden om open te doen, maar die Duitsers wilden mijn vader zien. Mijn vader zag er gelukkig oud uit voor zijn leeftijd dus die lieten ze met rust. Ook mijn broertje ging naar beneden. Die was pas 12, dus die lieten ze ook met rust. Daarna gingen ze weg. Maar ik weet nog goed hoe bang wij waren dat ze naar boven zouden komen en Piet zouden zien.’

Moest u ook op zoek naar eten in de Hongerwinter?
‘Ja, ik ging op zogenaamde hongertochten naar boeren in Noord-Holland, vaak met mijn vader. Soms hadden we een fiets, soms moesten we lopen met een handkar. Het was heel koud. We liepen wel eens drie dagen van boerderij naar boerderij. We moesten meestal bij de koeien in het hooi slapen. Soms kreeg ik ergens een bed omdat ik er zo slecht uitzag. Dan sliep je met z’n vieren of z’n vijven in één bed, overdwars.

Een keer kwamen mijn vader en ik met een handkar vol eten terug en toen was er controle. We zagen dat Duitsers alle mannen aanhielden en hun eten afpakten. Toen zijn we gesplitst: mijn vader liep naar de Duitsers toe en ik ging gauw met de kar de andere kant op. Die truc lukte gelukkig, anders hadden we dagen voor niks gelopen.

De laatste keer dat we gingen kreeg mijn vader hongeroedeem: hij had zulke dikke benen dat hij niet meer kon lopen. Toen moest ik mijn vader in de kar naar huis duwen.’

Ik heb tijdens de oorlog ontdekt dat je altijd goede mensen tegenkomt, ook al lijkt in een oorlog alles slecht. Wij hadden bijvoorbeeld heel weinig eten en ook heel weinig geld, dus soms moesten we bedelen om eten bij de boeren. En eigenlijk kregen we dan altijd toch wel iets: een boterham, wat aardappels, een kool, dat soort dingen. Bij alle narigheid was die goedheid van samen delen er ook, juíst.’

Hoe oud was u toen de oorlog stopte?
‘Ik was 18. Er waren toen overal grote feesten, en op een van die feesten heb ik mijn man ontmoet. Die feesten waren heel fijn. We hadden al vijf jaar een avondklok, dat betekende dat je voor 8 uur binnen moest zijn. We gingen nauwelijks naar school, want in de school zaten de Duitsers. Mijn hele pubertijd had ik eigenlijk geen jongens leren kennen, geen uitjes, geen verkering. Dus ja, geen wonder dat het meteen raak was toen we eenmaal vrij waren.

Een van de dingen die ik aan de oorlog heb overgehouden is dat ik nog steeds een enorme hekel heb aan de sirenes die je elke eerste maandag van de maand hoort. En ik heb me ook erg ingezet voor de vredesbeweging. Dat had wel met de oorlog te maken.’

 

Erfgoeddrager: Luuk

‘Om twaalf was het al heel warm en dan gingen we zwemmen in de oceaan’

Fillin, Luuk en Fatih van basisschool de Talisman in Eindhoven gaan op bezoek bij Guus Bruno. Meneer Bruno is geboren in het voormalige Nederlands-Nieuw-Guinea dat tegenwoordig bij Indonesië hoort. Hij verhuisde in 1960 als 9-jarig kind naar Nederland. Hij vertelt over zijn bijzondere jeugd ver weg van Nederland en over de uitdagingen die hij tegenkwam in een land dat hem niet altijd met open armen ontving. De kinderen stellen om de beurt een vraag van het papiertje dat ze bij zich hebben.

Hoe was uw jeugd?
‘Ik ben geboren in Nieuw-Guinea toen het nog bij Nederland hoorde. Nieuw-Guinea behoorde deels tot Nederland en deels tot Australië. Ik woonde er samen met mijn ouders en acht broers en zussen. Het was daar heel anders dan hier in Nederland. We leefden dicht bij de natuur, met veel bossen en de oceaan in de buurt. Achter ons huis was eigenlijk alleen maar jungle. Ik ging als kind vroeg naar school en was dan klaar rond twaalf uur. Om twaalf was het al heel warm en zwommen we in de oceaan. Ik had een hele fijne jeugd in Nieuw-Guinea.’

Heeft u bijzondere herinneringen aan uw jeugd daar?
‘In de jungle leefden verschillende stammen. Sommigen zijn zelfs tot op de dag van vandaag nooit ontdekt. Als kind leerde ik dat sommige stammen in de jungle gevaarlijk waren. Ik ben eens met mijn broertje en vrienden de jungle in gegaan en toen werden we gespot door een aantal mensen uit zo’n stam. Ze hadden grote messen bij zich en begonnen achter ons aan te rennen. We moesten echt keihard wegrennen om veilig thuis te komen. Het was: òf onthoofd worden, òf zo hard mogelijk rennen. Die gevaarlijke stammen werden door velen van ons koppensnellers genoemd. We noemden ze zo omdat ze dus mensen onthoofden. Maar daar bleef het niet bij… Ze aten de onthoofde mensen ook op.’

Waren jullie gelovig thuis?
‘Mijn vader was katholiek en mijn moeder was moslim. Mijn moeder heeft haar geloof deels opzij moeten zetten omdat mijn vader niet wilde dat wij mee zouden doen met de ramadan. In Nieuw-Guinea, en ook in Indonesië, duurt de Ramadan veertig dagen in plaats van een maand. Mijn vader vond dat wij als kinderen niet voor zo’n lange tijd moesten leven zonder overdag te eten of drinken. Mijn moeder heeft ons altijd de keus gegeven: wil je moslim worden? Dan mag dat. Wil je katholiek blijven? Dan is het ook oké. Mijn moeder was de dochter van een Maharaja, een soort koning. Zij had dus de titel ‘prinses’. Ze heeft haar titel opgegeven toen ze met mijn vader trouwde.’

Waarom moest u weg uit Nieuw-Guinea?
‘Mijn vader werkte bij de KNIL, het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger. Hij en zijn collega’s kregen een tip, namelijk dat de toenmalige president Soekarno het hele eiland onafhankelijk wilde maken en dat het niet langer veilig was voor ons om er te blijven. We moesten toen zo snel mogelijk weg. We hebben al onze spullen ingepakt en toen begon een lange reis. Eerst moesten we met een bootje naar het eiland Biak, waar een klein vliegveldje was. Vanuit daar vlogen we naar Jakarta en daar stapten we over op een groter vliegtuig, richting Europa. We maakten ergens een tussenstop in Duitsland. De deurtjes van het vliegtuig gingen open, en opeens bevonden we ons midden in de wintertijd. Voor het eerst van mijn leven had ik het echt koud! En sneeuw had ik nog nooit gezien.’

Waar ging u wonen in Nederland?
‘Mijn vader moest nog een jaar uitdienen bij het leger. Samen met mijn moeder, broers en zussen zijn we bij mijn tante in Den Haag gaan wonen. Daarna zijn we verhuisd naar een klein dorpje vlakbij Tiel, dat heet Echteld.

In Nieuw-Guinea had ik de kleuterklas al lang gevolgd. Maar toen wij in Nederland kwamen, moest ik weer terug naar de kleuterklas. Ze dachten volgens mij dat wij geen Nederlands konden spreken. Maar dat konden wij wel! Mijn moeder had altijd gezegd: jullie zitten op een Nederlandse school in Nieuw-Guinea, dus jullie spreken thuis ook Nederlands.’

Hoe werd u ontvangen door andere kinderen uit de buurt?
‘In het dorp waar we terechtkwamen waren ze niet gewend aan mensen met een andere huidskleur. Daardoor ontstonden er vaak ruzies tussen mij en klasgenoten. Je moest jezelf echt bewijzen om erbij te horen. Het was een harde tijd. Ik moest als het ware vechten voor mijn plekje in de maatschappij.’

Heeft u nog bijzondere herinneringen aan uw jeugd in Nederland?
‘Op een ochtend tijdens de winter had mijn moeder mij gewaarschuwd: niet op het ijs staan. Maar goed, ik was jong en eigenwijs… Met een paar vrienden ben ik er toch op gegaan. Ik gleed over het ijs en ineens zakte ik erdoorheen! Ik kwam onder het ijs terecht. Ik heb tegen het ijs geslagen en gestampt tot ik boven kwam. En mijn vrienden? Die stonden alleen maar te kijken en liepen vervolgens weg. Rillend als een gek ben ik toen weer thuis aangekomen. Mijn moeder zag me aankomen. Ze zei: wat had ik vanmorgen tegen jou gezegd? Niet op het ijs. En ik kreeg een pak slaag. Mijn moeder was heel klein maar kon heel hard slaan! Met de pollepel.’

Erfgoeddrager: Luuk

‘De Duitsers hadden onze bakkerij op Midsland gevorderd en dat was niet leuk’

Sam, Hylke en Luuk van de Vossersschool op Terschelling hebben hun vragen goed voorbereid als ze in de auto stappen. Ze rijden helemaal naar Hoorn om Wim Bos (90) thuis op te zoeken. Omdat het lekker weer is, gaan ze met zijn allen rond de tuintafel zitten. Tijdens de oorlog woonde meneer Bos in Midsland op Terschelling.

Hoe oud was u tijdens de oorlog?
‘Ik was vijf jaar toen de oorlog begon. Mijn vader had een bakkerij in Midsland. De Duitsers hadden onze bakkerij gevorderd en dat was niet leuk natuurlijk. De Russische bakker die door de Duitsers bij ons aan het werk was gesteld, was ook veel liever bij zijn vrouw en kinderen in Rusland gebleven. Het was een goede man voor ons want hij sneed randjes af van de koek die hij voor de Duitsers bakte, en gaf die aan ons.’

Woonden er ook Duitse soldaten bij u in de straat?
‘In een straat dichtbij ons huis stonden allemaal barakken waar Duitse soldaten sliepen. De hoge piefen hadden huizen gevorderd in het dorp. De Duitsers kwamen soms ook naar de bakkerij. Ik kende wel een paar soldaten en omdat wij nog kinderen waren deden ze best aardig tegen ons. Op en dag werden we zelfs gewaarschuwd om niet te dichtbij een bepaalde plek te komen.’

Zijn er ook dierbaren omgekomen tijdens de oorlog?
‘De broer van mijn vader en zijn gezin met drie kinderen en een dienstmeisje zijn allemaal omgekomen tijdens een bombardement op Nijmegen. Zij woonden daar, terwijl wij redelijk veilig op Terschelling woonden.’

Wat weet u nog van het einde van de oorlog?
‘Ik was bij mijn oom op West-Terschelling. We waren aan het wandelen, toen we ineens zagen hoe de Duitse soldaten werden afgevoerd. Sommigen die niet wilden, werden beschoten. Mijn oom en ik zijn snel weggevlucht. Dat was best spannend.’

 

Erfgoeddrager: Luuk

‘Discriminatie zit diep in Nederland. Ik hoop echt dat het gaat verdwijnen’

Op een zonnige junidag maken Luuk, Solenne en Elias, leerlingen van het Rudolf Steiner College in Haarlem, kennis met Francisca Burgos. Ze zijn op een bijzondere plek, namelijk het Balinese tuinhuisje van woongroep ‘Lieflijk Indië’ dat Francisca Burgos mooi heeft aangekleed en vol heeft gezet met familiefoto’s, een houten stoel en een boek over de familiegeschiedenis van haar vader en moeder. Hierin staan de stambomen tot vier generaties terug. Francisca Burgos is op het eiland Aruba geboren. Ze vertelt over verschillende koloniale sporen, ook binnen haar eigen familie.

Kunt u iets over uw achtergrond vertellen?
‘Ik heb een DNA-test gedaan om te weten waar ik allemaal vandaan kom. Mijn voorouders komen uit allemaal verschillende landen: Midden-Amerika, Afrika, Engeland, Nederland, Marokko en Estland. De één uit het ene continent en de ander uit een heel ander continent. Dat is het gevolg van de slavernij en het koloniale verleden.
Ik werd in 1964 geboren in Oranjestad op Aruba. Mijn moeder is geboren op Aruba en mijn vader in Suriname. Ik heb twee oudere broers en twee oudere zussen. De vader van mijn opa heette Gustaaf en werd geboren als kindslaaf. Hij werd in 1861 ‘vrij gemaakt’. Zijn Engelse eigenares was namelijk overleden en al haar spullen werden te koop gezet. En wie zien we tussen de inboedel staan alsof ze spulletjes zijn? Gustaaf en zijn zusje Katrijntje. De kinderen werden op dat moment ‘vrij gemaakt’, maar hun ouders bleven slaafgemaakten. Ik denk dat mijn hele familie iets voelt van dit slavernijverleden. Ik ook. Dat zijn koloniale sporen.’

Kunt u nog een voorbeeld van een koloniaal spoor geven?
‘Er is voor mij een ‘angisa’ gemaakt, een hoofddoek. Deze hoofddoeken komen uit de slavernijtijd. De slaafgemaakten mochten vaak niet met elkaar praten, maar door middel van deze hoofddoeken konden ze wel met elkaar communiceren. Door de doek op een bepaalde manier te vouwen, brachten ze stiekem boodschappen aan elkaar over. Dat vind ik erg bijzonder!

Wanneer ging u in Nederland wonen en had u ooit last van discriminatie?
‘Ik was drie maanden oud toen we in Nederland gingen wonen. Mijn vader was leraar en ging hier werken. Mijn moeder vond de verhuizing naar Nederland heel moeilijk. Alles was anders en koud. Ze heeft een jaar binnen gezeten. We gingen in Amstelveen wonen. Ik heb daar een leuke jeugd gehad met veel vriendinnetjes. Later mocht soms mee naar de middagdisco met mijn broer en zus. Daar ging ik dansen. Ik kon als klein meisje eerder dansen dan lopen! Helaas heeft de hele familie hier discriminatie ondervonden. Mijn broers werden geweigerd bij discotheken. Als ik met vriendinnetjes in een winkel was, werd ik door de winkelier extra aandachtig bekeken. Later op mijn werk bij de gemeente Amstelveen maakte ik ook discriminatie mee. Ik ging daar toen niet tegenin, maar je onthoudt het wel allemaal. Discriminatie zit diep in Nederland. Ik hoop echt dat het gaat verdwijnen.’

Erfgoeddrager: Luuk

‘Iedere dag als wij uit school kwamen, moesten we onze koe uitlaten’

Luuk en Abel van basisschool de Wilderen in Waalre zijn te gast bij Jo van der Meeren (1932). Als iedereen wat te drinken heeft en een lekkere koek, kan het interview beginnen. In de oorlog woonde meneer Van der Meeren in Veldhoven, en aan de kinderen vertelt hij over die tijd.

Hadden jullie dieren in huis of in de tuin?
‘Mijn twee oudste broers van 20 en 18 moesten eigenlijk naar Duitsland om daar te gaan werken voor de Duitsers. maar dat wilden zij niet. Ze zijn toen ondergedoken bij een boer in Knegsel, heel erg achteraf. Overdag gingen ze daar werken, ze kregen er ook eten en bleven in de stal slapen. Maar niemand had genoeg eten. Een van mijn broers zei dat we een koe moesten kopen. ‘Een koe kopen’, zei mijn vader, ‘dat kan toch niet!’ We hadden wel een klein stalletje, maar geen wei. Dan heb je geen voer voor een koe. Maar de koe kwam er toch en als wij uit school kwamen, moesten we de koe ‘uitlaten’, dat wil zeggen: wij liepen met die koe langs de rand van het pad, zodat ze gras kon eten. Ik vond dat niet leuk. Maar achteraf was het een heel goed idee, want van de melk maakten wij zelf boter en we hadden altijd genoeg melk om te drinken.

We hadden een groentetuin, fruitbomen en we verbouwden zelf aardappelen. Ook hadden we kippen, varkens en konijnen. Twee keer per jaar werd een varken geslacht. Ook de kippen en konijnen werden uiteindelijk geslacht. Ik heb nooit honger gehad in de oorlog.’

Wat heeft u meegemaakt tijdens de bevrijding?
‘Ik heb gezien dat de verzetstrijders de NSB’ers oppakten en naar het gemeenschapshuis brachten. Daar werden ze opgehaald en naar de gevangenis in Vught gebracht. Ook zag ik Duitse soldaten vluchten. Ze kwamen uit België na het Ardennen-offensief. Sommige zaten in vrachtwagens, anderen waren met de fiets of te voet. Een Duitse soldaat wilde met een vrachtwagen meerijden, maar niemand stopte om hem te laten instappen. Uiteindelijk pakte hij een granaat en hield die in de lucht. Toen stopten ze wel voor hem…

Wij hadden op ons erf een stenen schuurtje en daar maakten de Engelse soldaten hun keuken in. Hier kookten de koks van het Engelse leger iedere dag voor de militairen. Er stond een hele rij Engelse legervoertuigen op het zandpad naar ons huis. Daar sliepen de soldaten in. Iedere ochtend maakte ik een grote bak water warm voor die soldaten, zodat ze zich konden wassen met warm water. Dat vonden ze geweldig en in ruil daarvoor kreeg ik stukken echte zeep. De zeep die wij in de oorlog hadden was surrogaatzeep, die bleef op het water drijven. Toen ik dat aan de Engelsen liet zien, moesten ze lachen en gaven ze mij echte zeep!’

Erfgoeddrager: Luuk

‘Een man riep door de straat: Vlaggen naar binnen, Duitsers op komst!’

Het is een zonnige maar koude vrijdagmorgen in januari. Janne, Luuk en Juul van basisschool De Talisman zijn op weg naar de Margrietstraat in Stratum waar ze Jeanne van Hoof gaan ontmoeten. De 85-jarige mevrouw Van Hoof verwelkomt de kinderen in haar huis, waar zij al 60 jaar woont. In haar authentieke huis zijn volop herinneringen te zien van haar leven. Zo laat zij de fototoestellencollectie zien van haar overleden echtgenoot en mogen de kinderen aan de tafel schuiven waar zij in de oorlogsjaren met haar familie aan zat.

Hoe was uw leven toen u jong was?
‘Ik woonde op de Prins Hendrikstraat in het centrum van Eindhoven. Mijn vader was banketbakker. Daarom hadden we altijd roomboter in huis, een enorme luxe in de oorlog. In de ruime bovenwoning sliep ik met vier zussen op één kamer. Het was altijd gezellig thuis, er mocht van alles en er werd veel gedanst.’

Heeft u in een schuilkelder gezeten?
‘Bij ons in de straat zijn vijf bommen gevallen in de oorlog. Gedurende een bombardement gingen wij samen met mijn ouders op de overloop staan van ons huis. Mijn vader wilde nooit naar een schuilkelder omdat vlakbij, in de Heilige Geeststraat, een vrouw was gestorven tijdens een bombardement in een schuilkelder. Dit had veel indruk gemaakt op mijn vader.’

Was u bang in de oorlog?
‘Ik was nog best jong, maar ik was me er zeker wel van bewust dat het oorlog was. Een bombardement was zo erg… Ik kan nog levendig herinneren dat de muren op en neer gingen, net als bij een aardbeving. De jaloezieën van de overburen lagen bij ons op het balkon. Nu is er in de Prins Hendrikstraat nog een opening in de straat te zien waar dat huis heeft gestaan. Die opening werd later onder buurtgenoten ‘het kapotte huis’ genoemd.’

Hoe was de bevrijding?
‘Ik was 6 jaar was toen de oorlog was afgelopen. Ik herinner me nog goed dat wij met het hele gezin naar de markt gingen want daar was het feest. Later heeft vader de ramen aan de voorkant van het huis versierd met vlaggetjes. Toen kwam er een man door de straat rennen, die riep: ‘Vlaggen naar binnen, Duitsers op komst!’. Mijn vader heeft, ROOEFFF, alle slingers weggehaald bij het raam. Iedereen dacht dat er vrede was, en toch ging het nog mis in de binnenstad van Eindhoven.’

Erfgoeddrager: Luuk

‘Een van de Amerikanen gaf me zijn bajonet, dat maakte indruk op mij’

Op een koude januaridag rijden Luuk, Bran en Alethia vanuit basisschool de Talisman richting Vitalis Berckelhof, waar Ben Clevers (bijna 95 jaar) woont. Hij is de overgroot-opa van Luuk, maar Luuk heeft hem nog nooit over de oorlog gesproken. Ze vinden het alle drie een beetje spannend; hoe gaat dat dan met vragen stellen en heeft meneer Clevers wel genoeg te vertellen? Al snel blijkt dat hij een goede verteller is. Hij vertelt over de oorlog alsof deze gisteren heeft plaatsgevonden, met veel details over tijden en locaties, zonder de tijd te nemen om zelf wat te drinken.

Wat is een van de spannendste dingen die u heeft meegemaakt?
‘In juni 1944 leek het erop dat Eindhoven bevrijd was, maar de ondergrondse kwam ons waarschuwen: het gevaar was niet geweken. We vluchtten op de fiets naar ons buitenhuis in Lieshout. Maar bij t Hofke in Tongelre moesten we overnachten omdat het te gevaarlijk was om verder te gaan. Die avond was er een groot bombardement in Eindhoven. Het leek alsof de héle stad in brand stond.

De volgende dag fietsten we met twaalf man terug naar Eindhoven en kwamen we in een tankslag terecht tussen de Duitsers en Engelsen. We hoorden de granaten van de tanks over fluiten en toen we een Engelse tank tegenkwamen riep hij: ‘Get out, danger!’ Maar waar moesten we heen? In Eindhoven waren nog Duitsers dus we bleven fietsen tot we in Borkel en Schaft aankwamen. Hier zijn we nog een paar dagen gebleven, we sliepen bij mensen die mijn vader kende, totdat het veilig was om terug naar Eindhoven te keren.’

Was het moeilijk om aan eten en spullen te komen tijdens de oorlog?
‘Dit was ontzettend moeilijk, dat kun je je niet voorstellen vandaag de dag. In het begin van de oorlog was er nog genoeg, maar op een gegeven moment ging het eten naar het Oostfront in Duitsland omdat ze daar tekorten hadden.

Er kwamen bonnen waar je eten, schoenen en kleding voor kon halen. Maar er was niks… De winkels waren leeg, dus je had helemaal niets aan bonnen. De beste manier om aan spullen of eten te komen: creatief zijn en samen delen. Ook mijn moeder werd steeds creatiever. Ze vond ergens stof voor een pofbroek of een stukje wol voor een trui, zodat ik niet in mijn blote billen door het leven hoefde.

De crisis duurde tot 1948-1949. Ik had geen jas en er was weinig eten. Ik probeerde op klompen naar school te gaan maar kon hier totaal niet op lopen. Je moest in die tijd geen hoge eisen stellen aan het leven. We wisten niet beter en probeerden er wat van te maken.’

Wanneer dacht u toen Nederland bevrijd leek?
‘Dat weet ik nog heel goed. Op 5 juni 1944 werd er op de luiken geklopt en tegen mijn vader geroepen: ‘Clevers, de Amerikanen zijn geland in Frankrijk!’ Veel mensen luisterden stiekem naar de Engelse zender, naar uitzendingen van Radio Oranje die vanuit Londen kwam en het échte verhaal vertelde omdat de kranten alleen maar positief nieuws over Duitsland mochten schrijven.

Mijn vader had de hele oorlog 48 flessen Franse Cognac bewaard – deze had hij tijdens de oorlog voor veel geld kunnen verkopen, maar dus nooit gedaan omdat hij ze voor de bevrijding wilde bewaren. Dit was het moment waarop dat ze opengingen. Al snel zat er ‘een flinke deuk in de kist’ cognac…

Ons hele huis zat vol met mensen, zelfs met parachutisten vanuit Son. Alle parachutisten hadden een tommy gun en bajonet (een dolk) aan hun enkel zitten ter bescherming. Een van de Amerikanen, Alex Moulhé, gaf me zijn bajonet. Dat maakte veel indruk op mij, als 15-jarige. Helaas is deze Amerikaan later omgekomen in Duitsland, hopelijk niet omdat hij zijn bajonet miste.

We waren ontzettend blij deze dag, ons niet realiserende dat het nog tot september zou duren voordat de Amerikanen en Engelsen Eindhoven écht zouden bevrijden.’

Erfgoeddrager: Luuk

‘Ze lachten mij uit omdat ik op straat liep in mijn pyjama…’

Luuk, Valentijn, Amélie en Jagger van basisschool De Hasselbraam in Eindhoven fietsen naar het gezellige huis van Ad van Thoor (1936). Daar ontvangt hij hen hartelijk, samen met zijn vrouw Paula. Tijdens het interview worden kinderen getrakteerd op drankjes en andere lekkernijen van Paula en op de grapjes van Ad.

Wat gebeurde er tijdens het bombardement van 1944?
‘Het bombardement van 19 september 1944 kan ik bijna fotografisch zien, zo’n indruk heeft dit op mij gemaakt. Ik was acht jaar en zat in mijn pyjama met een aantal mensen in een schuilkelder aan de Aalsterweg, waar nu de Cool Blue is gevestigd. Het was een verrassingsbombardement van de Duitsers, want Eindhoven was eigenlijk net bevrijd door de Engelse en Amerikaanse soldaten. Ik was als enige van mijn gezin in die schuilkelder, want mijn ouders hadden hun kinderen verspreid over verschillende locaties. Zodat ze niet in één klap al hun kinderen zouden verliezen als er iets ergs zou gebeuren. In de schuilkelder brandden kleine lichtjes. We hoorden de vliegende bommen vallen en er viel er ook een op het café naast ons. De lichtjes vielen uit en er ontstond paniek. Iedereen wilde uit de schuilkelder vluchten. Ik kwam er als laatste uit en daar stond ik, alleen op de binnenplaats. Een bekende van mijn moeder nam mij mee naar een veilige plek. De volgende morgen bracht zij mij te voet terug naar huis. Ik zag overal doden en gewonden liggen. Ik heb gezien dat ze werden opgehaald door boerenkarren en huifkarren. Het bombardement was voorbij en het was mooi weer. De zon scheen en de kinderen speelden op straat, en ze lachten mij uit omdat ik daar liep in mijn pyjama…’

Had u een huisdier in de oorlog?
‘Ja, ik had een hondje, een fox terriër, genaamd Foxxie. Ik stond met mijn hondje voor de winkel van mijn moeder naar de Duitsers te kijken met hun mooie groene jassen. Toen kwamen er twee grote Duitse officieren en die liepen daar, met hun schoenen beslagen met ijzeren pinnen. Die maakten zoveel lawaai dat het hondje zich los trok van mij en pardoes in de jas van een van de officieren hapte. Er zat een grote winkelhaak in. Ik schrok heel erg en de Duitse officier zei: ‘Wo ist deine Mutti?’ We moesten naar mijn moeder en zij heeft op de naaimachine de winkelhaak in de jas van de Duitse officier gerepareerd. Dat was een van de heftigste dingen die ik heb meegemaakt in de oorlog.’

Wat deden jullie in de vrije tijd?
‘Wij waren vooral aan het voetballen met zelfgemaakte voetballen. Want er was weinig te krijgen. Wij maakten die voetballen van in elkaar gefrommeld krantenpapier en elastieken van de weckpotten. Die weckpotten werden gebruikt om groente langer houdbaar te houden. Als er geen verse groente meer verkrijgbaar was, kon je uit de weckpotten eten.

Mijn broer had als grote uitzondering een leren voetbal gekregen van mijn vader. Maar dit was uniek in Eindhoven! Naast het voetballen hielden we ons bezig met tollen, repen met een fietswiel, schieten met pijl en boog of met een katapult. Ook dat moest je allemaal zelf maken, want er was niks. Er was niks te koop, of je kreeg bonnen waarmee je wat kon kopen.’

Wat heeft veel indruk op u gemaakt?
‘Toen de Duitsers waren verdreven, kwamen de Engelse bevrijders en zij sloegen hun tenten op in het Stadswandelpark. Gedurende een aantal weken reden ze met militaire voertuigen over de Aalsterweg van Valkenswaard naar Eindhoven en terug om al hun materieel op te halen. Ik stond dan met mijn hondje langs de kant van de Aalsterweg te kijken naar die militaire voertuigen. Plotseling stopte zo’n voertuig vlak voor onze winkel, de klep ging open en er kwamen allemaal lekkere dingen uit. In de consternatie had mijn hondje zich weer los gerukt en voordat ik het in de gaten had, trok een van de soldaten het hondje in de auto. De deur ging dicht en ze reden weg en ik heb mijn hondje, mijn maatje, nooit meer teruggezien!’

 

Erfgoeddrager: Luuk

‘In onze school zaten toen Duitse soldaten. Gewone, aardige jongens, die moèsten vechten’

Salsabiel, Leah, Naeem en Luuk van OBS Wereldwijs uit Zuidoost hebben in de ochtend eerst de eindtoets gemaakt. Na wat rondjes rennen buiten ontmoeten ze Corrie van Druenen. Mevrouw is geboren in 1935, woonde tijdens de oorlog met haar ouders en vijf jaar oudere zus in de Soembawastraat in Amsterdam-Oost. Zij is heel blij dat ze weer geïnterviewd wordt door een groepje leerlingen.

Wat veranderde er in uw leven toen de oorlog uitbrak?
‘Ik merkte er niet zo veel van, want ik was vijf jaar en mijn moeder vertelde er niet veel over, maar heel langzaam veranderde de dingen. Het voedsel ging op de bon. We mochten na twaalf uur niet meer de straat op. Joodse mensen mochten na acht uur al niet meer de straat op. Ik weet nog goed dat ik een keer buiten speelde met mijn twee Joodse boven buurmeisjes. Niemand zag dat het Joodse meisjes waren. Maar precies aan de overkant van ons woonde een NSB‘er en om klokslag acht uur ging hij dan pontificaal in de deuropening ging staan. Hij stuurde dan die meisjes naar boven. Die NSB-buurman heeft na de oorlog twintig jaar gevangenisstraf gehad, dus kun je nagaan hoe slecht hij was.’

Kende u mensen uit uw buurt die Joods waren?
Ja, wij woonden beneden op de eerste verdieping, boven ons woonde een gezin met drie Joodse kinderen, twee meiden en een jongen. Die kende ik heel goed, ze waren wat ouder en ik speelde met hun. Op een dag waren ze er niet meer. Bij die twee buurmeisjes weet ik niet of ze zelf weggegaan zijn, of zijn weggehaald. Van dat andere gezin is de zoon weer teruggekomen. De anderen niet. Zij zijn vermoord.’

Kende u ook Duitse soldaten?
‘Op een gegeven moment hadden de Duitse bezetters allemaal scholen gevorderd voor de Duitse soldaten om in te verblijven. Daarom moesten wij met twee scholen één gebouw delen. In onze school zaten toen allemaal Duitse soldaten. Gewone, aardige jongens, die moèsten vechten. Bij ons aan de overkant zaten ze ook in een school. We deden gewoon boodschappen voor die jongens. Ze speelden ook spelletjes met ons; niet alle Duitsers waren slecht.’

Hoe is met uw vader in de oorlog gegaan?
Mijn vader moest in Duitsland werken. Hij had een houtzagerij, maar aan het eind van de oorlog was er geen hout meer. Hij is meteen naar het strafkamp Amersfoort gestuurd, toen hij op een dag werd opgepakt. Hij had zijn persoonsbewijs niet meer. Ik was toen negen jaar en weet het nog heel goed.
Mijn moeder hield altijd de moed erin en zei dat hij wel terug zou komen. Zij stelde voor om samen in één kamer te slapen voor de gezelligheid. Later bekende dat was om mij en mijn zus dichtbij haar te hebben. Mocht er iets gebeuren of als er een bom zou vallen. Vlak voor de bevrijding zijn alle gevangenen uit Kamp Amersfoort op de trein gezet. Die stond vervolgens anderhalve dag stil. Ze zaten daar zonder eten en drinken. Een verpleegster van het Rode Kruis die langs fietste, zorgde voor hulp en ze kregen pap.
Mijn vader is onder de trein door gekropen en weggevlucht. Op een geleende fiets kwam hij weer thuis, vlak voor de bevrijding. Ik zie het nog voor me…een kale kop had ie en hij was heel mager.’

Hoe was de Hongerwinter?
‘In de laatste maanden van de oorlog was er helemaal geen eten meer. Je zag dan hele lange rijen mensen lopen met bakfietsen, kinderwagens, karren noem maar op. Iedereen probeerde bij de boeren eten te krijgen. Toen bij de boeren rondom Amsterdam ook alles op was, liepen de mensen steeds verder. Mijn moeder is wel vijf keer helemaal naar Zwolle gefietst om daar eten te halen. Dan liep ze terug en moest je ook nog blij zijn dat het niet afgepakt werd onderweg. Ik weet nog dat ze laatste keer terugkwam met tachtig pond rogge. We hadden een kleine koffiebonenmolen, daarin maalden we die rogge fijn. Daar kookte mijn moeder dan met water, pap van. Melk was er niet. Ik vond dat niet lekker.  Toen de oorlog was afgelopen, woog ik nog maar twintig kilo.’

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892