Archieven: Verhalen

‘We knuffelden het varken nooit want voor ons was het gewoon eten’

Noor, Vigo, Teun en Finn kennen veel mensen in de buurt van het huis van Wil Loozen en spelen er ook wel eens buiten. Na lang dwalen om het juiste huisnummer te vinden, bellen ze bij haar aan. Mevrouw Loozen was 6 jaar toen de oorlog begon en woonde toen met haar ouders en zes broers en zussen in Stuivezand, een deel van Made bij Breda.

Wat at u in de oorlog?
‘Toen de oorlog begon, was ik pas 6 jaar oud. We hadden een grote moestuin en een varken en daardoor hadden we geen honger. We gingen het varken nooit knuffelen want voor ons was het gewoon eten. Als het varken geslacht was, lag het in de schuur, vlakbij de wc. Dat was wel akelig als je naar de wc moest. Mijn moeder mocht ook wel eens tarwe halen uit gevallen korenaren zodat we daarmee brood konden bakken. Er waren ook voedselbonnen, maar wij kregen nooit snoep want mijn moeder ruilde de snoepbonnen voor echt eten.’

Had u ook nog andere huisdieren in de oorlog?
‘We hadden een kat, maar ik vond katten niet zo interessant. Op een gegeven moment moesten we vluchten want de Duitsers kwamen eraan. Mijn zusje zat in de kruiwagen en ook onze opoes waren daarbij. We gingen eerst naar iemand die een echte schuilkelder had, maar die was vol. Daarom gingen we naar een boerderij van een paar Poolse mensen. Mijn vader ging toen we daar woonden wel af en toe bij ons eigen huis kijken om te zien of alles goed was. Misschien ging hij dan ook wel kijken hoe het met de kat was want die hadden we niet meegenomen. Mijn vader was vaak weg omdat hij bang was om opgepakt te worden, vooral ’s avonds. Wij wisten eigenlijk niet precies waar hij dan heenging, en mijn moeder misschien ook wel niet.’

Was u weleens bang?
‘Ik was nog heel jong dus ik was meestal niet zo bang omdat ik niet precies snapte wat er gebeurde. Ik was wel heel bang voor de overvliegende V1’s en V2’s. Soms hoorde je dat de motor uitging, en dan wist je dat ze gingen vallen. Dat was erg eng, en ik ben nog lang daarna heel erg bang geweest voor vliegtuigen. Als de vliegtuigen kwamen, zaten wij in de kelder. Die was groot genoeg voor ons allemaal en we hadden het best goed daar met stro en dekens.’

Hoe is het met iedereen gegaan in uw familie?
‘Gelukkig hebben wij het allemaal overleefd en we waren vreselijk blij toen de oorlog was afgelopen. Na de oorlog was het wel naar voor de meisjes die met Duitse mannen meegegaan waren. Die werden kaalgeschoren. Zelf heb ik dat niet gezien, want ik was daar te klein voor.

Ik ben in 1958 naar Waalre verhuisd omdat mijn man bij de spoorwegen werkte. Er was toen een klein stationnetje in Waalre, en daar mochten wij boven wonen. Op dit moment leven er nog twee zussen van mij.’

Archieven: Verhalen

‘Mijn vader zag me aankomen en werd wit van de schrik’

Het regent en daarom zijn Mattijs, Jason en Lisa extra blij dat ze met de auto mogen, ze praten enthousiast over de vragen die ze hebben voorbereid. Theo van den Nieuwenhof verwelkomt de junior-journalisten hartelijk. Je kan zien dat hij vaker kinderen over de vloer heeft, behendig stelt hij leuke vragen aan ze, en dan is het tijd dat de kinderen vragen aan hem gaan stellen. Meneer Van den Nieuwenhof was 6 jaar toen de oorlog begon en woonde aan de Aalsterweg in Eindhoven.

Bent u wel eens in gevaar geweest?
‘We waren al bevrijd toen er lichtkogels werden uitgegooid. Door de lichtjes leek het even alsof het feest was. Daarna kwam er een luchtaanval van de Duitsers. Mijn 15-jarige zus was die dag gaan kijken bij de Engelsen in de stad. Vanwege het bombardement moesten we naar de schuilkelder, maar zolang mijn zus niet terug was, wilde mijn vader niet mee. Toen het bombardement even stopte, is hij haar zoeken. Toen bleek dat ze met meneer Fens was, ook wel de vrijgezel van Kor-Ton-Jo. Samen hadden ze in een schuttersputje gezeten om te schuilen, dat waren gegraven kuilen waarin je kon gaan staan.’

Heeft u wel eens een kogel gevonden?
‘Rond kerstmis 1944 waren we al bevrijd. Op een dag stopte bij ons in de buurt een Amerikaanse auto, die de weg zocht naar het Sint Josephziekenhuis. Op datzelfde moment kwam een Duitse jager over en schoot een reeks kogels af die ook terechtkwamen in het raam van mijn ouders’ kamer. Een buurmeisje raakte gewond. Mijn vader is toen met haar naar het ziekenhuis gegaan en dat is gelukkig goed afgelopen. Toen hij thuiskwam, adviseerde mijn moeder hem om de doek van de kruik te halen in bed, dan kon hij zich opwarmen. In zijn bed bleek nog een granaat te liggen. Hij pakte de granaat voorzichtig op terwijl mijn broer riep: ‘Pa, kijk uit, die kan ontploffen!’ Het was een zogenaamde blindganger, die tussen plafond en muur naar binnen was gekomen.’

Hoe wist u dat de oorlog eindigde?
‘Op 18 september moesten we ‘s morgens naar de schuilkelder. Rond 4 uur riepen mensen: ‘De Amerikanen zijn er’, en de kelder stroomde leeg. Mijn broer zei tegen me: ‘Kom, we vinden vast iets in de bossen’. We liepen zo’n 10 meter het bos in en daar lag een Duitse soldaat. ‘Weiter, weiter’, zei hij tegen ons, maar mijn broer sjouwde gewoon door en vergat mij. De Duitser vroeg aan mij: ‘Hast du hunger?’ en haalde een worst uit zijn broekzak en sneed hem in tweeën. Daarna nam hij me aan de hand mee de straat op. Hij dacht vast: als ik haar hand vastheb, schieten ze me niet dood. Mijn vader zag me aankomen en werd wit van de schrik. De binnenlandse strijdkrachten namen de Duitser over.’

 

Archieven: Verhalen

‘We moesten vluchten uit Venlo, maar konden Fikkie niet meenemen’

Juul, Elise, Levi en Ralf zijn leerlingen van basisschool de Wilderen. Hun school bevindt zich op fietsafstand van het huis van Louis en Yvonne Kuyper. Ze kijken er naar uit om meneer Kuyper te interviewen over de oorlog, maar vinden het ook wel spannend. Ze zijn heel benieuwd of hij weleens een echt bombardement heeft gezien. Het hartelijke welkom van het echtpaar stelt ze al snel op hun gemak. Meneer Kuyper was 2 jaar toen de oorlog begon en woonde destijds in Venlo. Toen iedereen moest vertrekken uit het grensgebied, belandden ze in Berlicum.

Wat is uw meest verdrietige herinnering aan de oorlog?
‘Gelukkig heb ik geen familieleden verloren. Wel zijn we onze hond kwijtgeraakt. We moesten vluchten uit ons huis in Venlo, maar konden onze hond Fikkie niet meenemen. Daarom moesten we hem doodschieten. Zelf heb ik het gelukkig niet gezien maar ik krijg nog steeds een ontzettend naar gevoel als ik daaraan denk. Maar hem achterlaten en laten verhongeren was nog erger geweest.

Wat ik me ook levendig kan herinneren is het zien van een man die op straat onder schot werd gehouden. Deze Nederlandse man probeerde te vluchten en kreeg daarom een geweer op zich gericht door een Duitser. Als hij zou bewegen zouden ze schieten. Gelukkig bleef hij staan.’

Heeft u weleens een bomexplosie gehoord?
‘Explosies waren op een gegeven moment een dagelijkse gang van zaken, vooral ’s nachts. Wij woonden aan de Duitse grens bij een vliegveld waar veel bombardementen plaatsvonden omdat dit een strategische plek was. In het begin was het natuurlijk enorm beangstigend en spannend, maar het went ook. Overdag konden we gelukkig wel gewoon buiten spelen.’

Waarom pakten de Duitsers eigenlijk alle fietsen af?
‘Een fiets is uiteraard een vervoersmiddel en de Duitsers wilden ons zoveel mogelijk beperken en op dezelfde plek houden. Zonder fiets was je natuurlijk veel minder mobiel en minder snel. Vervoer was sowieso schaars in die tijd.’ 

Hoe merkten jullie dat de bevrijding begonnen was?
‘Wij waren toen in Leeuwarden en verbleven bij een nicht van mijn vader die een steenfabriek had. Voor de veiligheid sliepen we in een steenoven van de fabriek. Op een ochtend hoorden we een hoop kabaal en stormden er militairen met geweren binnen. Deze mannen spraken Engels en geen Duits. Dit was dus erg goed nieuws omdat dit aantoonde dat de bevrijding begonnen was. Ik kan het me toch niet herinneren als een vreugdig tafereel. Als kind besef je niet in wat voor bizarre tijd je toen eigenlijk leefde. De Nederlanders waren natuurlijk ontzettend opgelucht, maar de Duitsers werden niet altijd even vriendelijk afgevoerd. Ondanks alles maakte dat geen fijne indruk op mij. Er waren voor mijn gevoel ook geen feesten of festiviteiten.

Toen wij terugkwamen in Venlo bleek dat ons hele huis leeggeroofd te zijn en waren alle houten meubels opgestookt. We moesten toen echt weer met helemaal niets beginnen.’

Archieven: Verhalen

‘Als er een vliegtuig kwam, wilde ik als kind meteen wegkruipen’

Fabian, Samuel en Lente van basisschool de Wilderen in Waalre bezoeken Riet Boonstra, die de oorlog als klein kind heeft meegemaakt. Ze woonde destijds in Beverwijk, niet ver van de marinebasis in Den Helder. Ondanks dat het tientallen jaren is geleden, kan ze zich nog goed herinneren hoe het leven toen was. Vooral de constante honger in de laatste winter voor de bevrijding is haar goed bijgebleven.

Hoe was het dagelijkse leven in de oorlog?
‘Dat was niet fijn. Hier in Brabant werden de mensen al bevrijd in 1944, maar wij in het noorden pas in 1945. Dat laatste jaar was er de Hongerwinter, er was helemaal geen eten. Mijn moeder plukte toen vanuit het veld weleens brandnetels en andere dingen om te kunnen eten. We hadden geen licht, geen kachel en we hadden altijd honger. Ik was 7 jaar en ik was een heel dun kind. Zoals de kinderen in de landen waar nu oorlog is.’

Heeft een van uw familieleden gevochten in de oorlog?
‘Ja, mijn vader. Ik was nog een baby. Mijn vader was bij de marine en hij vertrok. Toen hij terugkwam, was ik 7 jaar oud. Dus mijn moeder heeft veel foto’s van mij gemaakt om te laten zien hoe ik groeide. Maar het probleem was dat ik altijd Duitse soldaten voorbij zag lopen in een uniform. Toen mijn vader thuiskwam in 1945, had hij ook een uniform aan. En toen dacht ik meteen dat hij de vijand was. Daar wilde ik niks mee te maken hebben. Dat was even heel heftig voor mij.’

Hoe was het als er een bombardement was?
‘Ik weet het natuurlijk nog, omdat ik een kind van 4, 5 jaar oud was. Mijn moeder schermde mij af, ze stopte me meteen ergens waar ik er niet veel van kon horen. Maar ik kan het me goed herinneren. In Beverwijk, waar ik toen woonde, werden er ook hele stukken straat afgezet als er een bombardement was geweest. Het was wel heel heftig. Ook omdat we vlakbij een weiland woonden, waar de vliegtuigen over kwamen gevlogen. Dus als er een vliegtuig kwam, wilde ik als kind meteen wegkruipen. We hebben soms zelfs bij andere mensen thuis moeten schuilen. Het was wel fijn toen het voorbij was, dat zeker.’

Archieven: Verhalen

‘Op mijn onderduikadres heb ik deze spaarpot gekregen’

Vandaag is een extra bijzonder moment voor Pien, Mex en Mawin van basisschool de Wilderen in Waalre, en dat voelen ze ook zo. Ze mogen Rolf Loewenstein interviewen en de krant NRC is er ook bij. Daar hadden ze helemaal geen last van, vertellen ze achteraf. Het ging ook hartstikke goed. De Joodse Rolf Loewenstein was 1 jaar oud toen de oorlog begon en woonde destijds aan de Demer in Eindhoven.

Vertel eens over de schoenenwinkels…
‘Mijn ouders hadden een schoenenwinkel in Duitsland. Eerst werden de ramen ingegooid en daarna schoenen meegenomen en rommel in de winkel gemaakt. Vader ging naar de politie om aangifte te doen, maar hij kreeg te horen: ‘Vuile Jood, wat kom je hier doen?’, en toen zijn ze gevlucht.

We zijn in Eindhoven terechtgekomen, waar mijn vader langs de deuren ging om kinderkleding te verkopen en schoenen te repareren. Een gewone baan krijgen, was niet meer mogelijk want Joden werden nergens aangenomen.

Ik wilde graag Engels leren toen ik van de lagere school afkwam, maar ik moest werken van mijn moeder. Ik denk dat dat was omdat moeder geen geld had, kameraden gingen ook werken. Ik heb in een schoenenwinkel gewerkt in de Rechterstraat, waar ik bedrijfsleider werd en aandelen kreeg in de zaak.’

Hebben jullie moeten onderduiken?
‘De helft van de Demer is gebombardeerd door de Engelsen toen ze de Philipsfabrieken wilden raken. Ook onze winkel is geraakt. Toen zijn we gevlucht naar Maarheeze en hebben we geslapen in de hooiberg bij een boer. Ik denk dat het koud was. Mijn broertje was 9 jaar en ik 3, ik weet daar niets meer van. Mijn broertje huilde, waardoor de boer bang werd en zei de kinderen weg moesten. Een vrouw, mevrouw Jansen, kwam langs bij ons. Zij hielp Joden aan onderduikplaatsen in het land, maar bleek een verraadster te zijn. Ze heeft mijn broer verkocht aan de moffen voor 7,50 gulden. Hij is toen vermoord omdat hij Jood was. Ik had geluk en ben bij hele goede mensen gekomen in Apeldoorn. Vader is opgepakt, heb ik later achterhaald, en hem hebben we nooit meer teruggezien. Mijn moeder wilde na de oorlog nergens meer over praten. Het was heel zwaar voor haar om mijn vader en broertje te missen.’

Hoe was het in Apeldoorn?
‘De mensen van mijn onderduikadres hebben me heel goed behandeld. Ik was inmiddels 4 jaar en had er even twee broers en een zusje bij. Het waren gereformeerde mensen. Ze hadden een loods met veel hout, waar ze onder andere houten spaarpotten maakten en toen de oorlog voorbij was heb ik deze spaarpot gekregen. Het is een souvenir. Ik heet Rolf maar in de oorlog in Apeldoorn heette ik Wimpie, dat was om me te beschermen.

Mijn moeder heeft uiteindelijk me in Apeldoorn opgehaald. Hoe dat precies ging, weet ik niet meer. Ik weet alleen nog dat ze in een militaire wagen zat en dat ze zwart haar had toen ze me kwam ophalen. Ik was bang van haar en heb de hele weg gehuild, dat moet heel erg zijn geweest voor haar. Met het onderduikgezin heb ik later het contact verloren, ik denk dat ze verhuisd zijn.’

Archieven: Verhalen

‘Die avond aten we gekookte zeemeeuw… heel vies!’

In haar woning vol eigengemaakte kunst en herinneringen ontvangt Trees Janssen-Oeverhaus (1929) Olive, Noamy en Eugena. De leerlingen van basisschool de Wilderen in Waalre hebben hun vragen goed voorbereid en het interview kan van start gaan.

Waar woonde u in de oorlog?
Ik ben geboren in 1929 in Amsterdam, in de Rivierenbuurt. Ik was dus 11 toen de oorlog begon, net zo oud als jullie nu zijn. In de Rivierenbuurt woonden veel gegoede Joodse mensen. Wij woonden op drie hoog, dat was normaal in Amsterdam. En beneden ons, een verdieping lager, woonde een Joods gezin met kinderen van mijn leeftijd. Zij heetten Effi, Hetty en Maurice. Wij speelden met elkaar. Na school waren wij altijd buiten te vinden op de straat voor ons huis. Daar gingen alle kinderen heen. Maar toen kwam Hitler. Hij had iets tegen Joden. Op een gegeven moment moesten de Joden een Jodenster op hun kleding dragen en ik heb nog meegeholpen met het naaien van de sterren op de jassen van mijn vriendinnetjes. Wij hadden geen flauw idee waarom ze die moesten dragen. Op een dag werd onze straat afgezet en de NSB’ers wezen de huizen aan, waar Joden woonden. Ze werden op een pleintje verzameld, ook mijn twee vriendinnetjes. Hun vader zei tegen mijn vader: ‘Haal ons huis maar leeg, want anders gaat alles naar de NSB’ers’. Mijn vader heeft toen voorzichtig wat spullen uit het huis gehaald, onder andere deze koperen kandelaar en een kinderbestekje van mijn vriendinnetje Hetty. Dat heb ik altijd bewaard. Pas later kwam ik erachter dat de Joden zijn vergast. In Amsterdam staat een muur met daarop alle namen van de Joodse slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog. Daar staan Hetty, Effi en Maurice ook bij.’

Hoe was het leven in Amsterdam tijdens de oorlog?
‘Wij merkten niks van gevechten en zo, maar wel dat er weinig te eten was. En er was geen licht, geen gas en geen water. Maar mijn vader vond overal wat op. Wij zijn vaak verhuisd omdat we er ieder jaar een kind bij kregen. Ik was de middelste van negen kinderen, dus ga maar na, veel monden te voeden. Toen het steeds moeilijker was om aan eten te komen, ging mijn vader op een fiets met hóuten banden naar de Wieringermeer om daar spullen te ruilen voor voedsel. Een keer had hij een zak erwten bemachtigd, maar o jee, er zat een gat in de zak en onderweg was hij de helft van de erwten verloren! We aten soms suikerbieten, soms tulpenbollen of een klein stukje witte kool. Veel voedsel was op de bon. Je kreeg bonnen van de gemeente en daar kon je brood, melk en jam mee halen. Wij kregen allemaal ons eigen potje jam en mijn zusje bewaarde haar potje net zolang, totdat iedereen zijn potje jam leeg had en dan haalde zij haar potje tevoorschijn en ging dat opeten voor onze neus…

Mijn vader was heel vindingrijk. Toen we geen licht hadden, zette hij een fiets in de kamer, en dan maar trappen… Hij verbond het achterlichtje met een draadje naar de lamp boven de tafel. Zo konden wij toch ’s avonds ons huiswerk maken. Een andere lichtbron was een schaal met water, met daarop een laagje olie en een pit, die je aan moest steken. Helaas heeft mijn zus die schaal een keer laten vallen. Dat was erg.

Het gebrek aan water lag aan de lage druk. De mensen op een verdieping lager hadden wel water en met emmertjes werd het water dan van de benedenverdieping naar ons gezin getakeld. Toen we op de vierde verdieping woonden hadden we een balkon. Daar bonden we een stukje brood aan een touwtje. Een zeemeeuw dook erop en op dat moment pakte mijn broer de zeemeeuw. Zo aten we ’s avonds gekookte zeemeeuw…heel vies!’

U bent ook nog een tijdje in de Achterhoek geweest. Waarom?
‘We waren door de honger heel erg mager geworden. Daarom had de Bond van Grote Gezinnen een actie op touw gezet, waarbij kinderen uit de stad naar het platteland mochten om aan te sterken. Wij gingen naar de Achterhoek en ik kwam in een boerengezin terecht. Er zaten daar ook veel onderduikers. Als de Duitsers eraan kwamen, moesten zij als de wiedeweerga het koren in om zich te verstoppen. Het boerengezin had een dochtertje en ik moest bij haar in bed slapen, maar dat meisje had vlooien… Ik sterkte wel aan, maar het was niet leuk daar. Ik moest steeds overgeven en toen heeft de bovenmeester (hoofdonderwijzer) ervoor gezorgd dat ik in een ander gezin werd geplaatst. Die mensen hadden een postkantoortje, een winkeltje en een maalderij en een heleboel kinderen. Daar had ik het wel naar mijn zin. Mijn broer vond het zo leuk op de boerderij, dat hij later veearts is geworden.’

Archieven: Verhalen

‘Bij ons in huis woonden twee Nederlandse agenten’

Evi, Vajen en Elaney van basisschool de Wilderen in Waalre zijn op bezoek bij Frans Tegenbosch en zijn vrouw in hun gezellige huis. Meneer Tegenbosch gaat ze vertellen over zijn jeugd in de oorlog. Hij woonde destijds in Bennekelstraat in Eindhoven.

Hoe oud was u toen de oorlog begon?
‘Ik was pas 3 jaar, daarom weet ik van het begin niet zoveel meer. Ons gezin bestond uit vijf personen, mijn vader, mijn moeder en mijn broer en zusje. Maar… wij hadden ook twee kostgangers in huis, dat waren Nederlandse politieagenten. Zij sliepen bij mijn broer en mij op de slaapkamer. Wij keken enorm tegen hen op. Ze zijn vijf jaar bij ons gebleven.

Het was moeilijk om aan eten te komen. Mijn vader liep vaak van Eindhoven naar Waalre over het oude spoorlijntje om bij boeren sigaren te ruilen tegen eten. Hij droeg een grote regenjas met heel veel sigaren eronder. Op een dag liep ik mijn vader tegemoet toen hij weer eens naar Waalre was om sigaren te ruilen. Maar wat zag ik daar: mijn vader werd gearresteerd door twee agenten. Ik schrok heel erg! Wat bleek? Het waren de agenten die bij ons in huis woonden. Dit was een neparrestatie om de aandacht van het geruilde eten af te leiden.’

Wat weet u nog van de bevrijding?
‘Er kwamen heel veel tanks aan gereden over de Onze Lieve Vrouwendijk bij Veldhoven. Ze moesten allemaal over de Dommelbrug. Eén tank was eroverheen, maar de tweede zakte er doorheen en toen draaiden ze allemaal om en gingen via de Genneperweg naar het centrum van Eindhoven. Daar stond ik met heel veel andere mensen en een vlaggetje in mijn hand. Op een gegeven moment kwam er een hele hoge Engelse officier ons waarschuwen. Wij moesten allemaal weg, want er waren Duitsers gesignaleerd, die zich hadden verkleed als Engelse soldaten en zij stonden tussen het publiek. Dat was wel spannend.

Er reed een stoomtreintje tussen Eindhoven en Valkenswaard. Daar is nu een fietspad. Dat treintje reed op kolen. Op zaterdagmorgen stopte het treintje bij het Stationskoffiehuis en dan kwamen er heel veel mensen, die de kolen van de locomotief af gingen halen om thuis in de kachel op te stoken. Dat heb ik zelf gezien.’

Archieven: Verhalen

‘Vanuit mijn bedje zag ik de eerste Duitser lopen’

Dewi, Jana en Bahar lopen door Waalre naar het huis van Mien Cox, waar ze haar en haar broer Theo mogen interviewen over de oorlog. Een van de begeleiders legt uit dat de huizen van Waalre al heel oud zijn. Zou het huis van Theo en Miens ouders er ook nog staan? Zo hebben de kinderen van basisschool De Wilderen nog veel meer vragen voorbereid voor hen.

Wat is uw eerste herinnering aan de oorlog?
‘Mijn bedje stond voor het raam in het huis waar Mien nu woont. Als ik ging staan in mijn bedje, dan kon ik door het raam op straat kijken. Op een morgen werd ik wakker en ging ik staan. Ik dacht: wat zie ik nou? Ik zag een grote man lopen, met een grote helm op en een geweer op zijn rug. Hij had een dikke overjas aan. Het was al mei, maar het was nog koud. Die man liep hier door de straat, maar ik wist niet wie hij was. Mijn moeder vertelde later: ‘Het is oorlog. De Duitsers zijn er’.’

Hadden jullie genoeg te eten in de oorlog?
‘Sommige mensen hadden honger, maar wij niet. Daar zorgde mijn moeder voor. We hadden fruitbomen en mijn moeder maakte het fruit in. We hadden ook konijnen om te eten. Alles bewaarden we heel lang.

Onze hoofdonderwijzer had acht kinderen. In die tijd hadden we een zaak waar we eieren op de bon verkochten. Op een dag kwam de oudste zoon van de hoofdonderwijzer langs om eieren te halen. We hadden net gegeten, op de tafel lagen nog een paar korstjes. Toen mijn moeder even wegging om de eieren te halen, at die jongen de korstjes snel op. Hij had honger! Toen mijn moeder terugkwam en die jongen vertrok, zeiden wij: ‘Moeder, hij heeft de korstje gepakt’. Waarop mijn moeder antwoordde: ‘Ach, had dat gezegd, dan had ik hem een boterham gegeven’.’

Hadden jullie ook een schuilplek?
‘Mijn vader had wat gemaakt voor als er bommen zouden komen. We hadden een groot gat in de tuin, met van alles er overheen. Als er alarm was, moesten we met alle mensen in de grond.

Wij moesten ook altijd alles dicht doen. Alles moest verduisterd zijn, zodat de vliegtuigen niet konden zien dat hier huizen stonden. We waren wel eens bang dat ze hier bommen zouden gooien, dan moesten we hier onder het raam gaan zitten. Als het huis in zou storten, zou dit de veiligste plek zijn. We zetten ook de tafel tegen de muur.

De Duitsers hadden op een gegeven moment een soort raket gemaakt, waarmee ze van Duitsland naar Engeland konden schieten. Een V1. Die vloog hier over en kwam dan in Engeland terecht. Als we buiten aan het spelen waren en we hoorden hem overkomen, moesten we plat op de grond gaan liggen. Gelukkig hebben wij hem nooit naar beneden zien storten.’

Hebben jullie ook voorwerpen uit de oorlog gevonden?
‘De Duitsers hadden een afweergeschut tegen de Engelsen die overvlogen. Daar hadden de Engelsen wat slims voor verzonnen: een bol van zilverpapier, helemaal van linten. Die bollen gooiden ze in de lucht waardoor de Duitsers werden afgeleid. Ze wisten dan het verschil tussen de vliegtuigen en het zilverpapier niet meer. Zo konden de Engelsen mooi overvliegen. In die tijd zaten er grote lijsters hier in Waalre. Die zingt al heel vroeg in februari. Ik ben vogelliefhebber, dus daar ging ik naar op zoek. De lijsters maakten nestmateriaal van die zilveren linten, dus ik hoefde nooit hard te zoeken naar de nesten.’

Hoe was het aan het einde van de oorlog?

‘Toen ik tien jaar was, was de oorlog bijna voorbij. De Engelsen hadden Frankrijk heroverd, en kwamen hierheen met tanks. Toen we op een morgen stonden te kijken, zagen we Spitfires in de lucht. Dat zijn gevechtsvliegtuigjes. Ze vlogen hier over het huis. Even verderop stond een maaimachine, waar een paard in kan staan. De maaimachine had twee grote balken om het paard vast te houden en dat leek wel op een afweergeschut. Een piloot van een van die Spitfires dacht dat dat iets van de Duitsers was. Dus die kwam nog een keer over en nog een keer. Hij vloog er heel laag overheen en schoot op dat ding. Bam, bam, bam! De mensen die er woonden, schrokken heel erg. En er zaten grote gaten in de muur. Intussen was het vliegtuigje alweer weg.’

Archieven: Verhalen

‘Na de oorlog zat er ineens een vieze, magere man aan onze tafel’

Lenthe, Kasper en Mirthe van basisschool de Wilderen worden enthousiast ontvangen door Rosa Tegenbosch. Op tafel staat wat lekkers en de kinderen gaan samen met haar aan de grote tafel zitten. Een beetje spannend vinden ze het wel, maar het ijs is snel gebroken. Mevrouw Tegenbosch is geboren in 1937 en was nog maar 3 jaar toen de oorlog begon. ‘Ik kom uit een groot gezin met elf kinderen, van wie twee tweelingen. Ik ben het op een na de jongste kind. Wij woonden in Waalre in de buurt van waar nu de Hoevenakkers is.’


Wat weet u nog van de oorlog?
‘Ik heb geen heel akelige dingen meegemaakt en we hebben geen honger gehad, maar er was wel weinig en we konden niet naar school. Het schoolgebouw werd gebruikt door de Duitsers, later door de Engelsen. Soms vonden we tijdelijk een andere plek waar ik toch naar de kleuterschool kon, op de Markt bijvoorbeeld, in een pand waar nu de sportschool zit.

Alle mannen moesten naast de weg loopgraven maken. Loopgraven zijn kuilen waar een mens in kon liggen. Je kon ze gebruiken om te schuilen. Ik herinner me nog dat ik buiten was en dat er een Duitser fietste. Toen kwam er een vliegtuig aan, heel dichtbij en op zoek naar de Duitser. Hij zat verstopt in de loopgraaf, maar uiteindelijk heeft het vliegtuig hem toch kunnen pakken. Dat moment heeft wel indruk op me gemaakt.’

Wat was er anders tijdens de oorlog?
‘Je mocht geen radio hebben en ook geen varken. Als je die wel had en de Duitsers kwamen daarachter dan werd je gearresteerd. Maar wij hadden wel een varken, zoals bijna iedereen in de buurt, stiekem verstopt. We hadden een grote tuin waardoor we zelf ook fruit hadden.

En we moesten ’s avonds alle ramen van ons huis blinderen voor de Engelsen. Als je dat niet deed dan zagen ze vanuit vliegtuig dat er een huis stond en dan konden er bommen gegooid worden. Ik was daar niet bang voor, ik was nog klein.

En mannen moesten naar Duitsland om te werken. Er was een jongen van 18, die woonde drie huizen bij ons vandaan. Hij was opgeroepen maar dat weigerde hij en daarom had hij zich verstopt. Toen kwamen de burgemeester en Jantje Pap langs alle huizen in de straat en stonden ze ook bij ons achter op de plaats met mijn vader te praten. Ze wilden weten of wij de jongen gezien hadden. Maar hij had zich heel goed verstopt in de varkenskooi, achter het stro en het varken. Dat was wel slim.’

Hoe was het na de oorlog?
‘Ik kan me de bevrijding op 18 september nog heel goed herinneren. Tanks kwamen via de Belgische grens en Valkenswaard door Waalre. Iedereen was aan het juichen toen we bevrijd werden door de Engelsen. De tanks reden richting Veldhoven, waar ze de brug over de Dommel over moesten om naar Eindhoven te gaan. De eerste tank kon eroverheen, de tweede niet meer, toen was de brug ingestort. De tanks stonden heel lang stil in mijn staat. Uiteindelijk zijn ze omgedraaid om via Aalst toch naar Eindhoven te gaan.

Ik herinner me ook dat er na de oorlog ineens een vieze, magere man aan onze tafel zat, hij was wit van de luizen. Een dag later had hij de kleren van mijn vader aan. Pas later begreep ik dat dit iemand was die tijdens de oorlog was opgepakt en in Duitsland heeft moeten werken. Na de oorlog kwamen er tijdelijk een aantal in Waalre wonen om aan te sterken. Bij de buren waren er twee. Ik weet niet meer of ik daar blij mee was. Ik was nog zo klein. Hij kwam geloof ik uit Amsterdam of Rotterdam. Later is die weer naar huis gegaan.’

Archieven: Verhalen

‘Hij schoot de kogel tegen de muur, en die ketste zo in mijn wang’

Ties, Guus en Max van basisschool de Wilderen lopen naar het huis van Niel de Win-Coolen. Ze zijn een beetje gespannen want ze hebben veel vragen, en Matthijs die ook mee zou gaan is ziek. Ze moeten dus alle vragen met z’n drieën stellen. Mevrouw de Win-Coolen woont nu in een nieuwbouwhuis in Waalre. Ze werd in 1935 geboren aan de Molenstraat 13, maar toen de oorlog uitbrak was ze 5 jaar oud en woonde ze aan de Molenstraat 17. In de muur van dat huis zat nog lang na de oorlog een gat waar geschoten was. Haar vader wilde dat dat gat zichtbaar bleef.

Wat weet u nog van het begin van de oorlog?
‘Het was heel akelig toen de oorlog begon. Er kwamen tanks en jeeps, en er vlogen vliegtuigen over. Op een dag ging ik wandelen op het Timmereind met mijn vader, en toen hoorden we dat er een vliegtuig was neergestort. We zijn gaan kijken. De piloot zat nog in het vliegtuig, maar hij was dood. Daar mocht ik van mijn vader niet naar kijken. Ik weet eigenlijk niet of dat een Engels of een Duits toestel was.’

Hoe was het voor u in de oorlog?
‘Wij woonden met onze ouders, vier zussen en één broer in een huis met een zagerij. Die zagerij was van mijn vader die timmerman was. Tussen de houtkrullen in de werkplaats sliepen eerst Duitse soldaten die ‘s nachts hun wapens naast zich hadden liggen. Later woonden er ook Engelse soldaten. De meesten waren best wel aardig, want veel soldaten hadden thuis natuurlijk ook een vrouw en kinderen. Op de zolder van ons huis woonde een Joods echtpaar, maar dat wisten wij als kinderen niet. Wij wisten alleen maar dat we bij elkaar moesten slapen omdat er geen plek meer was op de zolder. We mochten ook nooit met andere kinderen spelen, alleen maar met elkaar en op straat. Dat was omdat niemand mocht weten dat er Joodse mensen in ons huis woonden. Als er vriendjes bij ons thuis kwamen, zouden ze misschien iets merken en dat aan hun vaders vertellen. We gingen ook maar twee uur per dag naar school, dus het was best eenzaam zonder veel vriendjes en vriendinnetjes.’

Bent u zelf ook bang geweest?
‘Als we in de schuilkelder zaten die mijn vader zelf had gegraven, vertrouwde ik op mijn ouders die zeiden dat het goed zou komen als we zouden bidden. Ik ben wel heel bang geweest toen ik een kogel in mijn wang kreeg. Die kogel kwam van een Engelse soldaat die zijn revolver aan het schoonmaken was. Hij schoot de kogel per ongeluk tegen de muur, en die ketste zo in mijn wang. Ik moest met mijn vader snel met de fiets naar het ziekenhuis in Eindhoven terwijl het heel hard bloedde. Ik vroeg steeds aan mijn vader of ik dood zou gaan, maar hij zei: ‘Nee hoor, gij wordt heel oud’. De Engelse dokter die mij daar geopereerd heeft, is later nog bij ons langs gekomen. Ook het Joodse echtpaar kwam na de oorlog nog vaak bij ons op bezoek.’

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892