Erfgoeddrager: Aya

‘Als ik ergens naartoe ging, werd ik bekeken alsof ik een alien was’

Rivano, Aya en Amir gaan in Helmond op bezoek bij de Surinaams-Javaanse Joyce Djarkasi (1961). Onder het genot van de typisch Surinaamse soda en muffins spreken ze over haar jeugdliefde, de ondeugende fratsen en hoe het was om vanuit Suriname naar Nederland te komen. De leerlingen van basisschool De Schelp in Eindhoven luisteren aandachtig naar haar verhaal.

Hoe was het om vanuit Suriname naar Nederland te komen?
‘Ik vond het een hele mooie tijd om in Suriname te wonen, tot mijn 19de heb ik er gewoond. Ik ben van Javaanse afkomst. Mijn ouders zijn Javanen en mijn overgrootouders kwamen uit Indonesië, zij zijn als contractarbeiders naar Suriname gebracht.

Ik groeide op in Lelydorp. Je kan het een beetje vergelijken met Tongelre of Woensel. Hier speelden de kinderen veel buiten, heel anders in vergelijking met Nederland. In Suriname kregen we veel te leren over Nederland, we leerden bijvoorbeeld over het weer, zoals de sneeuw. Ik werd nieuwsgierig naar hoe de sneeuw zou voelen. Dus probeerde ik hoe de binnenkant van de vriezer voelde.

Het was allemaal anders in Nederland, het was allemaal een beetje vreemd. Ik had een andere verwachting. Het eerste jaar miste ik Suriname wel. Door het weer kom je minder buiten en school was heel anders. Als ik ergens naartoe ging, werd ik bekeken alsof ik een alien was.’

Hoe was het om naar school te gaan in Suriname en Nederland?

In mijn jeugdjaren leefde ik met alle andere bevolkingsgroepen, ik speelde buiten met kinderen die Hindoestaans, Creools, Javaans, Chinees en halfbloed waren. Van hen leerde ik verschillende talen. In Suriname spreken we Nederlands, in mijn tijd mocht je in de klas geen Surinaams praten want dan kreeg je straf. Buiten sprak ik Surinaams of Javaans met de andere kinderen.

Op school was het erg streng, ik heb daar de basisschool en de middelbare school gedaan. We mochten niet veel vragen stellen, het was heel anders dan in Nederland. We moesten de meesters en juffen altijd met meneer of mevrouw aanspreken en niet met de voornaam. Dat was best moeilijk toen ik hier naar school ging. Hier hoefde ik ze geen meneer of mevrouw te noemen. Ik had een beetje een cultuurschok.

Ik wilde hier verder studeren. Maar ze zeiden dat ze het niet vertrouwden of ik dat wel aankon omdat ik uit het buitenland kwam, dus moest ik een niveau lager studeren. Ik was de oudste in de klas! Ik wist niet helemaal hoe ik hiermee om moest gaan.’

Wanneer begreep u dat iedereen gelijk is?

‘Toen ik in Suriname woonde was mijn oom getrouwd met een Nederlandse vrouw. Dankzij haar leerden wij dat Nederland een paradijs was. Ik bewonderde de mensen die op vakantie waren geweest naar Nederland. Toen ik in Nederland kwam begon ik anders te denken, ik merkte dat de normen en waarden heel anders waren.

Het voelde alsof Nederland de baas speelde. Wij moesten altijd zoveel leren over Nederland, maar zij wisten helemaal niks van ons land. Ik word daar soms een beetje boos van. Ze hebben het idee dat wij in hutjes met een hangmat leven en we niks hebben. Maar in Suriname hebben we ook huizen en gaan we naar school en hebben ze auto’s. Het is net als hier.

Ik vroeg me toen af: waarom leren zij ook niet over ons, om te weten hoe het is in Suriname? We zijn allemaal verschillend, je leert heel veel van elkaar en we zijn allemaal mensen. Als ik je niet begrijp wil ik meer over je leren en dan krijg ik meer begrip voor jou. Het is een manier om elkaar te leren kennen. Ik vind het niet eerlijk als je verstoten wordt door je cultuur.’

Erfgoeddrager: Aya

‘Tijdens de Coronaperiode kreeg ik last van mijn oorlogstrauma’

Constance Vogler is haar officiële naam, maar ze wordt vaak Nanny genoemd. Mevrouw Vogler is grootgebracht in Bandung in voormalig Nederlands-Indië, vertelt ze aan Aya, Brian, Dina en Ayoub van het Damstede Lyceum in Amsterdam-Noord. Ze is een ‘Indonesische-Europeaan’ die opgroeide met haar opa en oma en op haar 21ste naar Nederland kwam. Het interview voelt meer als een gewoon gesprek, vinden de leerlingen.

Hoe was het voor u toen de oorlog ten einde kwam?
‘Toen de atoombommen vielen was ik wel blij, maar daarna kregen we die andere vreselijke oorlog. Ik heb de slachtpartijen gezien, toen de Indonesiërs de Indo-Europeanen afslachtten. Destijds had ik niet zo’n last van trauma ondanks dat ik vreselijke dingen heb gezien. Je had namelijk geen tijd om zielig te zijn; daarvoor gebeurde er te veel. Maar tijdens de coronaperiode kreeg ik er toch heel veel last van; je mag dit en dat niet… Ik kreeg flashbacks van de oorlog. De gevoelens die ik tijdens de oorlog zou moeten hebben, kreeg pas in de coronatijd.’

Wilde u terug naar Nederland?
‘Indonesië was toe aan onafhankelijkheid en als Nederlander zijnde moest ik terug naar Nederland. Als ik wilde blijven, zou ik eerst Indonesisch staatsburger moeten worden. Ik was erg boos toen we het land werden uitgejaagd, want het was mijn thuisland en ik woonde daar al mijn hele leven. Mijn moeder, mijn vader, mijn opa en mijn oma waren er allemaal geboren, getogen en overleden en dan word ik weggejaagd omdat ik mij meer Nederlands voel dan Indonesisch. Ik heb er geen spijt dat ik naar Nederland ben gegaan, want ik ben Nederlands opgevoed. Als ik Indonesisch staatsburger zou worden, zou het een hele overgang zijn. Nu zou ik nog steeds dezelfde beslissing nemen.’

Waarin verschilt Nederland van Indonesië?
‘Ik vind dat de scholen in Indonesië beter waren dan die in Nederland. Toen ik mijn dochter hier naar school bracht, schrok ik. Ik vond de scholen er armoedig uitzien. In de Nederlandse school leerde mijn dochter weinig over Nederlands-Indië, bijvoorbeeld ook niet uit hoeveel eilanden Nederlands-Indië uit bestond. Maar in de scholen in Indonesië leerden wij alles. We leerden de vaderlandse geschiedenis, dus alles over Nederland en Europa en ook de Indonesische geschiedenis.’

Erfgoeddrager: Aya

‘Thuis belde hij aan en vreemden deden open’

Amira, Angelina, Aya, Denisa en Imram van Spring High in Amsterdam Nieuw-West spreken met Saskia van Kreveld. Zij is van 1952 en groeide op in een gezin met Joodse ouders, die tijdens de oorlog veel hebben meegemaakt. Saskia kent hun verhalen en vertelt ze graag door. De leerlingen interviewen haar over het verhaal van haar vader.

Hoe oud was uw vader toen oorlog begon?
‘Mijn vader was drieëndertig toen de oorlog begon en was toen getrouwd met Jettie. Dus niet met mijn moeder. Zij werd zestien toen de oorlog op 10 mei 1940 uitbrak en woonde in Enschede. In het begin merkte je toen nog niet veel van de Duitse bezetting, maar langzaamaan veranderde veel en kwamen er strengere maatregelen. Wat men nog niet wist is dat men in Duitsland al in 1934 concentratiekampen had gebouwd. Hitler was bezig om zijn supernatie te bouwen. Hitler had iets tegen de Joden; hij vond hen oplichters.’

Moest uw vader onderduiken?
‘Toen de oorlog uitbrak, geloofde mijn vader niet dat hij opgepakt zou worden. Zijn vrienden en een aantal familieleden hadden wel zo’n vermoeden. Zij zeiden hem dat hij moest vluchten naar Engeland of Amerika. Hij geloofde hen dus niet. Maar de situatie werd steeds grimmiger en toen vrienden die bij de ondergrondse zaten het hem aanraadden, is hij toch ondergedoken. Hij zat in totaal op zes verschillende onderduikadressen. Steeds als mensen hem verraadden, moest hij weer naar een ander adres. Hij heeft me verteld over zijn tijd in Wilp, waar hij tijdens een razzia zich moest verstoppen. Zijn verstopplek was achter een houten schot waar een kapstok voor stond. Hij paste net in die ruimte. De jassen werden er dan voor gehangen. Zijn hart ging tekeer als hij de soldaten dan langs hem heen hoorde lopen. Als hij hoorde hoe de bewoners werden ondervraagd. Het is een wonder dat hij niet is ontdekt. Daarna is hij overgeplaatst naar een ander adres. Ook verstopte hij zich een keer met zijn broer in een hooiberg. Soldaten prikten in het hooi, maar hebben hen niet ontdekt.‘

Hoe ging het na de oorlog met hem?
’Hij ging terug naar huis, belde aan en vreemde mensen deden open. Het gezin had zijn woning in de oorlog toegewezen gekregen. Hij heeft toen een tijdje bij mijn tante gewoond. Zijn vrouw en veel andere familieleden waren vermoord in de kampen. Hij had nog één broer en één oom. Na de oorlog was het voor vele Joodse mensen heel moeilijk. Ze hadden geen baan, geen geld, geen huis. De gemeente Amsterdam vond dat je dat zelf moest regelen en liet de mensen in de kou staan. Mijn vader is in 1949 hertrouwd met mijn moeder. Hij vertelde veel over de oorlog en was heel open over het verlies van zijn familie. Mijn moeder was gesloten en wilde er niet over praten. Verhalen over haar oorlogservaringen hoorde ik van haar zus.’

Wat heeft de oorlog met u gedaan?
‘Als kind heeft dit mij heel erg geraakt; nu nog steeds. Daarom vind ik het mooi om mijn vaders verhaal met jullie te delen, want deze zwarte pagina in de geschiedenis mag nooit worden vergeten. Door die oorlog ben ik opgegroeid zonder opa en oma en dat vond ik wel raar. Ik vraag me nog steeds af hoe die hele oorlog heeft kunnen gebeuren en waarom er nog altijd oorlog is. Hoe zorgen wij ervoor dat er geen oorlog meer komt? Ik denk dat de eerste stap is: lief zijn voor elkaar.’

 

Erfgoeddrager: Aya

‘Mijn tante voedde ons heel streng op’

Wij, Elias, Aya, Oumaima, Noor en Amarveer van de Nieuwe Havo in Amsterdam, interviewen Yvonne Terborg. We ontmoeten haar in haar woning in Amsterdam-Zuid omdat ze die dag moet oppassen op haar kleindochter. Ze is geboren in 1947 in Paramaribo.

Hoe was uw leven in Suriname?
‘Ik had best een goed leven in Suriname. Mijn ouders kregen vrij snel kinderen. Mijn vader was een dominee en een arts in het binnenland. Ik had ook een erg rustig leven, want iedereen daar had grote huizen en grote tuinen. Tot ongeveer mijn zesde woonden we in het binnenland, met mijn zeven zussen en broers. Maar toen moest ik naar school. En dat kon daar niet, want er waren geen scholen. Dus verhuisde ik met al mijn zussen naar Paramaribo en ging ik wonen bij mijn tante en oom. Mijn tante voedde ons heel streng op. Als we vakantie hadden, gingen wij terug naar onze ouders in het binnenland, maar de vakanties waren niet lang. En er was nog een probleem, je zat een hele dag op een boot want wegen waren er niet. Ik zou nu liever in Suriname wonen dan in Nederland, maar we konden daar niet blijven wonen door problemen met de onafhankelijkheid van Suriname.’

Hoe was het toen u naar Nederland kwam?
‘Ik ging naar Nederland omdat ik kapster was maar graag een opleiding tot schoonheidsspecialist wilde doen, en dat had je niet in Suriname. Toen ik in 1981 voor een poosje naar Nederland kwam, kon ik niet meer terug vanwege de Decembermoorden van 1982. Toen ik voor de eerste keer in het vliegtuig zat en bijna zou gaan landen, keek ik uit het raam en zag ik veel lichten en hoge huizen. In Suriname hadden ze dat niet. Ik vond dat Suriname er van bovenaf een beetje als een broccoli uitzag, want er was veel oerwoud. In Nederland wilde ik dolgraag een molen bekijken, die had je in Suriname niet. Ik zag ook voor het eerst sneeuw en ik vroeg me af: wat zijn al die witte vlokjes? Maar ik durfde het aan niemand te vragen, want ik was bang dat ik misschien uitgelachen zou worden.’

Hoe werd u behandeld toen u naar Nederland kwam?
‘In mijn hele leven heb ik maar een paar keer met racisme te maken gehad. Toen ik eens bij de drogist een doosje medicijnen pakte maar daarna weer teruglegde, vroeg een vrouw die daar werkte: ‘Waar is het doosje dat jij daar hebt opgepakt?’ Ze geloofde niet dat ik het al had teruggelegd en ging voor de zekerheid kijken of het daar nog lag. Toen ze het in het rek zag liggen, zei ze niks meer en liep ze weg. Mijn zus werd erg boos toen ik haar dit thuis vertelde. Samen gingen we naar de drogist en mijn zus vroeg die medewerkster waarom ze zo’n racistische opmerking had gemaakt. Die antwoordde niet, waarna wij wegliepen en gelijk door boodschappen deden. Daarop kregen we nog een racistische opmerking, nu van een blanke jongen die zei: ‘Blijf letten op die twee vrouwen, je weet maar nooit wanneer ze iets gaan stelen’. Maar mijn zus bleef kalm en maakte geen ruzie, na onze boodschappen gingen we gelijk naar huis. Dit was de enige keer dat ik een racistische opmerking kreeg in Nederland.’

De leerlingen van de Nieuwe Havo hebben zelf het interview uitgewerkt.

Erfgoeddrager: Aya

‘De scholen in Indonesië waren beter dan die in Nederland’

Constance Vogler is haar officiële naam, maar vaak wordt zij Nanny genoemd. Mevrouw Vogler is grootgebracht in Bandung in voormalig Nederlands-Indië, vertelt ze aan Aya, Brian, Dina en Ayoub van het Damstede Lyceum in Amsterdam-Noord. Zij is een ‘Indonesische-Europeaan’ die opgroeide met haar opa en oma en op haar 21ste naar Nederland kwam. Het interview voelt meer als een gewoon gesprek, vinden de leerlingen, mevrouw Vogler is heel open en vriendelijk.

Hoe was het voor u toen de oorlog ten einde kwam?
‘Toen de atoombommen vielen was ik wel blij, maar daarna kregen we die andere vreselijke oorlog. Ik heb de slachtpartijen gezien, toen de Indonesiërs de Indo-Europeanen afslachtten. Destijds had ik niet zo’n last van trauma ondanks dat ik vreselijke dingen heb gezien. Je had namelijk geen tijd om zielig te zijn; daarvoor gebeurde er te veel. Maar tijdens de coronaperiode begon mijn trauma mij alsnog te pakken: je mag dit en dat niet… Ik kreeg een flashback van de oorlog. De gevoelens die ik tijdens de oorlog zou moeten hebben, kreeg pas in de coronatijd.’

Wilde u terug naar Nederland?
‘Indonesië was toe aan onafhankelijkheid en als Nederlander zijnde moest ik terug naar Nederland. Als ik wilde blijven, zou ik eerst Indonesisch staatsburger moeten worden. Ik was erg boos toen we het land werden uitgejaagd, want het was mijn thuisland en ik woonde daar al mijn hele leven. Mijn moeder, mijn vader, mijn opa en mijn oma waren hier allemaal geboren, getogen en overleden en dan word ik weggejaagd omdat ik mij meer Nederlands voel dan Indonesisch. Ik heb er geen spijt dat ik naar Nederland ben gegaan, want ik ben Nederlands opgevoed. Als ik Indonesisch staatsburger zou worden, zou het een hele overgang zijn. Nu zou ik nog steeds dezelfde beslissing nemen.’

Waarin verschilt Nederland van Indonesië?
‘Ik vind dat de scholen in Indonesië beter waren dan die in Nederland. Toen ik mijn dochter hier naar school bracht, schrok ik. Ik vond de scholen er armoedig uitzien. In de Nederlandse school leerde mijn dochter weinig over Nederlands-Indië, bijvoorbeeld ook niet uit hoeveel eilanden Nederlands-Indië uit bestond. Maar in de scholen in Indonesië leerden wij alles. We leerden de vaderlandse geschiedenis, dus alles over Nederland en Europa en ook de Indonesische geschiedenis.’

 

Erfgoeddrager: Aya

‘Als witste kind kon ik maar beter binnenblijven’

Met A4’tjes vol vragen in hun hand begroeten Aya, Vera en Sile van het MLA in Amsterdam-Zuid meneer Rupino Griffioen in de aula van hun school. Hij groeide op in voormalig Nederlands-Indië en kwam op zijn zestiende naar Nederland. Hier verbaasde hij zich over de totaal andere positie van ‘de witte man’.

Kunt u iets vertellen over uw familie?
‘Mijn vader werkte bij het KNIL, het Koninklijk Nederlandsch-Indisch leger. Hij werd gevangengenomen door de Japanners en tewerkgesteld bij de Birmaspoorweg. Daar is hij op 29-jarige leeftijd overleden door een combinatie van ziekte, verdriet, uithongering en uitputting. Mijn moeder kreeg dit bericht pas veel later te horen. Het was toen niet zoals nu dat alle berichten binnen een seconde bij de ontvanger zijn. Mijn moeder bleef achter met vier kinderen. De oudste twee kinderen hielpen mee geld verdienen; zij verkochten lekkernijen op straat. Daar ontmoetten ze een olieman, die gecharmeerd van hen was en zo onze moeder ontmoette. En met haar trouwde. Wij kregen er nog een halfzusje bij en hij zorgde voor ons alsof we zijn eigen kinderen waren.’

Kunt u iets vertellen over de Bersiap-periode?
‘Na de Tweede Wereldoorlog wilde Nederland de macht weer herpakken. Maar toen brak de Bersiap-periode aan, dat van het verzet van de Indonesiërs. Een jongeman genaamd Soekarno kwam in opstand; hij begon rechten te eisen voor het hele volk. Hij werd toentertijd door Nederland als terrorist beschouwd. Nederland ondernam toen politionele actie, omdat men vond dat men recht had op Indië. Voor Nederlanders werd het daar toen gevaarlijk. Er zijn daar over en weer veel gruweldaden gepleegd. Het grootste gelijk lag bij de Indonesiërs. Mede door die periode kwam het land tot ontwikkeling.’

Kon u na de oorlog naar school?
‘Na de oorlog werkte mijn moeder veel op de markt om ons van eten te voorzien. Ze had aanleg voor talen en leerde er zeven dialecten spreken, ondanks het feit dat ze alleen de lagere school had afgemaakt. Dat was handig, omdat ze zo met de verschillende koopmannen kon onderhandelen. Ik moest veel binnenblijven aangezien ik de witste was van alle vier de kinderen. Men keek toen ook al naar kleur; van discriminatie was toen ook al sprake. Kinderen met een wit uiterlijk konden beter niet te veel buiten komen. Ik was graag binnen en hield van lezen. Mijn moeder had al gauw in de gaten dat ik wat slimmer was. Toen ik uiteindelijk naar school ging, had ik door het lezen een voorsprong. Met vier jaar ging ik al naar de eerste klas. Maar door de omstandigheden waren er veel onderbrekingen. In Indonesië ben ik ook gedeeltelijk naar de middelbare school geweest, in Siri Bong en Bandung, op Jakarta. Dat onderwijs was niet erg goed door de vele wisselingen van leraren. In 1956 kreeg mijn familie de keuze om naar Nederland te gaan of om in Indonesië te blijven. We gingen weg. En zo kwam ik op zestienjarige leeftijd in Nederland. Ik bleek een enorme achterstand opgelopen te hebben in Indonesië. Gelukkig is dat goedgekomen.’

Hoe was het in Nederland?
‘In Nederland woonden we eerst in een pension. We moesten nog wachten op huisvesting. Er zaten daar meer gezinnen, allemaal uit verschillende streken van Indonesië. In één kamer woonden soms wel zeven mensen. Ook hadden we het er erg koud.
Ik wist trouwens meer van Nederland dan van Indonesië, omdat we daar alleen maar les over Nederland hadden gekregen. Dat was wel vreemd, dat je meer leert over een ander land dan het land waar je woont. Op school bleek ik een grote achterstand te hebben ondanks het vele lezen. Het advies was om opnieuw, vanaf de eerste klas, aan de middelbare school te beginnen. Dat wilde ik niet, dus kreeg ik boeken mee naar huis om te leren. Voor mij geen probleem, want ik hield van lezen. Wat ik in die periode zo wonderlijk vond van Nederland was dat er in de klas totaal geen orde was! Ik verbaasde mij daar erg over. In Indonesië was het de witte man die jaren onderdrukking op het volk had uitgeoefend. Op school waren we altijd bang voor de witte leraar geweest; er heerste een strikt regiem. We zaten altijd stil en spraken enkel als er toestemming voor werd gegeven. Ik heb me dus lang verwonderd dat het hier zo anders was, omdat ik altijd had opgekeken naar ‘de witte man’. Zijn positie was hier niet zoals daar. Uiteindelijk bewees ik de leraar dat ik de beste van de klas was. Op eigen houtje had ik mijn niveau bijgewerkt en ik haalde als enige van de klas een 10.  Zo zie je maar hoe belangrijk lezen is!’

 

 

Erfgoeddrager: Aya

‘Ik was vooral heel bang, altijd maar bang in de oorlog’

Aya, Malaak, Ramien en Zainnedinne zijn tot vlak voor het gesprek ijverig hun vragen aan het voorbereiden. De leerlingen van IKC Het Talent in Amsterdam Nieuw-West zijn benieuwd wat de 82-jarige Jopie van Hofwegen zich nog herinnert over de oorlog, die begon toen ze één was.

Hadden jullie genoeg eten tijdens de oorlog?
‘Het was heel slecht in de oorlog. We hadden honger en het was koud. Mijn oudste zus ging wel eens met mijn vader op de fiets, met houten banden, naar de boeren toe om eten te halen. Dan hadden wij weer een dagje te eten. Ze zijn ook vaak aangehouden, maar dan ging mijn zus expres huilen en dan mochten ze toch weer doorfietsen. Mijn twee zussen gingen soms voor lange tijd naar gezinnen waar wel te eten was. Met de buren aten we vaak bij elkaar. Als iemand weer wat te eten had, aten we dat samen op. Er was saamhorigheid. We hebben ook wel eens een keer kat gegeten. Zo’n honger hadden we. Het smaakte heerlijk. Maar wij wisten niet dat het kat was, anders had ik het nooit gegeten. Ik zou het nu nooit meer doen.’

Wat was het ergste aan de oorlog?
‘Het was nog saaier dan de coronatijd. Er waren geen leuke dingen. We moesten alles verduisteren, er mocht geen licht branden. Je zat daar maar in de kamer. Ik ging toch stiekem naar buiten kijken met mijn zusje en toen stonden ze zo met een geweer op het raam gericht. Mijn ouders trokken ons snel weg, anders was het misschien wel verkeerd afgelopen. Dat vergeet je nooit meer, dat was wel angstig. Ik was vooral heel bang tijdens de oorlog, altijd maar bang. Je kon verder ook niet zoveel doen. We hadden ook geen speelgoed thuis. Ik had alleen een papieren pop waar we op zondag mee mochten spelen. Anders zou die te snel kapot gaan. Soms luisterden we naar de radio, naar Radio Oranje. De buren kwamen dan ook en dan luisterden we stiekem. Wij kinderen moesten dan stil zijn.’

Hoe was de Bevrijding?
‘De Canadese soldaten kwamen ons bevrijden. Ze spraken Engels dus we verstonden ze niet, maar we kregen wel kauwgom van ze. Er waren heel veel straatfeesten bij ons in de buurt en in de hele stad. We gingen helemaal uit ons dak, zoals ze dat tegenwoordig noemen. Het was erg gezellig. Iedereen was verkleed. De buurman lag als een grote baby in een kinderwagen en had een luier om met mosterd erop. De andere buurman liep achter de kinderwagen. Het was zo bevrijdend, ik kan dat gevoel nog steeds voelen. Bij Halfweg zouden vliegtuigen komen. Ze vlogen heel laag over, dus iedereen moest plat op de grond liggen. Ze gooiden Zweeds wittebrood naar beneden. Dat was zulk lekker brood. We hadden al die tijd nauwelijks brood gehad.’

Wat vindt u van dit interview?
‘Ik ben blij dat er op school aandacht wordt besteed aan de oorlog. Het mag nooit vergeten worden. Oorlog is zoiets afschuwelijks en vooral voor kinderen. Als ik nu zie dat er nog steeds oorlog is in andere landen dan heb ik zo’n medelijden met die kinderen. Ik ben jaren na de oorlog in Duitsland naar een kamp geweest. Het was indrukwekkend. Al die namen van mensen die omgekomen zijn, zag je daar. Eigenlijk zou iedereen daar een keer naartoe moeten.’

Erfgoeddrager: Aya

‘Als het alarm af ging vluchtte ze naar het Noorderpark’

Aya, Dunya en Djeynoah van de Zeven Zeeën in Amsterdam-Noord rennen naar het hek van het schoolplein om Hans Notmeijer te ontvangen. Meneer Notmeijer is lang schoolmeester geweest en dat kun je merken aan hoe mooi hij vertelt. Hij heeft een koffertje mee, dat de kinderen halverwege het interview mogen openen. Het bevat echte spullen uit de oorlog, bewaard door zijn oma: haar persoonsbewijs, bonkaarten, kranten, een geheime spotprent over Hitler, Duitse muntjes… en gebruikte kogels en helmen. De leerlingen springen enthousiast op en neer als ze alles mogen bekijken, vasthouden en zelfs bonkaarten en kogels mee mogen nemen om zelf te bewaren.

Moesten uw ouders onderduiken? 
‘Nee, dat was niet nodig. Ze waren niet Joods, maar christelijk, en hoefden niet te werken in Duitse fabrieken want daar waren ze te jong voor. Mijn vader was net zo oud als jullie toen de oorlog begon. Hij heeft in die tijd weinig op school gezeten, want de scholen gingen dicht. Dat vond hij eigenlijk heel erg. Mijn moeder was vijf jaar toen de oorlog begon, dus in het begin heeft ze dat niet meegemaakt. Maar toen ze zo oud was als jullie moest ze om eten bedelen buiten de stad. Ik weet ook dat mijn moeder elke keer als het alarm af ging, en ze bang waren dat er bommen gingen vallen, naar het Noorderpark vluchtte en daar achter het heuveltje ging liggen tot het weer veilig was. Dat was een beetje haar manier van onderduiken.’

Vond u het eng toen uw ouders vertelden over de oorlog? 
‘Nee, niet eng. Maar ik was wel heel blij dat ik het niet meegemaakt had. Mijn moeder kon er best wel verdrietig van worden, want zij zat op school net als jullie en had een hoop Joodse vriendinnetjes. En de een na de ander verdween. Ze werden naar concentratiekampen gebracht of zaten ondergedoken. Mijn moeder raakte op die manier al haar vriendinnetjes kwijt. Dat vond ik wel heel zielig. Als een van je vriendinnen opeens niet meer op school komt en je weet niet wat er gebeurd is, dat zijn hele nare dingen.’

Hoe was de oorlog voor uw grootouders?
‘Mijn oma wist heel veel over de oorlog. Mijn opa werkte veel met hout en was stratenmaker. En toen in Amsterdam-Noord drie bombardementen waren, is er een bom gevallen op een kerk, vlak bij de IJtunnel. Daarna moest mijn opa met een aantal mensen die kerk leeghalen, met alle kinderen en volwassenen die daar overleden waren. Die moest hij uit de kerk halen. Mijn oma heeft toen gedacht: wat hier gebeurt, in Nederland, dat mag niemand meer vergeten. Het moet zo zijn dat iedereen over honderd jaar nog weet dat er oorlog is geweest. Zij besloot daarom om allemaal dingen die ze kreeg en die met de oorlog te maken hebben, te bewaren. En om die spullen te geven aan iemand die ze wilde doorgeven en op die manier ook de oorlog zichtbaar kon maken. Dat was ik. Op de dag dat ik mijn diploma had als schoolmeester, fietste ik naar mijn oma. Zij zei: nu jij meester bent, moet jij mijn verhaal vertellen. Toen kreeg ik dit koffertje. Maak maar open.’ 

Erfgoeddrager: Aya

‘In de oorlog had ik een engeltje op mijn schouder’

Frits Neijts (88) staat ons aan het einde van de galerij al vrolijk op te wachten. Zijn vrouw Ans (86) zit in een grote leunstoel in de woonkamer. Frits was bijna 13 jaar toen de oorlog begon. Hij heeft tijdens de oorlog in de Bestevaerstraat gewoond, het nummer weet hij niet meer. Ans heeft in de Vespuccistraat 32- 2 hoog gewoond. Nadat Aya en Dounia van de Boomgaardschool hebben geholpen met het inschenken van de cola en Anil zijn vragen nog eens bestudeert, gaat het interview van start.

We hebben gelezen dat uw vader was ondergedoken, waarom?
Frits: Ik had een Joodse vader en een Christelijke moeder. Mijn moeder zat in het bestuur van de SDAP, dat was de voorloper van de PVDA in Amsterdam en zij hoorde van de socialisten in Duitsland dat de Joden vervolgd werden en in concentratiekampen werden vermoord. Toen zei mijn moeder: “vader je moet onderduiken”. En dat heeft hij gedaan, vier jaar lang, boven een drogisterij en zo heeft hij zijn leven gered.

Is er nog andere familie omgekomen?
Frits: Mijn vier tantes zijn allemaal vergast in concentratiekampen. In de oorlog woonden ze in Amsterdam-Zuid. Ik ging er vaak met mijn moeder heen om eten te brengen. Moeder zei tegen mijn tantes: “Jullie mogen niet de straat op met die Jodenster. Dat is veel te gevraarlijk”. En: “Jullie moeten onderduiken!”.  Maar mijn tantes geloofden niet dat ze vergast werden. Ze zeiden: “Nee hoor, we moeten naar Duitsland om te werken en we komen terug!”. Maar ze kwamen niet terug.

Wat is het spannendste dat u heeft meegemaakt?
Frits: Ik woonde op een gegeven moment in Noord en had daar een vriendje, Pietje Douma. Ik kwam vaak bij hem thuis. Ik werkte toen bij een dependance van een geneesmiddelenfabrikant. De Douma’s waren communisten en die zaten allemaal in het verzet. De leider van hun groep zei tegen mij: “Jij werkt toch bij die fabriek? Kan jij aan vitaminen en pleisters en verband komen?”. Dat hadden ze nodig voor het verzet. Toevalig werkte ik op die afdeling. En zo verstopte ik aan het eind van de werkdag vitamines en zo in mijn sportkousen, waar ik elastieken omheen bond. Beneden zat een portier en daar hing een kauwgomballenautomaat met rode en groene stuiters erin. Als je een rooie trok dan werd je gefouilleerd door de portier en als je een groene trok mocht je doorlopen. Dat ging tien keer goed bij mij en de elfde keer werd ik gepakt. Ik moest naar het kantoor naar een Duitse officier. Het was een grijze oude man, ik zie hem nog zo zitten. Half in het Duits vroeg hij; “Waarom pik jij?”.  Ik begon te huilen en zei: “Wij hebben thuis geen eten meer en mijn familie heeft honger”. Hij keek naar me en zei toen: “ Eigenlijk moet ik je uitleveren, maar je bent nog een kind, dus ga maar”. En dat heeft mijn leven gered.

Wat deed uw moeder toen?
Frits: De familie Douma werd opgepakt en omdat ik had gestolen, werd mijn moeder bang. Ze besloot met mij en mijn twee broers te verhuizen. Nadat we waren verhuisd viel er een brandbom op het huis. Aan de overkant waren namelijk de Fokkerfabrieken en de Engelsen bombardeerden die fabrieken en er vielen af en toe ook wat bommen naast. Dus als we niet waren verhuisd had ik hier nu niet gestaan. In de oorlog had ik een engeltje op mijn schouder.

Mevrouw Neijts, wat is het ergste wat u heeft meegemaakt?
Mijn vader en ook mijn zus zaten in het verzet en op een nacht stond de Duitse politie voor de deur. Ik was toen elf jaar. Er werd hard op de deur gebonkt, we wisten meteen: “Dit is foute boel”. Mijn moeder deed de deur open en mijn vader moest zijn bed uit en werd meegenomen. Hij heeft in totaal in drie gevangenissen gezeten. Maar mijn vader had open tbc, hij hoestte bloed. Dat was heel erg besmettelijk en de Duitsers waren panisch voor tbc, dus mocht hij naar huis. Dat moment zal ik nooit vergeten. Het was op een woensdag. Mijn moeder werkte en de sleutel van de voordeur was weg toen ik thuiskwam, die lag altijd onder de mat. Ik dacht; mijn moeder is al thuis! Dus ik ga naar binnen en daar zit mijn vader aan tafel! Hij heeft de oorlog overleefd maar acht jaar na de oorlog is hij, veel te jong, overleden.

Hoe was de Hongerwinter voor u meneer Neijts?
Ik was aardappelen gaan halen in West- Friesland. Toen ik thuis kwam lag er een briefje van mijn moeder: Wij zijn naar familie in Groningen, kom ons achterna. En dat heb ik ook gedaan, helemaal lopend. Soms werd er een hond op me afgestuurd, soms kreeg ik heel veel te eten. We zijn tot de bevrijding in Groningen gebleven. Het waren geweldige mensen.

fotografie: Saskia Gubbels

 

Erfgoeddrager: Aya

‘’Met zo’n driehonderd families woonden we in dit joodse getto in Amsterdam-Noord’’

Aya vindt het erg dat Jacob Joshua met zijn ouders, broer en zus tijdens de oorlog zo maar uit zijn huis kon worden gezet omdat hij Joods was. ‘Dat doe je toch niet?’ ‘Dapper hoor’, zegt  Soufiane, dat Jacob Joshua hen via Skype vanuit Israël over de oorlog durfde te vertellen terwijl hij zulke vreselijke dingen had meegemaakt. En Nourhan hoorde tijdens het interview veel dingen die ze nog niet wist.

 

Hoe voelde het om in de oorlog Joods te zijn?
“Ik moest een ster dragen. Iedereen die me zag, wist ‘daar gaat een Jood’. Dat vond ik heel erg.”

U woonde eerst in Utrecht. Waarom moest u vertrekken?
“Op een dag kwam een NSB’er aan de deur en die zei: ‘Ik gooi jullie eruit want ik wil hier wonen’. Vreselijk, van de ene op de andere dag moesten we weg. Mijn ouders vroegen een nieuwe woning want we moesten toch ergens naartoe. Zo kwamen we in Asterdorp terecht. Met zo’n driehonderd families woonden we in dit joodse getto in Amsterdam-Noord. De jongere kinderen speelden met elkaar en de oudere kinderen gingen naar school. Hoewel het piepkleine huisjes waren, was het fijn dat we een plek voor ons zelf hadden. Maar iedere nacht kwamen er vrachtwagens met Duitsers naar Asterdorp. Ze stormden een huisje binnen en riepen: ‘Raus!’ Tien minuten kregen de bewoners de tijd om hun spullen te pakken om vervolgens te worden meegenomen. Zo werd het steeds leger in Asterdorp. Elke dag vroeg je je af of je er de volgende dag nog wel zou zijn. Dat vond ik eng. Drie maanden woonden we er, tot ook wij weg moesten. “

Kon u niet onderduiken?
“Nee, dat konden vooral mensen die geld hadden om te betalen voor hun onderduik. Mijn vader wist niet waar zijn geld was en daarom konden we geen plek vinden.”

Waar kwam u terecht?
“Eerst in kamp Westerbork en daarna vertrokken we in de winter van 1944-1945 naar Bergen-Belsen, een vreselijk kamp in Duitsland. Er was veel te weinig voedsel en iedereen had luizen of leed aan ernstige ziektes zoals tyfus. Mensen stierven door de honger. Ook mijn vader kwam om, in januari 1945. Met mijn moeder, mijn jongere broertje en mijn oudere zus werd ik naar een ander kamp in het zuiden van Duitsland gebracht, waar gelukkig wat meer te eten was en we wat beter werden verzorgd. Daar zijn we gebleven tot de Franse troepen ons kwamen bevrijden.”

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892