Archieven: Verhalen

‘Ik keek vanachter de boom en zag iemand die op mijn vader leek’

Vera, Julian en Alicia worden hartelijk ontvangen bij Tineke van der Woude-Zulver. Ze heeft een tradionele delicatesse mee, spekkoek, voor de leerlingen van De Talisman in Eindhoven en vraagt meteen of ze het kennen.

Mevrouw Van der Woude-Zulver (1926) is geboren in Indonesië. Op haar twaalfde kwam ze terecht in een Japans interneringskamp. En toen ze 20 jaar oud was kwam ze naar Nederland. Nu nog als ze beelden op televisie ziet van oorlogen, dan heeft ze daar heel veel moeite mee.

Had u veel vrienden in het kamp?
‘Ja, maar ik had alleen niet veel tijd om mijn vrienden te zien. Er was weinig tijd om samen te komen. Ieder moest eerst op appel staan, en dan stonden de anderen in een ander straatje en was het moeilijk om samen te komen. Mijn moeder was uitgesloten van corvee omdat ze drie kleine kinderen had, maar ik moest allerlei klusjes doen doen zoals een beerput leeghalen. Als het appel was afgelopen en het werk gedaan was dan kon ik ze wel zien. Nu zie ik deze vrienden nog steeds, tijdens de reünies.’

Wat is uw mooiste herinnering aan het kamp?
‘Aan het eind van de oorlog waren er continu geruchten over dat we vrij zouden zijn. Als ik daar naar zou luisteren, dan zou ik er kapot aan zijn gegaan. Op een dag was er weer een gerucht dat we vrij zouden zijn. Toen heb ik dit aan mijn Engelse leraares mevrouw Cornelissen gevraagd en zij vertelde dat dit honderd procent zeker was. Mijn moeder was destijds zo mager dat ik niet wist of ze het ging halen, maar gelukkig heeft ze het gered.’

Heeft u ooit nog iets van uw vader gehoord?
‘Na de oorlog werkte ik op een kantoor. Elke dag werden er lijsten gepubliceerd wie wie zocht. Op een dag zeiden ze dat mijn vader mij zocht. Ik keek vanachter de boom en zag iemand die op mijn vader leek. Maar ik herkende hem bijna niet meer, mijn vader was zo mager geworden. Ik kwam dichterbij en mijn vader tilde me op de vrachtwagen.

Het eerste wat hij vroeg was: waar is je moeder? Maar omdat het zo slecht ging met mijn moeder, moest ik haar daar op voorbereiden. Ook omdat hij moeilijk te herkennen was. Ik ben toen naar huis gegaan en heb gezegd dat er mannen terug waren, misschien is mijn vader er wel bij. Mijn moeder was buiten aan het breien. Ik ging daarna terug naar mijn vader toe. En ik nam hem mee naar mijn moeder. Ze vlogen elkaar niet in de armen omdat ze allebei zo beschadigd waren. Als kind was dat niet zo fijn om te zien.’

Archieven: Verhalen

‘Bizar mooi waren de avonden op zee onder de sterrenhemel’

Op deze zonnige donderdagmorgen komen Juna, Kathelijn en Isabel op de fiets aan bij Liesbeth Moerman (1948). De leerlingen van De Talisman in Eindhoven worden hartelijk ontvangen door mevrouw Moerman in haar woning waar de sfeer wordt bepaald door de prachtige houten meubels met verfijnd houtsnijwerk en de vele planten en schilderijen. Op tafel liggen met de handgemaakte zilveren sieraden en houten beeldjes uit Indonesië en ook een fotoalbum met oude foto’s van vroeger. Mevrouw Moerman biedt de kinderen een blikje Fanta aan en zet wat chocolaatjes op tafel.

Ze vertelt dat ze is geboren in Semarang op Java. Vervolgens heeft ze op verschillende plekken in Indonesië gewoond. Samen met haar ouders en haar twee jaar jongere broer verhuisde ze op 11-jarige leeftijd naar Nederland.

Hoe heeft uw koloniale leven invloed gehad op hoe u naar nadere mensen kijkt?
Ik ben door mijn leven heen omringd geweest door verschillende culturen, waardoor het voor mij vanzelfsprekend werd om me thuis te voelen in een diverse omgeving. Door het vele verhuizen leerde ik steeds nieuwe plekken, mensen en tradities kennen, wat me flexibel maakte en nieuwsgierig naar andere mensen en hun achtergrond.

Toen ik later naar Nederland verhuisde, merkte ik hoe anders mensen soms omgingen met diversiteit. Toen mijn man ziek werd in Nederland, kregen we een verpleegkundige aan huis, een ontzettend leuke vrouw uit Suriname. Zij vertelde me later dat ze verrast was dat ik zo blij op haar reageerde, omdat ze al regelmatig weg was gestuurd bij andere mensen met de boodschap: ik wil geen zwarte vrouw in huis. Ik dacht: et is toch niet waar? Omdat ik zelf had ervaren hoe rijk het is om met verschillende culturen samen te leven, voelde het voor mij vanzelfsprekend om open te staan voor iedereen, ongeacht afkomst of kleur. Die houding heeft me mijn hele leven gevormd: in mijn gezin, mijn vriendschappen en zelfs in de multiculturele families van mijn kinderen.’

Hoe was het voor u om zo vaak te moeten verhuizen?
‘Ik heb in Indonesië op vijf verschillende plaatsen gewoond, en ondanks dat we zo vaak verhuisden, heb ik mijn jeugd altijd als heel fijn ervaren. Het was warm, we waren veel buiten, en ik vond het daar zalig. In Nederland hebben we ook op verschillende plekken gewoond. Doordat we telkens na een paar jaar weer naar een andere plek gingen, leerde ik ook dat alles tijdelijk was. Daardoor ging ik eigenlijk niet te veel investeren in vriendjes worden, want ‘je gaat toch weer weg’. Dat deed ik niet bewust; het ging vanzelf. Soms stond ik een beetje zo te kijken naar iedereen, op afstand, omdat ik wist dat ik toch weer zou vertrekken. Door die manier van opgroeien leerde ik me steeds opnieuw aan te passen, en open te staan voor nieuwe mensen en plekken. Die veelzijdige achtergrond zie ik als een groot cadeau. Het heeft mij geleerd om met een ruime blik naar de wereld te kijken en om verschil niet als vreemd te zien, maar als verrijking.’

Hoe ging de reis van Indonesië naar Nederland in die tijd?
‘Als wij van Indonesië naar Nederland reisden, gingen we vaak met de boot of met het vliegtuig. Als we vlogen, deed je daar drie dagen over, omdat vliegtuigen ’s nachts nog niet konden vliegen. Ze landden vlak voordat het donker werd, waarna we naar een hotel gingen en de volgende ochtend weer verder reisden.

Met de boot deed je er drieënhalve tot vierenhalve weken over. Als kind vond ik dat minder leuk, want vaak werden we op het kinderdek gedumpt en moesten daar de hele dag spelletjes doen. Toch heb ik van die reizen ook mooie herinneringen. Een van de leukste dingen vond ik de avonden op zee onder de sterrenhemel. Dat was bizar mooi.

Ook herinner ik me hoe het vliegtuig soms landde op een baan met fakkels langs de rand, omdat er nog geen verlichting was. Dat vond ik toen heel bijzonder om mee te maken.’

Archieven: Verhalen

‘We woonden in een mooi huis en juist dat maakte ons tot doelwit’

Kaley, Lucy en Kee van basisschool de Talisman in Eindhoven hebben een bijzondere afspraak: ze gaan Charlotte Johann interviewen. In 1952, toen mevrouw Johann zes jaar oud was, vertrok ze vanuit het toenmalige Nederlands-Indië naar Nederland. Haar verhaal is indrukwekkend, niet alleen omdat ze slechtziend is, maar vooral omdat ze deze lange als jong meisje helemaal alleen heeft afgelegd.

Bij aankomst worden de kinderen warm ontvangen. In de kamer valt meteen een speciaal voorwerp op: de koffer die ze als kind meenam op de bootreis naar Nederland. Aan de muur van haar gezellige appartement hangen veel foto’s van familie.

Hoe was het leven van uw ouders tijdens de Japanse bezetting?
Ik ben geboren in 1946, vlak na de oorlog, in Nederlands-Indië. Mijn vader was een Nederlands-Indische man, wat betekent dat hij zowel Nederlandse als Indonesische roots had. In die tijd waren de verhoudingen gespannen, vooral tijdens en na de Japanse bezetting. Mensen zoals wij, met een gemengde achtergrond, werden vaak als vijand gezien.

Mijn vader heeft in de oorlog veel meegemaakt. Hij heeft gevochten en zelfs in Japanse krijgsgevangenschap gezeten. Over die periode vertelde hij niet veel. Dat zorgde ervoor dat er thuis ook veel onuitgesproken bleef.

Zelf heb ik de oorlog niet bewust meegemaakt, maar de gevolgen waren wel gevoeld. Alles stond in het teken van onzekerheid en voorzichtig leven. Zelfs iets eenvoudigs als een kind registreren bij de gemeente kon gevaarlijk zijn. Toch dacht ik daar als kind niet echt over na. Pas later besefte ik hoeveel invloed die tijd op mijn leven en dat van mijn familie heeft gehad.’

Wat gebeurde er met uw gezin na de oorlog?
‘Na de oorlog wilden Indonesiërs onafhankelijk worden van Nederland. Daardoor ontstonden er spanningen, en Nederlands-Indische families zoals de onze kwamen in gevaar. Op een gegeven moment werden wij letterlijk uit ons huis gezet.

Mijn vader had een goede baan bij de marine, en we woonden in een mooi huis. Maar dat maakte ons juist een doelwit. Ons huis werd ingenomen en wij stonden op straat. Gelukkig konden we tijdelijk bij vrienden van mijn ouders terecht. Als kind werd mij verteld dat we gingen logeren, maar in werkelijkheid waren we alles kwijt. Dat logeren duurde steeds maar kort. Na een paar maanden moesten we weer verder. Het leven was onzeker en we hadden geen vaste plek meer.’

Hoe was het om als kind alleen naar Nederland te gaan?
‘Toen ik zes en een half was, moest ik alleen naar Nederland voor een oogoperatie. Ik werd naar de haven gebracht en moest in mijn eentje aan boord van een schip. Mijn familie bleef achter. Ik begreep niet goed wat er gebeurde. Mij werd verteld dat ik ging logeren en dat er voor me gezorgd zou worden. Maar ik voelde dat er iets niet klopte, en ik was bang. Ik ben ook een hele dag zeeziek geweest.

Op het schip moest ik wennen aan alles en iedereen. Ik was omringd door vreemden en miste mijn familie enorm. Hoe langer de reis duurde, hoe sterker het gevoel werd dat ik er alleen voor stond. Mijn ouders mochten niet mee, waarschijnlijk omdat ze geen toestemming kregen. Waarom precies, dat weet ik nog steeds niet zeker.’

Hoe was het in Nederland?
‘In Nederland woonde ik lange tijd gescheiden van mijn ouders. Ik zat op een kostschool en zag hen alleen in de vakanties. Dat was heel zwaar voor mij. Ik had veel last van heimwee, zelfs lichamelijk. Het leven op school was streng en totaal anders dan het vrije leven dat ik in Indonesië kende. Het eten, de regels en het leven in grote groepen, daar moest ik aan wennen. Ik voelde me vaak ongelukkig en moest telkens opnieuw wennen na een vakantie thuis.

Toch vond ik manieren om ermee om te gaan. Ik maakte vriendinnen en probeerde mijn eigen weg te vinden, hoe moeilijk dat ook was.’

Welke moeilijke momenten heeft u als kind meegemaakt?
‘Op de kostschool had ik het soms zwaar. Zo had ik moeite met het eten, vooral met brood. Ik verstopte het en gaf het aan eendjes. Toen dat ontdekt werd, kreeg ik straf. Ik werd geslagen met een kleerhanger. Dat was een harde en pijnlijke ervaring. Ik huilde niet, ondanks de bedoeling dat ik dat wel zou doen. Ik was koppig en hield mijn gevoelens voor mezelf. Ik leerde al jong om sterk te zijn en mijn emoties niet altijd te tonen.’

Welke herinneringen heeft u aan uw jeugd?
‘Aan mijn tijd in Indonesië heb ik mooie herinneringen. We hadden een groot huis en een tuin met dieren zoals kippen, eenden en een hond. Ik kon vrij rondlopen en spelen.

In Nederland was dat anders. De huizen waren klein en ik moest me aanpassen. Toch vond ik ook daar vriendinnetjes en leerde ik mijn weg te vinden. Op de kostschool beleefden we ook avonturen. We speelden, verkenden het gebouw en haalden kattenkwaad uit.’

Archieven: Verhalen

‘Ik wilde weten hoe kou voelde, dus heb ik mijn hoofd in de vriezer gestopt’

Als Ruben, Max, Sem en Rens bij Joyce Djarkasi binnenkomen, staat de tafel al vol met lekkers. ‘Bij ons is het gewoonte’, zegt ze meteen. ‘Alles wat op tafel staat, mag je pakken. Liever dat het op is dan dat het blijft staan.’ De leerlingen van de Talisman in Eindhoven schuiven aan en luisteren naar haar verhaal over Suriname, haar familie en haar leven tussen twee werelden. Ze werd in 1963 geboren in Parra in Suriname. Op 19 jarige leeftijd is ze naar Nederland gekomen.

Hoe was het om tussen twee landen te leven?
‘Ik kom oorspronkelijk uit Suriname en heb daar gewoond tot mijn negentiende. Mijn ouders hebben een Javaanse achtergrond. Mijn overgrootouders zijn als contractarbeiders vanuit Indonesië naar Suriname gekomen. Over hoe het leven toen was, werd bij ons thuis niet echt gesproken. Misschien was het te pijnlijk of zat er schaamte op. Dat zie je vaker: de eerste generatie vertelt weinig, terwijl de volgende generaties juist willen weten waar ze vandaan komen.

Als kind wist ik niet beter dan dat Suriname bij Nederland hoorde. Op school leerden we alles over Nederland, maar bijna niets over ons eigen land. Pas toen ik in Nederland kwam, vond ik het vreemd dat mensen hier zo weinig over Suriname wisten.

Ik was negentien toen ik plotseling naar Nederland moest vertrekken door de revolutie. Ik kon niet eens afscheid nemen, en dat vond ik het moeilijkst. Hier moest ik wennen aan de kou, de cultuur en andere kleine verschillen. Ik was ook heel nieuwsgierig naar de winter. Ik wilde weten hoe kou voelde, dus ik heb mijn hoofd in de vriezer gestopt.

Mijn leven is nu hier, maar Suriname voelt nog steeds als thuis. Het blijft alsof ik tussen twee werelden leef.’

Hoe was uw jeugd in Suriname?
‘Ik heb een hele fijne jeugd gehad. We waren met negen kinderen thuis en speelden vooral buiten. We klommen in bomen en haalden kattenkwaad uit. We hadden een grote tuin met mango’s, bananen en mandarijnen, en ik klom overal in, ook bij de buren.

Eten was bij ons iets om te delen, maar je moest er wel snel bij zijn. Als je even van tafel ging, was de kans groot dat je vlees weg was. Dus je bleef gewoon zitten.

Ik weet nog dat ik een keer in een boom zat en iets zag bewegen: een zwarte staart. Ik wist niet wat het was en kon er bijna aan trekken. Toch kreeg ik een vreemd gevoel en ben ik snel naar beneden gegaan. De volgende dag bleek het een slang te zijn.

Ik was ook best rebels. Wat niet mocht, deed ik juist wel. Ik had een jeugdliefde, Frank, maar mijn ouders wilden dat ik alleen met een Javaanse jongen thuiskwam. Dat maakte me juist eigenwijs. Jaren later vond ik hem terug en heb ik hem nog één keer gezien. Kort daarna is hij overleden. Dat was heel verdrietig.

In mijn huis nu staan veel planten. Dat is voor mij een stukje Suriname. Alleen kan ik er hier niet meer in klimmen.’

Hoe was het op school in Suriname?
‘Op school in Suriname moest ik altijd Nederlands spreken. Als ik dat niet deed, kreeg ik straf. Dan moest ik mijn hand uitsteken en kreeg ik met een liniaal slagen. Dat was toen heel normaal. Thuis sprak ik Javaans en Surinaams, maar op school mocht dat niet.

Pas later begreep ik dat dit met de koloniale geschiedenis te maken had. Op school leerden we vooral over Nederland: over rivieren, het weer en de koningin. Over Suriname zelf leerden we bijna niets.

Ik sprak meerdere talen en ging met verschillende groepen kinderen om. Toch waren er verschillen. Nederlandse kinderen zaten vaak op aparte, rijke scholen, dus die zag ik bijna niet.’

Hoe was het leven van uw familie?
‘Mijn voorouders kwamen zonder iets aan in Suriname. Ze dachten dat ze na een tijd werken weer terug zouden gaan. Dat was aan de contractarbeiders beloofd. Maar dat lukte niet meer. Ze moesten daar dus blijven toen het contract afliep en zelf een nieuw leven opbouwen. Zo is mijn familie daar ook geworteld geraakt.

Als kind merkte ik niet zoveel van verschillen tussen mensen, maar die waren er wel. Nu zie je nog steeds sporen van het koloniale verleden. In de taal, in de namen van mensen en in gebouwen. Het zit eigenlijk overal in verweven.

Toen ik naar Nederland kwam, viel me op hoe anders sommige gewoontes waren. Bij iemand thuis kreeg je één koekje, en daarna ging het trommeltje dicht. Dat vond ik heel vreemd, want bij ons thuis staat juist alles op tafel en mag je blijven eten.

Mijn ouderlijk huis staat nog in Suriname en er woont nog familie. Als ik daar ben, kennen mensen me nog. Dat voelt heel bijzonder.’

Archieven: Verhalen

‘Ik heb me hier nooit gediscrimineerd gevoeld, mensen waren eerder nieuwsgierig’

Een beetje spannend vinden Boaz, Cas en Zoë van basisschool de Talisman in Eindhoven het wel als ze met hun interviewvragen aanbellen bij het huis van Evelyne Marti. Zij begroet de kinderen hartelijk en nadat ze drinken en wat lekkers hebben gekregen starten ze het interview. Mevrouw Marti werd geboren op 8 maart 1952 op Curaçao. Ze groeide daar op samen met haar ouders, twee zussen en twee broers. Haar vader werkte bij de Shell en haar moeder zorgde voor het gezin.

Hoe was het voor u om met vijf kinderen in huis op te groeien?
‘Ik kom uit een gezin met vijf kinderen, en wij hadden het thuis niet breed. Mijn vader vertrok en betaalde geen alimentatie, waardoor mijn moeder alleen voor ons moest zorgen. Zij werkte heel hard, eerst in de huishouding en later in een winkel waar gordijnen werden genaaid. Ondanks dat we weinig geld hadden, wist mijn moeder ervoor te zorgen dat we er netjes uitzagen, vaak in jurkjes die ze zelf maakte van restjes stof.’

Hoe vond u het dat u op school geen Papiaments mocht spreken?
‘Wij moesten op school verplicht Nederlands spreken, zelfs op het schoolplein. Als je Papiaments sprak en werd betrapt, kreeg je straf. Pas later is het Papiaments, onze eigen taal, op school ingevoerd. Het duurde lang voordat onze taal officieel werd erkend. Toen voelde ik daar niet veel bij, maar later besefte ik hoe vreemd en oneerlijk dat eigenlijk was. Het liet duidelijk zien dat Curaçao een kolonie van Nederland was, want alles draaide om de Nederlandse taal.’

Heeft u ooit discriminatie ervaren toen u in Nederland ging studeren?
‘Toen ik in 1970 in Groningen ging studeren, waren wij als Antilliaanse studenten een bezienswaardigheid. Ik heb me in al die jaren in Nederland nooit gediscrimineerd gevoeld. Mensen waren eerder nieuwsgierig. In Groningen werkte ik ook naast mijn studie. Mijn eerste bijbaan was in een fabriek waar we wortels schoonmaakten. Mensen hadden mijn huidskleur daar nog nooit gezien. Ik herinner me dat iemand eens vroeg of hij mij even mocht aanraken, omdat hij nog nooit iemand van mijn kleur had gezien. Het was geen belediging, maar pure nieuwsgierigheid.’

Wat maakte het meeste indruk op u in uw leven?
‘De armoede waarin wij leefden en hoe hard mijn moeder werkte om ons groot te brengen, heeft veel indruk gemaakt. Ook het koloniale stempel, verplicht Nederlands spreken en het verschil tussen wit en zwart, heeft mijn identiteit gevormd. Later leerde ik dat mijn taal, mijn opvoeding en zelfs hoe mensen naar mijn haar keken, allemaal beïnvloed zijn door dat verleden.’

Wat wilt u dat wij onthouden van uw verhaal?
‘Dat het belangrijk is om trots te zijn op je achtergrond, ondanks moeilijke omstandigheden. En dat het koloniale verleden invloed heeft gehad op ons leven, zelfs op hoe we onszelf zagen. Maar je kunt, met doorzettingsvermogen en studie, je eigen weg vinden, net zoals ik dat heb gedaan.’

Archieven: Verhalen

‘Omdat mijn vader was gevlucht, mochten we niet meer bij de kazerne wonen’

Kuzay, Kay, Thomas en Feije van de Klimboom in Eindhoven zijn op bezoek bij de 97-jarige Lies Vogels. Ze is nog heel kwiek en heeft bijzondere verhalen over de oorlog. Haar vader vluchtte destijds naar Engeland op de dag voordat de Duitsers Eindhoven binnenvielen. Ze bleef achter met haar moeder, broers en zussen. Ze verhuisden naar een andere plek in de stad omdat de Duitsers in de kazerne gingen wonen waar zij woonden. Hun vader was gevlucht dus mochten ze daar niet blijven. Na de oorlog ontdekt mevrouw Vogels dingen over haar moeder die ze pas begrijpt jaren na de oorlog. Haar vader keert na de oorlog gelukkig terug.

Wat gebeurde er met de marechaussee in de oorlog?
‘De marechaussee hielp vroeger de gemeentepolitie en veldwachters bij de orde in de stad. De kazerne was in de Tuinstraat, daar woonden wij met ons gezin. De marechaussees werden een dag voordat de Duitsers Eindhoven binnenvielen, gewaarschuwd en werden via de ondergrondse meegenomen naar Frankrijk. Na een maand zijn ze via Bretagne gevlucht naar Engeland, waar het veilig was. Pas 4,5 jaar later zag ik mijn vader weer terug. Mijn vader heeft ook nog zelfs de Londense bombardementen overleefd.

Die paar leden van de marechaussee die terugkeerden naar de kazerne werden op een dag beschoten door een Duitser. Ik zag dit vanuit mijn slaapkamerraam. Het was heel eng, vooral het schreeuwen van een gewonde marechaussee is me bijgebleven. Ik zat toen nog maar in de zesde klas, hetzelfde als nu groep 8.

Omdat mijn vader gevlucht was mochten we niet meer bij de kazerne wonen en verhuisden we naar een andere plek in de stad. Het was verboden om contact te hebben met mijn vader. Mijn moeder had wel stiekem een radio verstopt zodat ze toch op de radio konden luisteren naar het Engelse nieuws om te volgen wat er gebeurde. Deze zat verstopt in de kast. Eigenlijk moesten alle communicatiemiddelen ingeleverd worden zodat er alleen nieuws kwam dat de Duitsers graag wilden.’

Was het gevaarlijk voor jullie gezin?
‘Na de oorlog kwam ik erachter dat mijn moeder wapens en marechaussee-uniformen aan de ondergrondse heeft geleverd. Zo kwam ik bij een herdenking over de oorlog in Waalre waar de burgemeester sprak over een meneer Gerels die in de oorlog voor de ondergrondse werkte. Later is deze meneer Gerels verraden en is door de Duitsers opgepakt en omgekomen in een kamp.

Ik was helemaal verbaasd. Ons gezin kreeg tijdens de oorlog iedere maand en bij verjaardagen voedselbonnen van deze meneer Gerels. Omdat mijn vader was gevlucht hadden we geen inkomen om van te kunnen leven. Ik had zes broertjes en zusjes en er was bijna geen eten. De ondergrondse hielp ons met deze voedselbonnen.

De burgemeester vertelde ook dat meneer Gerels zorgde voor uniformen en wapens voor de ondergrondse om mensen te helpen vluchten. Toen pas besefte ik dat mijn moeder de ondergrondse heeft geholpen tijdens de oorlog. Mijn moeder heeft hier zelf nooit over gesproken.
Helaas kan ik het haar niet meer na vragen.

Ook herinnerde ik me dat mijn moeder zich moest melden bij de grote Duitse commandant op het stationsplein. Daar was het hoofdkwartier van de Duitsers. Ik en mijn broers en zussen dachten dat ze nooit meer terug zou komen. Het is nog steeds een raadsel hoe ze zich uit de situatie heeft weten te praten.’

Wat gebeurde er tijdens de bombardementen rond de bevrijding?
‘De bevrijding kan ik me nog goed herinneren en daar denkt ik met vreugde aan terug.
Ik was inmiddels 16 jaar toen Eindhoven werd bevrijd. Ik weet nog goed dat de Amerikanen binnen kwamen. Alle mensen waren op straat een dag na de bevrijding. Het gevoel van vrijheid en opluchting was geweldig. Ik heb samen met mijn vrienden gevierd op de Rechtestraat. Daarna zijn we terug naar huis gegaan.

Toen ik ‘s avonds terug wilden gaan naar de stad, gingen er geruchten dat de Duitsers eraan kwamen vanuit Nuenen, ik mocht daar niet naartoe. Toen ik pas een straat van mijn huis was hoorde ik de lichtkogels aankomen. De vader van een vriendinnetje haalde me naar binnen. Toen begon het bombardement op Eindhoven. Het duurde maar kort, toch stierven die dag zeker tweehonderd mensen in Eindhoven.

Ook op de Biesterweg kwam een bom op een schuilkelder. Daarin zaten twee klasgenootjes van mij, twee nichtjes. Ik had die meisjes ‘s middags nog zien feestvieren. Hun hele gezin is omgekomen. Ook mijn moeder was doodsbang geweest want die wist natuurlijk niet waar ik was. De bommen werden willekeurig boven Eindhoven gedropt.’

Was u bij de bevrijding?
‘Ik kan mij deze dag goed herinneren. Er waren zoveel mensen in de stad. Het gevoel van opluchting en bevrijding voel je maar één keer in je leven. Ik had in die tijd een handtekeningenboekje. Dit was in die tijd normaal. Je vroeg dan aan iemand zijn verjaardagsdatum en een handtekening van deze persoon. Zo heb ik deze dag allemaal handtekeningen verzameld van Amerikanen. Het boekje heb ik nog altijd in bezit.

Jaren later heb ik per toeval twee Amerikanen uit de oorlog leren kennen die bij de bevrijding van Eindhoven waren. Deze mannen herkenden veel handtekeningen van compagnieleden. Zo ben ik via hen naar Amerika gegaan en heb ik veel soldaten leren, of kinderen van hen, die Eindhoven bevrijd hebben. Een geweldige ervaring! Ik heb zelfs Tom Hanks en Steven Spielberg leren kennen die op dat moment ‘Band of brothers’ maakten. Ik was uitgenodigd bij de première en het diner. Steven en Tom hebben ook in hetzelfde boekje een handtekening gezet.’

Archieven: Verhalen

‘Als kind struinde ik door huizen waar soldaten hadden gezeten’

De 83-jarige Jan Klercx maakte als kind de Tweede Wereldoorlog mee in Eindhoven; hij woonde bij de Theresiaparochie, vlakbij het vliegveld. Hij was nog jong en beleefde deze periode daarom heel anders dan volwassenen. Ondanks schaarste en onzekerheid ging het gewone leven voor een kind toch gewoon door, vertelt hij. Ruben, Jurre, Rufta en Elina van de Klimboom luisteren aandachtig naar zijn verhalen. Zonder telefoon, zonder fiets en vaak met maar heel weinig te eten was het leven heel anders dan nu.

Hoe ging u naar school in de oorlog?

‘Tijdens de oorlog zat ik op vijf verschillende scholen, omdat gebouwen werden ingenomen door de Duitsers. Dan werden klassen weer ergens anders ondergebracht. Of ik de achtste groep heb gehaald? Dat weet ik eigenlijk niet eens meer. Ik liep elke dag vijf kilometer naar school, en tussen de middag weer terug naar huis, en daarna opnieuw. Fietsen hadden we niet. Mijn vader had er niet eens één. Pas toen ik veertien was, leerde ik fietsen, op een fiets met houten banden.’

Kunt u iets vertellen over wat u weleens met uw vrienden deed in de oorlog?
‘Wat ik me herinner, is dat we overal gingen kijken toen de Duitsers vertrokken en de Engelsen kwamen. Als kind struinden we door huizen waar soldaten hadden gezeten. We zochten naar dingen die voor ons belangrijk waren: glimmende spullen, bijzondere vondsten voor een kind… Ik nam zelfs een keer laarzen mee, vijf maten te groot.

En een keer klom ik in een Engelse vrachtwagen, gewoon omdat het nieuw was en interessant. Ik viel eruit en brak mijn arm. Samen met mijn oudste zus liep ik kilometers naar het ziekenhuis, want bussen waren er niet.’

Heeft u de Hongerwinter meegemaakt?
‘Ik kan me niet herinneren dat ik de Hongerwinter bewust heb meegemaakt, maar ik weet wel dat ik vaak honger had. Eten was er weinig. We aten wat er was: aardappelen, wat groente als dat er was. Snoep? Dat kende ik eigenlijk niet.

We hadden geen radio, geen verborgen spullen en al helemaal geen telefoons zoals nu. Alles was eenvoudiger, maar ook schaarser. Met twee broers en zes zussen leefden we dicht op elkaar. Ik sliep met mijn jongste broer op een kamer. Mijn zussen sliepen samen op een kamer, ieder met z’n tweetjes in één bed.’

Archieven: Verhalen

‘Mijn vader is gered door een NSB’er’

Djelena, Fabienne, Nisa en Ivana van de Klimboom in Eindhoven gaan op bezoek bij Hanne Nordt-Kok (1938). Zij woonde tijdens de oorlog in Hilversum. De kinderen zijn een beetje zenuwachtig voor het interview, maar mevrouw Nordt-Kok heeft gelukkig schaaltjes met koekjes en appelsap klaar staan. Ze nemen plaats in de eetkamer tussen de grote boekenkasten met allemaal atlassen en beginnen het interview.

Hoe oud was u toen de oorlog begon?
‘Mijn zus was 7 jaar oud toen de oorlog begon en ik was 2 jaar oud. Ik kan mij daarom van de beginjaren niets meer herinneren, maar wel van daarna. Mijn zus is nu 92 jaar oud en leeft nog, ze is wel een beetje dement. Vanaf mijn vierde begon ik op te merken dat sommige dingen niet klopten. Mijn oom en tante woonden bij ons om de hoek. Mijn oom droeg altijd een uniform en ging heel vaak weg. Hij bleek in Duitse dienst te zijn.

Achteraf heb ik te horen gekregen dat mijn oom na de Eerste Wereldoorlog in 1919 geadopteerd is in het dorp van mijn ouders, in Ankeveen, in de buurt van Hilversum. Hij was een Oostenrijks kind. In de Eerste Wereldoorlog hebben ze in Duitsland en Oostenrijk veel honger geleden. Hij was de zoon van ongehuwde moeder en die kon niet goed voor hem zorgen. Daarom hadden inwoners uit het dorp hem geadopteerd en groeide hij op als een Nederlands kind. Ze hebben hem nooit genaturaliseerd want ze wisten daar niets van.

Toen de Duitsers ons land binnen vielen, werden alle mannen die Duits of Oostenrijks waren opgeroepen voor de dienstplicht. Mijn oom moest in Duitsland in dienst en hij kreeg een uniform en werd naar de Baltische staten gestuurd. Mijn tante werd er op aangekeken dat ze met een Duitse man was omdat de Duitsers natuurlijk de vijand waren. Gelukkig wist iedereen wel dat hij er niets aan kon doen. Er waren in die tijd veel Duitsers in Nederland, veel dienstmeisjes kwamen uit Duitsland.’

Had u onderduikers in de oorlog?
‘Wij hadden twee onderduikplekken waar mijn vader zich kon verstoppen als de Duitsers kwamen. Alle mannen waren werkeloos. Ze durfden niet meer te werken en daarnaast was er geen werk meer. De Duitsers haalden mannen op om in Duitsland te gaan werken, maar dat wilden de mannen niet dus doken ze onder. Een schuilplaats was tussen twee slaapkamers in, achter de inbouwkast, daar zat een loze ruimte. En de ander was op zolder, tussen het dak en het beschot.

Ik mocht daar nooit over praten, dat was geheim. Als kind snapte ik heel goed wat de ernst was en wat wel en niet goed was.

Mijn vader is toch een keer opgepakt. Bij ons in de wijk woonde een man van wie wij wisten dat hij een NSB’er was. Nadat mijn vader was opgepakt, is mijn moeder naar deze man gegaan en hij heeft haar verzekerd dat zij zich niet ongerust hoefde te maken en heeft ervoor gezorgd dat mijn vader weer thuiskwam. Hij is in een vrachtwagen richting Vught eruit gehaald dankzij deze man. Vanuit Vught werden de mannen getransporteerd naar Duitsland, waar zij in de fabrieken moesten gaan werken.

Toen de oorlog over was, werden oorlogsmisdadigers gestraft. De NSB’er uit de wijk heeft toen strafverlichting gekregen omdat hij onder andere mijn vader had gered.’

Hoe kwamen jullie aan eten tijdens de Hongerwinter?
‘In 1943 was er heel weinig eten en toen ging mijn moeder met een vriendin op de fiets uit Hilversum naar Emmen. Bij alle boeren gingen ze langs en vroegen ze om eten. Ze laden hun fietstassen vol en gingen dan weer terug. Onderweg sliepen ze in hooibergen en hooizolders van boeren. Ik denk dat mijn moeder dit drie keer moest doen gedurende de oorlog.

Eén keer is mijn moeder in de nacht bestolen op de terugweg en was al het eten weg. Het was niet zonder gevaar zo’n tocht want ze moesten over de rivieren en overal stonden Duitsers die geen mensen mochten doorlaten.’

Hoe waren de winters in de oorlog?
‘De laatste twee winters van de oorlog was het heel koud, -20 graden en er viel heel veel sneeuw. Omdat er geen gas beschikbaar was, was het ook binnen erg koud. We woonden vlakbij de gasfabriek, waar veel vrachtwagens naartoe reden met kolen. Ze werden begeleid door Duitse soldaten. Onderweg vielen er kooltjes van de vrachtwagens af. Kinderen renden daarom achter de vrachtwagens aan met een jutten zakje om de kooltjes op te rapen.

Ik was erg klein, een jaar of vier oud, en had een mooie bos krullen. Ik ging soms het terrein van de gasfabriek op terwijl dit eigenlijk niet mocht. De Duitse soldaten vonden het wel leuk om met kinderen te spelen en te kletsen dus lieten ze mij gewoon rondscharrelen en dan kwam ik wel eens met een zakje kolen thuis.’

Archieven: Verhalen

‘Het was natuurlijk heel fijn dat de Duitsers weg waren’

Ze hebben op school net allemaal lessen gehad over de Tweede Wereldoorlog en nu mogen Pippa, Elisa en Marit Betty van Galen interviewen. Mevrouw Van Galen was 5 jaar oud toen de oorlog begon. Ze woonde met haar vader, moeder en vier broertjes en zusjes in Lemmer in Friesland aan het IJsselmeer. De leerlingen van de Klimboom in Eindhoven bezoeken haar in haar appartement. Ze krijgen een glaasje cola en stellen ondertussen de eerste vragen.

Hoe heeft u de oorlog beleefd?
‘Nou, zoals ik op de foto liet zien, waren alle huizen in beslag genomen door de Duitsers behalve het onze. Dat was omdat mijn vader de brandstoffen verdeelde, waar mensen hun kachels mee stookten. Wij mochten dus in ons huis blijven wonen. Maar uit alle andere huizen moesten de inwoners vertrekken, daar kwamen Duitsers te wonen. Dat waren natuurlijk Duitsers die helemaal geen oorlog wilden voeren. Maar zij moesten van Hitler het leger in. Het waren hele aardige mensen, dus wat dat betreft heb ik dat nooit eng gevonden. Maar wij moesten wel onze school uit. Al die gebouwen werden allemaal in beslag genomen door de Duitsers, dus we hadden heel weinig onderwijs. We mochten weliswaar om de beurt in het parochiezaaltje wat lessen volgen, maar we kwamen wel veel tekort.’

Heeft u ooit naar de radio geluisterd?
‘Iedereen moest zijn radio inleveren bij de Duitsers. Er stond een grote vrachtauto en alle radio’s moesten daarin. Ik kwam thuis en zei tegen mijn vader: ‘Ik heb onze radio zien staan’. ‘Dat is mooi’, zei mijn vader. Maar het was niet zo. Mijn vader ging elke avond als wij in bed lagen om acht uur naar zijn slaapkamer, waar hij in een kast zijn radio had verstopt. Dan luisterde hij naar Radio Oranje. Dat was de zender vanuit Engeland waar ze het nieuws brachten over hoe het ging.

Ik was eens ziek geweest en een tante had me beloofd dat als ik beter, ik in Zwolle een grote pop bij haar mocht komen halen. Dat deed ik ook. Mijn moeder was zuinig dus ik mocht niet altijd met die pop spelen. Op een dag wilde ik mijn vriendinnetjes in de slaapkamer van mijn ouders de pop laten zien en toen zag ik de radio in de kast. Ik kwam beneden en zei: ‘Goh, onze radio staat in jullie kast’. Toen zei mijn vader: ‘Nou dat kan niet, ik zal eens gaan kijken’. Mijn vader ging naar boven en kwam terug. Hij zei: ‘Die staat er helemaal niet’, maar hij had hem natuurlijk snel weggezet.’

Hoe was de bevrijding voor u?
‘Aan de bevrijding ging een hele enge nacht vooraf. Wij zaten in onze kelder te schuilen. De Duitsers hadden bij ons in het dorp Lemmer op een plek in de haven allerlei boten neergelegd zodat ze konden vluchten als het verkeerd af zou lopen. Later die nacht nam mijn vader ons mee en liet ons uit het raam kijken. Achter ons huis was een dijk waaraan het IJsselmeer lag, en daar zag je al die Duitsers en paarden over het dijkje naar de boten lopen. Dat was best spannend.

Het was natuurlijk heel fijn dat de Duitsers weg waren. Overal in het dorp zag je de Nederlandse vlaggen. Het was feest! We kregen lolly’s. In de oorlog hadden we bijna niks en dus ook geen snoep gehad. En toen ineens lolly’s… ja dat was erg feestelijk. Er was ook een optocht. Ik weet nog wel dat mijn broer die matroos was, daar liep met slingers en ik en mijn zus liepen erachter. Het duurde wel heel lang tot dat je alles weer kon kopen, zoals lekkere boterhammen.’

Archieven: Verhalen

‘De voedselbonnen vlogen weg en ik moest terug naar huis zonder eieren’

Kaya, Rafael, Juara en Djaabir van de Klimboom in Eindhoven verwelkomen Gijs Kramer op hun school om hem daar te interviewen. De jongens zijn wat zenuwachtig, maar meneer Kramer is dat ook, daar kunnen ze elkaar al in vinden. Hij vertelt een indrukwekkend verhaal en de stoere jongens luisteren muisstil naar hem. Meneer Kramer is geboren in 1940 in Woensel.

Had u honger in de oorlog?
‘Philips kwam in de buurten met wagens eten brengen. Ik weet niet of wij als gezin genoeg eten hadden, maar wat ik mij wel nog herinner zijn de voedselbonnen na de oorlog. Ik had een eierbon en moest naar de Edah om de eieren te halen. Op de hoek van de straat twijfelde ik of ik de bonnen nog had en ik opende mijn hand. Toen vlogen de bonnen weg. Ik moest toen terug naar huis zonder eieren, dat was niet leuk.

Dat deden ze na de oorlog heel goed. Mensen die geld verdiend hadden aan de oorlog, de criminelen, hadden veel zwart geld. Minister van Financiën, meneer Lieftinck, heeft nieuw geld laten drukken waardoor oud geld niets meer waard was en iedereen gelijk was. Iedereen heeft toen nieuw geld gekregen.’

Luisterde u ook naar de radio in de oorlog?
‘Mijn grootvader had een radio verstopt achter het gordijn in huis. Ik heb hem later gevraagd waarom hij zo stom kon zijn om de radio daar te verstoppen. Zijn antwoord was: als ze hem vinden hoop ik dat ze denken: die is zo stom, en dat ze dan niet verder gingen zoeken naar andere dingen. Als er iets gevonden werd, dan werd je naar Vught gebracht.

Er was verder geen muziek in de oorlog, maar ik kan me nog herinneren dat er buiten een muziekwagen stond. Deze draaide Duitse muziek. Ik heb achteraf gehoord dat ik werd meegetrokken door mijn moeder en niet bij de muziekwagen mocht blijven kijken.’

Wat deed uw oom in het verzet?
‘Mijn oom werkte op de posttrein. Er was één coupé waar alleen maar post stond. In die coupé werd tijdens het rijden van de trein alle post gesorteerd. Mijn oom heeft op die manier ook wat brieven voor het verzet kunnen smokkelen. Op een dag toen mijn oom aan het werk was, zagen collega’s dat twee onbekende mannen de trein in glipten net voordat die vertrok. Ze hebben toen gebeld naar het volgende station. De mannen waren niet meer in de trein, maar mijn oom ook niet. Toen zijn ze gaan zoeken en ver van het spoor is mijn oom dood gevonden, vermoord.’

Kende u Joodse mensen in de oorlog?
‘Ik heb drie zussen, eentje is geboren in de oorlog op een hele bijzondere dag. Mijn moeder was tegelijkertijd in verwachting met een Joodse vrouw die ondergedoken zat bij mijn tante thuis in de Leeuwenstraat in Tivoli (Eindhoven). Dit speelde zich af eind 1943. Zodra mijn moeder zou bevallen, zou zij mijn broertje of zusje aangeven als een tweeling zodat de pasgeboren baby van het Joodse gezin op papier niet Joods was.

Het Joodse gezin had een slechte conditie want ze zaten opgesloten in een kamertje. Toen hun baby’tje geboren werd, bleek dat het een slechte gezondheid had. Iedere dag kwam er een dokter, die op de Roostenlaan woonde, langs om naar het kindje te kijken. Op dezelfde dag dat mijn zusje geboren is, wat op de verjaardag van mijn moeder was, is dat baby’tje bij mijn tante thuis overleden. Het was voor iedereen een hele zware en hectische dag. Na de oorlog heb ik nog twee zusjes gekregen.’

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892