Erfgoeddrager: Aya

‘De Duitse soldaat ging naast mij staan en zong de psalm mee in zijn eigen taal’

Wij zijn Aya, Samed en Bilal en hebben Ina van Ginkel geïnterviewd. Zij woont nog steeds in het huis waar ze in de oorlog ook woonde en dat vindt ze heel fijn. Ina vertelde ons over een lied dat ze speelde om de Duitsers af te leiden. Dat heeft ze na het interview ook voor ons gespeeld. Zij is nog steeds veel bezig met de oorlog.

 

Wilt u iets vertellen over u zelf?
Ik was zesenhalf toen de oorlog begon. Ik was enig kind. Ik ging naar de Mr. J. Terpstraschool aan de Osdorperweg. Ik liep altijd in mijn eentje naar school. Mijn vriendinnetjes woonden verder weg. Die school werd bezet door de Duitsers. Ik moest toen naar de openbare school aan de Lutkemeerweg. Dat betekende dat ik nog veel verder moest lopen. Ik heb door de oorlog veel van school gemist. 

Wat deed uw vader in de oorlog?
Mijn vader deed onderhoud en aanleg van tuinen en hij teelde bloemen. Hij verbouwde ook aardappelen en groenten voor eigen gebruik. Hij had voor de winter aardappelen opgeslagen in een grote kuil. Soms namen onbekende mensen aardappelen mee. Op een nacht zei een neefje dat naast ons woonde: ‘Oom Piet u moet opletten, want ze stelen uw aardappelen.’ Mijn vader zei: ‘Die mensen hebben honger, laat ze maar.’ Vader was betrokken bij het verzet. Een neef uit Driebergen kwam hier op bepaalde tijden. Hij had een wandelstok bij zich, daar zaten bonkaarten in. Die werden verspreid. En af en toe had hij iemand bij zich die ergens ondergebracht moest worden. Mijn vader zorgde daar dan voor, hij verstopte die man eerst tijdelijk en bracht hem daarna naar een volgend adres.

Waren er bij u in huis onderduikers?
Wij hadden een onderduiker, hij heette Maurits (Maup) Harmsen, hij heeft jaren bij ons gewoond. Dat was niet geheim, iedereen wist dat en kende Maup. Hij was net familie. Hij sliep hier in het zijkamertje. Op een dag was er een razzia. Maup liep heel snel weg. Er kwam een Duitser aan de deur om hem te zoeken en toen zei mijn vader: ‘Ineke kun jij niet wat spelen op het orgel?’ Dat heb ik toen gedaan. Maup was met anderen ondertussen in de kuil onder die aardappelen gekropen. Ik zal het lied dat ik speelde nooit vergeten: het heette: Is Jezus’ bloed voor mij gestort? De Duitse soldaat ging naast mij staan en zong de psalm mee in zijn eigen taal. Daarna ging hij zoeken en hij kwam ook bij de aardappels. Hij stak daar een aantal keren in. Ze moeten doodsangsten hebben uitgestaan. Gelukkig is niemand geraakt. Ik ben wel benieuwd hoe het verder is gegaan met Maup.

Fotografie Hedy Smeulers

Erfgoeddrager: Aya

‘Pas in augustus 1945 konden wij terug naar Amsterdam’

Samen met haar vader en moeder, Louis Jacobi en Eva Jacobi-Siedner, vluchtte mevrouw Arens-Jacobi in 1937 uit Duitsland naar Nederland. Twee jaar later trokken haar grootouders bij hen in. Mevrouw Jacobi dacht als kind altijd dat hen nooit iets zou overkomen maar het liep heel anders. "Als kind denk je daar niet over na. Natuurlijk was ik wel eens bang, maar ik leefde vooral van dag tot dag.”

Hoe begon de oorlog voor u?
"In het begin ging ik nog gewoon naar school, ik zat in de derde klas van de Jekerschool en speelde met mijn vriendjes in de buurt. Begin 1943 werden mijn opa en oma door de Nazi’s weggehaald, ze kwamen in kamp Westerbork terecht. De foto waar ik met mijn ouders op sta stuurden wij naar mijn grootouders in Westerbork, als cadeau voor hun 60-jarig huwelijk. In de laatste brief die wij van hen ontvingen, bedankten zij ons uitgebreid voor de foto. ‘Waarop jullie ons zo vriendelijk en vredig aankijken’. Die brief heb ik nog steeds.
Mijn grootouders mochten van de kampcommandant een uurtje bij elkaar zijn voor hun 60-jarig huwelijk. Ze schreven dat de halve zaal de foto bekeek en dat iedereen het zo’n mooi plaatje vond.”

Werden u en uw ouders ook gedeporteerd?
"In 1943 werden ook wij gedeporteerd. In een afgesloten goederentrein werden we naar Westerbork gebracht. Toen we daar aankwamen, waren mijn grootouders er al niet meer..

We werden naar kamp Bergen-Belsen gebracht. Het was er verschrikkelijk…
April 1945 werden we weer in een trein gezet. We zouden naar andere kampen worden getransporteerd. Maar het was chaos in Europa en de trein kon nergens terecht. Twee weken lang zwierf de trein rond. We leefden in afgesloten treinkabines, met nauwelijks eten of drinken. Bij het dorpje Tröbitz stopten we, daar werden we door de Russen bevrijd. Ik herinner me nog goed hoe angstig ik was voor die schreeuwende mannen op kleine paardjes die ik niet kon verstaan.
Pas in augustus 1945 konden wij terug naar Amsterdam. Voor het eerst zat ik weer in een echte, mooie passagierstrein! Maar we hadden niets meer. Op het station kregen we 10 gulden om te overleven. In een paardenkoets werden we naar een opvanghuis gebracht. Bij aankomst rekende de koetsier 30 gulden af…”

Benieuwd geworden naar de foto's van Annemie Wolff? Kijk op de website: http://stichtingwolff.nl/

Leerlingen van de Anne Frankschool interviewen Annelies Arens-Jacobi

Erfgoeddrager: Aya

‘Mijn vader kwam elke dag kapot van de honger en kou thuis’

Brandeisfotografie.nl

Joop Bongers woonde schuin tegenover de Visserschool, zijn (toekomstige) vrouw Hennie woonde er om de hoek. Interessant dus voor Aya en Safae uit groep 8 van deze school om te horen hoe het in oorlogstijd daar was. Met een bak snoeptomaatjes op tafel vertelt vooral Joop voluit, want hij was ‘al’ vier toen de oorlog uitbrak. Hennie is vijf jaar jonger, maar herinnert zich de bevrijding nog goed.

Hoe zag het plein eruit tijdens de oorlog?
Joop: Er was een hele grote zandbak, een draaimolen, een glijbaan en een klimkooi. Ik vond het er heerlijk spelen. Mijn moeder kon zo uit het raam mij in de gaten houden.
Hennie: Op het plein stonden hoge, dikke populieren.
Joop: Toen ik op mijn vierde naar school moest, vond ik dat verschrikkelijk. Ik was mijn vrijheid kwijt! Zo begon voor mij dus de oorlog.
Hennie: Ik vond het wel leuk op school, kon ik lekker knutselen.
Joop: We hadden een juf voor drie volle klassen, omdat de meesters waren opgeroepen om in Duitsland te werken. Omdat de Duitsers scholen bezetten, moest ik ook een paar keer van school veranderen. Uiteindelijk ben ik in de vierde klas een jaar teruggezet, zo’n achterstand had ik opgelopen.

Heeft u erge dingen meegemaakt?
Joop: We zagen een keer een vliegtuig boven het Columbusplein rondcirkelen. Het was een Engels vliegtuig, op weg naar Duitsland, en dat werd neergeschoten. Ademloos keken we naar boven; de piloot was eruit gesprongen en hing aan een parachute.  Opeens zagen we wolkjes en was ie vanaf de grond neergeschoten. Ook zag ik een keer hoe een NSB’er die bij ons in de buurt woonde werd doodgeschoten door mensen van de Binnenlandse Strijdkrachten. De kogels vlogen over ons hoofd, dat was heel angstig. Ze brachten hem weg op een ladder van de speeltuinbeheerder. Ik zie nog z’n armen en benen zwabberen terwijl ie daarop lag.
Hennie: Wij zagen die man langs ons huis voorbij worden gebracht!

Hoe was de oorlog voor uw ouders?
Joop: Mijn vader werd voor de keus gesteld om in Duitsland te werken of bij Ford, dat de Duitsers hadden ingepikt, te blijven werken. Met een gezin om voor te zorgen en een slechte gezondheid besloot hij bij Ford te blijven als chauffeur. De omstandigheden waren slecht. Hij had het koud en mocht geen deken gebruiken of dikkere jas aantrekken. Hij kwam elke dag kapot van de honger thuis.
Hennie: Mijn moeder is op de fiets helemaal naar Schagen gegaan om eten te halen voor ons.
Joop: Mijn moeder heeft haar mooie, dure badpak geruild voor een zakje suiker. Een buurvrouw is na een hongertocht op de fiets naar West-Friesland thuis bij de voordeur dood neergevallen van ellende.

Wat deden jullie toen de stad bevrijd was?
Hennie: Ik herinner me juichende mensen en feest bij de speeltuin.
Joop: De vreugde was overweldigend. Ik heb de Canadezen die ons bevrijd hebben over de Hoofdweg zien gaan. Ze deelden sigaretten en chocola uit en overal werd gedanst, gezongen en gezoend. Vroeger werd die dag, Bevrijdingsdag, enorm gevierd. Je zag overal vlaggen. Nu is dat helaas minder.

Erfgoeddrager: Aya

‘’Wel vier, vijf keer per dag ging het luchtalarm af’’

Nog voordat Hans van ’t Veer arriveert op de IJdoornschool in Noord hebben Chaun, Ömer, Ramdin en Aya al allerlei vragen. Hoe oud is hij, heeft hij broers of zussen, kun je eigenlijk wel vragen wat hij van Hitler vond? Ze praten er met elkaar over en verbeteren elkaar: nee joh, dat doe je zo niet. Echt wel! Hans van ’t Veer blijkt de schooldirecteur ook nog te kennen. Ze zaten vroeger samen bij dezelfde voetbalclub. En dat schept een band.

 

Wat weet u nog van het begin van de oorlog?
“Wat ik me nog herinner zijn de brandende olietanks op het toekomstige Shell terrein. Die hadden ze in brand gezet zodat de Duitsers geen brandstof zouden hebben. Dat heeft heel veel indruk gemaakt, al dat vuur en die rook. Ik kan me ook nog herinneren dat ik als kleine jongen de luchtgevechten boven de Van der Pekbuurt heel spannend vond.”

Kon u buiten spelen in de oorlog?
“Ik woonde met mijn ouders in Van der Pekstraat op nummer 88-90. Mijn vader had er een slagerij, nu zit daar een viswinkel. Met mijn ouders had ik afgesproken waar ik wel en waar ik niet mocht spelen. Wel vier, vijf keer per dag ging het luchtalarm af. Als de sirenes gingen dan moesten we snel ergens naar binnen. Als ik op straat was en het was nog te ver om naar huis te gaan, moest ik bij een van de vriendjes in huis schuilen. Want binnen was het veiliger dan buiten. Ik ben nooit gewond geraakt in de oorlog. Bij het bombardement op de Ritakerk was ik schoolziek. Daardoor zat ik niet in de kerk toen de bommen daar vielen.”

Wat heeft u gedaan om de hongerwinter te overleven?
“Goed naar mijn ouders luisteren en eten wat ik te eten kreeg. Mensen gingen met fietsen naar de boeren om lakens of sieraden te ruilen voor voedsel. Al het eten was op de bon. Mijn vaders slagerij was dicht maar een keer per maand kreeg hij ziekenvlees. Mensen die een bonkaart hadden omdat ze ziek waren, kregen daar wat van. Na een week werd het vlees weer opgehaald, maar dan stal mijn vader daar eerst nog wat van, dat merkte niemand. Met dat vlees kon je bruine bonen of kolen krijgen, ik kreeg in ruil les van een schoolmeester. Er werd in die tijd heel veel geruild. Dankzij de slimheid van mijn ouders ben ik door de oorlog gekomen.

Wat deed u als u kon spelen?
“We zwommen graag in bomkraters. Weet je wat dat zijn? Als een bom niet op een huis maar op de grond terechtkwam, ontstond daar een grote kuil van een paar meter doorsnee. Die liep bij regen vol met water en daar ging ik met mijn vriendjes in zwemmen. Gewoon in mijn onderbroek, want zwembroeken hadden we toen niet. Mijn ouders waren woedend en verboden me om daar nog een keer te zwemmen. Het water was erg smerig. Er zwommen ratten in en er werd afval ingegooid. Ik heb het twee keer kunnen doen, en toen had ik blauwe billen van de klappen. Ik mocht het nooit meer doen!”

Erfgoeddrager: Aya

‘’En toen werd ze zo van de trap geduwd’’

Deshareley, Auditia, Demi, Aya en Weronika lopen vanaf de IJdoornschool in Noord naar het huis van Anneke Koehof, die hen het oorlogsverhaal zal vertellen over haar 98-jarige tante Roos. Roos Koehof werkte tijdens en na de oorlog in de regenjassenfabriek Hollandia Kattenburg in Noord, waar tijdens een razzia 367 Joodse werknemers zijn weggehaald. De kinderen hebben zich goed voorbereid op het interview. Liefst zouden ze de tante van Anneke Koehof zelf willen spreken maar die woont helemaal in Zeeland. “Kunnen we daar dan niet even met het vliegtuig heen?”, vragen ze.

Hoe oud was uw tante toen zij bij Hollandia Kattenburg ging werken?
“Mijn tante moet ongeveer 17 jaar zijn geweest toen zij bij de fabriek ging werken. Het waren de crisisjaren, ze was dolblij dat ze werk had gevonden. Hollandia Kattenburg was een textielfabriek die vooral bekend stond om de regenjassen die er werden gemaakt. De baas van de fabriek was Joods, net als meer dan de helft van de mensen die er werkten. Tante Roos had dus ook veel Joodse vriendinnen op haar werk. In de oorlog mochten Joden nergens meer werken, maar bij Hollandia Kattenburg kregen de Joodse medewerkers een ‘Sperr’ omdat ze uniformen maakten voor de Duitsers. Dat betekende dat ze mochten blijven werken en vooralsnog niet zouden worden weggevoerd. Veel Joden waren toen al gedeporteerd, hele buurten in Amsterdam liepen leeg. Uiteindelijk bleken ook de Joodse werknemers van Hollandia Kattenburg, ondanks hun Sperr, niet veilig. Op 11 november 1942 vielen de Duitsers de fabriek binnen. Alle Joden moesten aan een kant gaan staan, en alle niet-Joodse mensen aan de andere kant. Mijn tante had een vriendin die er helemaal niet Joods uitzag, met blond haar en blauwe ogen. “Psstt”, zei mijn tante tegen haar, “kom gauw hier staan, aan mijn kant, ze hebben er geen erg in”. Maar dat ging helemaal niet, de Duitsers wisten precies wie er Joods was. Mijn tante vertelde me later dat ze ‘als bokken en geiten’ werden gescheiden. Alle Joodse mensen werden weggevoerd.”

Is uw tante zelf ook opgepakt?
“Nee, maar wel bijna. Op de dag van de razzia kon mijn tante pas om acht uur ’s avonds naar huis, toen alle Joodse personeelsleden al waren weggevoerd. Zij is die avond snel naar het huis van familie van haar Joodse collega’s gegaan zodat ze hen kon waarschuwen. Mijn tante kwam de trap opgerend maar ze was te laat… De politie was er al. Tegen mijn tante zeiden ze: “Wat moet je hier, laat je papieren zien! Maak dat je wegkomt, anders nemen we jou ook mee.” En toen werd ze zo van de trap geduwd. Daar was ze wel heel bang van. Ze vond het ook erg dat zij de andere collega’s en familieleden niet meer heeft kunnen waarschuwen.

Kende uw tante mensen die bij het verzet zaten?
“Aan het eind van de oorlog fietste mijn tante toevallig langs het huis van haar broer. Die woonde op de Ringdijk in Oost en had er een leerhandel. ‘Wat zie ik nou?’, dacht zij toen ze voorbij fietste… Vanuit de kelder werden allemaal wapens overgeladen. Wat bleek? Haar broer verstopte voor het verzet stiekem wapens in zijn kelder. Zelfs zijn vrouw wist dat niet. De mensen van het verzet namen veel risico want ze verstopten ook wel eens pistolen onder het matrasje van een kinderwagen. Ze legden dan de baby van een van de personeelsleden er bovenop, en liepen zo, hup, de winkel uit.”

Een dag na het interview is de tante van Anneke Koehof in Zeeland overleden

Erfgoeddrager: Aya

‘Er is gelukkig nooit aangebeld’

Het is ijskoud, maar wel zonnig als Jarod, Milou en Aya vanaf de Meidoorn in de Chasséstraat helemaal naar de rand van het Rembrandtpark lopen. Aan de Orteliuskade wachten Ab en Ali Kool, al sinds 1946 een setje. Ali gaat thee zetten en oefent hard op de namen van de kinderen. Ab schuift zijn stoel aan tafel om alles zo goed mogelijk te horen en haalt meteen allerlei spullen tevoorschijn. Tussendoor wordt er even gepauzeerd, want dan komen de koekjes op tafel.

Hoe was het om op straat te lopen tijdens de oorlog?
Ik ben geboren in 1928, dus ik was aan het begin van de oorlog een jaar of twaalf. Daar aan de overkant waar het nu park is, hield de stad op, daar waren tuinderijen. Er is een heleboel anders in de buurt, er is meer gebouwd en de mensen zijn ook anders. In eerste instantie ging het leven in de oorlog een beetje door, maar vanaf 1941 konden de Duitsers zich niet meer inhouden. Mijn grootste wens was dat het afgelopen was. Er was altijd spanning en je moest altijd oppassen. Als het luchtalarm ging, moest je meteen van straat af. Ali woonde op drie hoog in deze buurt; haar benedenbuurman had bankjes neergezet om te schuilen. Je moest je persoonsbewijs laten zien. Die moest je altijd bij je hebben. Er waren van die grote schijnwerpers die vliegtuigen probeerden te vangen, maar dan werden we wel gebombardeerd. De volgende morgen gingen we dan granaatscherven zoeken, daar heb ik er nog een van.

Heeft u in Duitsland moeten werken?
Familieleden van mij wel. Vier ooms moesten naar Duitsland om te werken. Mijn vader kreeg eerst ook een oproep, maar hij mocht blijven omdat hij in de telefonie werkte. In 1944, ik was inmiddels zestien jaar, was ik zelf aan de buurt om te gaan werken in Duitsland, maar ik heb mij niet aangemeld. Ik heb een luik gemaakt naast mijn bed, het kleed stond half omhoog en als ik mij daar moest verstoppen dan viel het dicht met het kleed erover heen. Er is gelukkig nooit aangebeld. Mijn ooms werkten in wapenfabrieken, die zijn gebombardeerd. Een oom is toen omgekomen door een granaat in zijn been.

Had u veel honger tijdens de oorlog?
Kijk daar kregen we deze bonnetjes voor, die kon je dan ruilen voor een pannetje met eten. Dat kun je je  nu niet meer voorstellen. Op het laatst was er helemaal geen eten meer, alleen nog maar suikerbieten en bloembollen. Honger voelt heel raar, je maag is leeg. Meestal gingen we maar vroeg naar bed, zeker toen er ook geen kolen meer waren. Mensen gingen dood van honger, we konden ze niet eens meer begraven. Mijn vader had zijn fiets mogen houden. Hij probeerde eten te krijgen bij de boeren, maar soms stonden er onderweg Duitsers om het weer af te pakken. Een keer was hij voor de Duitsers aan het werk en zag daar een grote schaal met gehaktballen liggen, die heeft hij toen opgegeten en de hond de schuld gegeven.

Hoe was de bevrijding?
Na de bevrijding was het feest in de binnentuin. Je kon weer alles doen waar je zin in had. Er was een gevoel van vrijheid. Alle mensen kwamen ook weer naar buiten. Naast Ali zaten Engelse piloten ondergedoken, dat hebben ze nooit geweten. De liefde tussen mij en Ali is ontstaan na de oorlog, toen we beide bij de AJC zaten. Toen hebben we alles ingehaald wat tijdens de oorlog niet kon.

Brandeisfotografie

De kinderen krijgen na afloop een knuffel en worden uitgezwaaid. Als ze de hoek om gaan richting school kijken ze nog één keer om… Ab e  n Ali staan nog steeds te zwaaien.

Erfgoeddrager: Aya

‘Bij de bevrijding kregen we wit brood, heerlijk! ’

Wij, Merel, Aya, Fatmanur en Ayhush van de Multatulischool, gingen op bezoek bij mevrouw de Koning. Tijdens de oorlog woonde ze samen met haar tien broers en zussen en haar ouders in de Van Hallstraat. Zij was de jongste van het gezin en dus nog maar een kleuter toen de oorlog begon. Toch zijn de gebeurtenissen haar erg bijgebleven.

Begreep u als kind dat het oorlog was?
In het begin niet, want ja, wij wisten helemaal niet wat oorlog was. Op een gegeven moment kwamen er vliegtuigen en zeiden mijn ouders: “Het is oorlog!” Dat is wat ik me ervan herinner. Op een dag is er een bom gevallen hier in de straat, maar die was niet ontploft. Toen begreep ik wel dat het erg gevaarlijk was, want de hele buurt moest evacueren. Mijn tante woonde in Oost en we zijn toen helemaal naar daar gewandeld. We gingen lopen, want er waren geen vervoersmiddelen. Jullie vinden een fiets nu heel normaal, maar dat was tijdens de oorlog niet zo. We hadden ook geen schoenen. We droegen houten kleppers en ’s zomers wandelden we zonder schoenen, en ja, dan wandel je ook wel eens in glas. Het was een verschrikkelijke tijd.

Heeft u erge honger gehad?
Niet echt, want onze bovenbuurman was een geweldige man. Hij ging helemaal naar de boeren wandelen in Alkmaar en Sint Pancras en ruilde al zijn kostbare spullen voor eten. Wat hij had, daar kregen wij ook van. Het was heel anders in die tijd met buren, er was veel meer samenhorigheid. Alle elf kinderen kregen iedere dag twee boterhammen van de buurman, dat was geweldig. Hij maakte ook vaak een grote stamppot, en daar kregen we allemaal een lepel van. We hadden ook bonnen. Iedereen kreeg een half brood voor de hele week. Je moest uren in de rij staan en soms was het uitverkocht als het jouw beurt was. Dan moest je op zoek naar een andere bakker. Het brood was klef en bruin, maar het was alles wat we hadden. Bij de bevrijding heeft Zweden brood uit vliegtuigen naar beneden gegooid boven het Westerpark, en dat was mooi wit brood, net cake. Iedereen hoorde het en ging er heen. Het was het recht van de sterkste, maar ik heb toen een brood gehad, heerlijk!

Fotografie: Mildred Theunisz

Wat is het spannendste dat u heeft meegemaakt?
Mijn zwager zat ondergedoken. Hij moest naar Duitsland om te werken, zoals de meeste mannen, en dat wilde hij niet. Op een dag kwamen de Duitsers en hij wandelde naar beneden op zijn sokken. De Duitsers riepen: “We moeten bij Treep zijn!” en hij antwoordde: “Dan moet u drie hoog wezen!” Maar je zag duidelijk dat hij daar zelf woonde want hij liep op zijn sokken. Hij wandelde zelf naar boven en kon via het dak ontsnappen, want de Duitsers hadden eerst niet door dat hij het was. Ze hebben nog geprobeerd hem neer te schieten, maar dat mislukte. Hij heeft geluk gehad, want als je ondergedoken zat en je werd opgepakt, dan moest je naar een concentratiekamp.

Erfgoeddrager: Aya

‘In de oorlog had ik een engeltje op mijn schouder’

Frits Neijts (88) staat ons aan het einde van de galerij al vrolijk op te wachten. Zijn vrouw Ans (86) zit in een grote leunstoel in de woonkamer. Frits was bijna 13 jaar toen de oorlog begon. Hij heeft tijdens de oorlog in de Bestevaerstraat gewoond, het nummer weet hij niet meer. Ans heeft in de Vespuccistraat 32- 2 hoog gewoond. Nadat Aya en Dounia van de Boomgaardschool hebben geholpen met het inschenken van de cola en Anil zijn vragen nog eens bestudeert, gaat het interview van start.

We hebben gelezen dat uw vader was ondergedoken, waarom?
Frits: Ik had een Joodse vader en een Christelijke moeder. Mijn moeder zat in het bestuur van de SDAP, dat was de voorloper van de PVDA in Amsterdam en zij hoorde van de socialisten in Duitsland dat de Joden vervolgd werden en in concentratiekampen werden vermoord. Toen zei mijn moeder: “vader je moet onderduiken”. En dat heeft hij gedaan, vier jaar lang, boven een drogisterij en zo heeft hij zijn leven gered.

Is er nog andere familie omgekomen?
Frits: Mijn vier tantes zijn allemaal vergast in concentratiekampen. In de oorlog woonden ze in Amsterdam-Zuid. Ik ging er vaak met mijn moeder heen om eten te brengen. Moeder zei tegen mijn tantes: “Jullie mogen niet de straat op met die Jodenster. Dat is veel te gevraarlijk”. En: “Jullie moeten onderduiken!”.  Maar mijn tantes geloofden niet dat ze vergast werden. Ze zeiden: “Nee hoor, we moeten naar Duitsland om te werken en we komen terug!”. Maar ze kwamen niet terug.

Wat is het spannendste dat u heeft meegemaakt?
Frits: Ik woonde op een gegeven moment in Noord en had daar een vriendje, Pietje Douma. Ik kwam vaak bij hem thuis. Ik werkte toen bij een dependance van een geneesmiddelenfabrikant. De Douma’s waren communisten en die zaten allemaal in het verzet. De leider van hun groep zei tegen mij: “Jij werkt toch bij die fabriek? Kan jij aan vitaminen en pleisters en verband komen?”. Dat hadden ze nodig voor het verzet. Toevalig werkte ik op die afdeling. En zo verstopte ik aan het eind van de werkdag vitamines en zo in mijn sportkousen, waar ik elastieken omheen bond. Beneden zat een portier en daar hing een kauwgomballenautomaat met rode en groene stuiters erin. Als je een rooie trok dan werd je gefouilleerd door de portier en als je een groene trok mocht je doorlopen. Dat ging tien keer goed bij mij en de elfde keer werd ik gepakt. Ik moest naar het kantoor naar een Duitse officier. Het was een grijze oude man, ik zie hem nog zo zitten. Half in het Duits vroeg hij; “Waarom pik jij?”.  Ik begon te huilen en zei: “Wij hebben thuis geen eten meer en mijn familie heeft honger”. Hij keek naar me en zei toen: “ Eigenlijk moet ik je uitleveren, maar je bent nog een kind, dus ga maar”. En dat heeft mijn leven gered.

Wat deed uw moeder toen?
Frits: De familie Douma werd opgepakt en omdat ik had gestolen, werd mijn moeder bang. Ze besloot met mij en mijn twee broers te verhuizen. Nadat we waren verhuisd viel er een brandbom op het huis. Aan de overkant waren namelijk de Fokkerfabrieken en de Engelsen bombardeerden die fabrieken en er vielen af en toe ook wat bommen naast. Dus als we niet waren verhuisd had ik hier nu niet gestaan. In de oorlog had ik een engeltje op mijn schouder.

Mevrouw Neijts, wat is het ergste wat u heeft meegemaakt?
Mijn vader en ook mijn zus zaten in het verzet en op een nacht stond de Duitse politie voor de deur. Ik was toen elf jaar. Er werd hard op de deur gebonkt, we wisten meteen: “Dit is foute boel”. Mijn moeder deed de deur open en mijn vader moest zijn bed uit en werd meegenomen. Hij heeft in totaal in drie gevangenissen gezeten. Maar mijn vader had open tbc, hij hoestte bloed. Dat was heel erg besmettelijk en de Duitsers waren panisch voor tbc, dus mocht hij naar huis. Dat moment zal ik nooit vergeten. Het was op een woensdag. Mijn moeder werkte en de sleutel van de voordeur was weg toen ik thuiskwam, die lag altijd onder de mat. Ik dacht; mijn moeder is al thuis! Dus ik ga naar binnen en daar zit mijn vader aan tafel! Hij heeft de oorlog overleefd maar acht jaar na de oorlog is hij, veel te jong, overleden.

Hoe was de Hongerwinter voor u meneer Neijts?
Ik was aardappelen gaan halen in West- Friesland. Toen ik thuis kwam lag er een briefje van mijn moeder: Wij zijn naar familie in Groningen, kom ons achterna. En dat heb ik ook gedaan, helemaal lopend. Soms werd er een hond op me afgestuurd, soms kreeg ik heel veel te eten. We zijn tot de bevrijding in Groningen gebleven. Het waren geweldige mensen.

fotografie: Saskia Gubbels

 

Erfgoeddrager: Aya

‘’Met zo’n driehonderd families woonden we in dit joodse getto in Amsterdam-Noord’’

Aya vindt het erg dat Jacob Joshua met zijn ouders, broer en zus tijdens de oorlog zo maar uit zijn huis kon worden gezet omdat hij Joods was. ‘Dat doe je toch niet?’ ‘Dapper hoor’, zegt  Soufiane, dat Jacob Joshua hen via Skype vanuit Israël over de oorlog durfde te vertellen terwijl hij zulke vreselijke dingen had meegemaakt. En Nourhan hoorde tijdens het interview veel dingen die ze nog niet wist.

 

Hoe voelde het om in de oorlog Joods te zijn?
“Ik moest een ster dragen. Iedereen die me zag, wist ‘daar gaat een Jood’. Dat vond ik heel erg.”

U woonde eerst in Utrecht. Waarom moest u vertrekken?
“Op een dag kwam een NSB’er aan de deur en die zei: ‘Ik gooi jullie eruit want ik wil hier wonen’. Vreselijk, van de ene op de andere dag moesten we weg. Mijn ouders vroegen een nieuwe woning want we moesten toch ergens naartoe. Zo kwamen we in Asterdorp terecht. Met zo’n driehonderd families woonden we in dit joodse getto in Amsterdam-Noord. De jongere kinderen speelden met elkaar en de oudere kinderen gingen naar school. Hoewel het piepkleine huisjes waren, was het fijn dat we een plek voor ons zelf hadden. Maar iedere nacht kwamen er vrachtwagens met Duitsers naar Asterdorp. Ze stormden een huisje binnen en riepen: ‘Raus!’ Tien minuten kregen de bewoners de tijd om hun spullen te pakken om vervolgens te worden meegenomen. Zo werd het steeds leger in Asterdorp. Elke dag vroeg je je af of je er de volgende dag nog wel zou zijn. Dat vond ik eng. Drie maanden woonden we er, tot ook wij weg moesten. “

Kon u niet onderduiken?
“Nee, dat konden vooral mensen die geld hadden om te betalen voor hun onderduik. Mijn vader wist niet waar zijn geld was en daarom konden we geen plek vinden.”

Waar kwam u terecht?
“Eerst in kamp Westerbork en daarna vertrokken we in de winter van 1944-1945 naar Bergen-Belsen, een vreselijk kamp in Duitsland. Er was veel te weinig voedsel en iedereen had luizen of leed aan ernstige ziektes zoals tyfus. Mensen stierven door de honger. Ook mijn vader kwam om, in januari 1945. Met mijn moeder, mijn jongere broertje en mijn oudere zus werd ik naar een ander kamp in het zuiden van Duitsland gebracht, waar gelukkig wat meer te eten was en we wat beter werden verzorgd. Daar zijn we gebleven tot de Franse troepen ons kwamen bevrijden.”

Erfgoeddrager: Aya

‘Ik werd uit liefde afgestaan’

Wij zijn Saly, Thomas en Aya en we interviewden Jetje Emden, die op tweejarige leeftijd met haar ouders, broer en zusje in de Transvaalbuurt woonde toen de oorlog begon. Toen het gezin zich moest melden bij de Hollandsche Schouwburg, hebben Jetjes ouders haar uit liefde afgestaan in de hoop dat ze de oorlog zou overleven. Ze kwam terecht bij een gezin met 5 kinderen in Friesland. Haar ouders, broer en zusje zag ze niet meer terug.

 

Hoe bent u in Friesland terecht gekomen?
“Alle joodse mensen in Amsterdam moesten naar de Hollandsche schouwburg, en van daaruit werden ze met de trein naar Westerbork gebracht. Er was ook een Duitse jood, Walter Süsskind, en hij kende een van de Duitse SS’ers die de leiding had nog van school. Met hem en de directrice van de crèche aan de overkant wist Walter ervoor te zorgen dat veel joodse baby’tjes gered werden. Ik ben aan iemands hand meegenomen en in een aardappelboot van Amsterdam naar Lemmer gevaren. Onder de aardappels. Niemand heeft me ooit verteld hoe dat precies ging; daar werd niet over gepraat.”

Wat weet u van uw onderduiktijd?
“Ik zat niet in een kast verborgen zoals Anne Frank, maar in een gewoon huis in Friesland bij een gezin met 5 kinderen. Ik was jonger dan de jongste, en paste ook met mijn uiterlijk precies in het plaatje. Ik viel dus niet op.

Ik heb toen ik daar woonde altijd gedacht dat mijn pleegouders mijn echte ouders waren. Mijn pleegzus moest altijd met mij mee naar bed omdat Ik zo huilde. Dan kwam mijn pleegvader naar boven en vroeg: ‘Wie ben jij? Waar kom je vandaan?’, waarop ik dan moest antwoorden dat ik uit Rotterdam kwam.

In Rotterdam woonden geen joden, en mijn pleegvader ramde dat antwoord erin zoals we ook tafeltjes leerden. Als de Duitsers zouden komen en me die vraag zouden stellen, zou ik dat antwoord geven en zouden ze denken dat ik niet joods was.”

Wat gebeurde er met u na de oorlog?
“Na de oorlog vertelden mijn pleegouders dat ze niet mijn echte ouders waren. Mijn pleegvader heeft gezocht of er nog familie in Amsterdam was, maar op een tante na was er niemand meer. Toen ik In de jaren ‘60 zelf mijn eerste kind kreeg voelde ik het gemis pas echt en ben ik gaan zoeken in de hoop ergens informatie te vinden over mijn familie. 15 jaar geleden hoorde ik opeens dat er nog marktvergunningen met foto waren in het stadsarchief. Ik wist dat mijn vader altijd op de markt had gestaan, dus ik belde het stadsarchief en ze vonden zijn vergunning. Dit was de eerste keer dat ik een foto van mijn vader zag. Mijn kinderen en zelfs mijn kleinzoon lijken op hem. De foto staat nu uitvergroot bij me thuis. Het is het enige van mijn familie dat ik heb.”

foto’s: Marieke Baljé

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

+31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892