Erfgoeddrager: Lena

‘Ineens werd ik uit mijn fijne leven in Indonesië weggerukt’

Lente, Lena, Merel en Vasiliy van De Troubadour in Eindhoven hebben achter in de klas, bij het bankje aan het raam, een gezellig hoekje ingericht voor hun interview met de 79-jarige Joyce Radesey. Met enthousiasme beginnen ze het gesprek. Het ijs is snel gebroken.

Mevrouw Radesey is geboren in Jakarta, waar ze een fijne jeugd had met haar familie in een groot huis met een tuin en veel bediendes. Toch waren de sporen van de oorlog altijd voelbaar. Haar moeder had veel angsten overgehouden aan de oorlogsjaren. Daarom mochten Joyce en haar zusjes nooit buiten de muren van de tuin spelen. Ook buiten die tuin waren de spanningen zichtbaar.

In Indonesië groeide de haat tegen Nederlanders. Als kind begreep ze daar weinig van. Pas veel later besefte ze dat die spanningen de reden waren voor haar plotselinge vertrek uit Indonesië. ‘Eigenlijk waren wij in die tijd ook vluchtelingen’, vertelt ze. ‘We moesten alles achterlaten en opnieuw beginnen in Nederland.’

Hoe was uw leven in Indonesië?
‘Ik had als kind een heel fijn leven in Indonesië. Ik woonde met mijn ouders, zusjes, twee oma’s, ooms en tantes in een groot huis in Jakarta. Rondom het huis lag een grote tuin met fruitbomen en bloemen die heerlijk roken. Daar speelde ik iedere dag met mijn zusjes. Mijn moeder was door de oorlog erg bang geworden, daarom mochten wij niet buiten het hek van de tuin spelen. Toch voelde die tuin voor mij als een veilige plek.

Ik ging naar school, had vriendinnen en dacht helemaal niet na over oorlog of politiek. Pas later begreep ik dat er steeds meer spanningen waren tussen Indonesië en Nederland. Op straat zag ik leuzen tegen Nederlanders op de muren staan, maar als kind wist ik niet goed wat dat betekende.

Op een dag stond er ineens een busje voor ons huis. Zonder voorbereiding moesten we onze spullen pakken. Ik wist niet waarom we weg moesten en ook niet waar we naartoe gingen. Ineens werd ik uit mijn leven weggerukt.

Het ergste vond ik dat ik nergens afscheid van kon nemen. Niet van mijn school, niet van mijn vriendinnen en ook niet van mijn oma die achterbleef in Indonesië. Haar heb ik nooit meer teruggezien. We moesten alles achterlaten. Zelfs mijn favoriete spullen bleven daar. Als je plotseling moet vluchten, denk je niet na over wat je mee wilt nemen. Dat gevoel draag ik nog altijd met me mee.’

Hoe was de reis naar Nederland?
‘De reis naar Nederland duurde vier weken. Vanuit Jakarta vertrokken we met een grote boot naar Europa. We sliepen met het hele gezin in een kleine hut. Vanaf het moment dat ik op de boot stapte tot we in Nederland aankwamen, heb ik veel gehuild. Ik was verdrietig omdat ik mijn land, mijn familie, mijn vriendinnen en mijn oma had achtergelaten. Het voelde alsof ik mijn hele jeugd achterliet.

Toch gebeurden er onderweg ook bijzondere dingen. Er werden feestjes georganiseerd op de boot. Ik herinner me nog een feest voor de verjaardag van prinses Beatrix. Iedereen trok mooie kleren aan, er waren spelletjes en lekker eten.

Maar de reis was ook zwaar. De zee was soms heel onrustig en ik werd erg zeeziek. Na vier weken waren we blij dat we eindelijk in Nederland aankwamen.’

Hoe was het om in Nederland aan te komen?
‘Toen we in Nederland aankwamen, sneeuwde het. Dat had ik nog nooit gezien. Ik zei tegen mijn moeder: ‘Het lijkt wel of er witte watten uit de lucht vallen’. Dat moment ben ik nooit vergeten. We werden eerst opgevangen in een groot opvanghuis. Met het hele gezin sliepen we in één kamer, samen met mijn oma. Alles was anders dan in Indonesië. Het was koud, het eten was vreemd en we moesten wennen aan nieuwe regels. In Indonesië douchten we vaak meerdere keren per dag, maar hier mocht dat bijna niet.

Mijn ouders kregen weinig hulp. Ze moesten zelf ontdekken hoe alles werkte in Nederland. Gelukkig kreeg mijn vader vrij snel werk. Daardoor konden we verhuizen naar een gewoon huis. In die straat wilden de buurkinderen meteen met ons spelen. Toen begon ik me langzaam meer thuis te voelen.’

Was het moeilijk om naar een Nederlandse school te gaan zonder dat je de taal sprak?
‘Ja, dat was heel moeilijk. Ik sprak helemaal geen Nederlands, omdat ik in Indonesië op een Indonesische school had gezeten. Toch moest ik hier meteen naar school. In de klas kon ik de lessen soms een beetje volgen, maar ik durfde niets te zeggen. Ik kon geen vragen stellen en ook niet uitleggen wat ik voelde. Daardoor werd ik heel stil en onzeker.

Ik weet nog dat ik het in Nederland ontzettend koud vond. Daarom trok ik een lange broek aan naar school. Maar dat mocht eigenlijk niet. Ik moest een rok dragen. Uiteindelijk mocht ik wel een broek aan, maar alleen met een rok eroverheen. Dat vond ik heel ongemakkelijk.

Na school maakte ik huiswerk in de kleine kamer van het opvanghuis. Mijn vader hielp mij ’s avonds laat met Nederlands leren. Daar ben ik hem nog steeds dankbaar voor. Langzaam maakte ik vriendinnen en leerde ik de taal beter spreken.’

Erfgoeddrager: Lena

‘Als ik in Suriname ben, ga ik de bossen in om spiritueel bij de natuur te zijn’

Sylvester Aboikoni (1958) vertelt aan Lynn, Zoë, Lena en Lieke van de Troubadour in Eindhoven over zijn leven in Suriname. Hij is geboren in het binnenland van Suriname, waar hij in een groot gezin opgroeide. Toen hij later in Paramaribo naar school ging, werd hij uitgelachen omdat hij anders sprak dan de rest van de klas. In 1978 stuurde zijn opa hem naar Nederland. Met zijn zus kwam hij in Eindhoven terecht.

Hoe leerde u uw vrouw kennen?
‘Mijn vrouw ontmoette ik in Nederland in een café. Ze maakte een beledigende opmerking tegen me, maar later had ze daar spijt van en bood ze haar excuses aan. Toen wij samen waren, accepteerden haar ouders mij niet omdat ik zwart ben. Ook zij hadden een oordeel over mij. Mijn vrouw vond dit niet leuk. Ik was er verdrietig over, maar ik was niet boos. Na enige tijd stond haar moeder ervoor open om met mij te praten en na dit gesprek hadden wij een hele goede band. Later zijn wij nog met zijn allen naar Suriname geweest. Je moet altijd een brug maken naar de ander.’

Wat vindt u belangrijk?
‘Ik zou graag het verhaal van racisme en de slavernij mee willen geven, dat bepaalde elementen uit deze tijd nog steeds bestaan. Soms ben ik ook nog onbewust bezig met de oude denkwijze. Het zit zo diep dat zwarte mensen nog steeds een achterstand hebben. Ik wil meegeven: vecht voor je positie, niet met geweld maar met kennis. Op mijn werk was ik de enige zwarte manager. Discriminatie zit heel diep voor zwarte mensen, maar ook voor anderen. Bij ons leven wij volgens de wijze van Ubuntu: ik ben omdat wij zijn.’

Hoe kijkt u nu naar Suriname?
‘Als ik iets zou mogen veranderen, zou dat de politiek zijn die nog steeds vanuit de koloniale geschiedenis werkt. Dat doet mij soms pijn omdat we kansen genoeg hebben om zo’n mooi land welvarend te maken. Suriname is eigenlijk een heel rijk land. In Suriname zeggen we: hier kan je geen honger lijden.

Als ik in Suriname ben, ga ik de bossen in om diep spiritueel bij de natuur te zijn. Het is zo’n vruchtbaar land. Bij ons op het land had ik een moestuintje en alles wat je in de grond zette groeide. Ik had alles in mijn eigen tuin. Met mijn stam ben ik nu bezig om juist onze producten, de Saramacaanse rijst, te verkopen.’

 

Erfgoeddrager: Lena

‘In het kamp woonden we met 99 nonnen in een loods’

Fenna, Yonis, Lena en Sardar van basisschool De Schelp in Eindhoven interviewen Peter Rufi (1939) over zijn jeugd in Indonesië. Zijn ouders waren, net als zijn voorouders, naar voormalig Nederlands-Indië geëmigreerd waardoor hij daar is geboren. Ze spreken over hoe het was om daar op te groeien, en je vader meer dan drie jaar niet te zien.

Hoe kwamen uw voorouders in Indonesië terecht?
‘Vanuit Europa zijn mijn voorouders naar Nederlands-Indië gegaan om werk te vinden en geld te verdienen. Ook mijn ouders waren kinderen van Europeanen die naar Nederlands-Indië zijn getrokken. Wij waren niet rijk maar we waren wel rijker dan de mensen daar.

Het werk dat de oorspronkelijke bewoners daar hadden, verdiende niet goed. Bij mijn ouders in huis konden ze meer verdienen. Ze kregen een goed loon, ze aten mee en kregen kledinggeld bij ons. Het was fijn dat er mensen waren die in huis werkten, er was altijd iemand die je bed opmaakte, kamer schoonmaakte, eten kookte, die de tuin voor je deed. Ik was toen nog een kind dus ik had daar verder geen moeite mee. Mijn vader en moeder vonden het natuurlijk heel fijn dat zij hulp kregen.’

Hoe was het tijdens de Japanse bezetting?
Toen de Japanners Nederlands-Indië veroverden en de Japanse bezetting begon, moesten wij het kamp in. We hebben daar drieënhalf jaar vastgezeten, ik was toen drieënhalf jaar oud. In het kamp waren er geen spelletjes of speeltuinen dus we bedachten zelf onze spelletjes. We bouwden hutten met takken, deden zakdoekje leggen of speelden rovertje.

In het kamp heb ik geen honger geleden want mijn moeder werkte in de keuken. Ik heb daar niet heel veel gekke dingen meegemaakt. Wel heb ik eens gezien dat de Japanners, de mensen die de baas waren, vrouwen een pak slaag gaven omdat ze iets gestolen hadden.

In het kamp woonde iedereen in loodsen. Wij woonden in een loods met 99 nonnen. Een van de nonnen had geiten. Ik ben eens het hok van de geiten ingegaan, maar ik was vergeten het hek achter mij dicht te doen. Alle geiten liepen naar buiten, over de net gewassen witte kleden die op het gras lagen te drogen. De kleden zaten daarna vol met geitenpootjes. Voor straf moest ik alle kleden met de hand wassen.

Toen ik veel ouder was, vertelde mijn moeder dat mijn vader ter dood was veroordeeld want in de ogen van de Japanners was hij een oorlogsmisdadiger. Hij had namelijk benzine en olie in brand gestoken om te voorkomen dat de Japanners die konden gebruiken. Hij moest zijn eigen graf graven, en wij waren daarbij. Hij kreeg een klap met een zwaard in zijn nek en viel in zijn graf. Wij dachten dat hij dood was. De volgende dag stond ik met mijn moeder bij de kade te wachten op de boot toen ik ineens mijn vader zag staan. Toen kwamen we erachter dat hij niet was overleden.’

Hoe was het om uw vader weer terug te zien na de Japanse bezetting?
Mijn moeder vertelde mij op een dag dat mijn vader in een ander kamp zat. Ik wist toen nog niet wat een vader was. Ze zei dat hij een man was, maar ik wist ook niet wat dat was. Ze wees naar de Japanners, maar voor mij waren zij de boosdoeners.

Toen de oorlog voorbij was, werden wij door de kampcommandant bij elkaar geroepen en werd er verteld dat de oorlog voorbij was. Op dat moment werd de rood-wit-blauwe vlag gehesen en het Wilhelmus gezongen. Dit had ik nog nooit gehoord. Iedereen huilde, ook ik begon te huilen. Tot op de dag van vandaag krijg ik tranen in mijn ogen als ik het Wilhelmus hoor.

Na de oorlog zat ik buiten in de tuin te spelen, mijn moeder was binnen in het huis. Er kwam een man aangelopen met een te klein Japans uniform aan. Het was een grote man, hij zag eruit als een Hollander: rossig haar, blauwe ogen, een baard en een snor. Hij kwam naar mij toe en vroeg aan mij: ben jij Peter Rufi? Ik zei: ja meneer. Toen zei hij: dan ben ik je vader. Ik geloofde het niet, dat kon helemaal niet want mijn vader zit in het kamp. Mijn moeder hoorde het gesprek en rende naar buiten om hem in de armen te vliegen. Ik dacht dat hij mijn moeder aanviel, ik pakte mijn klompen en begon hem te slaan. Na een tijd begon ik hem als vader te zien en van hem te houden.’

Erfgoeddrager: Lena

‘Ik ben er nu achter: je moet vanaf de eerste dag Nederlands praten’

Simten Kalayci (1962) is grootgebracht in Istanbul. Zij had nooit de behoefte om Turkije te verlaten, maar voor de liefde vertrok zij op zevenentwintigjarige leeftijd naar Amsterdam. In Nederland ging zij verder met studeren, bouwde een carrière op en kreeg een zoon. Vanuit haar woonplaats Den Haag komt ze nu naar het MLA in Amsterdam om met leerlingen Firdouss, Lena en Kees te praten over de moeilijkheden van het leren van de Nederlandse taal, gemis, geloof en de liefde.

Vond u het leuk toen u in Amsterdam kwam wonen?
‘Ik kom uit een hele grote stad – Istanbul had zo’n 3 tot 4 miljoen inwoners – en vergeleken daarbij voelde Amsterdam als een klein dorpje. Het viel me op dat er veel vrijheid was bij de mensen en dat je makkelijk al lopend kon navigeren door de stad. Het voelde alsof ik in een vertraagde film terecht was gekomen, heerlijk.

Als je ergens wil leven, moet je de taal leren en beheersen. Anders heb je niet veel contact met mensen. Ik volgde taalles aan de universiteit die gericht was op het voorbereiden op een academische studie. Het begon vooral met het leren van hele moeilijke teksten en het spreken zou later komen.

Ik ben er nu achter: je moet vanaf de eerste dag beginnen met praten. In de eerste drie jaar dat ik in Nederlands was, sprak ik geen woord Nederlands, alleen Engels. In het Nederlands schaamde ik me voor de fouten en het accent. Het voelde fijn en gelijkwaardig om Engels te spreken, omdat degene met wie ik sprak ook Engels als tweede taal heeft. Het gevolg was dat ik niet genoeg oefende om Nederlands te spreken.

Taal is niet alleen praten: het is ook denken, inzicht hebben in een ander, literatuur en muziek. Nu heb ik een haat-liefde verhouding met de Nederlandse taal. Er zijn dagen dat ik bijvoorbeeld Nederlandse stand-up comedy kan volgen en daar ben ik trots op. Maar soms sta ik voor een klas van dertig studenten en dan voel ik een handicap omdat ik me niet goed kan uiten. Ik voel dan een vertraging in mijn hoofd en heb moeite om de juiste woorden te vinden. Ik heb niet een hele grote woordenschat om te nuanceren: iets is goed of slecht of bijna goed. Maar in de taal zijn er veel meer manieren van je uit te drukken en dat vind ik soms moeilijk.’

Wat vonden uw ouders ervan dat u wegging?
‘Mijn moeder had het er ongelofelijk moeilijk mee. Ze had het nooit gedacht dat ik zou emigreren en ikzelf ook niet eigenlijk. Ik had de studie diergeneeskunde afgerond en had een goede baan als dierenarts.

Vijfendertig jaar geleden werd ik verliefd op een Israëlische man die in Amsterdam woonde en voor de liefde ben ik vertrokken. Het was een hele andere tijd, je had geen internet of mobiele telefoons om te beeldbellen. De vaste telefoon was erg duur, ongeveer 2 euro per minuut, dus je ging niet 100 uur met elkaar over van alles en nog wat praten. Het waren korte gesprekken en we schreven vooral brieven.

Achteraf gezien is dit erg leuk, want je zit en neemt de tijd om na te denken over wat je gaat schrijven. Iemand wacht vervolgens tien dagen tot de brief is aangekomen.

De eerste twee jaar ben ik vier tot vijf keer per jaar terug gegaan naar Turkije. Dat was niet goed voor het klimaat, maar de enige manier om te overleven en met het gemis om te gaan. Nu kan ik dagelijks met mijn moeder videobellen.

Ik begon in Nederland te studeren en maakte vrienden waardoor alles wat dragelijker werd. Vooral de eerste jaren waren niet makkelijk. Mijn zoon studeert nu voor zes maanden in Tokyo en nu besef ik beter hoe mijn moeder zich toen voelde. Het is een ervaring om te voelen hoe het is om zo’n afstand van elkaar te hebben en dat is niet makkelijk.’

Zou u blijer zijn geweest als u nu nog met familie en vrienden in Istanbul woonde of bent u wel blij dat u naar Nederland bent gekomen?
‘Dat weet je nooit. In het leven heb je keuzes en die kan je maar één keer maken. Ik heb deze weg genomen en hoe de andere weg eruit zou hebben gezien weet je niet. Hoe dan ook maakt deze ervaring een mens rijker. Ik ben opener en heb veel meer kennis over de wereld. Het is rijkdom, maar je betaalt een boete want je moet veel doen om er te komen. Als ik mezelf nu zou vragen: zou je het nog een keer doen, dan zou ik ja zeggen.’

Heeft u nog contact met oude vrienden uit Istanbul?
‘Ja, zeker! Ik ga nog steeds twee tot drie keer per jaar naar Istanbul. Dan bezoek ik vijf hele goede vrienden. Mijn echte vrienden zijn in Nederland, want in de jaren bouw je hier ook veel contacten op. In Nederland heb ik vrienden van verschillende nationaliteiten. Een deel ken ik van de cursus Nederlands als tweede taal; we zaten allemaal in een nieuwe situatie. Dat schept en band en het zijn relaties die voor het leven zijn.’

Erfgoeddrager: Lena

‘We hadden allemaal niks, iedereen deelde met elkaar’

Kamuell, Zazie, Lena en Sansabille ontvangen mevrouw Ilse Schuurman op de Visserschool in Amsterdam West. Mevrouw Schuurman was nog jong toen de oorlog begon, maar weet zich nog veel te herinneren. Bijvoorbeeld een brandend vliegtuig of de man in een blauwe overall die illegale krantjes kwam halen bij hen thuis.

Hoe merkte u dat de oorlog begon?
‘Ik was natuurlijk nog klein. Ik hoorde wel mensen druk erover praten. Op een dag stond ik met mijn moeder op het balkon. Toen ging een brandend vliegtuig over. Dat vond ik wel eng en ik wist toen wel dat er iets aan de hand was. In het begin merkte je er niet zo veel van. Ik niet, oudere mensen wel natuurlijk. Later mocht ik niet meer dagelijks naar school. De Duitsers hadden het gebouw ingenomen. Toen moest ik naar een andere school een eindje verderop. Kinderen van verschillende scholen moesten daarnaartoe. We hadden om beurten les.’

Uw ouders fietsten naar de stad om eten te ruilen, hoe deden zij dat?
‘Op zaterdag gingen mijn ouders bijvoorbeeld met handdoeken, theedoeken en tafellakens op de fiets de stad uit naar de boeren. Ze probeerden de spullen te ruilen. Voor dat linnengoed kregen ze dan melk of eten. Mijn man was dertien in de hongerwinter. Hij ging ook weleens op rolschaatsen naar de Beemster. Dat is een heel eind voorbij Amsterdam-Noord. Dan ging hij op rolschaatsen naar de boeren om eten te halen. Zijn vader kon dat niet, want die zou opgepakt kunnen worden. Hij kwam een keer bij ’t IJ en daar stonden Duitsers. Die wilden het eten hebben, maar dat wilde hij niet geven. Toen heeft hij het in ’t IJ gegooid. Gelukkig hebben ze hem daarvoor niet opgepakt, want dat was best wel link wat hij deed.’

U was ziek in de oorlog. Wat was er met u aan de hand?
‘Ik had longontsteking. Vroeger had je geen antibiotica.  Het was echt ernstig. Mijn ouders waren bang dat ik het niet zou overleven. De dokter moest komen en gelukkig was er nog licht. De avond daarna hadden we geen licht meer. De dokter kwam en toen kreeg ik een injectie. Daar reageerde ik gelukkig nog op, dat weet ik nog wel. Toen moest ik zwarte koffie drinken, maar wij hadden dat niet meer. Een oom en tante hadden nog wel koffie. Mijn vader is naar hun toe gegaan om die koffie voor mij te halen. Ik weet nog dat ik het heel vies vond om te drinken, maar het heeft wel geholpen. Mensen hadden in de oorlog natuurlijk heel weinig, maar alle buren kwamen wat brengen. We hadden allemaal niks, maar deelden toch met elkaar. Van de een kreeg ik een eierdopje met roomboter, van de boer een halve liter melk. ‘

Heeft u ooit Hitler gezien?
‘Nee, Hitler heb ik gelukkig nooit gezien. Maar ik heb wel veel soldaten gezien toen. Die marcheerden door de buurt. Ik vond het wel een beetje eng. Bij ons huis zijn ze verder niet geweest. De broer van mijn vader had zijn radio verstopt onder de grond. Met die radio konden ze luisteren naar Radio Oranje. ’s Avonds ging mijn vader naar zijn broer. Vroeger had je een loper, een sleutel waarmee je alle trappenhuizen in kon. Wij woonden bij de Westlandgracht in de buurt. Dat was toen het einde van Amsterdam. Achter de dijk waar de treinen rijden, stond afweergeschut en zoeklichten. Als mijn vader zag dat de zoeklichten aangingen, dook hij snel ergens een trappenhuis in om te wachten tot dat weer over was. Bij mijn oom haalde hij illegale krantjes. Bij ons kwam de volgende dag een meneer in een blauwe overall met een zak op zijn rug. Die noemde ik altijd de meneer van de fietsenstalling. Hij kwam de illegale krantjes bij ons halen om ze te verspreiden. Sommige mensen deden dat ook in kinderwagens, die waren vroeger heel diep. Daar zat een plank in met een luikje. De baby lag er bovenop. Een heleboel moeders brachten op die manier krantjes naar anderen toe.’

Erfgoeddrager: Lena

‘Het eerste wat ik deed was elke ochtend hardlopen’

Mohammad Babazadeh was 26 jaar toen hij naar Nederland kwam. Het was te gevaarlijk om in Iran te blijven wonen, vertelt hij aan Lena, Victoria, Noa, Alyssa en Louiza van basisschool de Pinksterbloem in Amsterdam-Oost. ‘Op een ochtend stond er op de muur van ons huis ‘dood aan de communisten’. Ik was geen communist maar wel een activist. Toen ben ik weggegaan, het was niet meer veilig.’

Hoe voelde het om te emigreren?
‘Dat was dubbel. Aan de ene kant ben je zo ver weg van je familie en vrienden en de mensen die je liefhebt, maar aan de andere kant was ik blij want ik heb heel veel gezworven over de wereld in de hoop dat ik ergens kon aankomen. Dus ik was heel blij dat ik in Amsterdam was en kon studeren. Ik heb mijn ouders nooit meer teruggezien want die zijn overleden toen ik hier was. Ik miste mijn neefjes en nichtjes heel erg, die las ik altijd voor.

Toen ik in Nederland aankwam was ik blij want ik kon niet terug naar mijn land, daar was het toen heel gevaarlijk. Het eerste wat ik deed was elke ochtend hardlopen. Dan voelde ik me sterk en vrij. Nederlands leren was moeilijk en leuk; ik wilde het heel graag leren want dan kon ik toelatingsexamen doen voor de theaterschool en gaan studeren. Ik ging elke dag na de Nederlandse les naar huis en dan leerde ik met behulp van een cassetterecorder elke avond honderd nieuwe woorden. Nu is Amsterdam thuis, maar ook Iran en Turkije want ik heb ook nog even in Turkije gewoond.’

Hoe was het voor u toen de culturele revolutie uitbrak?
‘Dat was de reden dat ik wegging. Ik was net klaar met de middelbare school en ik droomde ervan om theater te gaan studeren, ik zat toen ik zo oud was als jullie al bij een theatergroep. Maar toen kwam de culturele revolutie en gingen alle universiteiten dicht. We speelden theater op straat, ook tegen de oorlog, en sommige mensen gooiden stenen naar ons. Dat was de reden dat ik wegging; ik wilde studeren.’

Wat vond u het leukste en het stomste toen u in Nederland kwam?
‘Ik kwam aan in Zoetermeer, vlakbij Den Haag. Ik had een contactpersoon, Cor, die nieuwkomers hielp. Hij had mij gevraagd bij hem thuis langs te komen om het een en ander te bespreken. Ik moest daar om 6 uur zijn. Hij deed open en zat net te eten met zijn vrouw en kinderen. En toen zei hij: ga maar even op de bank zitten, als we klaar zijn met eten, kom ik bij je. Ik was in shock want in mijn land zet je een gast meteen aan tafel en zet je een bord met eten voor zijn neus. Hij was verder heel lief, het was niet kwaad bedoeld. Dat was voor mij het vreemdste eraan. Tegelijkertijd was Cor ook het leukste wat mij overkwam. Hij werkte bij de gemeente, bij de afvalverwerking. Ik was aangenomen op de theaterschool in Amsterdam en moest halsoverkop mijn woning uit. Maar ik had geen idee hoe je dat soort dingen doet. Ik had alles opgeruimd en had aan mijn vrienden gevraagd: kunnen jullie al het afval wegbrengen? Maar zij wisten het ook niet en hadden alles in de tuin gedumpt. Toen ging Cor kijken of het geregeld was en zei: ‘Het ligt allemaal in de tuin. Maar weet je wat, ik haal de afvalwagen van de gemeente.’ En toen was het zo geregeld. Dat vond ik zo tof!’

Vindt u het eten hier lekker?
‘Inmiddels wel, maar in het begin niet. Maar dat was omdat ik het niet kende. Ik was er wel nieuwsgierig naar. Iraans eten is met veel kruiden en groenten en dat was er destijds niet in Nederland. Nu maak ik in de winter stamppot en inmiddels ben ik er dol op. Ik vind Hemaworst en patat met satésaus heel lekker.’

Wat is er veranderd in Iran?
‘Toen ik jong was, was er een sjah. Meisjes en vrouwen gingen zonder hoofddoek de straat op, mijn zussen hadden minirokken aan en moeders hadden lange haren. Toen de revolutie plaatsvond en de geestelijken aan de macht kwamen, vonden ze dat niet goed. Dus alle vrouwen moesten een hoofddoek op en alles moest zwart zijn en je mocht je mening niet meer geven over dingen die je niet leuk vond. Dus het was opeens een heel andere wereld, alsof je in een grote gevangenis zat met z’n allen. Mijn zussen waren ontzettend boos omdat ze dingen niet meer konden doen zoals vroeger. Dit werd steeds erger. Wij waren niet gelovig en links georiënteerd. Alles wat links was en niet gelovig was en tegen het regime was, noemden ze communist. Ik was geen communist maar wel een activist, ik was tegen oorlog en ik vond dat mensen vrij mochten zijn. Op een ochtend stond er op de muur van ons huis ‘dood aan de communisten’. Onze buurjongen was al eerder weggehaald door het regime en geëxecuteerd. Toen dit op onze muur stond, ben ik de volgende dag naar de hoofdstad Teheran gegaan. Daar heb ik drie jaar gewoond. Toen gingen ook nog de universiteiten dicht en besefte ik dat ik geen toekomst had in Iran.

Het is nu niet meer gevaarlijk voor mij om naar Iran te gaan, voor jongere mensen nog wel. Ik zie nu mijn neefjes en nichtjes weer, die hebben nu zelf kinderen.’

Erfgoeddrager: Lena

‘Kinderen vonden mij vreemd en staarden mij aan’

Op de fiets gaan Kess, Gigi en Lena naar Tze Wah Lam (53), eigenaar van het Chinese restaurant De Oude Prins in Bergen. De leerlingen van de Bosschool in Bergen vinden het heel spannend om hem te interviewen. Wanneer ze aankomen bij de Oude Prins, worden ze warm ontvangen. Ze gaan in een hoek bij het raam zitten, iedereen krijgt wat te drinken en dan vragen de interviewers honderduit. Tze Wah Lam kwam in 1979 naar Nederland.

Kunt u iets vertellen over uw achtergrond?
‘Mijn naam is Tze Wah, dat betekent zoon van het volk. Tot mijn negende ben ik opgegroeid in Hongkong, dat heel westers is. Daarom was ik al een beetje gewend aan de westerse cultuur toen ik in Nederland aankwam. In Hongkong woonden we aan de rand van de stad en keken we uit over de bossen, bergen en het open water. Dat gaf een heel vrij gevoel.’

Waarom wilden uw ouders naar Nederland?
‘Hongkong was een Engelse kolonie, de Engelsen waren er de baas. Wij als Chinezen moesten altijd naar de Engelsen luisteren. Mijn vader was bij de politie en moest doen wat de Engelsen hem vroegen. Maar mijn vader wilde eigenlijk geen dingen meer doen die niet leuk waren. Dat is de reden dat we naar Nederland kwamen, om meer vrijheid te hebben.’

Is er een groot verschil tussen Nederland en Hongkong?
‘Alles is wat trager hier in Nederland en in Hongkong hebben mensen meer contact met elkaar, het is socialer. De Chinezen hebben een andere jaartelling dan jullie. Oud en Nieuw valt bij ons op 10 februari en dat vieren we met grote draken en de leeuwendans om de boze geesten te verjagen. Ik liep ook wel eens mee in de gouden draak of met de leeuwendans, waarbij je beweegt op trommels. Maar in Hongkong vierden we ook de westerse feestdagen, zoals Kerstmis en Pasen, omdat de stad heel westers was door de Engelsen die daar de baas waren. En jullie hebben een horoscoop met dieren die symbool staan voor iedere maand en wij voor iedere twaalf jaar. Dus ieder jaar wordt bij ons gesymboliseerd door een dier.

Hoe vond u het destijds als jongen van 9 om te vertrekken?
‘Ik had geen keus, maar wilde liever in Hong Kong blijven. Ik voelde me verdrietig en miste mijn vriendjes en familie, maar het was ook heel spannend. In Nederland kwam ik in een andere wereld. We gingen in Bergen wonen en ik kwam terecht in een klas van de Reenenschool. Dat was in het begin moeilijk omdat ik geen Nederlands sprak. Kinderen vonden mij vreemd en staarden mij aan; dat was niet leuk. Soms lachten de kinderen me uit omdat ik er anders uit zag en de taal niet sprak. Dan gingen we of vechten en hadden we af en toe een blauw oog, of ik negeerde het, of we gingen praten met de leraar. Het Nederlands heeft ook een heel ander alfabet. In het Chinees hebben we tekens en karakters die staan voor zinsdelen, dat is echt heel anders.’

Erfgoeddrager: Lena

‘Ik bekleedde als kind een positie waar je je nu eigenlijk voor schaamt: de bezetter, de uitbuiter’

Xanadu, Mathilda en Lena van Het Wespennest interviewen Henk Heikoop, bij hem thuis. Meneer Heikoop, geboren in 1933, heeft in Nederlands-Indië, in Nederland en op Curaçao gewoond. Hij vergelijkt deze drie fasen van zijn jeugd met dakpannen die over elkaar heen vallen: ‘ze wissen elkaar een beetje uit, omdat het zo verschillend was’.

 Hoe was het in voormalig Nederlands-Indië?
’Dat was een droom. Voor de oorlog, in 1933, werkte mijn vader voor de Shell en hij ging naar Indië, naar Java. Daar werden mijn broertje en ik geboren. Nu noemen we het een ‘fout leven’, maar het was een droomleven. Het is heel lang geleden en ik bekleedde als kind een positie waar je je nu eigenlijk voor schaamt: de bezetter, de uitbuiter. Een schuldige positie.
We woonden in een grote witte villa op poten, want er waren in de tropen altijd slangen onder het huis.Vier bedienden waren dag en nacht bij ons Mijn vader en moeder waren altijd aan het tennissen of aan het bridgen, of op bezoek. Die waren er eigenlijk nooit, waren ook een beetje afstandelijk. Dus wij waren altijd bij deze lieve bruine mensen en spraken eerder Maleis dan Nederlands. Ze roken naar zweet en knoflook. Mijn symbolische betekenis van zweet en knoflook is ‘moeder’. Zo ver ging de intimiteit met die mensen.’

Wanneer bent u naar Nederland gekomen?
‘Dat was in 1940. Toen gingen we op Europees verlof. Je was dan vier jaar in Indonesië geweest en dan ging je twee maanden naar Nederland om je familie te zien. Tijdens dat verlof brak de oorlog uit, dus wij konden niet terug. Met een paar koffers zomerkleren zijn we hier gebleven. In Nederland was het heel, heel slecht. Maar in 1942 was er ook oorlog met de Jappen. De Japanners veroverden Azië en daar was het nog slechter dan in Nederland. De mensen zaten in kampen en aan het einde van de oorlog, kregen de Indonesiërs zo’n hekel aan ‘die blanken’ en gingen ze ook mensen vermoorden. Dat ging allemaal aan ons voorbij.’

Wat dacht u toen u zich realiseerde dat u niet terug kon naar Indië?
We vonden het echt vreselijk. We woonden in een heel klein pensionnetje met kleine kamertjes. We waren die ruimte gewend, die zon, die grote tuin en die lieve mensen. Toen we hoorden dat we echt moesten blijven stortte onze wereld ongeveer in. Ons hele droomleven was weg, was verdwenen. Het werd nog erger in de hongerwinter toen we echt bijna niks te eten hadden.’

Waar is uw familie na de oorlog naartoe gegaan?
De naoorlogse jaren waren heel slecht in Nederland. Mijn vader werkte weer bij de Shell en werd uitgezonden naar Curaçao. Een droomeiland in de Caribische zee. Daar was weer zo’n witte villa, weer op poten en een rode Chevrolet voor de deur. Mooi!’

Was het heel anders in Curaçao dan in Nederlands-Indië?
Hele goede vraag. Het was heel anders. Curaçao was Amerikaanser. Indonesië was Aziatisch: mensen waren kalm, rustig, beschouwend en beleefd.  Op Curaçao was het meer Amerikaans en ‘luidruchtig’. Iedereen was af een toe een beetje dronken, de mensen gingen niet meer naar de kerk. Maar voor een puber zoals ik, tussen de 12 en 20 jaar, was het wel leuk.’

Hoe kwam u vanuit Nederland naar Curaçao?
De KLM, toen nog een jonge maatschappij, deed er vier tot vijf dagen over om van Nederland naar Curaçao te gaan. We zaten steeds in hetzelfde vliegtuig met dezelfde bemanning. Dat was heel leuk. We raakten bevriend met de piloot, want die zagen we meer dan wanneer je nu vliegt.’

Waar vond u het fijner, in Indonesië of in Curaçao?
‘Het waren twee verschillende hemels. Indonesië was een kinderhemel. Zacht, lief en warm, echt een soort droom. En de hemel van Curaçao was meer feestjes, zwemmen, drankjes maken. Het was daar veel opwindender. Ik had stiekem mijn rijbewijs gehaald. Ik haalde altijd zessen, dus ik mocht geen rijbewijs halen, mijn broer die negens en tienen haalde, wel. Hij had mij stiekem op de lege vliegbaan van het Curaçaose vliegveld leren autorijden. ’s Avonds om elf uur gingen mijn ouders naar bed en dan reed ik stiekem met de auto naar het andere Shell-park, waar vrienden woonden. Dan reden we naar de Zuidkust om heerlijk te gaan zwemmen en ’s nachts om drie uur bracht ik ze weer terug. Als mijn vader het had geweten, was hij razend geweest! Het was een ander soort hemel, een ander soort bijzonder.’

 

 

Erfgoeddrager: Lena

‘In die tijd was iedereen die een beetje donker was een Chinees’

Femmie, Lena, Kim en Eline van het Etty Hillesum Lyceum / het Corberic in Deventer gaan bij meneer Lesley Jeffrey op bezoek. Zijn vrouw luistert op de achtergrond mee en vult hem af en toe aan. Meneer Jeffrey was 15 jaar toen hij met zijn moeder, twee broers en twee zussen naar Nederland kwam.

Vond u het lastig om u aan te passen?
Nee, dan ben je 15, dan vind je het prachtig. Ik kwam in Den Haag terecht. Dat was een grote stad vergeleken met Paramaribo. Je went er snel aan. We zijn Nederlands opgevoed op school. We kenden alle steden en rivieren van Nederland. Natuurlijk waren er cultuurverschillen. Hagenees is vrij direct, terwijl in Suriname je altijd tegen anderen beleefd moet zijn. Je bent jong, je past je snel aan. Ik ging net zo Haags praten en schelden en klieren. De eerste dag loop je door de buurt om te verkennen.  Een groep jongens riep: ‘Hé Chinees.’  Ik dacht dat het misschien een grapje was en zei ik dat ik geen Chinees ben, maar dat ik uit Suriname kwam. Ze reageerden verbaasd. In die tijd was iedereen die een beetje donker was een Chinees.
Met onze afkomst waren we niet zo bezig. Bij ons werd over slavernij weinig gesproken. Later ga je je daarin verdiepen. Dan vraag je je af waar je grootouders vandaan komen. In mijn geval zat het zo; een plantagehouder Jeffrey kreeg een kind met een Indiase vrouw. Mijn oma’s kant was van een Duitse broedergemeenschap, die ook een kind bij een inlandse vrouw had. Met directe slavernij had mijn familie weinig te maken.  Mensen waarvan de voorouders slaven waren, hebben wel een enorme achterstand in ontwikkeling en hun carrière. Dat duurt generaties om in te lopen.’

Had u problemen, conflicten met racisme?
Racisme ken je altijd. Mijn vrienden waren vaak witte jongens en meisjes en als we dan bij een discotheek kwamen, mochten zij naar binnen en ik niet. Dan vroegen mijn vrienden wat er aan de hand was en dan werd er sorry gezegd en mocht ik ineens wel naar binnen.
Onze oudste wilde niet meer in de zon, omdat hij niet zwart wilde worden. Hij was de enige zwarte jongen in zijn klas. Ik heb hem voor de spiegel gezet en hem laten zien hoe mooi hij is; ‘Kijk naar buiten. De anderen willen bruin worden, maar jij bent het al’, zei ik tegen hem. Toen was het goed.
Je wordt toch vaak beoordeeld op je uiterlijk. Mensen denken dat je conciërge bent en dan moet je uitleggen dat je dat niet bent. Wij werden een keer, toen we ‘s nachts thuiskwamen, door de politie aangehouden. We mochten weer verder toen we uitlegden dat we er woonden. We hebben onze kinderen altijd zo opgevoed; respect hebben, vragen stellen en uitleg vragen. Bijvoorbeeld zeggen: Ik weet niet of je het in de gaten hebt, wat u net zei, maar ik vind het discriminerend. En dan leg je uit waarom.’

Wat mist u van Suriname? Zou u daar weer willen wonen?
Vrijheid, naar buiten rennen, buiten spelen, met vrienden optrekken, de stad verkennen, de buurt. Natuurlijk werd er ook gecontroleerd. Als mijn opa en oma erachter kwamen, dan hing ik. Teruggaan wil ik alleen als toerist. Ik heb hier mijn leven opgebouwd en mijn vrouw ontmoet.  Als arbeiderskind heb je hier veel meer mogelijkheden om jezelf te ontwikkelen. Daar zou dat veel moeilijker zijn. Als je daar geen familie hebt om je te helpen, wordt het moeilijk. Ook kun je daar zomaar van je bed gelicht worden, omdat iemand bijvoorbeeld een vriendje heeft bij de politie.
In het Caribisch gebied kun je elkaar niet zomaar zeggen waar het op staat. Daar moet je heel voorzichtig mee zijn. Omdat mensen zich snel in de hoek gedrukt voelen, dan vinden ze je Europees. Als je onrecht bespreekbaar wilt maken, kom je gauw in de problemen. Maak je daar een verkeerde opmerking tegen je baas dan volgt ontslag en is er geen uitkering. Veel Surinamers die bijvoorbeeld aan de tropische landbouwschool in Deventer hebben gestudeerd, gingen terug. De meesten van hen wonen weer in Nederland.
In Deventer wonen ongeveer vierhonderd mensen die uit Suriname komen.  Met drie of vier van hen heb ik wel contact. Ik ben tien jaar voorzitter geweest van de Surinaams Antilliaanse stichting Tai Hori. ‘

Heeft u typisch Surinaamse kenmerken?
Ik heb niet zo veel haast. Het kan morgen ook. En niet te snel wandelen, ik kan langzaam lopen, slenteren, mensen observeren. In een winkelstraat lekker mensen kijken. Dat is typisch Surinaams.   En eten. Ja, ik hou van eten. Mijn kinderen ook. Dat is blijkbaar genetisch. Tegen etenstijd word ik stil. Roti kennen jullie vast wel. Het traditionele eten kun je hier gewoon krijgen.  Er zijn steeds meer Surinaamse producten.’ Zijn vrouw vult aan: ‘Hij houdt toch wel vast aan het Surinaamse eten. Ook de kleinkinderen blijven het lekker vinden. Maar hij eet ook rustig boerenkool en zuurkool stamppot.’

Erfgoeddrager: Lena

‘We kregen rekenen en taal, maar over de oorlog werd niets verteld’

Toos Kuit (1934) woonde in de oorlog aan de Willem Beukelsstraat in Amsterdam-Oost met haar ouders en haar vier zussen. Haar nichtjes en neefjes woonde in de huizen ernaast, vertelt ze aan Laurens, Kaan, Merel en Lena van de Lidwinaschool, ook in Oost. Om een beetje aan te kunnen sterken ging mevrouw Kuit samen met twee zussen naar Bovenkarspel in Noord-Holland, waar ze bij een stel zonder kinderen kwamen te wonen.

Was u weleens bang in de oorlog?
‘Ik vond sirenes die ‘s nachts afgingen heel eng. Ik woonde tegen de Ringdijk aan, op de Willem Beukelsstraat. Achter, waar nu de Intratuin is, waren toen weilanden en daar stond het afweergeschut met een soort kanonnen. ‘s Nachts gingen de sirenes en dan moesten wij bij mijn tante in de kelder schuilen. Als de sirenes dan nog een keer gingen, kon je weer naar huis en naar bed.

Waar ik ook bang voor was waren de NSB’ers, die liepen op vrijdagavond altijd heel uitdagend door de straten. Wij gingen dan naar binnen want dat wilden we niet zien.’

Wat heeft u gedaan om de Hongerwinter te overleven?
‘In het begin ging ik nog gewoon naar school, maar op een gegeven moment was er niet meer genoeg te eten en drinken. Met distributiebonnen konden we eten halen bij de bakker, de slager en de groenteman. Een brood kostte bijvoorbeeld één bon. Je kon ook naar een gaarkeuken, er was er eentje waar nu Oostpoort is, in het zwembad. Je kon er stamppot en erwtensoep halen met een pannetje.’

Had de familie dan wel genoeg eten?
‘Een paar jaar erna ben ik met mijn twee zusjes bij een stel met een hond in huis gaan wonen in Bovenkarspel. Dat had een priester geregeld. Deze mensen namen kinderen in huis die niet genoeg te eten hadden thuis. We zijn er een half jaar geweest en al die tijd hebben we onze ouders niet gezien. Mijn andere twee zussen bleven thuis. Ik ging er gewoon naar school. We kregen rekenen en taal, maar over de oorlog werd niets verteld. We vonden het wel heel fijn dat we op een gegeven moment weer naar huis konden. Mijn moeder is ons komen halen, via de boot van Amsterdam naar Enkhuizen en een vrachtwagen.’

Wat deden jullie om het nog een beetje plezierig en leuk te houden tijdens de oorlog?
‘Wij woonden met drie families naast elkaar, allemaal neven en nichten, en samen speelden we altijd buiten. Trefbal en verstoppertje. In de straat lagen soms ook granaatscherven van het afweergeschut. Ik had een blikken trommeltje en in de ochtend zochten wij naar die scherven en dan deden we die daarin. Dat vonden we leuk. Van mijn vader mocht dit niet, misschien dacht hij dat ze nog konden ontploffen.’

Wat weet u nog van de Bevrijding?
‘Hier in Amsterdam kwamen de Amerikanen en de Canadezen met vragenwagens de stad in. Mijn man, die ik toen nog niet kende, mocht mee op de vrachtwagens de stad door. Dat vonden ze geweldig! Maar ik heb dat niet meegemaakt; ik was toen nog in Bovenkarspel. Dat vond ik wel jammer want in Amsterdam waren er ook straatfeesten. Mijn twee zussen die wel thuis waren gebleven, vertelden ons er later over en daar was ik wel jaloers op. In Bovenkarspel kwamen er een paar soldaten die even naar een school gingen, maar verder gebeurde er niet zoveel.’