Erfgoeddrager: Luuk

‘Alles wat Duits was, deugde niet voor mijn vader’

Noor, Lux en Luuk van basisschool De Hasselbraam hebben de vragen voor Cor Sprengers goed voorbereid en willen alles weten over het Sinterklaasbombardement en hoe het is om een onderduikster in huis te hebben. Meneer Sprengers vertelt graag en de verhalen maken indruk op de kinderen.

Wat herinnert u zich nog van het Sinterklaasbombardement?
‘Op 6 december 1942 was ik samen met mijn broer op de zondagsschool. We zongen ‘Er ruist langs de wolken‘ toen de bombardementen op de Philipsfabrieken begonnen. Onze school was daar niet ver vandaan. Toen we de school uitkwamen, was er overal brand. We zagen mijn vader die ons zocht en mee naar huis nam. Vanaf ons huis konden we de stad zien branden. Onze buren hebben Duitsers uit brandende torens zien springen. Dat maakte wel indruk.’

Wat vond u ervan dat uw vader in het verzet zat? Was u niet bang?
‘Voor mijn ouders was het je burgerplicht om mensen te helpen, ze vonden dat niet bijzonder. Als kinderen wisten wij heel goed wat er aan de hand was, maar we waren ook nog kind. Ik was dus niet heel erg bang. Ik herinner me dat mijn moeder mijn vader altijd aan de kant trok als er Duitsers langsliepen. Hij werd dan  spierwit en wilde hen uitschelden. Hij had ook zoveel meegemaakt tijdens de bombardementen in Rotterdam. Alles wat Duits was deugde niet.’

Hoe is tante Mientje bij jullie in huis gekomen?
‘In 1943 kregen we ineens een logé, tante Mientje. We mochten aan niemand vertellen dat zij bij ons in huis was. De vitrage was daarom altijd dicht en als er mensen langskwamen, snelde tante Mientje direct naar boven. Tante Mientje was eerst ergens anders ondergedoken, maar daar was ze niet veilig meer, ze was daar bijna opgepakt. Ze deed toen alsof ze zich aan het omkleden was. Daardoor durfden de Duitsers niet haar kamer binnen te komen. Tante Mientje zag er heel Joods uit, dus ze heeft veel geluk gehad. Na de bevrijding is moeder samen met haar voor het eerst na lange tijd naar buiten gegaan. Dat was heel gek voor haar.’

Hoe bereidde u zich voor op de oorlog?
‘Niet. Als kind overkwam je dat. Mijn ouders wisten heel goed wat er aan de hand was. En toen het eenmaal oorlog was, hebben we ons zo goed mogelijk aangepast. Mijn vader wist wel wat er aan de hand was. Daarna was het een kwestie van aanpassen en zorgen dat je van de toestanden wegbleef. In het begin woonden we in Zeist. Het heeft ruim twee maanden geduurd voordat we terug naar Eindhoven konden. Alle bruggen waren nog kapot, waardoor we iedere keer met een bootje de rivieren overgezet werden. Maar dat was toen gewoon zo.’

Erfgoeddrager: Luuk

‘Boven liet ik zien dat die posters niet bij ons raam hingen’

De 91-jarige Riki Simonis komt op de fiets van Osdorp naar Slotermeer. Daar zullen Luuk, Ankido, Eva en Vincent uit groep 8 haar interviewen over de oorlog, die ze als tiener meemaakte. Tot eind 1943 woonde ze in Amsterdam-West. Op een huis verderop waar ze bijna hadden gewoond, is later nog een bom gevallen, vertelt ze de kinderen. Het gezin heeft veel geluk gehad op verschillende momenten.

Hoe merkte u dat de oorlog begon?
‘Al vanaf 1939, toen Duitsland al andere landen binnenviel, luisterden mijn ouders veel naar de radio. Wij hadden toen natuurlijk nog geen televisie of telefoon om ons te laten informeren. Zo kregen ook wij kinderen te horen dat er oorlog zou kunnen komen in Nederland. Op de ochtend van de tiende mei 1940 zei mijn moeder: “Het kan zijn dat jullie op school naar huis worden gestuurd. Ik ben er niet, maar dan kunnen jullie naar de buurvrouw.” Ik dacht nog: waarom zouden we naar huis gestuurd worden? Maar dat gebeurde dus. Het was oorlog. Buren van ons zaten bij de NSB. De buurman vertelde dat een keer aan mijn vader toen ze aan het vissen waren. “Ik wil niks meer met je te maken hebben,” antwoordde mijn vader toen. In mijn klas op de middelbare school zat een jongen waarvan de ouders bij de NSB zaten. Toen die na Dolle Dinsdag, toen veel mensen dachten dat de oorlog voorbij was, gevlucht was, werd het een stuk gezelliger in de klas. De leraar hoefde niet meer op te letten wat hij ons vertelde aan anti-Duitse dingen. Ook op drie hoog in onze straat woonde een NSB-gezin. De kinderen waren lid van de Jeugdstorm, een vereniging voor jongeren die voor Hitler waren. Ze hadden ook pamfletten op hun raam geplakt. Sommige mensen dachten dat die van ons waren, want het leek net of het raam van ons huis was! Dan ging ik uitleggen dat dat niet zo was. Soms nam ik mensen mee naar binnen om te laten zien dat het niet ons raam was. Dat mensen dat van ons konden denken, vonden we echt vreselijk. Uiteindelijk wilden mijn ouders, en ook wij kinderen, niet meer in die straat wonen en verhuisden we in oktober 1943.’

Waar zijn jullie naartoe gegaan?
‘Naar Amsterdam-Noord. Mensen trokken daar weg, omdat ze het eng vonden dicht bij de Fokkerfabriek te wonen. Vanaf dat wij er woonden is die trouwens niet meer gebombardeerd. Het enige dat ik daar meemaakte was in de zomer van 1944. Ik was met mijn moeder en zus wandelen in het Vliegenbos toen het luchtalarm afging. We moesten een schuilkelder in. Dat was wel eng, ja, maar ik was blij dat ik met mijn moeder was. De volwassenen hielden ons kinderen bezig met verhaaltjes, terwijl we wachtten tot we de sirene hoorden die duidelijk maakte dat het buiten weer veilig was. Dat heeft een klein uur geduurd. In Noord kenden we geen NSB’ers in de straat. Omdat mannen tussen de 18 en 40 jaar het gevaar liepen te worden opgepakt om in Duitsland te werken, stonden er altijd twee oudere mannen bij de pont op wacht. Als er een keer Duitsers aankwamen, riepen ze: “Arie! Arie!” Dat betekende: attentie, ze komen eraan. Mijn broer ging dan in een geheime ruimte in de slaapkamer schuilen. Als het weer veilig was, riepen ze: “Hein! Hein!” Ook hebben we een keer met de hele buurt, toen er tekort was aan kolen voor de kachel en het fornuis, hout bij het terrein van voetbalclub De Volewijckers gesloopt. Dat was nog gezellig ook. Het was net een buurtfeest!’

Wat at u in de Hongerwinter?
‘Op school kregen we soep met aardappelschillen. Dat was zo vies, dat we de schillen – we aten in de gymzaal – tussen de gymmatten stopten. Het smaakte ook niet. Het was waterig vooral, en er zaten ook brandnetels in. Wij hadden het geluk dat mijn ouders vrienden in de Wieringermeerpolder hadden. Dan gingen ze daar op de fiets een paar dagen naartoe. In ruil voor eten maakte mijn vader, die kleermaker was, hun kapotte kleren. Een jas die van de binnenkant nog wel mooi was, kon hij dan binnenstebuiten vermaken. Mijn moeder hielp daar in het huishouden. Ze kregen aardappels en tuinbonen. Na de oorlog heb ik die nooit meer willen eten. Van mijn moeder mocht ik na die tijd ook nooit meer zeggen dat ik honger had. Dat was trek! Of ons hele gezin de oorlog heeft overleefd? Ja. Een oom van me is in de oorlog omgekomen, maar die was zelf, vrijwillig dus, het Duitse leger ingegaan. Mijn oma zei altijd heel droogjes dat het zijn eigen schuld was.’

Hoe was de Bevrijding?
‘Aan het eind van de oorlog ben ik naar Groningen gegaan. Mijn ouders waren toen net niet thuis, die waren in de polder, dus mijn broer bracht me naar de boot bij de Prins Henkdrikkade. Mijn vader is nog snel naar de kade gefietst toen hij thuis was, maar ik was al weg. Op de boot, die over het IJsselmeer ging, heb ik ’s nachts van angst in mijn broek geplast, terwijl ik al dertien of veertien was. Ik ging alleen, want mijn zus was ouder en had al een persoonsbewijs. Dan mocht je niet mee. In Groningen had ik het naar mijn zin bij mijn oom en tante en hun één jaar oudere dochter. Ik ging met haar ook gewoon mee naar school. In Groningen werd in april nog drie dagen gevochten. Mijn oom wilde voor de veiligheid mijn tante, nichtje en mij meenemen naar zijn werk bij de elektriciteitscentrale. Van angst ging ik overgeven en kreeg ik diarree angst. Mijn tante besloot met de kinderen thuis te blijven en ging met ons aan de overkant in de kelder van de melkfabriek schuilen. Na drie dagen kwam mijn oom grauw en ellendig thuis. Hij was blij dat we niet waren meegegaan, zo heftig was het daar geweest. Op 4 mei 1945, om acht uur ’s avonds, hoorden we dat de oorlog voorbij was. Mijn tante haalde me toen uit bed. Ik ben met een jas over mijn pyjama de straat opgegaan. Mensen dansten van blijdschap. Later kregen we van de Canadezen kauwgum, dat kende ik helemaal niet, en chocola. In juni, toen de treinen weer reden, kon ik weer naar huis.’

   

Erfgoeddrager: Luuk

‘De Duitsers schoten lukraak en Annie werd geraakt’

Maartje, Madelief, Justin en Luuk kennen de plaquette met namen van kinderen die omgekomen zijn in de oorlog, bij de ingang van verzorgingshuis Flesseman bij de Nieuwmarkt in Amsterdam. Dat ze nu de broer van Annie Meijer, één van de kinderen die erop vermeld staat, gaan interviewen vinden ze heel bijzonder. De leerlingen van de Sint Antoniusschool hebben al veel vragen voor Rob Meijer bedacht. Ook willen ze hem vragen of ze na het interview met hem naar de plaquette kunnen lopen. Ze hopen dat hij dan ook zijn vroegere huis kan aanwijzen en het steegje waarin Annie en zijn broer samen voor het laatst liepen.

Kunt u zich Annie nog herinneren?
‘Annie was twee jaar jonger dan ik, een meisje met blonde krullen en met een pittig karakter. Ze kon heel goed moedertje spelen. Ze had drie oudere broers, maar we konden allemaal niet tegen haar op. Op vrijdagavond moeten we altijd gewassen worden. Dan gingen we met z’n tweeën tegelijk in een grote wasteil. We zaten elk aan een kant en waren lekker aan het plonsen. Als mijn moeder dan zei ‘Jongens jullie eruit, volgenden erin’, dan wilden we er helemaal niet uit. Maar dan stond Annie daar en zei erachteraan: ‘Ja jongens eruit!!’. Ze was altijd erg aanwezig maar jammer genoeg mocht het niet zo lang duren. Toen ze overleed was ze bijna 5 jaar.’

Wat gebeurde er met Annie?
Op de Nieuwmarkt verzamelden zich vaak zwarthandelaren. Zij verkochten stiekem sigaretten en drank aan rijke mensen, terwijl dat van de Duitsers niet mocht. Soms kwamen de Duitsers dan onverwacht met een overvalwagen om de zwarthandelaren op te pakken. Iedereen maakte dat hij wegkwam als ze eraan kwamen, en rende de smalle steegjes in. Ook op 28 september 1944. Mijn broer en Annie kwamen net terug van de Bijenkorf en liepen in de Barndesteeg toen allemaal vluchtende mensen aan kwamen rennen vanaf de Nieuwmarkt. De Duitsers schoten lukraak vanaf hun wagen op de mensen in het steegje en Annie werd geraakt. Mijn broer gelukkig niet. Kennissen renden vlug naar mijn ouders die om de hoek woonden om ze te waarschuwen. Ze brachten Annie op de handkar van de groenteman naar het ziekenhuis. Daar is ze dezelfde avond nog overleden.’

Durfde u daarna nog wel naar buiten?
Ik was nog een klein kind en zag het gevaar niet zo als volwassenen. Mijn ouders konden ons natuurlijk ook niet steeds binnen houden. Dus speelden mijn broers en ik ook nadat Annie was overleden, gewoon weer op straat. Soms ging ik eten halen bij de gaarkeuken in het gebouw naast jullie school. Wij kregen veel voedselbonnen omdat we een groot gezin hadden. Jammer genoeg kregen we nooit zoveel eten mee. Maar dat was logisch want iedereen had honger en had eten nodig. Mijn broer en ik konden in de Hongerwinter een paar maanden naar de boeren in de Wieringermeer om aan te sterken. Die mensen van de boerderij wilden het liefst meisjes opnemen want zij konden dan meehelpen in de huishouding. Maar mijn broer en ik zaten als laatsten in de auto en toen moesten ze ons maar nemen. We vonden het helemaal niet leuk daar en hadden veel heimwee. We misten onze vader en moeder en de stad.’

Hoe voelde u zich bij de bevrijding?
Ik kan me nog herinneren dat tijdens de bevrijding veel Canadezen de stad in kwamen. Ze strooiden vanuit wagens allemaal lekkere dingen. We waren natuurlijk allemaal heel blij dat de oorlog eindelijk was afgelopen. Maar bij ons thuis was tegelijkertijd een groot verdriet. Een paar maanden nadat Annie was overleden, was ook mijn andere babyzusje er onverwacht niet meer. Mijn moeder ging op een dag naar boven om haar eten te geven en kwam huilend terug de trap af met haar dode baby in haar armen. ‘Brigitta is dood, ze is hartstikke dood! Hoe kan dat nou?’, zei ze huilend. We hebben nooit geweten waaraan Brigitta is overleden. Daar werd in de oorlog geen onderzoek naar gedaan. Toen waren mijn beide zusjes er niet meer. Na de oorlog hebben mijn vader en moeder nog drie zonen gekregen en waren we een gezin met zeven broers.’

 

Erfgoeddrager: Luuk

‘Eten, eten, eten, daar was je de hele dag mee bezig’

Abe, Cander, Max en Luuk van de 3e Daltonschool in Amsterdam-Zuid gaan langs in het verzorgingshuis d’Oude Raaij. Abe weet hoe het eruit ziet, zijn oma woont ook in een verzorgingshuis. Ze gaan op bezoek bij de 97-jarige An Eek. Ze wacht de jongens al op met limonade en koekjes. An vertelt een aantal indrukwekkende verhalen. Af en toe wordt er pauze gehouden om rustig na te denken bij een koekje.

Wanneer merkte u dat er iets niet goed ging in de oorlog?
‘De eerste twee jaar vielen mee. Geweld heb ik niet meegemaakt. Ik woonde in een buurt waar veel Joodse mensen woonden. Dat was het ergste van de oorlog, dat zij zo uit hun huizen werden gehaald, op straat werden gezet en daarna werden afgevoerd in een soort vrachtwagen. Dat was afschuwelijk. We hebben ze nooit meer gezien. Het ergste was dat er Nederlanders waren die daaraan meededen. Er werd gezegd dat ze in Duitsland moesten werken. Na de oorlog hoorden we pas wat er echt gebeurd was. De Jodenvervolging was erger dan de honger die wij hebben gehad. Ik heb nog steeds de kralen die mijn lieve Joodse vriendin aan me gaf om te bewaren tot zij terugkwam na de oorlog.
Na de oorlog belden mensen aan die we van vóór de oorlog uit onze buurt kenden. Joodse mensen die ondergedoken hadden gezeten. Ik was zó blij dat ze het hadden overleefd. Wij hadden een Joods jongetje van vijf in huis. Charley was zijn naam, of misschien was dat zijn schuilnaam. Hij woonde bij ons en ik deed of hij mijn broertje was. Hij had een wat andere uitspraak. Dat was angstig, want dan konden ze ontdekken dat hij een onderduikertje was. Dus leerden we hem goed Nederlands spreken. We gingen ook wel met hem buiten spelen. Hij heeft gelukkig de oorlog overleefd. Hij had niet veel familie meer en kwam nog regelmatig bij ons langs.’

Heeft u familieleden die de oorlog niet hebben overleefd?
‘Mijn oom, de broer van mijn vader, is aangehouden en meegenomen naar de Euterpestraat, wat nu de Gerrit van der Veenstraat is. Daar zaten Duitsers die informatie verzamelden. We hebben hem nooit meer teruggezien. Dan begrijpen jullie wel wat er is gebeurd. Het was mijn liefste oom.’

Heeft u ook iets in het verzet gedaan?
‘Nee, ik niet, maar mijn oudste zus wel. Ze mocht er niet over praten. Je vertrouwde je familie wel, maar je wilde niet dat de verkeerde personen iets hoorden. Mijn zus had gezien dat er mensen werden doodgeschoten. Daar was ze erg van ondersteboven. Ik zag het zelf ook een keer. Er moesten zes jongelui tegen de dijk aan staan. Eén jongen riep heel hard “Mama, mama”. Zo vreselijk. Ik zal dat nooit vergeten. Ik woonde daar in de buurt en liep er net langs. Je moest stilstaan en werd verplicht te kijken. Ook op de Weteringschans werden mensen doodgeschoten. Iedereen werd tegengehouden en moest kijken.
Ik bracht wel krantjes rond, onder een wijde jas, maar ik wist niet hoe gevaarlijk dat was. Als er soldaten waren bij dat huis waar je kranten bezorgde, wachtte je tot de soldaten weg waren. Als je dan een Duitser tegenkwam, schrok je je de pip. Eigenlijk eng als je er achteraf aan terugdenkt.

Had u genoeg eten tijdens de Hongerwinter?
‘Eten, tijdens de Hongerwinter? Het woord zegt het al, we hadden honger. We aten de raarste dingen. We aten tulpenbollen en pannenkoeken van een soort bloem. We hadden honger, dus we aten alles wat eetbaar was. Ik heb een griezelverhaal: de meeste huisdieren werden opgegeten. Eten, eten, eten, daar was je de hele dag mee bezig. Je stroopte het land af om aan eten te komen. Dat was de hoofdzaak. Mijn ouders hadden drie dochters, en die lustten wel wat. Ik ging op een keer eten halen op de fiets. Die fiets had geen luchtbanden, dus je fietste op de velgen. Ik kwam terecht in Enkhuizen. Dat is heel ver, zeker op een fiets met alleen velgen. Daar zetten ze een bord pap voor mijn neus. Heerlijk was dat. Ik kreeg eten mee voor thuis. Dat had ik op de bagagedrager gezet. Bij de entree van Amsterdam vroegen de Duitsers wat ik in die tas had. Ik zei “wat boodschappen” en toen werd al het eten afgepakt. Toen kwam ik thuis met niets.’

Erfgoeddrager: Luuk

‘De buren schreeuwden dat we op de grond moesten liggen’

Dikkie Bos woont tegenwoordig vlak naast de H.J. Piekschool, in dezelfde straat als Luuk. Hij en zijn klasgenoten Noa, Jorinde en Hidde interviewen mevrouw Bos over de oorlog, die begon toen ze elf jaar was. Zij woonde toen op de Veerweg in Wageningen met haar zussen en ouders. ‘Zelfs de katten in de stal kregen beter te eten dan wij,’ vertelt ze over de evacuatieperiode.

Hoe was het in oorlog voor u?
‘Het was zeker niet leuk. Heel veel dingen mochten niet meer en je was bang. In mei 1940 moest heel Wageningen evacueren. Mijn vader moest de koeien uit de wei halen en ging daarom niet mee. Mijn moeder moest het allemaal alleen regelen. Ik was de oudste van drie meisjes. Mijn zusje van negen was al een jaar ziek. Het Rode Kruis zou haar ophalen en naar de haven brengen, maar ze werd vergeten. Mijn moeder weigerde toen te evacueren. Later werd ze gelukkig wel opgehaald. Op een rijnaken gingen we op weg. De boten waren heel erg vol. Op onze boot zat een NSB-vrouw. Ze stond op het dek naar de Duitse vliegtuigen te zwaaien. Nou, dat is niet goed voor haar afgelopen, ze werd door anderen geslagen. Beneden in de boot was het niet heel fris. Je behoefte deed je op een emmer, die boven werd geleegd. Dat ging een keer mis. De emmer viel bovenaan de trap. Dat was niet leuk voor de mensen die eronder zaten. Wij kwamen uiteindelijk in Groot Ammers terecht. Mijn zusje ging naar een ander dorp. Ik vond het heel leuk in Groot Ammers. We speelden verstoppertje in de grote rioleringsbuizen en ’s avonds sliepen we op stro.’

Kende u ook iemand die is opgepakt door de Duitsers?
‘Nee, gelukkig niet, maar het scheelde niet veel. Voordat we de tweede keer moesten evacueren had ik een vriendje. Later ben ik met hem getrouwd. Hij wilde altijd voetballen en dan gingen we naar de Wageningse berg. Op een dag kwamen we daar en toen waren de mensen in paniek. Ze zeiden dat we allemaal weg moesten wezen. Gelukkig waren we toen nog niet bij het stadion, want daar was net een razzia. Duitse soldaten pakten mannen op om hen te werk te stellen in Duitsland. Het voetbalveld is natuurlijk een goede plek, want daar zijn altijd heel veel mannen. Wij zijn heel snel de andere kant op gelopen en gelukkig is hij niet opgepakt.’

Hoe was de tweede evacuatie voor u?
‘In 1944 moesten we weer weg. Via mijn tante in Bennekom en Scherpenzeel kwamen we uiteindelijk in Bilthoven terecht bij een boer. Daar sliepen we ook boven in een stal. Naast de boerderij stonden allemaal mooie villa’s. Eentje daarvan was bezet door Duitse militairen. De boer bracht daar regelmatig eten langs en wij kregen niets, niet eens een sneetje brood. Zelfs de katten in de stal kregen beter te eten dan wij. Mijn zus en ik wachtten geregeld tot de boer weg was en aten dan het eten van de katten op. Dat was best lekker. Maar toen was alles lekker. In deze tijd heb ik ook de enige keer in mijn leven iets gejat. Een plakje spek. Ik lust eigenlijk helemaal geen spek, maar ja ik had zo’n erge honger.’

Heeft u ook iets grappigs meegemaakt in de oorlog?
‘Dan moet ik meteen denken aan onze tijd in Bennekom. We zaten daar met het hele gezin in een kelder bij mijn tante. Het was een fijne tijd; we hebben heel veel liedjes gezongen. Mijn vader wilde aan ons kinderen laten zien hoe we in een noodgeval zouden kunnen ontsnappen. In de kelder zat een klein raampje en daar ging hij doorheen. Maar toen zat hij klem. Hij kon niet meer naar voren of naar achteren. Dat was heel grappig. Daar hebben we het nog steeds over. In Bennekom zijn wel meerdere grappige dingen gebeurd. Mijn tante was wel een stoere dame. Ik ben een keer met haar op de fiets eten bij de boer gaan halen. Ik vond dat leuk, zij en ik samen op pad. We waren al bijna weer thuis toen er opeens allemaal vliegtuigen overvlogen. De buren klopten op de ramen en schreeuwden dat we op de grond moesten gaan liggen. Maar mijn tante trok zich daar helemaal niets van aan en zei dat die mensen gek waren geworden. Maar eigenlijk was het wel een gevaarlijke situatie.’

Hoe was het om na de Bevrijding weer terug te komen naar Wageningen?
‘Wel heel fijn, eindelijk weer thuis. Maar er was een granaat op ons huis gevallen. Mijn slaapkamer was er niet meer. Maar nog steeds we waren heel blij dat we weer thuis waren.’

Erfgoeddrager: Luuk

‘Als de Duitsers komen moet je je niet verzetten’

Met een warme glimlach begroet Mariet Wentholt Beau, Tygo, Marcel, en Luuk die haar komen interviewen. Mevrouw Wentholt laat de leerlingen van de Beppino Sartoschool in Eindhoven veel foto’s zien. Ze toont interesse in het viertal en die is wederzijds. De kinderen zijn onder de indruk van haar verhalen, maar de meeste indruk maakt haar vergevingsgezindheid naar de Duitsers die veel van haar familieleden gedood hebben.

Hoe begon de oorlog voor u?
‘Ik werd vlak voor de oorlog geboren in Hilversum. Mijn vader en moeder gaven me de naam Eva. Maar vlak na mijn geboorte stierf mijn moeder. Toen mijn vader bij het stadhuis in Hilversum het overlijden van mijn moeder en mijn geboorte ging aanmelden, besloot hij mij de naam van mijn moeder te geven en zo werd ik twee dagen later Maria Eva Jacoba genoemd. De schoonzus van mijn moeder, tante Geesje, en haar gezin zorgden tijdelijk voor mij. Ik noemde haar mama. Mijn vader was Joods en moest al meteen een ster op. Na een tijdelijke vrijstelling werd hij opgeroepen om naar werkkamp Havelte te gaan. Mijn vader had hele fijne vrienden. Een van zijn vrienden werkte bij de gasfabriek in Laren en zei: ga niet naar het kamp, maar kom bij ons onderduiken. Maar mijn vader vond dat niet solidair met zijn familie omdat veel familieleden ‘niet teruggekomen zijn’. Zo noemen wij dat. Wij zeggen nooit ‘ze zijn vergast’, maar wij zeggen ‘ze zijn niet meer teruggekomen’. Hij zei: ik ben niet meer of minder dan de rest van mijn familie. Dus is hij uit solidariteit uiteindelijk in het kamp Havelte terechtgekomen. Mijn vader mocht de eerste tijd af en toe kort thuiskomen.’

Bent u ondergedoken geweest?
‘Op een dag zei vader toen hij thuiskwam in Utrecht: ‘Ik zie je misschien nooit meer terug’. Hij zou gedeporteerd worden. Ik stond boven aan de trap. Vader deed heel stug. Ik begreep het niet en dacht dat hij boos op mij was, maar dat leek zo omdat hij zo verdrietig was, begreep ik later. Ik zie het beeld nog van vader die wegliep terwijl ik boven aan de steile trap stond. De Joodse mensen van kamp Havelte zouden na een lange periode van hard werken met treinen naar de Duitse vernietigingskampen getransporteerd worden. De vriend van mijn vader in Laren zat bij het verzet. Hij deed heel gevaarlijk werk en had veel contacten bij de ondergrondse. Die heeft mijn vader en anderen helpen ontsnappen op het moment dat ze naar de trein moesten lopen. Mijn vader telde zijn stappen, naar een verhaal uit de Bijbel, toen hij vanuit het kamp naar de transporttrein liep. Het was het dealen met de Eeuwige om op aarde bij zijn dochter te kunnen blijven. Hij zei: ‘Ik neem 10 stappen. Nog 10, nog 9, nog 8, nog 7 stappen… Als de Eeuwige niets doet weet ik bij de laatste stap dat ik mee moet.’ Maar plotseling werd er vreselijk gebombardeerd en geschoten. Op dat moment kon vader met de andere mannen vluchten. Ze renden naar de schepen van de ondergrondse die in het kanaal lagen en kropen snel onder een zeil, terwijl er enorme explosies en schietpartijen plaatsvonden. Ze zijn naar een boerderij gegaan en hebben zich in hooibergen verstopt. ‘s Nachts zijn ze in etappes naar Utrecht gelopen. Ik mocht mijn vader de eerste dagen niet zien, hij was zo op, onder de blaren en helemaal verzwakt mede vanwege zijn diabetes. Binnen anderhalve dag werden we opgehaald door de vriend uit Laren, mijn onderduikvader. Dat was heel spannend en moest snel gebeuren want aan de overkant van ons huis stond het stadhuis, daar zaten al die hoge SS-officieren. Ze konden zo bij ons binnenkijken. We werden opgehaald door een klein busje van de wasserij die voor de Duitsers waste. Het wagentje werd vlak voor de deur gezet. Zo kwamen we bij mijn onderduikouders in Laren terecht. Heel moedig van deze mensen om ons in huis te nemen. Je weet dat je hele gezin eraan gaat als het ontdekt wordt. Hun vierde kindje was op komst. We hebben veel aan hen te danken.’

Waardoor hebben jullie de oorlog overleefd?
‘We zijn eigenlijk door een Duitse mevrouw uit Laren gered tijdens de oorlog. Zij was een ‘Rijksduitse’, getrouwd met een hoge SS-officier, en woonde tegenover ons. Zij hadden het huis van een Joodse familie geconfisqueerd. Zij hield alles in de gaten in onze laan. Ze zag mij en mijn vader aankomen op het onderduikadres. Tegen mijn onderduikvader zei ze toen we uitstapten: ‘Jullie nemen Joden in huis’. Doordat ze veel contact had met de familie Mooij, mijn onderduikouders, en haar kinderen met hun kinderen speelden liet ze het zo. Ik werd als een evacueetje gezien. Door dit contact leek de familie Mooij voor de Larense bevolking ‘fout’ te zijn. Niemand vermoedde dat er onderduikers bij hen zaten. Elke avond als ik naar bed ging, zei mijn vader: ‘Hier staat jouw koffertje en als de Duitsers komen – ‘de stoute soldaatjes’ noemde ik ze – als die komen dan moet je je heel rustig aankleden, je niet verzetten. Hier zijn je kleertjes, daar staan je schoentjes, je kan je beertje meenemen en that’s it.’ Vaak kwamen er soldaten Laren binnen om mannen op te halen die in Duitsland in dienst moesten, en om te kijken of er Joden waren. Dat wist onze Rijksduitse overbuurvrouw. Ze zag hen altijd aankomen en lokte ze haar huis in. Ze was een hele mooie vrouw van 28 jaar. En dan gaf ze die mannen een heleboel bier en wijn tot ze helemaal dronken waren. Vervolgens zei ze: ‘Jullie moeten terug naar de kazerne want jullie moeten voor tien uur in de kazerne zijn’. Stomdronken liepen ze dan terug. Ze zei ook tegen hen: ‘ Ik hou hier alles onder controle en het is hier Judenrein’. Dat betekent: er zijn hier geen Joden. En zo zijn we door de oorlog gekomen. Had ze ons verlinkt, dan waren we er niet mee geweest en ook het hele onderduikgezin niet.’

Had uw vader een hekel aan de NSB?
Na de oorlog is de Rijksduitse mevrouw opgepakt en kwam in het Oranjehotel in Scheveningen terecht. Mijn vader is naar haar toegegaan en heeft een goed woordje voor haar gedaan. Ze is er vervroegd uitgekomen. Haar man is wel heel erg gestraft en zijn vader ook. Er zaten ook veel NSB’ers in het Oranjehotel. Een aantal NSB’ers zei tegen mijn vader: ‘We zijn verkeerd geweest in de oorlog. Zou u ons willen vergeven?’. Toen zei mijn vader als gelovige Jood: ‘Vergeven wil ik het omdat de Eeuwige ook vergevingsgezind is, maar vergeten zal ik het nooit’. En hij heeft ook nooit meer een stap in Duitsland gezet. Terwijl hij eigenlijk altijd naar Duitsland ging voor zijn werk.’

Voelt u of uw vader haat naar de Duitsers?
Mijn kleindochter Esra is balletdanseres. Ze woont in Duitsland en is getrouwd met een Rus die zich heeft laten neutraliseren tot Duitser. Zij had in het Duitse Wiesbaden haar première in het prachtige theater. Ik was natuurlijk heel trots dat mijn kleindochter optrad, maar ik zag wel voordat de voorstelling begon in een flits van die hoge officieren voor me die hun arm uitstrekten en ‘Heil Hitler’ zeiden. De volgende ochtend kwam mijn kleindochter bij mijn bed zitten en vroeg me hoe ik het had gevonden. Ik antwoordde dat ik het fijn en bijzonder vond, maar ook wel een beetje moeilijk. Ook om over die Duitse wegen te rijden die als oorlogswegen gebruikt zijn. Ze keek me aan met diezelfde ogen als mijn vader, pakte mijn hand en zei: ‘Ik begrijp het’. Zij heet Esra en Esra betekent ‘Gods hulp‘. Als ik straks kleinkinderen krijg dan zijn zij Duits. Daarmee maakt zij het kringetje rond.’

Erfgoeddrager: Luuk

‘Je kon ze niet verstaan en ze gingen je hele huis door’

Luuk, Siep, Miko, Chi Wei en Amy van de Floralaanschoolin Eindhoven stellen zich voor aan Monne de Miranda. Monne is 87 jaar maar lijkt veel jonger. Het ijs is al snel gebroken tussen hem en de leerlingen. Hij vertelt dat hij net zo oud was als zij aan het eind van de oorlog. Monne de Miranda is geboren in Amsterdam en kwam op zijn vijfde naar Eindhoven. Daar woonde hij met zijn Joodse vader, zijn moeder en vier broers en zussen aan de Potgieterstraat.

Moesten jullie wel eens in de schuilkelder?
‘Als het luchtalarm afging, moest iedereen een schuilplaats zoeken. De meeste schuilplaatsen waren voor de militairen. De mensen thuis konden maar een ding doen, het veiligste plekje daar opzoeken. Dat was meestal onder de trap. Er waren ook een paar huizen met een kelder onder de woonkamer waar je kon schuilen. Aan het einde van de straat stond onze school, de Nutsschool. Die had ook een schuilkelder. Daar gingen mensen die daar in de buurt woonden dan schuilen. Voor ons was dat te ver en je had niet veel tijd als het alarm klonk. Er was ook niet heel veel plaats. Daarom gingen wij altijd onder de trap zitten.’

Hoe was het voor uw Joodse vader in de oorlog?
‘Van 1940 tot 1942 werkte hij bij Philips. Tot het bevel van de Duitsers kwam dat alle Nederlandse reserveofficieren, die naar huis waren gegaan bij het uitbreken van de oorlog, zich moesten melden. Mijn vader dus ook. Van 1942 tot 1944 waren ze krijgsgevangenen. Via het Rode kruis ontvingen we brieven; dan wist je hoe het met hem ging. Alleen het laatste jaar hoorden we niets meer en wisten we niet of hij nog leefde. Achteraf hoorden we dat hij helemaal tot in Rusland in een krijgsgevangenkamp is geweest. Aan het einde van de oorlog hebben de Duitsers de krijgsgevangenen vanuit Rusland naar Berlijn gebracht. Daar is mijn vader door de Russen bevrijd. Toen hij thuiskwam, was het groot feest. Veel krijgsgevangenen vertelden niet veel over wat ze meegemaakt hebben tijdens de oorlog. Dat vonden ze heel moeilijk. Ook ik heb weinig gehoord van mijn vader. Later heb ik nog een militair zakboekje van hem gevonden, met aantekeningen hoe de trektocht vanuit Berlijn was geweest.’

Hadden jullie onderduikers in huis?
‘Toen mijn vader gevangen zat, hadden we een Joodse meneer in huis. Dat was heel angstig, want de Duitsers zochten naar Joodse mensen om ze op te pakken. Ik vond het helemaal niet leuk dat die meneer bij ons in huis was. Hij rookte stinkende sigaren. Verder was het voor ons niet zo angstig, want hij wilde met niemand contact hebben. Hij wilde zich verborgen houden om te voorkomen dat hij opgepakt zou worden. Uiteindelijk is hij verraden. Waarschijnlijk is hij herkend door mensen die dat hebben doorgegeven aan de Duitsers. Toen zijn ze bij ons aan de deur gekomen en hebben ze hem weggehaald. Nou, dat was verschrikkelijk angstig. Je kon ze niet verstaan en ze gingen zo je hele huis door. Gelukkig kreeg zijn moeder geen straf.’

Herinnert u zich het bombardement van 19 september 1944?
‘Ja, Eindhoven was de dag daarvoor bevrijd door de Engelsen en Amerikanen. De Engelse soldaten moesten ook ergens overnachten en hun tanks moesten ergens staan. In parken of in brandgangen achter de huizen kookten ze hun eten op benzine-brandertjes. De Engelsen deelden chocoladerepen uit. Dat was leuk! En de ouders kregen sigaretten. Maar de volgende ochtend was het minder leuk. De legerauto’s met munitie waren ontploft. Het was een enorme ravage van brandende auto’s in het park. Wij vonden dat spannend en gingen de straat op. We vonden scherven en stukken van kogels en die hebben we bewaard als aandenken aan de oorlog. Net voor de bevrijding vlogen er ook V1’s over. Duitsers stuurden deze raketten richting Engeland. Soms ontploften ze en stortten ze neer, omdat de brandstof op was. Die stortten dan in Eindhoven links en rechts neer op de huizen. Dat was een hele ellende.’

Bent u ook iemand verloren in de oorlog?
‘Ja, mijn opa Salomon de Miranda, ook wel Monne genaamd. Hij was wethouder sociale zaken in Amsterdam. Toen de oorlog uitbrak, waren mijn ouders al naar Eindhoven verhuisd, omdat mijn vader bij Philips werk kon krijgen. Mijn opa woonde nog in Amsterdam. Hij was diamantbewerker en was ook bestuurder bij de diamantbewerkersbond. Mijn opa was dus een heel bekende Amsterdammer. Hij liep meer risico om door de Duitsers opgepakt te worden dan mijn vader, omdat hij in Amsterdam woonde. Hij is in 1942 gevangen genomen door de Duitsers en naar kamp Amersfoort gebracht en daar door Nederlandse bewakers vermoord.’

       

Erfgoeddrager: Luuk

‘Mijn moeder moest wel een gele ster dragen’

Luuk, Yuri en Joy van de Dongeschool in de Amsterdamse Rivierenbuurt ontmoeten Fred Dubiez op een zonnige dag middenin de coronacrisis. Het interview houden ze daarom niet op school maar op het nabijgelegen Merwedeplein, waar toevallig ook Anne Frank woonde voordat ze moest onderduiken. Meneer Dubiez zit op een bankje en de kinderen luisteren op geruime afstand van hem naar zijn verhaal.


Wat is uw eerste herinnering aan de oorlog?

‘Ik herinner me dat iedereen in de buurt papier en plakband tegen het raam ging plakken. Men was bang voor alle vliegtuigen die overvlogen en mogelijke bombardementen. Bij een bombardement zouden dichtgeplakte ramen veiliger zijn omdat het glas dan niet zover het huis in zou vliegen. Maar ja, of dat nou echt hielp? Veel bombardementen waren er trouwens niet in Amsterdam. Ja, wel bij Fokker bij Schiphol, daar is wel gebombardeerd, maar de stad is eigenlijk nauwelijks aangevallen. ‘s Nachts ben ik nog eens wakker gemaakt door mijn ouders om naar vuur van een neergeschoten bommenwerper te kijken. Die was op het Carlton Hotel gevallen bij de Munt, daar waar nu de Bloemenmarkt is. Je ziet het wel aan de bouw: op de hoek bij de Munt zijn de gebouwen veel moderner.’

Bent uzelf Joods?
‘Ik ben een zoon van een Joodse moeder. Wij waren, zoals je dat noemt, een gemengd gezin en dan heb je het makkelijker. Mijn moeder moest wel een gele ster dragen, maar ik hoefde dat niet. Ik ben gedoopt en ging naar een protestants-christelijke basisschool. Maar mijn moeders familie, tantes en zusters zijn omgekomen in concentratiekampen, behalve degenen die naar het buitenland zijn gevlucht. Mijn vader werkte gewoon door in de oorlog bij wat nu het Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium heet en had het goed getroffen met zijn werk. Er was wel een Duitse opzichter, maar dat was een aardige man die nog wel eens wat wist te regelen voor hem. Zo kwam mijn vader een keer thuis met een zak aardappelen en hadden we weer wat te eten. Na de oorlog is deze opzichter nog wel eens langsgekomen om te praten, hij was niet zo’n nazi. Op een dag moest mijn vader op een formulier opgeven wat voor geloof wij hadden. Daaruit zou je kunnen opmaken dat mijn moeder Joods was. Toen zei de pachter tegen mijn vader: “Volgens mij vergis je je, jouw vrouw is toch ook gereformeerd?” en verscheurde het formulier. Mijn vader moest het opnieuw invullen en vanaf dat moment stonden we allemaal te boek als ‘gereformeerd’.’

Wat zijn de overeenkomsten tussen de huidige coronatijd en de oorlog?
‘Net als nu was je beperkt in wat je kon doen. Vooral in de Hongerwinter was er niet zoveel. Je kon reizen naar België, Duitsland, maar je was wel veel minder vrij. Omdat ik zo jong was, heb ik er niet zoveel last van gehad. We gingen nog wel naar Egmond aan Zee met de trein, naar een tante die daar een huisje had. Maar er werd toen ook veel minder gereisd. Alleen mensen met veel geld konden dat doen. We gingen wel gewoon naar school, alleen tijdens de Hongerwinter niet. Toen moesten we, net als jullie nu, thuisblijven. Maar ik kon wel spelen op straat. Haha, ik herinner me goed dat ik werd uitgenodigd door de slager om lof te komen eten. Maar dat vond ik helemaal niet lekker en at ik dus niet op. Nou, dan valt het dus wel mee, als ik zo kieskeurig kon zijn.’

Erfgoeddrager: Luuk

‘Het schaap werd vreselijk bang en rende door de hele kelder’

Gerda Salomons Hetteling (82 jaar) ontvangt ons in haar gezellige flat in het Kalf. Ze vertelt ons, Luuk, Beau, Koot en Mats van het Zaanlands Lyceum over haar herinneringen aan de oorlog, toen haar vader ondergedoken zat omdat hij moest werken voor de Duitsers. Ze kan heel goed vertellen, en we vinden het allemaal erg boeiend om naar haar te luisteren.

Uw vader zat ondergedoken. Op een dag kwamen Duitsers het huis binnen om hem te zoeken. Wat voelde u allemaal en wat gebeurde er?
‘Mannen tussen de 18 en 40 jaar moesten werken voor de Duitsers. Veel mannen wilden dat niet, omdat je slecht behandeld werd en het was zwaar werk. Mijn vader was hiervoor ondergedoken. Ons huis had een puntdak en daar hadden we allemaal latjes geplaatst. Mijn vader zat achter die latjes. Op een dag kwamen er drie Duitsers naar binnen. Ik zag de angst in mijn moeders ogen, maar zelf was ik ook ontzettend bang dat mijn vader gevonden zou worden. Ze kneep in mijn hand van de angst. Ik durfde niks te zeggen van angst. Allebei bleven we stil. Mijn vader was gelukkig niet gevonden. De Duitsers zijn ook nooit meer teruggekomen om hem te zoeken.’

Hadden jullie genoeg kleding in de oorlog?
‘Mijn vader moest een rijbroek aan die hij heel lelijk vond en die heel warm was, maar er was niks anders. Ook ik moest kleding aan die ik helemaal niks vond, waar ik best boos om werd. Mijn tante kon heel goed naaien en ze had van een biljartlaken twee winterjassen genaaid en blauw geverfd. Allemaal omdat we simpelweg niks anders hadden. Het was zelfs zo koud, dat we met zijn allen in één bed gingen liggen en dan alle dekens er overheen deden om warm te blijven.’

Hadden jullie genoeg te eten?
‘In de laatste winter hadden we zo’n honger, dat mijn vader met een paar mannen een schaap van het weiland had gehaald. Ze stopten het beest in ons bootje en probeerde hem naar huis te brengen. Alleen dat ging niet zo makkelijk, want het beest moest een trap op en werkte totaal niet mee. Na veel moeite kregen ze het schaap bij ons thuis en hebben ze hem in onze kelder gestopt om hem te slachten, alleen het schaap was vreselijk bang en rende door de hele kelder. We hebben nog geprobeerd hem met zijn allen vast te houden, maar het lukte niet. Uiteindelijk hebben we hem maar vrijgelaten.’

Hoe was Bevrijdingsdag voor u?
‘Het was één groot feest. Bijna iedereen had wel een Nederlandse vlag op zijn of haar huis getekend. Alles wat versierd kon worden werd versierd. Er reden koetsen door de straat en ook tanks van de geallieerden. Die deelden allemaal snoepjes uit die wij niet kenden, zoals kauwgum en chocolade. Ik weet nog dat ik een paar verzetsmensen zag die een meisje op een stoel neerzetten en haar kaal begonnen te scheren, omdat ze verliefd was op een Duitser. Het feest ging wel weken onafgebroken door. Tijdens dat feest deden we allemaal spelletjes die tegenwoordig niet meer worden gedaan. Zoals hinkelen en andere oer-Hollandse spelletjes.’

Hoe zou u willen dat 100 jaar Bevrijding gevierd wordt?
‘Gewoon net als vroeger met dezelfde spelletjes, zodat kinderen van nu te weten krijgen wat we vroeger deden.’

 

Erfgoeddrager: Luuk

‘Mijn leeftijdgenootjes waren helemaal niet onbezorgd aan het knippen en plakken’

Als Arthur, Yasper, Jonte en Luuk van de H.J. Piekschool aankomen, staat mevrouw van Veen al uitbundig zwaaiend op hen te wachten. Ze is erg nieuwsgierig naar de vragen van de kinderen, maar eerst koekjes en sap! Met oordelen over goed en fout in de oorlog is ze tijdens het vertellen voorzichtig. Het was in de oorlog vaak heel moeilijk om te weten wat goede keuzes waren, legt ze uit. “Met de kennis van nu is het makkelijk praten.”

Heeft u nog spullen uit de oorlog?
‘Daar moet ik wel even een doos voor openmaken. Ik heb namelijk nog de persoonsbewijzen van mijn ouders. Kinderen hoefden die niet te hebben, maar volwassenen moesten zich kunnen identificeren in die tijd. Er staan zelfs vingerafdrukken op en een pasfoto, want die dingen werden natuurlijk vervalst bij het leven. Weten jullie ook hoe het eruit zag als je Joods was? Dan stond er een hele grote J in. Als Joden dan nog met de tram gingen bijvoorbeeld, konden ze er onmiddellijk uitgehaald worden. Hier staan dus geen J’s in. Wij waren toevallig niet Joods en hebben allemaal de oorlog overleefd.
Ik heb ook nog een schriftje van de kleuterschool in de Herenstraat; die gebouwen staan er nu nog. Ik was toen vijf jaar. Kijk, jullie kunnen zien wat ik toen heb uitgespookt, knippen en plakken. M’n zus heeft geholpen, want ik was eigenlijk heel slordig. Ik was linkshandig, maar moest met rechts schrijven. Je kunt je voorstellen dat ik daarom geen mooi handschrift heb. Als je naar dat boekje kijkt, denk je, wat een zorgeloze tijd. Terwijl andere kinderen met hun ouders zijn weggevoerd in diezelfde tijd. Die leeftijdgenootjes waren helemaal niet onbezorgd aan het knippen, plakken en spelen. Met hen is het slecht afgelopen.’

Hoe heeft u het begin van de oorlog ervaren?
‘In 1940 werd Wageningen geëvacueerd. We zijn toen tien dagen weggeweest. Mijn jongste zusje lag in de wagen, mijn andere zusje van een jaar zat daar ook in. Ik was tweeënhalf en liep er met grote passen naast. Ik voelde me trots; de wagen was voor de kleintjes, ik was al ontzettend groot. Mijn herinneringen hiervan zijn maar flitsen, maar ik weet het nog hoor! Als het luchtalarm afging, gingen we met z’n allen naar de buren. Of zij kwamen bij ons in huis. Ik vond dat reuze gezellig! Ik herinner me ook dat we een keer vlak voor de tweede evacuatie hebben geschuild in een kelder op de hoek van de Lawickse Allee. De hele straat was daar, we lagen allemaal naast elkaar. Nou, wij vonden het leuk! Ik was natuurlijk nog klein. Voor kinderen die al ouder waren is het heel anders geweest.’

Hoe heeft u de tweede evacuatie beleefd?
‘Mijn ouders namen fietsen en nog wat andere spullen mee. We hadden geen idee hoelang het allemaal ging duren. In Veenendaal kregen we van het Rode Kruis allemaal een mok met pap, erg aardig maar wel vies. Bij de mensen die ons onderdak boden, hebben we mijn verjaardag gevierd. Mijn moeder had van die zakjes meegenomen om pudding van te maken. Fantastisch vond ik dat. We zijn verder gereisd naar Den Haag, naar mijn grootouders. Daar was de Hongerwinter al begonnen. Geen bakker had nog brood, er was nergens eten te krijgen. Het enige wat we konden doen was helemaal terug naar Veenendaal, te voet. Mijn vader duwde een handkar, waar ik met mijn zusjes onder een dikke deken zat. Mijn ouders hebben een topprestatie geleverd. Ze hadden beiden bevroren tenen, de nagels vielen eraf, maar we hebben het gehaald.’

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892