Archieven: Verhalen

‘In september 1944 zag ik Duitsers met een witte vlag’

Lara, Lotus en Leah brengen een bezoek aan Jo Venhovens-Van de Broek. Een 94-jarige Waalrese die vlakbij hun school, de Wilderen in Waalre, woont. In nog geen 10 minuten staan de dames al bij haar op de stoep. Ze worden verwelkomd met een glaasje fris, paaseitjes en koekjes. Toen de Tweede Wereldoorlog in Nederland uitbrak, was mevrouw Venhovens 10 jaar oud, bijna even oud als Lara, Lotus en Leah.

Hoe heeft u de oorlog ervaren?
‘Als het luchtalarm afging, werd ik bang. We verscholen ons in de schuilkelder, die mijn vader in de bossen vlakbij ons huis had gemaakt. De schuilkelder was ook voor onze buren. Zij woonden zo’n 50 meter verderop. Soms hoorden de buren het luchtalarm niet. Dan floot mijn vader en kwamen ze wel. Met zijn achten zaten we ons in de schuilkelder. Er lag stro in, zodat de kinderen gewoon konden slapen. De V2-bommen vlogen dan van Duitsland naar Engeland. Die hoorde je heel goed. Ik vond het heel eng, maar ik was niet bang dat ze neer zouden storten.

In de oorlog speelde ik buiten met meisjes uit de buurt. Verstoppertje, hinkelen, paddenstoelen zoeken en bramen plukken. Ik ging ook naar school in Eindhoven. In het hospitaal hadden ze geen plek meer voor ons, maar we konden wel terecht in de sigarengroothandel op de Grote Berg in Eindhoven. Vanaf de tweede klas ging ik naar school in Woensel. Dan liep ik twee keer per week van Waalre naar Woensel. Dat is twee uur heen en twee uur terug. De jongens hadden ’s morgens les en de meisjes ’s middags van half 2 tot half 5. Ik kon niet zomaar school toe lopen want ik had geen fatsoenlijke schoenen, alleen houten ‘voetjes’ met bandjes. Mijn vader kon gelukkig aan van alles komen. Op een dag had hij een zwarte lap leer kunnen ruilen, waarvan de schoenmaker schoenen voor mij maakte. Toen had ik wel fatsoenlijke schoenen. Ik heb ook eens een donkergrijze deken van soldaten gekregen. De naaister heeft daarvan een jas voor mij gemaakt. Daarin deed ik mijn plechtige communie.’

Zijn er nog spannende dingen gebeurd tijdens de oorlog?
‘In de oorlog waren veel producten op de bon. Je had bonnen voor bijvoorbeeld eten, textiel en schoenen. Om spullen te krijgen had je naast de bonnen ook een persoonsbewijs nodig. Op de distributiekaart tekenden ze af wat je had gehad. De bonnen raakten ook wel eens op. Dan had je in principe niets meer. We hadden gelukkig eten uit de tuin. In de oorlog mocht je ook geen radio hebben. Iedereen moest zijn radio bij de Duitsers inleveren. Achter de deur hadden we een bijenkast. Mijn vader had onze radio daarin verstopt. Af en toe haalde hij de radio eruit en zo konden we toch stiekem naar Radio Oranje luisteren. Je hoorde uitzendingen van koningin Wilhelmina, uitgezonden vanuit Engeland.

Bij ons in de straat waren twee vliegtuigen neergestort. Ik was nieuwsgierig en ging kijken. Op straat zag ik dat er een parachute aan een boom hing. Mijn vader haalde hem uit de boom, en een naaister heeft later nog van de stof een jurk voor mij gemaakt. Uit een van de vliegtuigen heb ik een blikje water gepakt. Jaren heb ik dat bewaard. Op een gegeven moment was het doorgeroest, en toen liep het water weg. De soldaten uit de vliegtuigen heb ik niet gezien. Ik heb wel de vorm van een soldaat als een afdruk op de grond gezien. Ik vond op dat moment niet eng; ik was nog jong en dacht er niet over na.’

Hoe was het vlak na de oorlog voor u?
‘Toen de oorlog afgelopen was, volgde nog een bombardement op de Demer in Eindhoven. Ik zat net op de mulo in Eindhoven. De vader van het meisje dat in de klas naast mij zat, had de bombardement niet overleefd. Je hoorde helemaal vanuit Waalre de vliegtuigen en het vallen van de bommen. Je hoorde dat echt heel goed. Na de bombardement durfden Eindhovenaren niet te slapen in hun eigen huis. Ze konden bij ons in de gang de nacht doorbrengen. We gaven onderdak aan drie echtparen. Eén echtpaar had een bloemenzaak. Een ander had een slagerij en ik weet niet wat het derde echtpaar had. Ze hadden wel een kind bij zich. ’s Morgens vertrokken ze weer. Ze kregen van onze vader een zakje aardappelen mee, want die hadden we genoeg. Dat kwam omdat we een grote tuin hadden, waarin we van alles verbouwden. We hadden fruitbomen, aardappelen, groenten en veel dieren. Voor de bloemist heb ik later nog geholpen met het verkopen van oranje bloemen.

In september 1944 zag ik ook Duitsers met een witte vlag. De Britse soldaten hadden ze te pakken gekregen en namen ze mee. Deze Duitsers hadden zich overgegeven. Dat betekende dat de oorlog voorbij was. Daar was ik blij om.’

Archieven: Verhalen

‘Iedere dag als wij uit school kwamen, moesten we onze koe uitlaten’

Luuk en Abel van basisschool de Wilderen in Waalre zijn te gast bij Jo van der Meeren (1932). Als iedereen wat te drinken heeft en een lekkere koek, kan het interview beginnen. In de oorlog woonde meneer Van der Meeren in Veldhoven, en aan de kinderen vertelt hij over die tijd.

Hadden jullie dieren in huis of in de tuin?
‘Mijn twee oudste broers van 20 en 18 moesten eigenlijk naar Duitsland om daar te gaan werken voor de Duitsers. maar dat wilden zij niet. Ze zijn toen ondergedoken bij een boer in Knegsel, heel erg achteraf. Overdag gingen ze daar werken, ze kregen er ook eten en bleven in de stal slapen. Maar niemand had genoeg eten. Een van mijn broers zei dat we een koe moesten kopen. ‘Een koe kopen’, zei mijn vader, ‘dat kan toch niet!’ We hadden wel een klein stalletje, maar geen wei. Dan heb je geen voer voor een koe. Maar de koe kwam er toch en als wij uit school kwamen, moesten we de koe ‘uitlaten’, dat wil zeggen: wij liepen met die koe langs de rand van het pad, zodat ze gras kon eten. Ik vond dat niet leuk. Maar achteraf was het een heel goed idee, want van de melk maakten wij zelf boter en we hadden altijd genoeg melk om te drinken.

We hadden een groentetuin, fruitbomen en we verbouwden zelf aardappelen. Ook hadden we kippen, varkens en konijnen. Twee keer per jaar werd een varken geslacht. Ook de kippen en konijnen werden uiteindelijk geslacht. Ik heb nooit honger gehad in de oorlog.’

Wat heeft u meegemaakt tijdens de bevrijding?
‘Ik heb gezien dat de verzetstrijders de NSB’ers oppakten en naar het gemeenschapshuis brachten. Daar werden ze opgehaald en naar de gevangenis in Vught gebracht. Ook zag ik Duitse soldaten vluchten. Ze kwamen uit België na het Ardennen-offensief. Sommige zaten in vrachtwagens, anderen waren met de fiets of te voet. Een Duitse soldaat wilde met een vrachtwagen meerijden, maar niemand stopte om hem te laten instappen. Uiteindelijk pakte hij een granaat en hield die in de lucht. Toen stopten ze wel voor hem…

Wij hadden op ons erf een stenen schuurtje en daar maakten de Engelse soldaten hun keuken in. Hier kookten de koks van het Engelse leger iedere dag voor de militairen. Er stond een hele rij Engelse legervoertuigen op het zandpad naar ons huis. Daar sliepen de soldaten in. Iedere ochtend maakte ik een grote bak water warm voor die soldaten, zodat ze zich konden wassen met warm water. Dat vonden ze geweldig en in ruil daarvoor kreeg ik stukken echte zeep. De zeep die wij in de oorlog hadden was surrogaatzeep, die bleef op het water drijven. Toen ik dat aan de Engelsen liet zien, moesten ze lachen en gaven ze mij echte zeep!’

Archieven: Verhalen

‘Het was middernacht en overal waren branden in Eindhoven’

Lucca, Joep, Jan en Tycho wonen in de buurt van Henk Bergmans in Waalre. De leerlingen van De Wilderen herkennen de straat waar hij met zijn vrouw woont en weten precies wie er uit de klas vlakbij wonen. Nu staat zijn huis in Waalre, maar aan het eind van de oorlog was dat aan de Lijsterlaan in Eindhoven. Toch verbleef meneer Bergmans vlak na de bevrijding ook al even in Waalre omdat het huis van zijn familie onbewoonbaar was geworden.

Wat weet u nog van het begin van de oorlog?
‘Toen de oorlog begon, was ik zeven jaar oud. We woonden vlakbij het spoor. Op een dag werd de spoorlijn geblokkeerd met allemaal wagens om de Duitsers tegen te houden. Ik ging natuurlijk kijken want zoiets maak je maar één keer in je leven mee! Toen de Duitsers toch Eindhoven waren binnengedrongen, werden er bonnen uitgedeeld voor brood en snoep. Gelukkig hadden wij niet zoveel honger want we hadden een bak met graan in de kast staan, waar we trouwens ook een radio verstopt hadden. Van dat graan konden we de bakker een brood laten bakken. Ik had ook een doos mecano waar ik mee speelde, maar jammer genoeg kon ik niet alles bouwen wat er in het boekje stond. De mecano kwam namelijk uit Engeland en ik kon het daarom niet meer krijgen. Gelukkig kon ik wel mooie treintjes bouwen.’

Heeft u wel eens moeten schuilen voor een bom?
‘Ik liep een keer met mijn broertje terug naar huis vanaf de kerk toen we een vliegtuig van de Duitsers heel laag aan zagen komen vliegen. Opeens ging er een luik open… en zagen we dat er een bom uit viel. Mijn broertje en ik keken goed waar die zou vallen en gingen achter een muurtje zitten. Daarna liepen we vlug naar huis. Volgens mij hebben onze ouders het niet eens doorgehad.

Toen we een poos geleden in Tilburg waren, hadden ze daar een projectie van vliegtuigen op een muur. Alles kwam opeens weer naar boven en ik werd weer heel erg bang. Gek hè?’

Hoe ging het aan het eind van de oorlog?
‘Bij de bevrijding was iedereen aan het juichen en de Engelse en Amerikaanse soldaten gaven chocola aan ons. Dat was heel feestelijk. We dachten dat de oorlog was afgelopen, maar dat bleek niet zo te zijn. Opeens kwamen er toch weer bommen van de Duitsers. Ik moest met mijn familie schuilen in de kelder van ons huis. We hoorden de bommen wel vallen maar wij zaten veilig. Een van de bommen viel op het achterste stuk van ons huis. De tuin achter ons huis was daardoor ook helemaal kapot.’

Wat gebeurde er nadat die bom op uw huis was gevallen?
‘Ons huis was aan de achterkant helemaal kapot. Daarom konden we daar niet meer wonen. We moesten helemaal naar Waalre lopen, waar we een paar weekjes zouden verblijven. Het was inmiddels midden in de nacht en overal waren branden in de stad toen we ernaartoe liepen. In Waalre woonden we bij een boer. Intussen zorgden onze ouders ervoor dat ons huis weer gemaakt werd, zodat we daar later weer konden wonen.’

 

Archieven: Verhalen

‘In Ankara was ik een goede student, ik wilde daar studeren’

Amilou, Liv, Liva, Dunya en Isabel van bassischool de Pinksterbloem in Amsterdam-Oost spreken met Nesrin Dokudur Öktem (1949) over haar leven in Turkije en komst naar Nederland. Ze is geboren in Ankara en woonde daar met haar ouders, zusjes en broers. In 1964 ging haar vader naar Nederland, en enkele jaren later volgde de rest van het gezin.

Hoe bent u in Nederland gekomen?
‘In 1966 verhuisden mijn moeder, mijn broertjes en zusjes en ik ook naar Nederland, naar Egmond aan den Hoef. Daar was het mooi, maar ook heel stil. Na twee jaar zijn we naar Amsterdam, naar de Wibautstraat verhuisd. Toen was er nog geen metro; die heb ik gebouwd zien worden. Twee jaar later was ik getrouwd, in 1972 werd mijn dochter geboren en in 1976 kregen we nog een zoon. Ik woon nu nog steeds aan de Wibautstraat.’

Uw vader ging in Nederland werken, had hij in Turkije geen werk?
‘Jawel, in Turkije was hij beroepsmilitair maar dat wilde hij niet meer doen. Hij is naar een uitzendbureau gegaan en als grapje reageerde hij op een baan in Nederland en toen kreeg hij hier werk aangeboden. Hij zei: ik ga twee jaar in Nederland werken en dan kom ik terug. Maar hij kwam niet meer terug, hij vond het hier geweldig. Hij zei: ik haal jullie naar Nederland. Ik vond dat helemáál niet leuk, maar ik moest mee met mijn vader en moeder. In Ankara was ik een goede student en ik wilde daar verder studeren. Ik zei tegen mijn vader dat ik wel op een kostschool wilde, maar dat mocht niet van hem. Toen we in Amsterdam woonden en ik getrouwd was, vertelde iemand mij over de moeder-mavo; dan kon je als volwassene studeren. Dat heb ik gedaan, maar toen ik dat bijna af had werd ik zwanger en kon ik het niet afmaken.’

Wat vond u van Nederland toen u voor het eerst kwam?
‘Het was mooi, groen met tulpen, maar ik vond het in Egmond aan den Hoef ook wel saai. Ik kwam uit een grote stad, maar in Egmond waren alleen maar boerderijen en paste ik op mijn zusjes en broertjes. Gelukkig verhuisden we binnen twee jaar naar Amsterdam. Turkije was toen en is nog steeds heel mooi. Het voelt niet alsof ik in een vreemd land woon want ik woon hier al sinds ik 15 jaar ben, Nederland is nu mijn land. Ik ga nog elk jaar naar Turkije op vakantie; dan ga ik naar familie en vrienden en naar mooie plekken. Maar mijn kinderen en kleinkinderen wonen hier in Nederland dus ik heb heimwee als ik in Turkije ben. Nu heb ik alles hier en ben ik een blij mens.’

Welk werk heeft u gedaan?
‘Ik heb in de jaren zeventig in de Verkadefabriek in Zaandam gewerkt op de chocoladeafdeling. Dat vond ik heel leuk en creatief werk, want ik decoreerde alle chocolade. In 1976 werd ik zwanger van mijn zoon en ben ik een tijdje thuis geweest. Na een paar jaar vroeg het tolkcentrum of ik daar niet wilde werken en dat heb ik tien jaar gedaan, vooral bij het consultatiebureau op de Polderweg, met Turkse moeders en Nederlandse artsen. Dat was ook heel leuk werk en daar heb ik veel geleerd.’

Archieven: Verhalen

‘We hoorden veel geluiden, bijvoorbeeld van een tijger of vos’

Kayser, Ridouan, Natalie en Helena beginnen wat verlegen aan het interview met Anita Kluge. Ze zijn ook al snel klaar met hun vragen. Maar daarna worden ze nieuwsgieriger naar het interessante leven van mevrouw Kluge en dan gaat het eigenlijk als vanzelf. Anita Kluge (1970) is geboren in India en kwam rond haar dertigste naar Nederland.

In welk gebied van India woonde u?
‘Ik groeide samen met mijn oudere broer en jongere broertje en zusje op in de provincie Madhya Pradesh. Bhopal is daar de hoofdstad van. Ook mijn opa en oma woonden bij ons in huis. Oudere mensen bleven thuis en ouders, ooms en tantes gingen naar het akkerland om te werken. De kinderen bleven samen met de ouderen thuis. We verzamelden ook honing.

Iedere lente repareerde we mijn vaders huis, dat gemaakt was van steen, klei en stro. Ik vond het heerlijk om met mijn voeten in het water en in de klei modder te maken. Ik nam dan een hand modder en gooide het op de muur. Met mijn handen maakte ik het daarna glad. Daarna versierden we het met tekeningen. Samen met mijn oma eten koken vond ik ook leuk. We moesten altijd ver in de jungle water gaan halen want we hadden geen water in ons dorp. In de zomer waren we hele dagen aan de oever van de rivier, lekker dichtbij het water, met andere families. Het was een leuke tijd.’

Hoe was het in de jungle?
‘We gingen altijd met een groep in de middag water halen, we mochten nooit alleen de jungle in. Ouderen gingen ook altijd samen. We hoorden veel geluiden, ook ’s nachts, bijvoorbeeld van de tijger en de vos, hyena’s heb ik ook wel gezien, net als schorpioenen en slangen. Wilde honden waren heel gevaarlijk. Wilde zwijnen waren er ook, en herten. Het water was erg schoon. Aan de oever van de rivier lagen zand en stenen. De mannen groeven een diep gat en maakten zo een soort waterput.’

Vond u het eng als u naar de jungle ging?
‘Soms kwamen er zwijnen op het akkerland. Ze groeven naar pinda’s en maakten het akkerland kapot. De mannen gingen dan met z’n allen op drums slaan, maar joegen ook op de zwijnen zodat we vlees hadden om te eten. Op een dag kwam er een tijger. Tijgers zijn heel groot. Iedereen rende weg, mensen klommen in de bomen en renden voor hun leven. Het stamhoofd, zijn naam was Pardi dada, had een groot mes en vocht met het dier. De tijger werd niet gedood, maar verwondde Pardi wel. Het heeft lang geduurd voor de wond op zijn dijbeen genas.’

Bent u hier alleen naartoe gekomen?
‘Tijdens mijn werk in India ontmoette ik een leuke Duitse man. Ik was verliefd en in 1988 ging ik met mijn man naar Frankfurt in Duitsland. Ik was nog jong, 28 jaar. Mijn man wilde meer verdienen en besloot een baan aan te nemen in Amsterdam. Toen verhuisden we hiernaartoe. Toen mijn kinderen naar de middelbare school gingen, ben ik gaan werken. Ik heb mijn master sociologie en filosofie, maar ik wilde niet in die richting werken, nu werk ik op een bso. Ik heb ook een opleiding gedaan in keramiek dus dat doe ik ook. Ik vind het fijn om hier in Nederland te zijn, ik voel me vrij hier, ik voel me hier thuis. Mijn vader en moeder, mijn broers en mijn zus en hun familie wonen nog steeds in India.

Ik wilde graag iets doen voor mijn dorp en de dorpelingen in India. Daarom heb ik geld ingezameld met het koken van eten, want dat kan ik heel goed. Met het geld konden ze een waterput bouwen in mijn dorp. Nu er een put is, hoeven de mensen niet meer ver te lopen voor water.’

Archieven: Verhalen

‘Ik dacht dat Nederland een paradijs zou zijn, goedkoop en mooi’

Afifa Tadmine stelt zich voor als ze allemaal aan tafel zitten. ‘Ik ben in Marokko geboren en ben nu 74 jaar.’ Buglem, Susie, Dehlia en Puck van basisschool de Pinksterbloem in Amsterdam interviewen haar over haar leven in Marokko en haar komst naar Nederland. Als les geeft ze de kinderen mee: als je problemen hebt, blijf niet stil, ga naar je moeder of naar je juf. Als je toch struikelt, sta dan op.

Waarom bent u naar Nederland gekomen?
‘Ik ben in Marokko getrouwd met een man die in Nederland werkte, daarom ben ik hier in 1974 terechtgekomen, een soort gezinshereniging. Ik was toen 22 jaar. Het was heel spannend, alles was nieuw. Ik ging met het vliegtuig en dat was voor het eerst. Ik dacht dat Nederland een paradijs zou zijn, goedkoop en mooi. Maar dat was niet zo. In het begin had ik ontzettend veel heimwee. Ik had mijn ouders en mijn broers achtergelaten en ik miste vooral mijn moeder. Ik moest van mijn man thuisblijven en dat was erg eenzaam. Na zeven jaar ben ik van hem gescheiden. Daarna ben ik nog een keer getrouwd en heb ik twee dochters gekregen. Ik heb ook een kleindochter. Ik ben nu wel helemaal gewend in Nederland.’

Wat was het leukste van Nederland?
‘Wat ik heel bijzonder aan Nederland vond, was dat het ontzettend groen was en dat alle dieren rondliepen zonder herder. Dat was ik niet gewend in Marokko. De mensen waren erg aardig en gastvrij.’

Bent u wel eens teruggeweest in Marokko?
‘Ja, ik ging eigenlijk elk jaar terug, vooral om mijn moeder te bezoeken. Zij heeft me verteld dat ik moest gaan studeren en niet in Marokko moest blijven. Mijn moeder was erg ziek, maar ze was bang dat als zij kwam te overlijden ik het hele huishouden zou moeten doen. Dat wilde zij niet. Ik ben toen teruggegaan naar Nederland waar ik als schoonmaakster heb gewerkt. Later ben ik gaan studeren. Toen ik een jaar of 40 was, besloot ik een hoofddoek te gaan dragen. Dat is niet gedwongen, maar dat wilde ik zelf.’

Mist u iets van Marokko?
‘Eigenlijk heb ik de Marokkaanse cultuur meegenomen. Ik pas het aan de Nederlandse cultuur aan. Ik lijk wel wat op mijn moeder, zij was soepel en ik mocht veel van haar. Mijn vader was streng. Ik mocht niet naar de film, maar ik moest borduren. Daarmee verdiende ik wat geld.’

Archieven: Verhalen

‘Nu ik ouder ben, begrijp ik waarom mijn vader weg wilde’

Nellie Bakboord heeft veel zin in het interview met Eden en Innes van basisschool de Pinksterbloem in Amsterdam-Oost. Ze heeft foto’s meegenomen van haar jeugd in Suriname. In 1966 verhuisde ze naar Nederland.

Hoe was uw jeugd in Paramaribo?
‘Echt heel leuk! We woonden in een straat met heel veel kinderen en grote gezinnen. Ik heb zelf drie broers en drie zusters. We hadden een enorm erf, in Nederland zeg je tuin, met een omheining en fruitbomen. We hadden guave, Surinaamse appels, en birambibomen. We hadden ook loslopende kippen waar we de eieren van raapten en we hadden honden. In Suriname gebeurde alles buiten en omdat wij een groot erf hadden, kwamen de kinderen altijd bij ons spelen.’

Wat was de reden dat u emigreerde naar Nederland?
‘Dat was niet mijn reden maar de reden van mijn ouders. Nu ik ouder ben kan ik zeggen dat ik begrijp waarom mijn vader weg wilde. Zijn werk ging niet zoals hij wilde en voor een betere toekomst vertrok hij uit Suriname. Dat was in 1965. Hij ging eerst alleen naar Amsterdam, na een jaar kwamen wij ook. We hebben onze vader toen wel een jaartje moeten missen.’

Hoe was de reis naar Nederland?
‘Ik moest ontzettend veel kinderen in de steek laten. Via mijn poëziealbum kon ik wat vrienden meenemen naar Nederland. We vertrokken in Paramaribo uit de Prins Hendrikstraat met drie auto’s, alle koffers moesten erin passen. Zo gingen we naar de luchthaven. In Suriname ga je niet zo snel naar de winkel om kleding te kopen, maar laat je bij de kleermaker pakjes maken, dat had mijn moeder laten doen. De jongens een jasje en de meisjes een jurkje.’

Hoe voelde de verandering voor u in Nederland?
‘Alles is nieuw, alles is anders. Ik keek vreemd op want ik had wist niet dat iedereen hier boven elkaar woont. Iedereen heeft in Suriname een eigen huis en een eigen erf. We moesten wennen want we moesten rekening houden met de buren en mochten niet rennen. Gelukkig hadden wij een klein tuintje, dan konden we toch net als in Suriname naar binnen en buiten rennen.

We speelden veel buiten en als je veel buiten speelt, kom je veel andere kinderen tegen die toch ook wel een beetje ruzie met ons maakten. We werden uitgescholden voor poepchinees. Ik was niet verlegen, mijn broers en zussen ook niet. We leerden hele lelijke scheldwoorden, die we gewoon terugschoten naar die kinderen en die we van mijn vader echt niet meer zeggen mochten. Toch waren het ook onze vriendjes.

We woonde in de buurt van de Albert Cuyp, een zakje patat kostte 0,35 cent. Dus zodra we wat geld hadden, renden we naar de patatboer. Patat kende ik in Paramaribo niet. Dat wilde ik wel elke dag eten! In Paramaribo aten we wel cassavechips, bananenchips, en brombrom.’

Hoe heeft u uw leven hier in Nederland opgebouwd?
‘Ik ben naar de basisschool gegaan en daarna naar de mulo en het hbo. Ik ben heel vroeg gaan trouwen. Ik was pas 17,5 en mijn man was 22 jaar. We waren echt te jong en we kenden elkaar niet goed. Toen we uitelkaar gingen dacht ik: nu ik ga studeren. Tijdens mijn studie kwam ik mijn huidige partner tegen, met die meneer heb ik twee zonen gekregen. Toen we beiden waren afgestudeerd, zijn we teruggegaan naar Suriname en hebben we daar tien jaar gewoond. Toen pas heb ik Suriname echt leren kennen. Ik was 31 jaar toen ik weer daarheen ging.’

Hoe is het leven voor u nu in Nederland?
‘We waren nog geen 3 of 4 maanden daar of we kregen de binnenlandse oorlog. De binnenlandse oorlog betekende dat alles heel snel achteruit ging in Suriname. De prijzen stegen ook enorm, je kon bijna niets meer kopen. En dan moet je zelf heel creatief worden. Hoe kan je voor heel weinig geld toch gezond eten? Ik ben toen gaan planten. Ik leerde veel van andere bevolkingsgroepen. In Suriname wonen Chinese, Javaanse, Creoolse, Libanese, Hindoestaanse Joodse, Cubaanse en nu ook veel Braziliaanse mensen. Suriname is echt een smeltkroes. Dus je kon veel leren van hoe zij met voedsel omgaan. Javaanse mensen weten precies welke plantjes je kan eten, zoals de bladeren van de cassaveplant, dat wist ik eerst niet. Ik had ook papayabomen geplant. Zo hoefde ik niet naar de groentehandelaar. De ervaring die ik in Suriname heb opgedaan kan ik, nu het hier ook zo duur is, ook weer toepassen. Je hoeft niet veel vlees te eten en als je groente eet die de seizoenen je biedt, is dat ook goedkoper.’

Mist u het Suriname van vroeger?
‘Ja, dat mis ik zeker. Ik hou me er ook veel mee bezig. Laatst vroeg ik aan mijn broers en zusters of ze nog wisten wie ons hadden uitgezwaaid toen we weggingen, zulk soort dingen. Soms denk ik weleens dat ik weer in Suriname wil wonen om niet meer terug te komen naar hier.

Toen het met de binnenlandse oorlog veel slechter werd, stonden we voor een keuze: blijven we hier of gaan we pinaren (lijden) en het doen met wat we hadden? We konden niet meer vechten tegen de armoede. We hadden een auto, maar we konden de onderdelen niet meer betalen. De wasmachine ging stuk, het onderwijs staakte, de kinderen gingen niet naar school. En precies wat mijn vader heeft gedaan, deden wij nu ook: voor een betere toekomst zijn we naar Nederland gekomen. Ik mis nu het leven zoals het daar is, het buiten leven. Als je je kleren hebt gewassen hang je ze aan de lijn en ziet dat de zon ze mooi droogt voor je. Je plant zelf en je eet ervan.

Ik ben nu 70 maar in Suriname tel je als oudere ook gewoon mee. Dus als ik morgen terugga, doe ik gewoon nog mee.’

Archieven: Verhalen

‘In de koelkast, zeiden we, zo is het in Nederland’

Ebel, Sibbe, Finn en Taeke interviewen Theresa Boas op hun school, de Pinksterbloem in Amsterdam-Oost. Mevrouw Boas is geboren op Aruba. In 1967 kwam ze met het vliegtuig naar Nederland, ze was toen 23 jaar, omdat ze hier verder wilde studeren. ‘Omdat Aruba bij Nederland hoort hebben ze hier hetzelfde soort onderwijs als daar’, vertelt ze, ‘dus ik kon gewoon doorleren.’

Wat deed u het liefst toen u een kind was?
‘In Aruba is er altijd zon dus ik speelde de hele tijd buiten, maar ik was ook graag thuis. Ik kwam alleen naar binnen om te eten en te slapen. Ook als ik moest dammen, deed ik dat op de veranda. Ik las graag, als ik moest studeren las ik stiekem onder tafel. We hadden huisdieren, maar die bleven buiten. We hadden een hond, en ook varkens, kippen, duiven en eenden. Voor de kippen was er een ren en water voor de eenden. De varkens werden geslacht.’

Voelde u zich welkom toen u in Nederland kwam?
‘Ja. Mijn zus nam me overal mee naar toe. Zij was al eerder naar Nederland gekomen en leerde mij alles over Nederland. Ik ging mee met haar vrienden. We gingen kamperen en op vakantie. Ik kwam in een groep die aardig voor me was dus ik werd hier goed ontvangen. Ik had hier ook kennissen die me hielpen en aan wie ik alles aan kon vragen.’

Was het moeilijk te wennen in Nederland?
‘Ik vond het niet moeilijk; we hadden veel over Nederland geleerd uit dezelfde boeken waar Nederlandse kinderen uit leerden. En we konden Nederlands spreken. Het is denk ik heel gek wanneer je in een vreemd land komt dat je niet kent, maar voor mij voelde het niet als vreemd. We leerden over het Nederlandse klimaat, over de mensen, we moesten alle provincies uit ons hoofd weten en de rivieren. Toen we in Aruba op de middelbare school examen deden, deden ze dat hier ook op hetzelfde moment. Het was net alsof je verhuisde, maar wel alles meenam.’

Wat was er anders hier?
‘Eenmaal in Nederland leerde ik wat een tram is, dat kende ik nog niet. Ik wist niet dat je niet op de trambaan moest lopen dus dat deed ik eerst wel. Ik kwam aan in maart en dacht oh jee, ik vond de gebouwen grauw en het weer ook grauw. Ik kon moeilijk de weg vinden want alle gebouwen zijn dezelfde kleur. De ramen en de deuren, alles is hetzelfde. In Aruba heb je huizen met verschillende kleuren. Vooral sneeuw en ijs kende ik niet. In de koelkast, zeiden we, zo is het in Nederland.’

Archieven: Verhalen

‘De mensen in Nederland zijn vriendelijk en eerlijk, zeiden ze’

Zorka van Koningsbrugge-Gostinirovit zit al klaar om de leerlingen van de Pinksterbloem te ontvangen, de amandelen in chocolade staan al op tafel voor ze. Dat is vast een goed begin. Sofie, Maram, Sophie, Dante en Loulou interviewen haar over haar jeugd en haar komst naar Nederland. Ze vertelt dat ze uit Bosnië komt, dat toen nog bij voormalig Joegoslavië hoorde. ‘Ik ben opgegroeid in een dorp tussen de dieren op het land. Ik was een boerenmeisje.’

Waarom wilde u naar Nederland?
‘Het was toentertijd nog rustig in Bosnië, er was nog geen oorlog, er was vrijheid, school was gratis voor kinderen, mensen zaten in het ziekenfonds en alles was goed geregeld. Maar thuis moest ik altijd de andere kinderen verzorgen en hard werken. Mijn vader werkte op het land, mijn moeder moest water sjouwen en ik moest voor mijn broertje zorgen. Als hij jankte kreeg ik meteen op mijn kop van mijn moeder. Ik bracht hem 4 kilometer lopend naar school, en terug. Boodschappen doen was ook ver weg. Ik moest altijd werken voor mijn ouders. Ze vroegen nooit of ik mijn huiswerk had gedaan, dat vonden ze niet belangrijk. Maar ik deed mijn huiswerk als ik op de koeien paste. Als ik van school kwam, moest ik werken, dan verdeelde mijn moeder eerst de taken. Als alles klaar was ging ik slapen, we hadden geen televisie.’

Hoe was de aankomst in Nederland?
‘Toen ik 19 was, was het genoeg voor me in het dorp en wilde ik vertrekken. Ik wilde ergens anders proberen mijn geluk te zoeken. Ik ging naar het arbeidsbureau om werk te vragen in een Europees land. Ze stelden Nederland voor, het land van bloemen en cultuur. Ze vertelden dat er geen bergen waren, zoals bij ons. De mensen zijn er vriendelijk en eerlijk, zeiden ze. Dat vond ik belangrijk. Mijn werk was in een fabriek in Veenendaal, die busjes voor sprays maakte. Eerst moest ik een medisch onderzoek ondergaan, onder andere voor mijn oren, ogen en tanden. Na goedkeuring kreeg ik toestemming naar Nederland te komen. De kosten voor het onderzoek en het ticket naar Nederland werd betaald door de fabriek.

Ik vond het wel jammer dat we geen les kregen, het was slapen, eten en werken. Ik had gehoopt dat we Nederlandse les zouden krijgen, maar dat zat er niet in. Ik wilde wel blijven want ik vond het hier leuk. De taal heb ik uiteindelijk geleerd via de televisie, daar pikte ik Nederlandse woordjes op. Na een paar jaar begon ik wat Nederlands te begrijpen, maar ik vind het nog steeds lastig Nederlands te lezen en schrijven. Ik kon mijn ouders niet bereiken, alleen per brief. Dat vond ik ook wel fijn want dan konden ze niet de hele tijd vragen waar ik was en wat ik deed.’

Wat vond u van het eten in Nederland?
‘Ik vind zuurkool, stamppot en andijvie lekker. Hutspot vind ik vies. Maar toen ik net aankwam was het Nederlandse eten anders en vond ik het niet lekker. Het is wel vooruitgegaan met de vele buitenlandse keukens. Nu heb je meer keuze. Ik kon niet goed tegen de slechte lucht in de fabriek, ik viel er van flauw maar at ook weinig omdat ik het Nederlandse eten vies vond. Ik at alleen het fruit dat voor me werd klaargemaakt. Na doktersbezoek werd duidelijk dat ik bloedarmoede had en als ik niet beter zou gaan eten, zouden ze me terugsturen naar huis. Dit wilde ik absoluut niet want de mensen in het dorp zouden dan gaan roddelen en denken dat ik met verkeerde redenen terug was gekomen. Toen ben ik wel gaan eten.’

Wat was uw eerste indruk toen u naar Nederland kwam?
‘In mijn dorp konden we wanneer we ‘s ochtends wakker werden, meteen naar buiten gaan en aankloppen bij de buren, de deuren waren open en we waren vrij naar binnen te gaan. Als iemand eten had kon je gewoon mee-eten zonder vragen. Hier is het anders, hier moet je eerst een afspraak maken. Ik heb tien jaar met mijn Nederlandse man in Bosnië gewoond. Toen de oorlog uitbrak zijn we, tot zijn grote verdriet, weer naar Nederland verhuisd. Toen mijn man pas in Bosnië woonde, moet hij wennen. De mensen kwamen niet op tijd, en als ik toeterde in het dorp zei hij: hee, stop daarmee, de mensen worden wakker. Maar ik vertelde hem dat dat dat mag in Bosnië. Je mag er zingen en je muziek hard zetten. Maar ik ben inmiddels vijftig jaar hier en ik geloof dat het daar ook veranderd is. Nu moet je er ook een afspraak maken.’

Miste u uw ouders toen ze nog leefden?
‘Ik miste mijn moeder wel, mijn vader niet zo. Mijn vader was een strenge man, maar hij was wel gevoelig en slim. Hij gaf me een boekje, waarin stond waar ik me aan moest houden als 19-jarige vrouw. Geen verkeerde vrienden maken, niet met iedereen wat gaan drinken, geen alcohol drinken, geen stomme dingen doen, in de bus of trein moet je opstaan voor oudere mensen, je moet mensen groeten. Als je ziek wordt moet je meteen naar de dokter gaan en er niet mee blijven rondlopen.’

Vond u het waard om naar Nederland te komen?
‘Tuurlijk, ik heb liefde gevonden, een Nederlandse man. Ik ben getrouwd en heb twee kinderen gekregen. Ze zijn allemaal hier, ik heb ook twee kleinkinderen.’

Archieven: Verhalen

‘Het eerste wat ik deed was elke ochtend hardlopen’

Mohammad Babazadeh was 26 jaar toen hij naar Nederland kwam. Het was te gevaarlijk om in Iran te blijven wonen, vertelt hij aan Lena, Victoria, Noa, Alyssa en Louiza van basisschool de Pinksterbloem in Amsterdam-Oost. ‘Op een ochtend stond er op de muur van ons huis ‘dood aan de communisten’. Ik was geen communist maar wel een activist. Toen ben ik weggegaan, het was niet meer veilig.’

Hoe voelde het om te emigreren?
‘Dat was dubbel. Aan de ene kant ben je zo ver weg van je familie en vrienden en de mensen die je liefhebt, maar aan de andere kant was ik blij want ik heb heel veel gezworven over de wereld in de hoop dat ik ergens kon aankomen. Dus ik was heel blij dat ik in Amsterdam was en kon studeren. Ik heb mijn ouders nooit meer teruggezien want die zijn overleden toen ik hier was. Ik miste mijn neefjes en nichtjes heel erg, die las ik altijd voor.

Toen ik in Nederland aankwam was ik blij want ik kon niet terug naar mijn land, daar was het toen heel gevaarlijk. Het eerste wat ik deed was elke ochtend hardlopen. Dan voelde ik me sterk en vrij. Nederlands leren was moeilijk en leuk; ik wilde het heel graag leren want dan kon ik toelatingsexamen doen voor de theaterschool en gaan studeren. Ik ging elke dag na de Nederlandse les naar huis en dan leerde ik met behulp van een cassetterecorder elke avond honderd nieuwe woorden. Nu is Amsterdam thuis, maar ook Iran en Turkije want ik heb ook nog even in Turkije gewoond.’

Hoe was het voor u toen de culturele revolutie uitbrak?
‘Dat was de reden dat ik wegging. Ik was net klaar met de middelbare school en ik droomde ervan om theater te gaan studeren, ik zat toen ik zo oud was als jullie al bij een theatergroep. Maar toen kwam de culturele revolutie en gingen alle universiteiten dicht. We speelden theater op straat, ook tegen de oorlog, en sommige mensen gooiden stenen naar ons. Dat was de reden dat ik wegging; ik wilde studeren.’

Wat vond u het leukste en het stomste toen u in Nederland kwam?
‘Ik kwam aan in Zoetermeer, vlakbij Den Haag. Ik had een contactpersoon, Cor, die nieuwkomers hielp. Hij had mij gevraagd bij hem thuis langs te komen om het een en ander te bespreken. Ik moest daar om 6 uur zijn. Hij deed open en zat net te eten met zijn vrouw en kinderen. En toen zei hij: ga maar even op de bank zitten, als we klaar zijn met eten, kom ik bij je. Ik was in shock want in mijn land zet je een gast meteen aan tafel en zet je een bord met eten voor zijn neus. Hij was verder heel lief, het was niet kwaad bedoeld. Dat was voor mij het vreemdste eraan. Tegelijkertijd was Cor ook het leukste wat mij overkwam. Hij werkte bij de gemeente, bij de afvalverwerking. Ik was aangenomen op de theaterschool in Amsterdam en moest halsoverkop mijn woning uit. Maar ik had geen idee hoe je dat soort dingen doet. Ik had alles opgeruimd en had aan mijn vrienden gevraagd: kunnen jullie al het afval wegbrengen? Maar zij wisten het ook niet en hadden alles in de tuin gedumpt. Toen ging Cor kijken of het geregeld was en zei: ‘Het ligt allemaal in de tuin. Maar weet je wat, ik haal de afvalwagen van de gemeente.’ En toen was het zo geregeld. Dat vond ik zo tof!’

Vindt u het eten hier lekker?
‘Inmiddels wel, maar in het begin niet. Maar dat was omdat ik het niet kende. Ik was er wel nieuwsgierig naar. Iraans eten is met veel kruiden en groenten en dat was er destijds niet in Nederland. Nu maak ik in de winter stamppot en inmiddels ben ik er dol op. Ik vind Hemaworst en patat met satésaus heel lekker.’

Wat is er veranderd in Iran?
‘Toen ik jong was, was er een sjah. Meisjes en vrouwen gingen zonder hoofddoek de straat op, mijn zussen hadden minirokken aan en moeders hadden lange haren. Toen de revolutie plaatsvond en de geestelijken aan de macht kwamen, vonden ze dat niet goed. Dus alle vrouwen moesten een hoofddoek op en alles moest zwart zijn en je mocht je mening niet meer geven over dingen die je niet leuk vond. Dus het was opeens een heel andere wereld, alsof je in een grote gevangenis zat met z’n allen. Mijn zussen waren ontzettend boos omdat ze dingen niet meer konden doen zoals vroeger. Dit werd steeds erger. Wij waren niet gelovig en links georiënteerd. Alles wat links was en niet gelovig was en tegen het regime was, noemden ze communist. Ik was geen communist maar wel een activist, ik was tegen oorlog en ik vond dat mensen vrij mochten zijn. Op een ochtend stond er op de muur van ons huis ‘dood aan de communisten’. Onze buurjongen was al eerder weggehaald door het regime en geëxecuteerd. Toen dit op onze muur stond, ben ik de volgende dag naar de hoofdstad Teheran gegaan. Daar heb ik drie jaar gewoond. Toen gingen ook nog de universiteiten dicht en besefte ik dat ik geen toekomst had in Iran.

Het is nu niet meer gevaarlijk voor mij om naar Iran te gaan, voor jongere mensen nog wel. Ik zie nu mijn neefjes en nichtjes weer, die hebben nu zelf kinderen.’

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892