Archieven: Verhalen

‘Zes weken lang at ik erwtenbrood met appeljam’

Bahita, Jarrion, Milan en Hafsa vinden het best spannend als ze de lift nemen naar de vierde verdieping van het verpleeghuis Douvenrade in Heerlen. Met de hele klas zijn ze naar het verpleeghuis gekomen om een interview te houden over de Tweede wereldoorlog in hun buurt. Maar het ijs is snel gebroken met de spraakzame Leo Quadvlieg.

Toen de oorlog begon, was meneer Quadvlieg drie jaar oud. Hij woonde met zijn ouders en zijn tweelingbroer in de Josephinastraat in Bleijerheide, een wijk van Kerkrade, vlakbij de Duitse grens. Veel van zijn familie woonde daar ook. Als klein kind merkte hij in het begin niet zoveel van de oorlog. Maar tegen het einde werd het levensgevaarlijk, vertelt hij al snel. De kinderen hangen aan zijn lip.

Wat gebeurde er aan het einde van de oorlog?
‘In september 1944 kwam het front recht voor onze buurt te liggen. De Duitsers zaten over de grens in Herzogenrath en de Amerikanen zaten aan de andere kant, op de Nieuwstraat. Dat is precies de grens tussen Bleijerheide en Kerkrade. Ze lagen zó dicht bij elkaar dat ze elkaar voortdurend beschoten. Vliegtuigen vlogen dag en nacht over en er werd vooral vanuit de lucht gevochten.

In Bleijerheide zaten Amerikaanse soldaten van de Old Hickory Company. Dat was een onderdeel van het Amerikaanse leger, jonge jongens die vanuit Amerika waren gekomen om Europa te bevrijden. Zij kwamen Kerkrade binnen en vestigden zich in onze buurt. Van daaruit vochten ze tegen de Duitsers die net over de grens zaten.’

Was dat niet gevaarlijk?
‘Ja, heel gevaarlijk. Daarom kwam het bevel dat we weg moesten. Met de hele familie, zo’n vijftien mensen, werden we geëvacueerd. We namen mee wat we konden dragen en vertrokken samen met een lange stoet mensen uit Kerkrade richting Ubachsberg.

Onderweg sloegen er granaten in tussen de vluchtende mensen. Acht granaten. Dertien mensen kwamen om het leven. We kwamen langs toen die mensen er net lagen. Ik was nog een kind, maar dat beeld ben ik nooit vergeten. In Ubachsberg staat nu een monument voor hen.’

Waar moesten jullie naar toe?
‘In Ubachsberg werden we opgevangen door een boer. Zijn schuur was helemaal ingericht voor evacués. Met vijftien mensen uit één familie zaten we daar bij elkaar. We zijn er zeker zes weken geweest.

Wij waren met zes kinderen: mijn tweelingbroer en ik, en vier neefjes en nichtjes. Voor ons voelde het soms zelfs als een avontuur. We speelden in de weilanden en ravotten tussen het stro. In het dorp was een grote keuken waar voor iedereen gekookt werd. Brood was er bijna niet. Mijn moeder maakte appeljam van geplukte appels en bakte brood van erwten. Zes weken lang at ik erwtenbrood met appeljam. Later hoefde ik dat nooit meer.’

Konden jullie helemaal niet terug?
‘Mijn vader is in die tijd één keer teruggegaan naar Bleijerheide om te kijken hoe het met ons huis was. Er woonde nog een man in onze straat die niet geëvacueerd was. Die man heeft mijn vader verteld dat de Duitsers bij ons binnen waren geweest en van alles wilden meenemen, ook de piano. Hij is toen voor onze spullen gaan staan en heeft tegen die Duitsers gezegd dat ze niks mochten meenemen. Dankzij hem is ons huis niet leeggeroofd.

Het huis waarin wij woonden was van een Duitser. Wij huurden het. Dat was heel normaal in die tijd omdat we zo dicht bij Duitsland woonden. Iedereen in mijn woonplaats had ook wel familie in Duitsland wonen. Het was dan ook heel gek toen de oorlog uitbrak dat er ineens een harde grens werd getrokken. De huizen in Kerkrade die in het bezit van Duitsers waren werden door de gemeente in beslag genomen. De eigenaar werd over de grens gezet en de gemeente bood het huis te koop aan. Mijn vader moest daar goed over nadenken. Hij vroeg zich af of we het wel konden betalen en of het verstandig was. Nu is het onbegrijpelijk. Het ging over een bedrag van 4800 gulden.’

Herinnert u zich de bevrijding nog?
‘Ja, ik weet het nog goed. In onze buurt werd een grote molen op het trottoir gezet, als teken dat hier Nederlanders woonden. Wekenlang was het feest. Ik was toen negen of tien jaar en ging elke maandag naar die molen. Er was muziek van de harmonie, kinderen kregen limonade en ijsjes.’

Het was vrolijk en dat was het lang niet geweest. Er werd ook gedanst. Tijdens die bevrijdingsfeesten heb ik leren dansen. Niet omdat het moest, maar omdat het weer mocht. Dansen betekende vrijheid.’

 

Archieven: Verhalen

‘Ik ging naar de nonnenschool, misschien was ik daarom wel zo’n braaf meisje’

Samen met Emmy Gooiker-Zink gaan Alina, Djullien, Nola en Almira aan een tafeltje zitten in het zonnige restaurant van verpleeghuis Douvenrade. Ze zijn naar het verpleeghuis gekomen om ouderen te interviewen over hun herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog in Heerlen. Ze hebben er zin in. Djullien gaat foto’s maken bij het interview.

Mevrouw Gooiker houdt van kinderen. Ze vertelt hen dat ze pas drie jaar was toen de oorlog begon. Ze was de jongste thuis, een nakomertje. Ze had twee zussen en een broer. Haar vader kwam uit Duitsland, uit Hamburg, en haar moeder uit Roemenië. Ze waren naar Limburg gekomen omdat ze hier werk kon vinden in de mijnen. Zo ging dat in die tijd. Maar in de oorlog werd dat ineens lastig, want als je vader Duits was, dan werd je zelf ook als Duits gezien.

Wat moesten jullie doen als het luchtalarm afging?
‘Als het luchtalarm ging, wisten we precies wat we moesten doen: naar de kelder. Onder ons huis was een kelder met bedjes. Daar zaten we dan met het hele gezin te wachten. Je hoorde dat loeiende geluid en dan wist je: we moeten naar beneden.
Ik was nog klein en begreep niet wat er gebeurde, maar ik voelde dat het niet goed was.’

Waren er ook bombardementen?
‘Ja, in 1942 werd ons huis gebombardeerd. We zaten weer in de kelder toen ons huis werd geraakt door een fosforbom, een brandbom. Dat was levensgevaarlijk. We moesten snel wegvluchten uit de kelder. Ik herinner me nog het beeld dat iemand boven aan de keldertrap stond te roepen: ‘Emmy, je moet snel naar boven komen!’ Aan de voorkant van het huis stond alles al in brand. Maar ik zei alleen maar dat ik mijn schoenen niet kon vinden. Dat beeld, die trap, dat geroep, dat staat nog altijd op mijn netvlies.

Achteraf bleek dat het een vergissingsbombardement was, een ‘friendly fire’. De bommen hadden eigenlijk op Aken moeten vallen, maar ze kwamen op Heerlen terecht. We mochten tijdelijk schuilen in de kelder aan de overkant, bij mijn vriendinnetje. De brandweer kwam iedereen controleren en zelfs aan je kleren ruiken, om te kijken of je geen fosforspatjes op je had. De ruiten van ons huis waren helemaal gesmolten.’

Gingen jullie gewoon naar school tijdens de oorlog?
‘Toen ik zes was ging ik naar de lagere school. Dat was midden in de oorlog. Maar die school werd door de Duitsers ingenomen. Dus moesten wij naar een andere school, in Meezenbroek. Dat betekende elke dag ver lopen. Algauw kreeg ik te horen dat ik naar een Duitse school moest omdat mijn vader Duits was, maar dat wilde mijn moeder niet. Daarom ging ik vanaf mijn zesde jaar naar een kostschool, ver van huis. Het was een nonnenschool.

Misschien ben ik daardoor wel zo’n braaf meisje geworden. Eén keer per maand mocht ik op zondag naar huis. Dat was altijd bijzonder. Tot mijn zestiende ben ik bij de nonnen gebleven. Ze hadden daar ook een kweekschool, de pabo van nu, en zo ben ik in het onderwijs terechtgekomen. Daar heb ik veel aan te danken. Toch heb ik altijd het gevoel gehad dat ik een dubbeltje was en nooit een kwartje kon worden.

We hadden thuis genoeg te eten. Mijn vader en moeder hadden een café, en achter in het café kon je frietjes kopen. De drank uit het café werd geruild voor eten. Zo kwamen wij de oorlog door.’

Hoe was het om half Duits te zijn in de oorlog?
‘Omdat mijn vader Duits was, golden wij ook als Duits. Dat maakte alles moeilijker. Mensen keken anders naar je. Mijn zussen waren achttien en werden opgeroepen om naar Duitsland te gaan om daar te werken voor de Duitsers. Dat wilden ze absoluut niet. Ze zijn toen snel getrouwd met een Nederlander, zodat ze niet hoefden te vertrekken. Dat waren oorlogstrucjes, maar soms had je geen keuze.’

Werd uw broer ook opgeroepen om te vechten voor het Duitse leger?
‘Mijn broer is ondergedoken bij een boer. Hij werkte daar en probeerde uit handen van de Duitsers te blijven. Maar toen hij vijftien was, is hij alsnog opgepakt.

Tijdens het Ardennenoffensief, aan het einde van de oorlog, werd hij opgeroepen om te vechten. Hij was pas zeventien. Veel te jong. Hij is bij die gevechten in zijn been geschoten. De Duitsers hebben hem laten liggen. De Amerikanen hebben hem gevonden, gevangengenomen en naar een ziekenhuis gebracht. Hij is zelfs nog in Engeland in een ziekenhuis geweest.

Toen hij uiteindelijk thuiskwam, had hij geen benen meer. Ik heb mijn moeder in haar hele leven maar één keer zien huilen. En dat was om hem.’

Wat weet u nog van de bevrijding?
‘Ik zie de bevrijding nog voor me: de Amerikaanse jeeps die Heerlen binnenreden. Ze kwamen via Maastricht Nederland binnen. De soldaten stonden bij hun jeeps en wij probeerden met ze te praten, maar ze verstonden ons niet. Dat vonden we heel raar.
We kregen kauwgum, koekjes en chocolade. Als kinderen liepen we te bedelen om lekkers. Dat voelde als vrijheid.’

Archieven: Verhalen

‘Ik heb de wet dat vrouwen en mannen gelijke rechten hebben ontworpen’

Jermaine, Sheranza, Jediël, Zephanayah en O’lyvelshjo van de Ritfeldschool in Paramaribo interviewen Soerdj Badrising (1940). Meneer Badrising is de overbuurman van Jermaine en is ook op zíjn uitnodiging naar school gekomen voor een interview. De groep gaat aan een grote tafel in de bibliotheek zitten en de kinderen stellen de eerste vragen.

Kunt u iets vertellen over uw ouders?
‘Mijn vader is op zee geboren toen hij vanuit India naar Suriname kwam. Hij was een baby toen het schip aan land kwam. Mijn moeder is in Suriname geboren. Ons gezin bestond uit acht kinderen: vijf dochters en drie zonen, onder wie een tweeling, en ik ben een van de tweeling. Mijn ouders zijn nooit naar school gegaan, ze konden niet lezen en schrijven. Ze leerden door wat mensen hen vertelden. Mijn oudste broer ging ook niet naar school omdat hij mee moest helpen met de zorg voor de jongere kinderen. Ik ben wel altijd naar school gegaan en dat vond ik helemaal niet erg. In rekenen was ik de beste, talen vond ik moeilijk.

Om naar school te gaan, moest ik heel ver lopen, weer of geen weer. We hadden geen fiets, en oh wee als je te laat was op school, dan werd je gestraft. Om de afstand te overbruggen, speelden we vaak wakka tjoepoe. Dan gooide je een knikker en ging je er achteraan, zo liep je spelenderwijs naar school. We hadden geen schoenen want we hadden niet genoeg geld.

Mijn oudste broer had een bananenmeelfabriek opgezet, na school moesten wij helpen bananen schillen, snijden, drogen en malen. Mijn vader deed het zware werk, het oogsten, en toen ik wat ouder was ging ik op de brommer om het meel te verkopen aan de winkeliers. In de weekenden moesten we naar het perceel van mijn vader, waar hij rijst plantte. Dan liepen we ’s ochtends vroeg met een kom eten op ons hoofd naar zijn plantage, dat was een heel eind lopen. We moesten ook door een rivier en er was geen brug, dus we liepen door het water met het eten op ons hoofd. Als we aankwamen, keek mijn vader naar de stand van de zon, dan kon hij zien hoe laat het was en als we te laat waren dan kregen we geen eten, dat was onze straf.

Mijn vader was een taaie man, hij is 70 jaar geworden. Hij ging nooit naar een dokter of tandarts, hij zei: ‘God heeft me ziek gemaakt, hij zal me ook weer genezen’. Hij was ook iemand die veel dronk. Uiteindelijk is hij overleden door een hersenbloeding.’

Wat was uw beroep?
‘Ik wilde militair of leerkracht worden. In Nederland deed ik de opleiding voor militair. Ze konden me niet verzekeren van een baan in Suriname als ik erin verder wilde gaan. Maar ik wilde zo snel mogelijk terug naar Suriname. Toen ben ik naar de universiteit gegaan en heb ik wiskunde en pedagogiek gedaan en zo ben ik leerkracht geworden. Ik werd docent op de kweekschool in Paramaribo, daarna onderdirecteur, toen onderdirecteur AMS (Algemene Middelbare School) en daarna ben ik minister van Justitie en Politie geworden. Dat was in het jaar 1973, ik was toen 33 jaar oud. Ik ben in de familie de enige die het zover heeft geschopt, mijn zussen zijn getrouwd toen ze 14, 15 jaar oud waren en hebben niet gestudeerd.’

Hoe heeft u de periode als minister ervaren?
‘Het waren geen gemakkelijke jaren, er waren veel acties en onrust, want de coup van 1980 was in voorbereiding. Maar als minister heb ik toch wat kunnen doen, de Wet van de valhelm is door mij ontworpen op verzoek van meneer Ferrier. Ook heb ik de wet dat vrouwen en mannen gelijke rechten hebben en de wet van strafvordering ontworpen. Ik ben ook de minister geweest die president Santokhi naar Nederland heeft gestuurd om de politieopleiding te volgen. Hij was destijds een goede student.

Ik was maar kort minister, want toen de coup werd gepleegd moesten we vluchten. Mijn hele familie is naar Nederland vertrokken. Ik ben toch gebleven, want ik vond dat ik niks verkeerd had gedaan. In 1982 zijn de moorden gepleegd. De militairen zijn toen langs geweest bij mij om mij op te halen, maar ik was niet thuis. De buren zeiden later toen we thuiskwamen: ‘we adviseren jullie om weg te gaan’. Toen ben ik ondergedoken, en zijn we naar Frans-Guyana gevlucht. Vrienden van mij zijn doodgeschoten. Ik heb meneer Bouterse nooit willen ontmoeten, omdat ik die ellende heb meegemaakt.’

Welke adviezen heeft u voor ons ?
‘Je moet niet lui zijn om te werken. Pak hard aan om op een eerlijke manier aan je geld te komen en te verdienen. Ga studeren en blijf je best op school doen ondanks de moeilijke tijd waarin we leven. Ondanks de moeilijke periode in mijn jonge jaren heb ik toch het beste van mijn leven kunnen maken en een bijdrage kunnen leveren aan de Surinaamse samenleving. Neem daar een voorbeeld aan. Je moet de wil hebben om vooruit te komen. Het ligt helemaal aan jou.’

Archieven: Verhalen

‘Ik kon een gat in de lucht springen wanneer ik hoorde: Mini, Moksa lesi!’

Javen, Maeghan, Tanisia en Eroesha van de Wellesschool interviewen Magda Muriel Bijnaar. Mevrouw Bijnaar gaat zitten en wacht vol verwachting de eerste vraag af. In het begin moet iedereen op gang komen, maar mevrouw Bijnaar heeft er plezier in en vertelt over de leuke en de minder leuke dingen die ze heeft meegemaakt in haar leven.

Wat at u vroeger?
‘Ik at rijst, soep, bananen, cassave, heel anders dan nu. Ik woonde met mijn grootmoeder en de broer en zus van mijn vader. Dat zusje had een geestelijke beperking, dus ze moest bij haar moeder blijven en zo waren we met z’n vieren. Ik was het enige kind bij mijn grootmoeder. Elk weekend aten we moksa lesi, wat ik erg lekker vind. Ik kon een gat in de lucht springen wanneer ik hoorde ‘Mini!’, dat was m’n roepnaam, ‘Mini!’ – ‘Ja oma!’ –‘Moksa lesi!’ Dan danste ik.’

Welk feest van vroeger vond u het leukst?
‘Ik hield van erffeestjes. Op het erf woonden we samen met een Javaanse familie, een boeroe-oma en de eigenaresse was een Joodse dame, we leefden daar als één familie. Wanneer iemand jarig was, dan werd je uitgenodigd. We maakten plezier, we dansten en we aten. Je kreeg bruine bonen met groente en vlerken en zoutvlees en een stukje pom. Als je ouder was dan 15, dan kreeg je ook een stukje pastei. En we kregen gommakoek, van echte gomma gemaakt. Het brokkelde hetzelfde als die maizenakoekjes, maar het was veel lekkerder. Puur gommakoekjes, grootmoeders recept, het was heerlijk. Maar het is er niet meer. Maizena is makkelijker.’

Van waar komen uw voorouders?
‘De familie van mijn moeders kant, komt van het gebied van de Cottica in Suriname. Mijn moeder heeft een beetje Indiaan in zich. En de moeder van mijn vader komt uit Barbados, dat is een eiland. Mijn grootmoeder was een baby toen ze daarvandaan wegvluchtte, ze is samen met haar moeder gevlucht voor de slavernij. In die tijd was dat daar op Barados erger dan in Suriname. Als je iets verkeerd deed werd gewoon je hoofd afgehakt. Mijn grootmoeder was nog klein toen ze heeft gezien hoe haar vaders hoofd werd afgehakt. Dus ze konden daar niet blijven en zijn gevlucht. Ze zijn zwemmend aangekomen in Guyana. Er waren ook haaien, maar gelukkig zijn ze niet gepakt. Ik ben blij dat ik dit kan navertellen, want er is zoveel gebeurd. In Guyana hebben ze assistentie gekregen om naar Suriname te gaan.’

Heeft u een advies voor ons?
‘Jullie zijn jong, ik ben 72, ik heb heel veel van de wereld gezien, ik ben naar Guyana geweest, ik ben naar Frans Guyana geweest en ik ben 2x naar Nederland geweest. Maar weet je wat het belangrijkste is: eerbied en respect. Als je respectvol bent tegenover anderen, dan krijg je respect terug. Wees behulpzaam tegenover elkaar en tegenover anderen. Als iemand ruzie zoekt, doe dan niet mee, want je weet hoe de ruzie ontstaat, maar je weet niet hoe het eindigt. Vroeger op school vochten we wel, met klappen enzo. Ik was ook een vechtersbaas, want je moet me niet lastig vallen! Ik kom op voor mijn recht, maar ik zie dat het niet iets goeds is, je komt niet verder daarmee. Je moet je best doen en als je iets niet begrijpt, vraag het. Wees nooit te groot om te vragen ‘juf, ik heb dat niet verstaan, kunt u me een beetje meer uitleggen’. En je moet eerbiedig zijn tegenover ouderen, vooral je vader en je moeder. Hoeft niet speciaal je biologische vader of moeder te zijn, het kan een oudere persoon zijn die je wat leert.’

Archieven: Verhalen

‘Mevrouw Graanoogst, u bent vanaf vandaag inspecteur van onderwijs’

Gianna, Sjomar, Jusitin, Levi-Jay en Manuella van de Ritfeldschool in Paramaribo interviewen Lucia Graanoogst (1940). Mevrouw Graanoogst komt naar hun school, samen met andere ouderen van het bejaardentehuis waar ze woont. Het interview vindt plaats in een leeg klaslokaal op school.

Hoe was het bij jullie thuis?
‘We waren met zes kinderen en ik was de oudste. We woonden in een groot houten huis. Toen ik elf was overleden twee broertjes van me. Eén was 9 jaar, hij had bloedkanker. Een maand later overleed mijn andere broertje van 5 jaar door een auto-ongeluk. Mijn ouders hebben daar heel veel verdriet van gehad. Anderhalf jaar na hun overlijden kwam er een nieuw broertje en daarna nog een broertje en nog een zusje.

Mijn vader was streng, hij was militair, mijn moeder was heel erg lief, ze verzachte altijd. Twee weken voor mijn tiende verjaardag mocht ik van mijn vader een lot trekken. De dag dat de nummers getrokken waren, keek in de krant en ik zei: ‘Pappa, het is hetzelfde nummer!’. Hij zei ‘Meisje, jok niet!’. En inderdaad, ik had gelijk: ik had de tweede prijs gewonnen. Het was 750 gulden, dat was veel geld in die tijd. Toen heeft mijn vader van dat geld een piano gekocht en moest ik verplicht op pianoles. Ik heb vaak tikken op mijn vingers gehad, maar niemand mocht aan de piano komen, want het was mijn piano.’

Waar komt uw naam vandaan?
‘Mijn overgrootoma was een keukenslavin. Haar slavenhouder heette ‘Ouderogge’ en rogge is een graansoort. De slaven hadden eerst nog geen achternamen, maar later heeft mijn overgrootoma, de keukenslavin, de naam gekregen van Graanoogst. Het is een geweldige naam! Zonder die naam eet je geen brood, zeg ik altijd.

Die overgrootoma heb ik niet gekend, maar haar dochter was mijn grootvaders moeder, die heb ik nog even gekend, ik was 5 jaar oud toen zij stierf. Maar over de slavernij werd niet gesproken, dus ik weet er niet veel van.’

Wat voor beroep had u?
‘Ik ben naar Nederland gegaan om te studeren, en toen ik terugkwam werd ik lerares op de kweekschool. Op een dag hadden we een roostervergadering. Toen ik weer thuis was gaf mijn moeder me een papiertje met een telefoonnummer erop. Ze zei: ‘Je moet dit nummer bellen’. Ik belde, en wat kreeg ik te horen? ‘Mevrouw Graanoogst, u bent vanaf vandaag inspecteur van onderwijs’. Ik kon niet eens afscheid nemen van de school waar ik les gaf, want ik moest op het kantoor van de inspecteur zijn.

Voor mijn beroep moest ik veel scholen bezoeken, soms helemaal in Saramacca. Eén keer had ik iets heel moois meegemaakt. Daar waar nu Staatsolie is, was een weggetje. Ik reed die straat in om naar een school te gaan en ineens zag ik een grote aap midden op de weg. Ik remde en maakte de deur open om te kijken. Toen kwam er ineens een hele rij van wel dertig aapjes langs lopen. Die aapjes sprongen de Saramaccarivier in, zo gingen ze het bos in. Het is het mooiste wat ik ooit heb meegemaakt. Maar vanaf die dag mocht ik als vrouw niet meer alleen rijden.’

Heeft u wel eens discriminatie meegemaakt?
‘Toen ik 24 jaar oud was, ging ik naar Nederland om te studeren. Daar ben ik nooit gediscrimineerd. In mijn kindertijd in Suriname was er altijd wel een beetje een gevecht tussen Hindoestaanse en Creoolse kinderen…. maar ik kan niet zeggen dat ik het als ernstig heb ervaren. Ze noemden mij ‘Boeroe’, maar dat vond ik niet erg.’

Wat heeft u meegemaakt van de Binnenlandse Oorlog?
‘Oh, kind dat vond ik wel iets ergs hoor, vooral van wat er in Moiwana was gebeurd. Ze waren Moiwana binnengevallen omdat ze meneer Brunswijk zochten, want hij was de leider van de binnenlandse strijders. Omdat ze hem niet vonden hebben ze zelfs op kinderen en zwangere vrouwen geschoten. Veel mensen zijn daar overleden, ik krijg nog kippenvel als ik erover praat. Dat was iets heel ergs. Ik was heel erg blij toen dat allemaal afgelopen was.’

Archieven: Verhalen

‘Creolen, Javanen, Chinezen en Boeroes, ze kwamen allemaal bij ons thuis’

Edgar Comvalius (1960) ontmoet Xavi, Renaja, Drishti, Ghivar en Alicia onder de grote manjaboom op het schoolplein van de Ritfeldschool in Paramaribo. Hij laat de leerlingen een groene gulden zien, een briefje geld dat nu niet meer bestaat. Het was vroeger meer waard dan een Nederlandse gulden. De leerlingen mogen het niet vasthouden want het valt al bijna uitelkaar. Als iedereen zit, stellen de leerlingen de eerste vraag.

Waar bent u geboren?
‘Ik ben te Saramacca geboren, in het inheemse dorp Colombia, ik ben van de Caraïben-stam. Ik ben indiaan, van ouds af heb ik die benaming geaccepteerd, maar in de moderne tijd zegt men ‘inheems’. En mijn familie is ook meer aan het mixen, want mijn broers en zussen hebben Creoolse en Hindoestaanse partners.

Hoe was het bij u thuis toen u klein was?
‘Mijn ouders hebben twaalf kinderen gehad, vijf meisjes en zeven jongens en er was altijd een gezellige drukte. We speelden spelletjes, zoals djompo futu, djoel, gòngotè, combat en knikkeren. Wij waren niet rijk, maar leefden gelukkig. We aten vis, vlees, kippen en cassave en we plantten bananen thuis. Mijn vader was altijd bezig. Hij kweekte kippen, deed van alles, hij was niet lui. Maar we kwamen toch niet vooruit, want mijn moeder ving iedereen op. Mijn moeder zei nooit dat iemand weg moest gaan, iedereen kon blijven slapen en ze had altijd eten voor de gasten. Al was het alleen maar rijst met groente. Creolen, Javanen, Chinezen en Boeroes, ze kwamen allemaal bij ons thuis.

Wij hadden veel respect voor onze ouderen, voor broer, zus, opa of oma. Wij noemden onze broer of zus niet bij hun naam. In onze inheemse taal is zus wà wà, broer is sèwò, opa is àwò en oma is pìpì. En zo werden ze netjes toegesproken. Mijn vader was streng. We konden niet dicht bij hem zitten, hij bleef op een afstand. We moesten om zes uur thuis zijn om het erf schoon te maken. Als niet, dan wachtte de riem op je. Of een touw. Je kreeg een pak slaag, vooral mijn oudste broer. Mijn vader mishandelde hem. Pappa was streng, maar mamma was lief.’

Waar bent u naar school gegaan?
‘Ik ging naar de rooms-katholieke basisschool, vlak bij het huis waar ik woonde. Er waren paters en een kerk, we kregen ook godsdienstles op school van de paters. Het was gezellig en we hadden heel veel respect voor onze leerkrachten. Er was ook goed contact tussen de leerkracht en de ouders, vandaar dat wij ons best ook deden. Daarna heb ik ulo gedaan, later heette het lbo (lager beroepsonderwijs) en nu vmbo. Dat heb ik afgemaakt en daarna ben ik gaan werken, ik was toen 16 jaar. Ik wilde mijn eigen boontjes doppen want mijn ouders hadden het moeilijk thuis. Nu ik terugkijk op die tijd heb ik toch spijt dat ik school vroeg heb verlaten. Eerlijk gezegd was ik ook een beetje lui om naar school te gaan. Een keer had m’n oom me gepakt, toen ik was gaan spelen. Hij stuurde me weer naar school.

We kregen wel pak slaag vroeger, dat is nu niet meer, daarom zijn de kinderen nu heel anders dan vroeger. Jullie hebben het nu te goed. Ik mag mijn kinderen nu niet aanraken. Als hij of zij fout is, dan moet ik praten, maar hoelang blijf je praten? Soms wil ik een tikje geven, maar dat mag niet. De mens is veranderd, de bossen zijn er nog met schaduw en al, de natuur is er gewoon, wij mensen veranderen. We lopen nu met andere gedachten dan vroeger.’

Hebben uw grootouders u verteld over de slaventijd?
‘Ja, zo’n beetje. Mensen moesten onder erbarmelijke omstandigheden werken op die cacaoplantages werken en ze moesten bossen open kappen, kregen weinig eten en weinig rusttijd en werden mishandeld, geslagen. Ja, ik heb ervan gehoord hoe die slavenmeester met hen omgingen. En als ze ziek waren, waren ze in feite ten dode opgeschreven. Want ze konden niet werken, en kregen dus geen voeding meer. Zo was het. Het waren slaven en de Nederlanders waren de wreedste slavenhouders. Dat heb ik gehoord.’

Wat vindt u nu van Suriname?
‘Suriname is een lekker land, ik ben hier opgegroeid en ik wil hier ook sterven. Ik zeg het uit m’n hart. Je kan hier van alles krijgen. Als je bij iemand langsgaat, dan krijg je eten, je wordt gastvrij ontvangen.’

Archieven: Verhalen

‘Ik zou niet terug willen naar de koloniale tijd, we moeten het zelf gaan doen’

Jaylen, Trisha, Abhai, Patricia, Jezreël en Azahra van de O.S. Mariënburg in Commewijne, Paramaribo interviewen Wangsakrama Légimin. Hij wordt ook wel ‘meneer Bimbo’ genoemd en dat vindt hij niet erg. Hij weet veel van de geschiedenis van Mariënburg omdat hij ook gids is.

Wie waren uw voorouders?
‘Mijn voorouders komen uit Indonesië en werden hiernaartoe gebracht als contractarbeiders. Mijn opa van mijn vaders kant werd te werk gesteld op de plantage Jaglust, dat was een koffieplantage. Mijn andere opa werd te werk gesteld op plantage Visserszorg, een citrusplantage. Beide opa’s heb ik niet gekend, maar ik heb wel hun cultuur geërfd. We hadden bijvoorbeeld de Ludro-voorstelling vroeger en Djaran Kepang, dat is een dans met paarden en dan gaan mensen in trance. De dans vond ik erg mooi, maar het wordt niet meer gedaan.’

Wat vond u leuk toen u klein was?
‘Toen ik jong was, werden elke 1 juli activiteiten ontplooid door de Nederlandse Handelsmaatschappij. De treinen en de fabriek werden versierd, de kinderen deden kinderspelen, zoals mastklimmen, hardrennen, zaklopen en dat vond ik echt leuk. De ouders kregen bonnetjes van de maatschappij en ze konden ook frisdrank gaan halen en bolletjes. In die tijd kon je ook voetballen na schooltijd, maar om vijf uur moest je wel naar binnen gaan om je lessen te leren.’

Wat voor werk deed u?
‘Ik werkte hier bij de Suikeronderneming Mariënburg, eerst als magazijnmeester en later op de afdeling personeelszaken. Ik had mijn mulodiploma behaald en zou verder gaan studeren. Ik ging naar een internaat maar mijn ouders konden het niet permitteren, zodoende kwam ik terug en ging hier werken. Vroeger was Mariënburg schoon, maar na de koloniale tijd is het vergane glorie geworden. We produceren niks meer. Nu ben ik gids en geef rondleidingen op het terrein van de vervallen fabriek.’

Wat denkt u dat er in de toekomst gaat gebeuren?
‘Wat ik denk is dat wij als de nazaten van de contractanten en de slaven meer als Surinamers moeten gaan denken, want we zijn in Suriname geboren. Wat ik echt moeilijk vind hier in Suriname is de politiek. De politieke partijen zijn opgericht per bevolkingsgroep, dus de Javanen hebben hun eigen partij, de Hindoestanen hebben hun eigen partij… en dat vind ik niet goed. We zijn Surinamers, we moeten samen het land opbouwen. Maar dan moeten wij een goede leider hebben. Tot nu toe ken ik geen echte leiders in Suriname. Suriname is een groen land, alles groeit in Suriname. Toch moeten we alles importeren voor de lokale markt. Dat is toch erg.

Maar ik zou niet terug willen naar de koloniale tijd, we moeten het zelf gaan doen. De Nederlanders zijn rijk geworden van de slaven en de contractanten. De slaven werden het ergste onderdrukt, want die kregen geen betaling, de contracten wel, maar niet zoveel. En als je niet wilde werken, dan werd de politie ingeschakeld. Ik vind het eng hoe het vroeger was in Suriname, wij werden door de Nederlanders onderdrukt. De rijkdom ging naar Nederland, niet naar Suriname.’

 

Archieven: Verhalen

‘Ik heb hier als slaaf gewerkt, van vroeg in de ochtend tot diep in de nacht’

Boaz, Melody, Oscar en Philo van basisschool Omnio in Eindhoven worden door Yusuf Basci warm ontvangen. De kinderen krijgen Turkse thee en een snoepje. Yusuf laat hen zien hoe je kunt roeren in de mooie Turkse theeglaasjes zonder hard met het lepeltje tegen het glas te tikken. Daarna schenkt hij naar Turkse traditie een beetje eau de cologne in hun handen. Boaz en Oscar vinden de geur lekker ruiken.

Hoe leefde u als kind in Turkije?
‘Ik ben opgegroeid in de Turkse hoofdstad Ankara. We woonden met zijn zevenen in een buitenwijk van de stad, want de huizen in het centrum waren te duur voor onze ouders. Nu is onze wijk ook ‘centrum’ geworden, want Ankara is enorm gegroeid. Ik speelde met mijn vrienden de hele dag buiten, we klommen in abrikozenbomen om de rijpe vruchten te plukken. En watermeloenen groeiden gewoon in de wijk op de grond. Er was heel veel ruimte in onze wijk. Maar nu is het daar veranderd. Nu ben ik ‘vreemd’ daar en denk ik vaak wanneer ik in mijn oude wijk rondloop: waar ben ik?’

Waarom ging u weg uit Turkije?
‘Mijn jeugd verliep in een moeilijke tijd voor Turkije. Er waren veel politieke discussies. Wij, de linksen, wilden een beter leven voor de boeren en arbeiders. Daar protesteerden we voor. Dat protesteren was niet zonder gevaar. De politie sloeg op ons in. Mijn ouders maakten zich veel zorgen over mij. Ze waren bang dat ook ik dood zou gaan. Mijn ouders wilden dat ik wegging uit Turkije of me terugtrok uit de politieke discussies. Maar ik luisterde niet naar hen. Uiteindelijk had ik drie redenen om weg te gaan. Ik leerde een vrouw kennen, die in Nederland woonde en werd verliefd op haar. Ook vond er een maand voordat ik emigreerde een staatsgreep plaats. Het leger nam de macht over in Turkije. Voor linkse mensen werd het daarmee nog gevaarlijker. En ik had in Nederland meer kans om werk te vinden.’

Miste u uw familie toen u naar Nederland ging?
‘De komst naar Nederland was niet makkelijk voor mij. Ik groeide op in een gezin van vijf kinderen, met twee ouders. Ik was het middelste kind en had drie zussen en een broer. Mijn familie betekende alles voor mij en ik miste hen enorm toen ik naar Nederland vertrok. Ik was als een vis uit de zee.

In die tijd waren telefoons schaars en het was onmogelijk om regelmatig contact te hebben. Het voelde soms alsof ik 3000 kilometer verwijderd was van mijn wereld, van mijn ouders, broers en zussen. Maar één keer per week belde ik naar mijn ouders. Als ik hun stemmen hoorde, moest ik huilen. Ik heb veel gehuild.’

Hoe was het om in een land te wonen waar je de taal niet kent?
‘Er werden hier nog geen taalcursussen gegeven. De Nederlanders dachten dat de arbeidsmigranten na een aantal jaar terug zouden gaan naar hun thuisland. Daardoor heb ik geen goede basis van de Nederlandse taal geleerd

Ik moest erg wennen aan het rustige, stille Nederland. Het was aan het begin van de jaren tachtig moeilijk om aan werk te komen in Nederland. Waar ik in mijn oude thuisland vocht voor betere omstandigheden voor arbeiders, kwam ik in Nederland bij het Van der Valk hotel ‘zwart’ te werken. De omstandigheden daar waren niet goed. Ik heb hier als slaaf gewerkt. De diensten duurden van 10 uur in de ochtend tot 2-3 uur in de nacht. We mochten niet eten en geen pauzes nemen. In de ogen van de manager waren wij geen mensen. Gelukkig zijn de arbeidsomstandigheden bij het Van der Valk nu veel beter, heb ik gehoord.

Ik heb mijn moeilijke start om weten te zetten naar iets positiefs. Ik heb veel vrijwilligerswerk gedaan, en me ingezet voor mijn buurt en verschillende verenigingen opgericht. Mensen helpen heb ik van mijn ouders meegekregen. Mijn vader hielp mensen van het platteland werk te zoeken in de stad en mijn moeder verzorgde mensen die naar het ziekenhuis moesten. Er zijn honderden mensen naar ons huis gekomen voor hulp.’

Wat is het verschil tussen Turkije en Nederland?
‘In Turkije groeiden we op met uitgebreide familie en buren, en iedereen had veel contact met elkaar. Soms kwamen er veertig tot vijftig mensen bij elkaar in één huis, en dat zorgde voor een sterk gevoel van gemeenschap. In Nederland is het leven veel individueler. Mensen wonen apart, iedereen heeft zijn eigen leven. Het is anders, maar ook hier heb ik een hechte familie en vriendenkring opgebouwd.

Voor mij is het belangrijk om tijd door te brengen met familie en vrienden. Dat geeft kracht en steun. Als je geen mensen om je heen hebt, voel je je eenzaam en dat kan je geestelijk raken. Mijn advies is om altijd te investeren in je relaties, met familie, vrienden en buurtgenoten. Dat maakt je leven rijker en sterker, nu en in de toekomst.’

Archieven: Verhalen

‘Die zomers in Marokko maakten me trots op mijn achtergrond’

Op een mooie decemberdag wordt Loubna Bakra warm ontvangen door Elise, Bao en Lonna in de docentenkamer van de Eindhovense basisschool Het Karregat. De drie hebben zich goed voorbereid en zitten vol vragen. Al snel is het ijs gebroken. Tijdens het gesprek luisteren de kinderen aandachtig naar het indrukwekkende verhaal.

Mevrouw Bakra vertelt hoe ze als baby van twee weken oud met haar adoptieouders vanuit Marokko naar Nederland kwam. Haar adoptieouders waren familie van haar biologische ouders. Jarenlang bezocht ze hen in Marokko, zonder te weten dat zij eigenlijk haar echte ouders waren. Ze heeft nog steeds contact met haar biologische familie, al merkt ze dat hun levens inmiddels ver uit elkaar liggen.

Wanneer bent u naar Nederland gekomen?
‘Ik ben in 1977 als baby van twee weken oud vanuit Ksar Kbir in Marokko naar Nederland gekomen samen met mijn adoptieouders. Mijn adoptievader kon werk krijgen in Nederland. Waarschijnlijk hebben mijn biologische ouders mij meegegeven zodat ik een betere toekomst zou hebben.

De eerste twee jaar woonde ik met mijn ouders in een flat, maar later verhuisden we naar een huis met een tuin. In onze buurt woonden bijna geen andere buitenlandse gezinnen. Daarom groeide ik vooral met de Nederlandse taal op.

Ik ging naar een katholieke school waar bijna geen Marokkaanse kinderen zaten. Eén keer per week kreeg ik Arabische les via een speciaal project voor Turkse en Marokkaanse leerlingen. Thuis leefden we eigenlijk in twee culturen tegelijk.

We gingen veel op vakantie in Marokko en dan ontmoette ik mijn biologische ouders en broers en zussen zonder dat ik wist dat zij mijn ouders en broers en zussen waren.’

Hoe verliep uw leven verder in Nederland?
‘Toen ik zestien was, gingen mijn ouders scheiden. Daardoor viel de familieband die ik altijd had gekend weg. Ik voelde me niet meer thuis in de Marokkaanse gemeenschap, maar ook niet volledig in de Nederlandse wereld. Ik hing een beetje tussen twee culturen in.

Na de scheiding kreeg mijn vader een nieuwe partner. Zij behandelde mij niet goed en verzon dingen over mij. Daardoor voelde ik me nergens meer veilig, zelfs niet in mijn eigen huis. Uiteindelijk besloot ik om uit huis te gaan en op mezelf te wonen.

Ik hoorde ook in deze periode dat mijn adoptieouders niet mijn echte ouders waren, maar dat de tante en oom in Marokko dat eigenlijk waren. Het was een periode waarin ik veel nadacht over wie ik was en waar ik thuishoorde. Maar door mensen te ontmoeten uit verschillende culturen leerde ik dat ik mijn eigen identiteit mocht vormgeven. Ik mocht zelf kiezen wat ik uit beide werelden wilde meenemen. Dat gaf me vrijheid.’

Hoe is uw leven daarna gegaan?
‘We gingen vroeger elke zomer naar Marokko, waar ik mijn biologische ouders en mijn zes broers en zussen zag. Ik wist toen alleen niet dat het mijn echte familie was. Later viel me op hoeveel we op elkaar lijken: we houden van muziek, theater, politiek en hebben dezelfde energie. Ik herinner me de geuren, kleuren, familie en warmte. Die zomers maakten me trots op mijn achtergrond.

Maar door die hele nieuwe situatie viel voor mij een groot deel van de familieband weg. Ik voelde dat het vertrouwen weg was. Daardoor ging ik niet meer op vakantie naar Marokko. Het voelde niet meer zoals vroeger. Tegelijkertijd miste ik het ook: het eten, de geuren en kleuren en de verhalen.

Gelukkig merkte ik dat ik ook hier in Nederland mensen ontmoette uit allerlei culturen. Hun verhalen en gewoonten nam ik een beetje mee in mijn eigen identiteit. Nu voel ik dat ik mijn eigen cultuur mag samenstellen, op een manier die bij mij past.’

Archieven: Verhalen

‘In 1958 zijn we met de allerlaatste boot uit Indonesië vertrokken’

Adriane, Ruben, Eira en Tommy stappen het sfeervolle jarendertig-huis van Henk van Gijn binnen. De leerlingen van Het Karregat in Eindhoven begroeten hem hartelijk, en hij straalt meteen: hij vindt het prachtig om met de jonge journalisten in gesprek te gaan. Hij heeft dan ook veel te vertellen.

Reizen spelen een grote rol in zijn leven, van zijn geboorte in Surabaya (Indonesië) in 1950, tot zijn aankomst in Nederland, en later de emigratie naar Iran. Indrukwekkend is het ook wanneer hij het boek laat zien dat hij maakte over zijn bijzondere reis als kind: een lange tocht met de auto, samen met zijn ouders, helemaal van Iran terug naar Nederland.

Hoe was uw jeugd in Indonesië?
‘Ik ben geboren in Surabaya, op het eiland Java in Indonesië. Mijn vader bouwde daar een school voor beroepsonderwijs en hij stond het liefst zelf voor de klas. Ik was nog maar vier jaar oud, maar hij gebruikte mij al als leerling. In de jaren daarna werd het leven in Indonesië voor mensen met een Chinese of Europese achtergrond gevaarlijk.

In 1958 zijn we met de allerlaatste boot uit Indonesië vertrokken. We kwamen in Rotterdam aan, waar het Rode Kruis ons opving. We kregen als welkomstgeschenk een doosje met kleine cadeautjes. Het meest bijzondere vond ik een kwartetspel van Verkade. Mijn vader kon in Nederland geen werk vinden en kreeg uiteindelijk een baan in Iran. En zo emigreerden we opnieuw.’

Hoe verliep uw leven verder in Iran?
‘We kwamen in Zuid-Iran (Perzië) terecht. Daar woonde ik tot mijn twaalfde. Het klimaat was totaal anders dan in Indonesië. In Indonesië was het altijd warm en vochtig, maar in Iran was het warm en droog, soms wel 50 graden. Regen viel maar één dag per jaar. En dan gebeurde er iets heel bijzonders: twee dagen later stond de hele woestijn vol met kleine bloemetjes.

We maakten ook een lange autoreis van 600 kilometer door alleen maar zand, totdat we bij de bergen kwamen waar het iets koeler was.’

Hoe ging het op school?
‘Ik heb op heel veel scholen gezeten, wel zeven basisscholen in totaal. In Iran zat ik op een internationale school. Van Amerikaanse kinderen leerde ik basketballen en honkbal. Van de Engelse school kregen we Engelse les, en zelfs Schotse volksdans.

Ik ontdekte dat elk land, en soms zelfs elk dorp, zijn eigen ongeschreven regels heeft. Dat is wat cultuur voor mij betekent: dingen die iedereen blijkbaar weet, maar niemand opschrijft. In Nederland zeg je bijvoorbeeld ‘je’, maar in België moet je vaak ‘u’ zeggen, zelfs tegen kinderen. Die verschillen vind ik heel mooi, maar soms ook moeilijk. Je weet niet altijd wat ‘normaal’ is.’

Hoe zijn jullie van Iran naar Nederland gekomen?
‘We zijn met de auto vanuit Iran naar Nederland gereisd, een tocht van zes weken. We kwamen door heel veel verschillende landen: Irak, Jordanië, Syrië, Libanon, Turkije, Griekenland, Joegoslavië, Italië, Zwitserland, Frankrijk, Luxemburg, België en uiteindelijk Nederland. Overal waren grenzen, wachtrijen en controles. Pas veel later, toen ik volwassen was, begreep ik waarom het zo waardevol is dat we in Europa vrij kunnen reizen.

Voor mijn werk reisde ik later opnieuw veel: Hongarije, de VS, Denemarken, Duitsland, België, Oekraïne. In Hongarije verbaasde ik me hoe gezellig mensen uit eten gingen met muziek erbij. In de Verenigde Staten merkte ik dat mensen bang zijn om hun baan te verliezen. Zelfs tegen de politie moesten ze in heel voorzichtige, bijna ‘voorgeprogrammeerde’ zinnen praten. Dat vond ik indrukwekkend en benauwend tegelijk.’

Hoe was het om in Nederland te wennen?
‘Ik was twaalf en een half toen we naar Nederland gingen. Ik zat nog maar zes weken in groep acht en ik kreeg extra Nederlandse les om de taal beter te leren. In Nederland moest ik wennen aan nog iets nieuws: ‘de kleding-cultuur’. Ik droeg een korte broek, omdat dat volgens mijn moeder in 1949 in Nederland heel normaal was. Maar dat was het in 1962, toen wij opnieuw in Nederland kwamen, allang niet meer zo. Op school werd ik uitgelachen. Pas toen mijn moeder met de buren praatte, ontdekte ze dat de gewoontes waren veranderd. Dat leerde mij iets belangrijks: zelfs binnen één land verandert cultuur voortdurend.’

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892