Erfgoeddrager: Isa

‘Op mijn zestiende ben ik ondergedoken’

Omdat Eldert Groenewoud er nog niet is, zoeken Sunna, Louisa, Isa en Fleur hem in de buurt op. Na een rondje fietsen zien ze hem, op de fiets ook, op zoek naar waar hij zijn moet, Art Gallery Tha Banque. Omdat er een bordje met ‘closed’ op de deur hangt, dacht hij dat hij niet naar binnen mocht. Snel krijgt hij binnen een kopje koffie en dan kunnen de leerlingen van de Bosschool hun vragen aan de 93-jarige stellen.

Wat is het leukste dat u is bijgebleven uit die tijd?
‘Omdat er altijd gevaar was, kreeg je echt een band met familie en vrienden. Ik heb hele goede herinneringen aan vriendschappen. Sommige mensen uit die tijd spreek ik nu nog. Met een groepje vrienden ging ik toen vaak langs de Groeneweg zitten, kijken naar de vliegtuigen. Ook hadden we los en vast vriendinnetjes. Of ik ook bang was voor iets? Ja, voor de vele bombardementen. Ik was bang dat er bommen op ons huis zouden vallen. Een keer zagen we een vliegtuig dat was geraakt door de Engelsen. Dat vloog rakelings over ons heen.’

U was dertien toen de oorlog begon. Wat wilde u worden?
‘Ik wilde heel graag vliegenier worden, maar ik maakte geen schijn van kans omdat we geen geld meer hadden. Mijn vader was petroleumboer, maar tijdens de oorlog was er geen petroleum meer. Als je geen inkomsten had, moest je voor de Duitsers werken en dat wilde mijn vader niet. Daarom stapte hij naar de burgemeester met de vraag of hij werk voor hem had. Dat had ie: schillen ophalen bij de mensen thuis. Ik heb zelf ook nog een jaar meegeholpen. Afschuwelijk vond ik dat. Omdat ik zo geïnteresseerd was in de vliegerij, ben ik met een onderdeel van het neergestorte vliegtuig naar een KLM-vliegenier in Bergen gegaan om te vragen wat het was. Maar eigenlijk wilde ik gewoon kennismaken met een vliegenier die mij misschien verder kon helpen. En dat lukte! Die man is een avondje bij ons thuis geweest omdat hij wel iets in mij zag en heeft zich toen garant gesteld. Toen mocht ik wel naar de Mulo en de HBS.’

Moest u ook evacueren?
‘Ja, iedereen moest weg uit Bergen. Wij moesten naar Ommen, dat is in Overijssel, maar dat wilden we niet. Mijn oom had een grote aardappelschuur in Kalverdijk en die zei: “Ik timmer er wel een paar kamertjes in voor jullie”. Dus mijn familie ging naar Kalverdijk. Alleen ik ging naar Lisse, naar een tante, omdat ik naar de Mulo ging. Toen ik zestien werd, moest ik eigenlijk naar Duitsland om te werken. Dat leek me geen goed idee. Toen ben ik ondergedoken bij mijn ouders in Kalverdijk. Daar was ook een afluisterstation waar Duitse soldaten zaten om geheime zenders op te sporen. Ze kwamen uit de grensstreek en spraken Nederlands. Het waren leuke kerels, niet zo fanatiek, en ze waarschuwden ons als er een razzia aankwam. ”Je moet morgen uitkijken, dan moet je het land in!” Dan gingen wij het land in, zodat de Duitsers ons niet zouden vinden. Die laatste winter van de oorlog stond half Noord-Holland onder water doordat de sluizen dicht waren en de gemalen niet werkten. Daardoor liepen uiteindelijk de weilanden onder. Toen het ging vriezen veranderde de provincie in één grote ijsvlakte. We konden op de schaats overal naartoe en schaatsten heel Noord-Holland door. Dat was geweldig! Ik hou van schaatsen.’

       

Erfgoeddrager: Isa

‘Op school heerste een gespannen sfeer ‘

Door corona kunnen Alin, Amelie en Isa van de Dongeschool in Amsterdam-Zuid Harriett Broekman-Goldwasser jammer genoeg niet persoonlijk ontmoeten. Maar gelukkig gaat het gesprek via Skype ook goed. Hoe het met haar gaat, vragen de kinderen. Eigenlijk gaat het best goed, vertelt mevrouw Broekman-Goldwasser. ‘Deze coronatijd is ook vreemd voor mijn man en mij, maar we komen er samen goed doorheen.’

Heeft u altijd in de Rivierenbuurt gewoond tijdens de oorlog?
‘Nee, op een zeker moment moesten we van de Hunzestraat naar een ‘getto’ in Amsterdam-Oost verhuizen, omdat de Duitsers wilden dat alle Joodse mensen bij elkaar woonden. Het woord ‘getto’ komt eigenlijk uit Venetië en dat was een plek waar alle Joden in een wijk bij elkaar woonden. Voor de Duitsers was dit makkelijker om ons uiteindelijk weg te brengen naar de kampen. Alle Joden uit Nederland werden naar Amsterdam-Oost gebracht om vervolgens te worden doorgestuurd naar de kampen. Wij konden onderduiken en vertrokken naar Zeist. Na de oorlog zijn we teruggekeerd naar Amsterdam en zijn we in de Jacob Obrechtstraat gaan wonen.’

Vanaf welk moment kon u niet meer naar school?
‘Mijn moeder wilde mij niet naar de kleuterschool sturen, omdat het risico bestond dat de Duitsers ons daar zouden weghalen. Pas op mijn zesde ben ik naar een Joodse school gegaan in de Jekerstraat. Daar heb ik helemaal niets geleerd. Op school heerste een gespannen sfeer omdat elke dag weer leraren dreigden te worden opgepakt. In mei 1943 zijn we uiteindelijk ondergedoken en toen konden we helemaal niet meer naar school.’

Met hoeveel mensen waren jullie ondergedoken?
‘Ik kwam bij een familie in Zeist terecht, die uit maar liefst zeven zonen bestond. Zij moesten eigenlijk werken voor de Duitsers, maar dat wilden zij niet dus zij waren ook ondergedoken. De vader van de familie was een soort pleegvader voor mij. Hij had onder de vloer allemaal geheime kamers gemaakt, waarin we bij gevaar konden schuilen. Ik heb ontzettend veel geleerd bij die familie. Het was een bijzondere periode voor mij. Ze zijn me altijd dierbaar gebleven. Mijn pleegvader was ook onze getuige toen mijn man en ik gingen trouwen. Vandaag de dag heb ik nog steeds contact met zijn kleinkinderen.’

Denkt u nog vaak aan de oorlog terug?
‘Dat raak je nooit meer kwijt, dat hou je altijd bij je. Als ik de kinderen zie die moeten vluchten voor oorlogen, vind ik dat hartverscheurend. Ik snap goed wat ze meemaken. Die kinderen komen misschien stug over, maar ze hebben gewoon veel meegemaakt.’

Erfgoeddrager: Isa

‘Ze gooien stenen! Ik breng jullie vlug naar de kerk!’

Isa, Audrey en Tania van de H.J. Piekschool vertrekken goed voorbereid naar het huis van mevrouw Annie Dillissen. De meiden kunnen niet geloven dat zij dit jaar 101 jaar oud wordt. “Wat kan ze goed vertellen! Ze herinnert zich nog alles!” Haar zoon Theo, die in de oorlog is geboren, is ook aanwezig en voorziet iedereen van koekjes en drankjes.

U trouwde tijdens de oorlog, was er toen ook een feest?
‘Dat was wel de bedoeling, maar dat ging helaas niet door. We zijn eerst voor de wet getrouwd, omdat we hoopten dat mijn man dan niet in Duitsland hoefde te werken. De bruiloft in de kerk was op 30 april 1943; dat was hier een stakingsdag. We merkten dat het onrustig was op straat, maar wisten toen niet waarom. De koetsier die ons met een rijtuig bracht, zei: “Ze gooien stenen. Ik ga jullie vlug naar de kerk rijden!” Na de dienst moesten we lopend terug. De koetsier vond het te gevaarlijk op de weg. Ik had mijn schoenen en jurk van iemand geleend en die schoenen waren veel te klein. Op de Ritzema Bosweg heb ik ze uitgetrokken en ben ik op mijn kousen naar de Lindelaan gelopen. Mijn vader had een feest geregeld. Mijn tante had het eten voorbereid, er was gebak besteld. Maar het ging allemaal niet door. We hadden geen gebak, geen bier, niets. En om acht uur moesten we vanwege de spertijd weer naar huis, lopend.’

Wat is er met uw moeder gebeurd in de oorlog?
‘Mijn moeder had kanker en is daar helaas aan overleden. Gelukkig wel voor de tweede evacuatie; dat was veel te zwaar voor haar geweest. Ze werd begraven op de dertiende verjaardag van mijn broertje. Mijn vader had nog gevraagd of het mogelijk was dat de begrafenis op donderdag in plaats van vrijdag plaats zou vinden. Hij vond het zo sneu dat mijn broer zijn verjaardag zou moeten delen met de begrafenis van zijn moeder. Maar het kon niet, omdat op donderdag altijd werd geschoten en het dan veel te gevaarlijk zou zijn voor een begrafenis.’

Wat was daarnaast het ergste dat u heeft meegemaakt?
‘Toen mijn zoon Theo als baby’tje in het ziekenhuis lag. Hij was zo ziek dat de arts tegen mij zei: “Gaat u maar bidden, want uw zoon zal niet lang leven”. Hij is geboren tijdens de evacuatie van februari 1945. Ik was heel bang dat ik hem zou verliezen. Mijn man kon mij ook niet helpen, omdat hij zat ondergedoken. Tijdens de evacuatie hebben we met het hele gezin op een boerderij in Veenendaal gezeten. In het ziekenhuis was me verteld dat ik Theo niet mocht voeden, omdat hij op een gegeven moment zwaar genoeg was. Weer terug op de boerderij lagen we met het gezin en andere evacués boven de stal te slapen. En Theo bleef maar huilen ’s nachts. Toen ik weigerde hem te voeden, werd de boerin heel erg boos op mij, en toen moest ik daar weg. Ik kreeg mijn eigen kamertje bij een vrouw in Ede. Het huis stond heel dichtbij de spoorlijn en die werd ’s nachts vaak gebombardeerd. Als dat gebeurde haalde ik Theo altijd bij me in bed. ‘Als we gaan dan gaan we samen’ dacht ik. Gelukkig is dat niet gebeurd. We zijn er allebei nog.’

 

 

 

 

Erfgoeddrager: Isa

‘Ik ben op een schip naar Friesland gebracht’

Inez, Tim, Isa en Silke van basisschool ‘t Hunnighouwersgat rijden met Tims moeder naar West-Terschelling. Ze gaan op bezoek bij Neeke Doeksen-Kooyman, die woont in zorgcentrum De Stilen. Mevrouw Doeksen vindt het bezoek van de kinderen erg leuk. Het doet haar denken aan de tijd dat ze nog lesgaf op een basisschool.

Woonde u op Terschelling in de oorlog?
‘Nee, ik woonde met mijn ouders in Amsterdam. Mijn grootouders woonden wel op Terschelling, zowel van mijn vaders als van mijn moeders kant.’

Wat kunt u zich nog herinneren van de Hongerwinter?
‘Ik weet nog dat we in Amsterdam naar de gaarkeuken gingen. Daar hadden ze een grote lepel om het eten op te scheppen. Toen het steeds moeilijker was om voedsel te halen, ben ik met andere kinderen op een schip naar Friesland gebracht. Daar heb ik langere tijd op een boerderij gewoond. De mensen waren heel lief voor mij. Sinds kort weer heb ik zelfs contact met een van de kinderen van dit gezin. Mijn opa’s en oma’s van Terschelling stuurden me ansichtkaarten om me te steunen. Ik was immers nog maar 7 jaar oud en had mijn ouders niet bij mij in de buurt om me te helpen.’

Waar waren uw ouders?
‘Zij bleven de winter in Amsterdam en vingen daar zeemannen op van de eilanden die op doorreis waren. Mijn vader voer in de oorlog ook op een schip, en is maar even met verlof geweest. Na de oorlog kwam hij gelukkig terug voor een langer verlof.’

 

Erfgoeddrager: Isa

‘Tijdens de oorlog was ik weinig op Terschelling’

Laura, Isa en Lente van basisschool ‘t Hunnighouwersgat gaan met de auto van Midsland naar zorgcentrum De Stilen in West-Terschelling. Ze hebben er afgesproken met de 98-jarige Piet Kaspers. Hij woont nog zelfstandig, en komt elke dag op de fiets naar het zorgcentrum. Daar drinkt hij koffie en neemt nog een kijkje bij familie van hem om vervolgens weer lekker terug te keren naar zijn eigen huisje. De kinderen krijgen eerst een beker limonade en verhuizen dan met meneer Kaspers en zijn zoon naar de buurtkamer, zodat ze rustig kunnen praten.

Hoe verliep de oorlog voor u?
‘In het begin van de oorlog, ik was toen 19 jaar, moest ik in dienst. Ik werd eerst korporaal en later sergeant. Tijdens de oorlog was ik weinig op het eiland. Ik zat in een kazerne in Leeuwarden, en later ook in Alkmaar en Rotterdam. Er was zelfs nog sprake van dat ik naar Duitsland moest om te werken. Maar daar ben ik met een smoesje onderuit gekomen.’

Wat staat u het meest bij uit deze tijd?
‘In Rotterdam hielp ik de bevolking na de bombardementen. Het was daar natuurlijk één grote ravage. Ook is tijdens de oorlog mijn zoon geboren. We hadden allemaal kaarsen aangestoken tijdens de bevalling. Het moest donker zijn want we mochten niet worden ontdekt. Het leek net Kerst. Ik schreef tijdens de oorlog veel brieven aan mijn familie op het eiland zodat we toch contact konden houden. In mei 1945 keerde ik terug naar Terschelling.’

Erfgoeddrager: Isa

‘Ze pakten m’n eten af, sloegen me in elkaar en lieten me bebloed achter in de sneeuw’

Voor dit interview reisden Isa, Wout, Noah en Tijmen van de J.D. van Arkelschool in Broek op Langedijk naar Amsterdam, waar ze hartelijk verwelkomd werden door Han Romijn, geboren in 1930 en oudoom van hun meester. Meneer Romijn dacht dat ze wel een ijsje lustten na de autorit en daar had hij gelijk in. Met ijs en met hun schriftje vol vragen paraat kon het gesprek beginnen.

Wanneer merkte u iets van de oorlog in het dagelijks leven?
De spanning in de oorlogsjaren was altijd voelbaar. We zagen Duitse soldaten en wagens met kanonnen. Maar aan de andere kant gingen we ook gewoon naar school. ’s Avonds moesten de ramen verduisterd zijn, zodat de Engelse vliegeniers niet wisten waar ze vlogen. Dan zagen we lichtstralen door de lucht. De Duitsers hoopten zo een vliegtuig te spotten en neer te kunnen schieten, zodat ze niet door konden vliegen om Duitsland te bombarderen. Soms hingen we uit het raam om naar de vliegtuiggevechten te kijken. Dan zagen we brandende vliegtuigen en piloten die aan een parachute uit het vliegtuig sprongen en in de weilanden terechtkwamen.’

Was u weleens bang in de oorlog?
‘Ja, één keer ben ik écht verschrikkelijk bang geweest.  Ik was veertien en op hongertocht in Noord-Holland. Het was tegen het einde van de oorlog en ik reed op een dijkje tussen Avenhorn en Ursem. Er vlogen allemaal vliegtuigen over. Engelse vliegtuigen werden begeleid door jagers en die verveelden zich blijkbaar, want ze begonnen zomaar op ons te schieten.  We verscholen ons aan de ene kant van het dijkje en toen aan de andere kant, doodsbang voor wat er kon gebeuren. Het was gewoon een poging tot moord! Toen de oorlog was afgelopen, was dat angstige gevoel opeens weg.  Ik kan het niet zo goed beschrijven maar je voelde je echt weer vrij!’

Was er genoeg eten in de oorlog?
‘Vanaf 1942 kon je alleen iets kopen als je er een bonnetje voor had. Maar in de winter van 1944, de hongerwinter, hadden we in Amsterdam bijna geen eten meer. Daarom ging ik op hongertocht, met een  fiets met tuinslangen als banden ging ik naar onder andere Groningen en Drenthe om kleding of ander spullen bij boeren te ruilen voor eten. Ik was soms weken onderweg terwijl mijn moeder niet wist waar ik was. Soms mocht ik bij iemand in de hooiberg slapen, soms bij de mensen thuis. Als ik geluk had en thuiskwam met wat aardappelen leek het wel of ik met goud thuiskwam. Zo waardevol waren de aardappelen voor mijn moeder. Dan knielde ze op het kleed en spreidde de aardappeltjes over het kleed. Maar tijdens één van de tochten werd mijn eten door een groep  jongens afgepakt. Omdat ik me verdedigde, sloegen ze me in elkaar. Ze lieten me achter, in de sneeuw, mijn mond onder het bloed. Gelukkig nam een meneer me mee naar een bejaardentehuis in Wormerveer. Daar kon ik voor één keer mijn buik vol eten. Via via kwam ik terecht in Broek op Langedijk, bij de familie  van jullie meester. Ik was zo verzwakt en uitgehongerd dat ik bewusteloos raakte. Twee weken lang was ik van de wereld en werd ik goed verzorgd door deze lieve familie tot ik weer was aangesterkt.  De vriendschap met de familie is altijd gebleven. In het bijzonder met Annie, de dochter van het gezin. Ik werd verliefd op haar, het was wederzijds en we zijn getrouwd!’

Erfgoeddrager: Isa

‘Het was heel zwaar, maar daarna hadden we wel weer hout voor de kachel’

Isa, Melle, Pelle en Daniel van de Van den Brinkschool in Wageningen gingen bij mevrouw Post op bezoek. Zij was veertien jaar toen de oorlog begon en woonde in die tijd met haar zusje en ouders op het Sint Annaplein, dichtbij de kerk.

Is uw huis ook gebombardeerd?
‘Nee, gelukkig niet. Maar toen we na de eerste evacuatie weer thuiskwamen, was ons huis helemaal leeggeroofd en alle ramen waren kapot. Alle belangrijke dingen, zoals dekens en schoenen, waren weggehaald. Maar het ergste vond ik toch dat ze ook mijn banjo hadden meegenomen. Het centrum van Wageningen was helemaal verwoest. De binnenstad lag vol glasscherven. We maakten de ramen dicht met grote kartonnen platen. Daar zaten kleine ronde glaasjes in, ongeveer zo groot als een flessenbodem. Die glaasjes waren gesneden uit de scherven die op straat lagen.’

Heeft u in de oorlog u iets gedaan wat niet mocht?
‘Tijdens de Hongerwinter was er niet alleen bijna geen eten, we misten bijvoorbeeld ook brandhout. Met een hele goede vriend ging ik ‘s avonds tijdens de spertijd naar de spoorlijn om bielzen te stelen. Hij was gelukkig heel sterk en met een grote stevige stok tilde hij zo een biels omhoog. Ik moest daar dan met mijn schouder onder staan tot hij hem weer kon pakken. Het was heel zwaar maar daarna hadden we wel weer hout voor de kachel.’

Heeft u ooit contact gehad met Duitse soldaten?
‘Toen we in Veenendaal waren, kwam er dagelijks een colonne met Duitse soldaten langs. Op een dag zagen twee Duitse soldaten mij een mijn zusje bij het raam zitten. Ze kwamen naar ons huis en eisten dat we open deden. In een blikje hadden ze een vers stuk biefstuk. Maar dat was niet voor ons. Ze zeiden dat ze om vijf uur terug zouden komen en dat die dan gebraden moet zijn. Ik wilde dat eerst niet doen, maar ze keken zo boos. Om vijf uur waren ze terug en kregen dus een lekker stuk biefstuk met jus mee. Daarna kwamen ze elke keer als de colonne langs het huis kwam aan de deur en gaven ons brood dat ze nog over hadden!’

Wat was u de verdrietigste moment tijdens de oorlog?
‘Mijn vader ging een keer voor een kannetje melk naar een boer. Het was 6 maart, en hij wilde dat graag aan mijn moeder voor haar verjaardag geven. Hij kreeg het en ook een half brood. Maar toen mijn moeder het uitpakte, was het brood al helemaal groen van de schimmel. Mijn vader besloot het aan de koeien in de wei te geven. Mijn zusje en ik wilden graag zien hoe hij de koeien voerde en gingen boven uit het raampje kijken. Toen zagen we hoe hij heel stiekem het binnenste van het brood opat. We moesten huilen, dat hij dat moest doen van de honger.’

             

Erfgoeddrager: Isa

‘Niet eens echt bang’

Meneer Jan Mos was thuis de oudste van zeven kinderen en had de verantwoordelijkheid om voor eten en kolen te zorgen. We vonden het heel indrukwekkend toen hij vertelde hoe een Duitser hem onder schot hield.

Wat at u tijdens de oorlog?
“Op vrijdag werd er vrijbankvlees verstrekt op de Veemarkt. Je had vleesbonnen en vrijbankvlees kreeg je voor de helft van de bonnen. Om vier uur ‘s morgens, als de klok luidde, rende je naar de Cruquiusweg, daar stond dan al een hele lange rij bij de vrijbank. Ik ging in de rij staan, maar tussendoor speelde ik in de wagons die daar stonden, of ging ik even slapen. Als je weer in de rij kwam, mocht je terug op je plekje. Om acht uur werd ik afgelost door mijn stiefvader, dan moest ik naar school.”

Ging u ook kolen pikken?
“Als het regende of stormde dan bleven we thuis. Zodra het kon, gingen we naar de Rietlanden. Daar lagen kolen opgestapeld tegen een muur. Tegen zessen was de beste tijd, het werd dan al donker. Een keer werd er geschoten. Mijn broertje en ik verstopten ons onder een wagon. Zodra ik er even onderuit kwam, werd er weer geschoten. Dat ging een hele tijd door tot het schieten ophield. We konden wegkomen. Het was een hachelijke situatie, vooral omdat we toen al wisten dat Keesje Breijde doodgeschoten was.”

Was u bang in de oorlog?
“Niet echt. Ik ging elke dag met een paar jongens Rauschen, stelen. Dat noemden wij geen stelen, dat was je spullen terugpakken van de Moffen. We probeerden in de havenloodsen te komen en dan pikten we alles wat we konden verkopen.

Een keer was er op de Panamakade een goederenwagon vol broeken opengebroken. In die wagon trok ik een van die broeken aan en daaroverheen deed ik mijn eigen overall weer aan. Ik vulde ook al mijn jaszakken met knopen uit een doos die ik tegenkwam. Ineens stonden er twee Duitsers in de opening van de wagon. De ene richtte zijn geweer op mij. Ik was niet eens echt bang. Ik deed gewoon mijn handen omhoog, dat had ik weleens gezien in een film. De Duitser schopte mij op zijn boot, ik moest helemaal mee naar de Westerdokdijk, naar de Kriegsmarine, de waterpolitie van de Duitsers. Ik moest mijn naam en adres opgeven, maar ik had mijn persoonsbewijs niet bij me. Dus heb ik keurig netjes een verkeerde naam en een verkeerd adres opgegeven. Ik weet nog goed dat we een loods binnengingen waar allemaal Moffen zaten te eten. Ik kreeg niks. Ik moest houthakken en de grond dweilen. Ik deed mijn jas uit, en toen kletterden alle knopen op de grond. Ik kreeg klappen en moest alles oprapen. Ze vertrouwden mij niet meer, ik moest mijn overall uittrekken. Daaronder had ik dus die gestolen broek aan, een echte Duitse marine broek… ‘Ausziehen, ausziehen’, riep een van die Duitsers. Hij liet me verder dweilen terwijl ik stierf van de kou. Er kwam een hele dikke Mof binnen, ik moest met hem mee om zijn kantoor schoon te maken. Van hem kreeg ik wel wat te eten. Ik deed hem aan zijn zoon denken.”

foto’s: Marieke Baljé

Erfgoeddrager: Isa

‘Mijn moeder reageerde blij verrast toen ik met een jas vol bloemkolen thuis aanbelde.’

Roel Wuite is in de oorlog nog een kleutertje. Toch heeft hij bijzondere herinneringen aan de oorlog. Hij leert klokkijken van een onderduiker en ziet V2-raketten overvliegen. Roel neemt de kinderen van Oorlog In Mijn Buurt zelfs mee naar de herdenkingsplaat van een V2-inslag op de Indigostraat.

Hoe kwam u aan eten in de oorlog?
Ik weet nog goed dat we in 1943 op hongertocht gingen. In het begin liep ik samen met mijn moeder en zusje vanuit de Vruchtenbuurt helemaal naar Loosduinen. In die tijd waren er vanaf de Thorbeckelaan nog allemaal tuinderijen. Toen ik iets ouder was, liep ik samen met vriendjes langs de sloot. De kwekers vervoerden hun spullen het liefst op bootjes door de sloten. We zagen opeens een boot vol met bloemkolen liggen. Er stond geen tuinder bij. Toen zijn we naar de boot geslopen en hebben we een paar bloemkolen onder onze jassen gestopt. Mijn moeder reageerde blij verrast toen ik met een jas vol bloemkolen thuis aanbelde.

Waarvan werd u bang in de oorlog?
De Duitsers hadden een “Vergeltungswaffen” waarmee ze de Engelsen wilden bombarderen. Dat waren hele moderne wapens, die waren ontworpen en gemaakt in Duitsland. Die werden overal vanaf de kust gelanceerd. De V2 raketten. Nou kwam het regelmatig voor dat die lanceringen mislukten. Op 1 januari 1945, de verjaardag van mijn vader, zaten we ’s ochtends met elkaar bij de kachel. Terwijl we het laatste beetje hout verstookten, hoorden we een V2 opstijgen. Na een aantal seconden begon de raket te sputteren. Toen we buiten een vuurkolom onze kant op zagen komen dacht ik “we zijn er geweest”. Maar op dat moment trok die brandende sigaar nog één keer op. En stortte vervolgens neer in de verte. Later bleek dat hij was ingeslagen op de hoek van de Indigostraat en Kamperfoeliestraat. Daar is nu nog steeds een herdenkingsplaat.

Bent u gevlucht in de oorlog?
In principe hoefden wij niet te vluchten uit Den Haag, tenminste niet omdat we anders opgepakt zouden worden. Omdat mijn ouders eigenlijk vlak voor de oorlog vanuit Friesland naar Den Haag waren verhuisd, woonde de rest van onze familie nog daar. Zeker aan het einde van de oorlog, toen het hier moeilijk was om aan eten te komen, was het prettiger om in Drachten te wonen. Gelukkig konden we met een verhuiswagen van Kalisvaart meereizen naar Drachten. Natuurlijk was er op dat moment geen sprake van een uitgebreide verhuizing, maar omdat het verhuisbedrijf toestemming had van de Duitsers om te mogen rijden, maakten wij hier gretig gebruik van. Alleen vader kon niet mee, omdat de kans dat hij alsnog te werk gesteld zou worden te groot was. De reis was niet zonder spanning en gevaar. Op de Veluwe hielden we een 18-jarige jongen onder dekens verstopt tijdens een grondige controle. Gelukkig kwamen we veilig aan bij onze grootvader. In het huis heb ik leren klokkijken van ‘Oom Jan op zolder’. Na de oorlog bleek oom Jan geen oom te zijn, maar een joodse oud-studiegenoot van mijn opa. In Drachten maakten wij de bevrijding mee.

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892