Archieven: Verhalen

‘Mijn ouders dachten dat ze veilig waren’

Nasr-Eddine, Ilias M., Cherenio en Hossin ontmoeten Simon Italiaander op hun school, basisschool de Wiltzangh. ‘Ik dacht dat hij er ouder uit zou zien,’ zegt een van hen. Simon werd dan ook aan het begin van de oorlog geboren. Er wordt meteen gepraat over hoe de buurt veranderd is. Later nemen ze ook nog een kijkje bij het ouderlijk huis van Simon.

Hoe was de buurt en hoe is het uw familie vergaan?
‘Hier, waar de school staat, was de rand van de stad. Er waren nog geen supermarkten, maar allemaal kleine winkeltjes. De groenteman had geen koelkast dus die haalde je alles vers bij de Martkhallen aan de Jan van Galenstraat. Mijn vader en opa hadden daar een grossierderij, een groothandel, waar zij aan winkels verkochten. Vanaf 1941 waren dat alleen nog maar Joodse winkels. Ze werkten in de voedselvoorziening voor de Joodse Raad en hadden daarom een zogenoemde sperre. Dat betekent dat ze niet op transport zouden gaan omdat ze belangrijk werk hadden. Dat heeft ze het leven gekost, ze hebben net iets te lang gewacht. Toen ze in 1943 wel gingen onderduiken, bleven ze eerst nog een nacht in de Orteliussstraat. Daar zijn ze verraden en opgepakt. Mijn moeder is meteen in Auschwitz vermoord. Mijn vader heeft nog een tijdje moeten werken en heeft het ook niet overleefd. Ik heb mezelf vaak die vraag gesteld: wisten mijn ouders iets? Ze waren te naïef en dachten dat ze eraan zouden ontsnappen.’

Hoe heeft u het overleefd?
‘Ik werd van mijn ouders gescheiden en ging onderduiken. Toen was ik opeens stiekem geen Jood meer. Ik heb nooit geweten dat het iets aparts was, dat kwam later pas. Ik ging eerst naar Haarlem, maar daar werd ik teveel omdat die mensen zelf ook een kindje kregen. Toen ging ik naar Alkmaar. Dat lag bij boerderijen, dus hadden we voldoende te eten. Toch ben ik na de oorlog behandeld voor hongeroedeem. Door de hele situatie ben ik altijd een braaf kindje geweest. Ik speelde niet buiten en had geen gelegenheid om vriendjes te maken. Ik heb wel altijd contact gehouden met mijn onderduikfamilie de Geus. De kinderen, die zijn van mijn leeftijd, zijn vrienden voor het leven gebleven.’

Inmiddels staan we op de Admiraal de Ruyterweg. Simon laat voor de deur van zijn ouderlijk huis op zijn telefoon een foto zien waar zijn moeder hem als baby vasthoudt op het balkon op één hoog. Ook een foto van zijn vader als jongeman komt voorbij.

Hoe ging het verder na de oorlog?
‘Drie maanden na Bevrijding werd duidelijk dat mijn ouders niet meer terugkwamen. Ik ben nog een keer naar Auschwitz geweest, dat was voor mij de begrafenis. Mijn opa, ook Simon genaamd, had het wel overleefd. Een klant van hem, Jan Kuiper, woonde op de Prinsengracht. We mochten toen bij hem gaan wonen, die man verdient nog een standbeeld. Na de oorlog heb ik wat foto’s gekregen van mijn ouders. Dat was best vreemd om terug te zien, ook moeilijk. Ter herinnering aan mijn ouders liggen deze struikelsteentjes hier, voor het laatste huis dat zij zelf hebben uitgekozen, zodat mensen hier even kunnen stilstaan en er met hun gedachten over kunnen ‘struikelen’.’

We lopen weg en een van de jongens legt nog even eerbiedig zijn hand op de kleine koperen plaatjes. Terug bij school nemen we afscheid met de woorden van Simon: Zorg dat zoiets niet nog een keer gebeurt, toon een beetje begrip voor elkaar. Als ik jullie zo samen zie, dan denk ik: zo hoort het ook.

De jongens vinden het fijn dat Simon zo rustig en positief is tijdens het gesprek. De steentjes zullen ze zeker niet vergeten. Volgende keer zullen ze erop letten als ze langslopen. Dan zullen ze even omhoog kijken en in gedachten Simon met zijn moeder op het balkon zien staan.

Archieven: Verhalen

‘Mijn vader kwam elke dag kapot van de honger en kou thuis’

Brandeisfotografie.nl

Joop Bongers woonde schuin tegenover de Visserschool, zijn (toekomstige) vrouw Hennie woonde er om de hoek. Interessant dus voor Aya en Safae uit groep 8 van deze school om te horen hoe het in oorlogstijd daar was. Met een bak snoeptomaatjes op tafel vertelt vooral Joop voluit, want hij was ‘al’ vier toen de oorlog uitbrak. Hennie is vijf jaar jonger, maar herinnert zich de bevrijding nog goed.

Hoe zag het plein eruit tijdens de oorlog?
Joop: Er was een hele grote zandbak, een draaimolen, een glijbaan en een klimkooi. Ik vond het er heerlijk spelen. Mijn moeder kon zo uit het raam mij in de gaten houden.
Hennie: Op het plein stonden hoge, dikke populieren.
Joop: Toen ik op mijn vierde naar school moest, vond ik dat verschrikkelijk. Ik was mijn vrijheid kwijt! Zo begon voor mij dus de oorlog.
Hennie: Ik vond het wel leuk op school, kon ik lekker knutselen.
Joop: We hadden een juf voor drie volle klassen, omdat de meesters waren opgeroepen om in Duitsland te werken. Omdat de Duitsers scholen bezetten, moest ik ook een paar keer van school veranderen. Uiteindelijk ben ik in de vierde klas een jaar teruggezet, zo’n achterstand had ik opgelopen.

Heeft u erge dingen meegemaakt?
Joop: We zagen een keer een vliegtuig boven het Columbusplein rondcirkelen. Het was een Engels vliegtuig, op weg naar Duitsland, en dat werd neergeschoten. Ademloos keken we naar boven; de piloot was eruit gesprongen en hing aan een parachute.  Opeens zagen we wolkjes en was ie vanaf de grond neergeschoten. Ook zag ik een keer hoe een NSB’er die bij ons in de buurt woonde werd doodgeschoten door mensen van de Binnenlandse Strijdkrachten. De kogels vlogen over ons hoofd, dat was heel angstig. Ze brachten hem weg op een ladder van de speeltuinbeheerder. Ik zie nog z’n armen en benen zwabberen terwijl ie daarop lag.
Hennie: Wij zagen die man langs ons huis voorbij worden gebracht!

Hoe was de oorlog voor uw ouders?
Joop: Mijn vader werd voor de keus gesteld om in Duitsland te werken of bij Ford, dat de Duitsers hadden ingepikt, te blijven werken. Met een gezin om voor te zorgen en een slechte gezondheid besloot hij bij Ford te blijven als chauffeur. De omstandigheden waren slecht. Hij had het koud en mocht geen deken gebruiken of dikkere jas aantrekken. Hij kwam elke dag kapot van de honger thuis.
Hennie: Mijn moeder is op de fiets helemaal naar Schagen gegaan om eten te halen voor ons.
Joop: Mijn moeder heeft haar mooie, dure badpak geruild voor een zakje suiker. Een buurvrouw is na een hongertocht op de fiets naar West-Friesland thuis bij de voordeur dood neergevallen van ellende.

Wat deden jullie toen de stad bevrijd was?
Hennie: Ik herinner me juichende mensen en feest bij de speeltuin.
Joop: De vreugde was overweldigend. Ik heb de Canadezen die ons bevrijd hebben over de Hoofdweg zien gaan. Ze deelden sigaretten en chocola uit en overal werd gedanst, gezongen en gezoend. Vroeger werd die dag, Bevrijdingsdag, enorm gevierd. Je zag overal vlaggen. Nu is dat helaas minder.

Archieven: Verhalen

‘Op een dag zei mijn moeder: de familie van Inge is weg’

Het is best een stukje met de tram nog, naar de andere kant van de stad. Maar dan staan we in de huiskamer van Edith Postma (1932), met een fantastisch uitzicht over de Amstel. Salma, Yasin en Merteren hebben hun vragen goed voorbereid.

Hoe was het begin van de oorlog?
Wij woonden aan de rand van de stad en keken zo op de boerderijen, de weilanden met koeien en de groentetuinen van Dirk van de Broek. Als het luchtalarm ging, zaten we met de buren op de overloop met onze jas aan. Dat was zelfs nog gezellig. Maar we waren ook bang want er kon altijd een bombardement komen. Wij hadden zwarte rolgordijnen voor de ramen en de Luchtbescherming belde boos aan als er een beetje licht naar buiten kwam. Als mijn zus naar de wc ging, nam ze de enige lamp in huis mee. Mijn vader had een fiets in de kamer gezet om elektriciteit op te wekken. De radio moesten mijn ouders inleveren. Ze durfden daar niet stiekem naar te luisteren. Ze waren bang dat een van de kinderen zou kletsen tegen de buren, dat waren NSB’ers. Wij moesten onze school uit, want daar zaten Duitse soldaten. Voor kinderen gaat het spelen ook gewoon door. Het zorgen is voor de ouders, zij moesten voorzieningen treffen.

Kende u Joodse mensen?
Ik had een joods vriendinnetje, Inge. Zij woonde verderop bij mij in de straat, ik zou het nog zo aan kunnen wijzen. Zij kwam mij ophalen en dan gingen we samen naar school. Opeens had zij een ster op en even later moest zij naar een andere school. Mijn moeder had eens een winterjas voor mij genaaid. Zij vond zwart zo saai voor een kind, dus toen heeft ze een rode voering erin gezet. Inge kwam mij ophalen en zei: ‘Zo ga ik niet naast je lopen, je lijkt wel een NSB’er!’ Die liepen in zwart-rode uniformen en ik had ook nog eens blonde vlechtjes. Ik vond dat zo vreselijk, mijn moeder heeft toen al het rode eraf moeten halen, terwijl ze zo haar best had gedaan. Op een dag zei mijn moeder: ‘De familie van Inge is weg’. Later hebben we gehoord dat de hele familie is vergast. Ik heb me nog wel eens afgevraagd waarom mijn ouders niets hebben gedaan. Dat zal wel de angst geweest zijn.

Fotografie: Mildred Theunisz

Hoe was de Hongerwinter?
Het was het zwaarst voor mijn moeder, zij probeerde alles toch nog zo lekker mogelijk te maken. Je at eigenlijk alles wat eetbaar was, waar je niet dood aan ging. We zagen ook mensen naar de tuinderijen gaan voor eten, maar op de terugweg moesten ze dat weer inleveren bij de soldaten. Ik ging op een gegeven moment op klompen naar school, want er waren geen schoenen meer. In de zomer droeg je kleppertjes, dat waren houten plankjes met een leren riempje. Ik heb nog wel een grappig verhaal. Wij hadden familie op bezoek uit Amsterdam-Oost. Die moesten lopen want er reed geen tram. Mijn moeder had ze bij afscheid een bakje soep meegegeven. De volgende ochtend bleek dat ze in het donker de verkeerde pan had gepakt en dat ze sopwater had gegeven. Ik ben toen naar Oost gelopen om te kijken hoe het met ze ging. Het smaakte wel gek, zeiden ze, maar ze waren gelukkig niet ziek geworden. Wat een feest was het toen we bevrijd waren! Er ging een gerucht dat de Duitsers zich hadden overgegeven en voorzichtig kwamen mensen naar buiten. Er waren straatfeesten en hardloopwedstrijden en we aten brood zo lekker als cake. Een vader van een  vriendinnetje zat bij de NSB; zij zijn toen opgepakt en op een kar rondgereden. Maar dat vriendinnetje kon het toch ook niet helpen! De oorlog is over, maar ik denk er nog wel vaak aan.  

Archieven: Verhalen

‘De oorlog had niet langer moeten duren’

Gerda en Antonia de Groot werden geboren in 1938 en 1941. Nadat hun vader wegens dwangarbeid was weggehaald, moest hun moeder het alleen zien te rooien met de zusjes en hun oudere broer. In de gemeenschappelijke ruimte van het wooncomplex van Antonia in Slotervaart (Gerda kwam voor de ontmoeting vanuit Purmerend op bezoek) vertellen ze aan Rejay, Sivora en Paulo van de Visserschool vooral over de enorme honger die ze hadden. Een mooi gesprek, waarbij de kinderen de ervaringen van de zussen aanvullen met de geschiedenislessen die ze op school hebben gehad.

Jullie waren heel jong in de oorlog. Hoe merkten jullie dat het anders was?
Antonia: ‘Mijn eerste herinnering is dat ik op de  trap zat te huilen, trappelend met mijn voeten, wachtend tot mijn moeder terugkwam. “Honger, honger, honger,” riep ik. Ik begreep niet waarom er geen eten was.’
Gerda: ‘Ik moest op je passen tot onze moeder terug was. Ze zocht naar eten. Soms gingen we mee, bedelen voor wat te eten bij de rijkere mensen in de Haarlemmermeerstraat. Bij de gaarkeuken kregen we aardappelschillensoep. Je had honger, dus je at alles. We likten tonnen waar eten in had gezeten uit. Onze moeder werd ziek van de honger. Ze had hongeroedeem, waardoor ze dikke benen met allemaal viezigheid erop kreeg.’
Antonia: ‘Vlakbij ons huis, aan de Postjesweg, zaten Duitse soldaten in het klooster tegenover de kerk. Die kwamen ’s avonds controleren of alle ramen wel waren afgeplakt.’
Gerda: ‘Pas toen ik een jaar of vier was, begon ik te beseffen dat hoe wij leefden niet normaal was. Dat het ‘oorlog’ was.’

Konden jullie naar school?
Antonia: ‘Ik pas na de oorlog, toen ik vier was.’
Gerda: ‘Ik ging naar de Corantijnschool. Aan het eind van de oorlog kon ik daar niet meer naartoe, want ik had geen schoenen meer. Alles was op, niet alleen het eten, ook kleding en dus schoenen. Versleten waren ze, of geruild voor eten. Mijn moeder ruilde onze mooiste spullen – lakens, handdoeken, kussenslopen – bij de boeren hiervoor. Dan ging ze op een fiets met houten banden naar het platteland waar wel voldoende eten was. Ik snap nog steeds niet waarom de boeren dat niet gewoon weggaven. Ze wilden er wat voor hebben. En ze gaven dan ook nog eens heel weinig.’

Herinneren jullie je de Bevrijding?

Antonia: ‘De Duitsers moesten weg en marcheerden door onze straat. Wij keken voor het raam toe, maar mijn moeder vond dat eng en haalde ons er vandaan. Stel je voor dat ze toch nog zouden schieten!’
Gerda: ‘De oorlog had niet langer moeten duren. We waren uitgehongerd. Er was geen eten, geen hout, geen elektriciteit. Gelukkig werden er na de bevrijding voedselpakketten vanuit de lucht gedropt. Ik heb nog nooit zoiets lekkers gegeten als het Zwitsers witbrood! Moeder verdeelde dat; voor elk kind twee plakken voor de middag en twee voor de avond. Maar toen we met grote ogen na de lunch naar de rest van het brood staarden, zei ze: ‘ach, wat maakt het ook uit’. We mochten lekker alles opeten! Wel moest je rustig aan doen met eten. Je maag was niets gewend. We hebben toen ook voor het eerst chocola gegeten!’
Antonia: ‘Een paar maanden later kwam onze vader thuis, in een grote legertruck met een rood kruis erop werd ie afgezet. Hij was heel mager geworden. Maar hij had goeie moed om er weer hard voor te werken om het leven weer beter te maken.’

      

Archieven: Verhalen

‘Die soldaten moesten alleen maar lachen om dat kleine meisje’

Toos, geboren in 1931, verwelkomt de kinderen bij de deur van haar huis in Geuzenveld en gaat dan in de keuken koffie zetten. Opvallend zijn de twee erg grote katten van Toos. Hele lieve beestjes, maar Riham, Mehmet en Rayan van de Visserschool hebben toch liever niet dat ze op hun schoot gaan zitten.

Wat merkte u van de bezetting?
Er was honger, angst en je hoopte dat je het zou overleven. Toch ben je daar als kind niet echt mee bezig. Kinderen gingen altijd voor bij ons. Zij zijn het belangrijkst in het leven, vonden mijn ouders, zij moeten het doorgeven. In het begin was alles nog redelijk normaal, maar er kwam steeds meer narigheid. Soldaten liepen in uniform met geweer; dat vond ik eng om te zien. De school werd bezet, dat werd een soort kazerne voor Duitse soldaten om te slapen. Je was dan wel lekker thuis, maar je miste zo wel een hoop. Moffen zijn slechte mensen, maar die soldaten werden ook maar gestuurd. Als je weigerde, kreeg je de kogel. Er zijn ook goede soldaten geweest. Ik heb van een van hen nog eens een stuk brood gekregen. Dat vind ik zo lief, ik kan er nog om huilen.

Wat vond u het ergste in de oorlog?
Zo’n oorlog is in het geheel erg, je maakte van alles mee. Ik hou heel erg van beesten, dat hebben jullie al gemerkt. Tijdens de oorlog zag ik een keer soldaten die met geweren op vogeltjes schoten. Ik was zo kwaad, ik ben naar ze toe gerend en schreeuwde: ‘Wat hebben ze je ooit gedaan? Niets!’ Die soldaten moesten alleen maar lachen om dat kleine meisje. Er reed ook eens bij ons een vrachtwagen met soldaten door de straat en iedereen moest naar binnen. Aan de overkant stond een man op balkon en die ging niet naar binnen. Toen hebben ze hem zo doodgeschoten. Ook werden er mannen weggehaald om in Duitsland te werken. Mijn vader zat in een werkkamp in Drenthe. Hij is toen gevlucht en in vijf dagen terug naar Amsterdam gelopen. Mijn moeder was een potig wijf en zocht overal oplossingen voor. Er stond een grote boom aan de Jan Pieter Heijestraat. Die is mijn moeder samen met drie mannen om gaan zagen, maar de boom viel tegen de tramkabel aan. Ze zijn weggegaan en later zagen ze de boom weggesleept worden door de Duitsers. Wat was ze kwaad, daar ging die boom!

Brandeisfotografie.nl

Hoe was de Hongerwinter?
We hebben verschrikkelijk veel honger gehad. Mijn moeder ging de boer op. Als er graan van een kar viel, dan pakte ze dat op. Soms werd het zelfs expres op de grond gegooid. Die tarwekorrels werden gemalen in een koffiemolen en daar werden een soort pannenkoekjes van gemaakt. Maar ik wilde het liefst gewoon lekker stamppot eten. Er was ook geen brandstof meer, dus de boel was ook niet meer te verwarmen. Mijn vader had een ijzeren kacheltje gemaakt, daar gingen de houten kastdeuren in stukjes in. Het hout van zolder is het laatste oorlogsjaar ook helemaal afgebroken, of we gingen tramblokjes stelen voor in het vuur. Als er dan soldaten kwamen, werden we gewaarschuwd en konden we de benen nemen.
De gaarkeuken was een prachtige instelling, maar het was niet te vreten. Ik moest een keer watergruwel eten en dat vond ik zo vies. Mijn broertje is toen mijn moeder gaan halen, maar het was al te laat. Ik had alles onder gespuugd. Toen de oorlog afgelopen was, dropten vliegtuigen pakketten waar eten in zat. Ik at toen heerlijk wittebrood, dat was zo’n feest!

Archieven: Verhalen

‘’s Nachts hoorde je keihard tiktiktiktik, de volgende dag gingen we verzamelen’

Negen jaar was Herbert Gunst toen de oorlog begon. Na eerst een gesprek in een klaslokaal op de Visserschool vertelt hij tijdens een wandeling naar zijn ouderlijk huis aan Ojay en Tamara verder over wat er zoal in de buurt gebeurde tijdens de oorlog. Zijn vrouw Ans wandelt mee en heeft in haar tas iets meegenomen dat Herbert vroeger verzamelde.

Wat vond u van de oorlog?
Ik vond het een rare en ook spannende tijd. Raar, omdat we maar halve dagen school hadden. De Duitse soldaten hadden sommige scholen ingepikt. De leerlingen werden dan bij een andere school gestopt, waarbij de ene helft alleen in de ochtend les had en de andere de middag. Dat was dus wel anders en raar. Maar ik kon wel gewoon buiten spelen. Amsterdam was veel kleiner in die tijd. Bij de Hoofdweg was een landje waar toen nog geen huizen stonden. Dat noemden we het Hoofdweglandje, daar konden we lekker spelen. Jatten we bij de groenteman aan de Jan Evertsenstraat een aardappel en die gingen we dan op een zelfgestookt vuurtje op het landje warm maken. Dat smaakte naar niks, maar het was wel avontuur.

Bent u wel eens opgepakt?
Ik ben niet Joods, dus het risico om naar een concentratiekamp te moeten liep ik niet. Wel werden  jonge mannen opgepakt voor dwangarbeid. Ook mijn vader kreeg op een dag een oproep en als je dan niet kwam, kreeg je straf. Per boot werd hij over de Zuiderzee, dat nu het IJsselmeer heet, naar het oosten van het land gebracht om daar loopgraven aan te leggen en versperringen te bouwen om de Engelse bevrijders tegen te houden. In het begin hadden we nog wel contact, later kon dat niet meer omdat de brug over de IJssel weg was. Uiteindelijk werd hij daar wel eerder bevrijd dan wij in Amsterdam. Daar duurde de oorlog langer.

Heeft u Duitse soldaten gezien?
Op het Balboaplein, vlak naast mijn huis, oefenden de Duitse soldaten met nepgranaten. Er knalde wel iets, maar ze waren dus niet echt. Ook marcheerden ze naar het Hoofdweglandje om daar te oefenen met schieten, op schietschijven. Wij stonden toe te kijken en wilden graag na afloop de lege patronenhulzen hebben. Ze vonden dat maar niks en jaagden ons weg. Maar als jonge jongen spaarde je dat soort dingen graag. Zo ging ik de ochtend na een luchtaanval granaatscherven verzamelen; ik heb er enkele bewaard. Je hoorde ze ’s nachts vallen, tiktiktiktik. Moet je kijken hoe groot ze zijn; die wil je niet op je krijgen, he.

Wat deed u als er zo’n aanval was?
Dan gingen we met de buren van een, twee en drie hoog schuilen in de hal beneden. Ik nam een koffertje met speelgoed mee, mijn vader een tas met papieren en geld. Stond je met al die knallen om je heen te wachten of er wat gebeurde. We hebben nooit weg moeten rennen. Eigenlijk denk ik nu dat het niet zo slim was om daar te staan. Wat zou je doen als er iets voor of op het huis ontplofte?  Maar ja, wat moest je anders?

       

Archieven: Verhalen

‘Soms denk ik, heb ik het wel echt beleefd? Maar zoiets verzin je niet!’

Mevrouw Ide was 12 jaar toen de oorlog begon en woonde in de Waverstraat met haar ouders, een straat waar veel Joodse mensen woonden. Haar ouders hebben veel onderduikers opgevangen. In 1944 verhuisden ze naar de Rijnstraat omdat het te gevaarlijk werd. Jasper, Ilyas en Rohan van de Wiltzanghschool uit Bos en Lommer reizen met de tram naar Amsterdam-Zuid voor het interview met haar.

Wie zaten er bij u thuis in het verzet?
Mijn vader en moeder zaten diep in het verzet. Ook mijn neven, tantes en ooms zaten in het verzet. Mijn ouders hadden altijd voor korte tijd onderduikers in huis. Soms waren het vier soms wel twaalf mensen. We hadden geen geheime plek, dus ze bleven nooit langer dan een paar nachten, dan gingen ze weer naar een volgend adres. Ik was 15 jaar toen ik zei dat ik ook mee wilde werken. Mijn vader zei toen: “Dat is goed, want als een van ons gepakt wordt zijn we toch allemaal de klos”.  Omdat ik een gewoon schoolkind was met lange vlechten konden ze me goed gebruiken, want ik zag er heel onopvallend uit. Ongeveer één keer per maand kreeg ik iets te doen. Ik ging dan met duizenden guldens of distributiebonnen in mijn schooltas op weg en moest een adres uit mijn hoofd leren om het naar toe te brengen. Verder wist ik niks. Want hoe minder je wist, hoe veiliger het was. Ik was altijd misselijk van de angst en spanning.

Ben u zelf nooit gepakt?
Op een dag liep ik op straat met mijn schooltas vol bonnen, ik sloeg een hoek om en de straat stond vol met mannen die uit hun huizen werden gedreven. In 1944 waren alle joden al grotendeels weg, dus werden de Hollandse mannen opgepakt om te werken in de Duitse fabrieken. De zwarte politie kwam op me af en vroeg op strenge toon waar ik vandaan kwam en waar ik naartoe ging. Met benauwde stem zei ik: “Nou, gewoon van school”. Ik gaf een verkeerd adres op waar ik de spullen heen moest brengen. Ik kreeg een stomp in mijn rug en mocht doorlopen. Met mijn lange vlechten geloofden ze me gelukkig. Uit mijn ooghoek zag ik al die mannen en ook jonge jongens uit hun huizen worden gesleurd. Ik ben aangekomen op mijn geheime adres maar had van angst in mijn broek gepoept.

Is er een keer iets gevaarlijks gebeurd?
Ik denk dat het rond 1941 was. Op een dag kwam ik uit op het Daniel Willinkplein, nu het Victorieplein. Daar was iets vreselijks gebeurd. Dat hele plein lag vol met mensen die op hun buik lagen en óver die mensen liepen kerels in groene uniformen met zwarte laarzen aan. Al die mensen brulden en schreeuwden terwijl die kerels er gewoon overheen liepen! Ik was zo overstuur toen ik op school kwam dat ik alleen maar uit het raam staarde. Mijn lerares kwam naar me toe en vroeg wat er was. En toen heb ik het verteld. Sinds die tijd heeft ze altijd exra op me gelet. Soms denk ik, heb ik het wel echt beleefd? Maar zoiets verzin je niet!

Wat heeft u nog meer meegemaakt?
In de Waverstraat hadden wij een buurvrouw, Lilly Franken Josephy. Zij hielp mij met mijn huiswerk Latijn en Grieks. Op een avond was ik daar toen er werd aangebeld. Ze deed open en er stapten twee mannen van de zwarte politie binnen. Ze zeiden: “We komen u halen!” En toen zei Lilly: “Ik wil niet mee. Ik maak me dan liever van kant!” Waarop die ene poltieman zei dat hij dan even moest overleggen. Hij kwam terug en gaf haar zijn revolver met de woorden: “Hier, doe maar.” Ik had me in een hoekje van de woonkamer teruggetrokken en hoorde en zag alles. Tilly zette de revolver tegen haar hoofd en klikte. Maar ze hadden de kogels eruit gehaald. Ze deed haar ogen open en vroeg of ze dood was? “Nee hoor,” riepen die kerels, “je gaat met ons mee”. Op dat moment ontdekte ze mij en vroegen ze wie ik was en wat ik kwam doen. Na een paar klappen riepen ze dat ik snel weg moest gaan en ze hebben haar meegenomen. Ik was zo van slag dat ik het hele verhaal pas een week later aan mijn ouders heb verteld.

Fotografie: Saskia Gubbels

Lilly heeft het helaas niet overleefd. Haar baas heeft haar tot twee keer aan toe uit de Hollandsche Schouwburg gered. Hij zei dat hij haar niet kon missen omdat ze heel belangrijk werk deed. Maar ze weigerde onder te duiken. Steeds dacht ze: nu laten ze me wel gaan. Toen ze de derde keer al in de trein zat is het haar baas niet meer gelukt haar eruit te krijgen.

Archieven: Verhalen

‘Dat ze werd meegenomen terwijl ze niets had gedaan…’

De 87-jarige Jenny de Jong vindt het erg leuk én heel belangrijk om haar verhaal te vertellen. Junie, Ana, Sara, Pim en Sem van de Meidoorn hangen aan haar lippen als zij  haar indrukwekkende verhalen vertelt. En van ‘u’ zeggen wil ze niet weten. “Jullie zeggen gewoon Jenny, want als we het over de oorlog hebben dan ben ik even oud als jullie.”

Wat herinnert u van de oorlog?
‘Ik was 9 jaar toen de oorlog uitbrak. Ik weet nog dat er op een gegeven moment allemaal schuilkelders gebouwd werden en toen hoorde ik op 10 mei dat mijn moeder tegen mijn vader zei: “Oooh, nou is het oorlog, nou is het oorlog!” Tegen mij zei ze: “Je mag wel buiten spelen maar als het luchtalarm af gaat moet je meteen naar binnen komen.” Op een dag moest ik van mijn moeder een boodschapje doen. Toen ik de winkel uitliep, ging opeens het luchtalarm. Ik liet mijn tas van schrik vallen en rende zo hard als ik kon naar huis. Dat was de eerste dag van de oorlog en ik was heel erg bang.’

Hoe was het op school?
‘Het tweede oorlogsjaar mochten er geen Nederlandse liedjes meer gezongen worden in de klas. Bij ons was er één meisje dat een ster droeg: Truusje. Ik weet nog dat het dat jaar een hele warme zomer was. Onze juf zei: “Zullen we nou eens lekker stout zijn en die ramen open gooien en dan lekker al die liedjes zingen?” We waren bijna 11 jaar dus dat vonden we hartstikke spannend. Dus wij allemaal heel hard die liedjes zingen. Opeens werd er heel hard op de deur gebonkt en kwamen er drie hoge Duitse officieren binnen. “Mitkommen!” schreeuwden ze tegen de juf. Maar ook Truusje moest mee. Wij bleven als versteend achter. De directrice zei dat ze vast snel terug zouden komen. Pas 14 dagen later kwam de juf weer in de klas. Ze wist niet wat er met Truusje gebeurd was. Ze is echter nooit meer teruggekomen en haar vader en moeder ook niet. Dat vergeet ik nooit meer. Dat ze werd meegenomen terwijl ze niets had gedaan.’

Hoe was de oorlog voor uw gezin?
‘In het derde oorlogsjaar was er minder te eten, maar wij –  mijn ouders, broertje en ik –  konden nog gewoon op vakantie naar mijn opa en oma in Gelderland. En daar hadden we heel veel plezier. Opeens kwam er voor mijn vader een telegram waarin stond dat we direct terug moesten naar Amsterdam. Wat bleek, er was een hele grote granaat op het dak van ons gekomen. Door het plafond, door mijn bed, waarna de granaat was blijven hangen op één hoog, in een kast, niet ontploft.  Daar sliepen een oudere meneer en  mevrouw en die waren hartstikke doof. Die bom was in hun kast terechtgekomen en ze hadden niks gehoord! Ze sliepen gewoon door! Later hebben we er nog vreselijk om gelachen.’

Hoe was de Bevrijding?
‘Die kan ik me ook nog heel goed herinneren. Mijn vriendinnetje en ik mochten onze nieuwe rokjes aan, die waren van lakens gemaakt. Zo gingen we helemaal blij naar de Dam want daar zouden Canadese soldaten komen. Opeens zag ik op een balkon van een hotel de deuren opengaan en drie soldaten naar buiten komen. Die begonnen met machinegeweren op alle mensen te schieten die daar stonden en voor ons viel een moeder met een kinderwagen dood neer en het kindje viel zo uit de kinderwagen op de grond. Zo verschrikkelijk. Iedereen begon te hollen. Eenmaal thuis dacht ik: aan het begin van de oorlog heb ik gehold om veilig thuis te komen en nu aan het einde heb ik weer gehold om veilig thuis te komen! Ik wil jullie graag nog wat meegeven: dwing nooit een ander als hij ergens anders in gelooft, dring nooit je ideeën aan iemand op!’

 

Archieven: Verhalen

‘’Joodse vriendinnetjes met wie mijn moeder altijd speelde, waren plotseling verdwenen’’

Hans Notmeijer komt de school binnen met een oude kist. Wat zou daar in zitten? De kinderen mogen eerst hun eigen vragen stellen en dan vertelt Hans Notmeijer over de kist. Op de dag dat hij zijn diploma had gehaald als leraar, fietste hij naar zijn oma om het haar te vertellen. Ze haalde een grote kist te voorschijn en zei: ‘Deze heb ik altijd voor je bewaard. Zodat je aan de kinderen in je klas kan vertellen over de oorlog.’ Later laat hij zien wat er In de doos zit: een dagboek van zijn oma, etensbonnen, een krant uit juni 1943 toen de Ritakerk in Noord werd gebombardeerd, persoonsbewijzen van zijn opa en oma… en nog veel meer.


Hebben uw ouders vrienden of familie verloren in de oorlog?

“Nee, dat niet. Maar mijn oom vocht aan de kant van de geallieerden in de Javazee, en toen de boot waarop hij voer, de Karel Doorman, werd gebombardeerd, heeft hij vijf dagen in zee gedreven voor hij werd gered. Broers van mijn vader hebben ondergedoken gezeten in Friesland en Drenthe omdat ze niet wilden gaan werken in Duitsland, in de fabrieken waar oorlogsmateriaal werd gemaakt. Met de gezinnen waar ze ondergedoken zaten, hebben ze nog lang contact gehouden omdat ze zo dankbaar waren dat ze zich daar mochten verstoppen. Een broer heeft wel in Duitsland moeten werken.”

Wat vonden uw ouders het allerergste aan de oorlog?

“Mijn moeder vond het vreselijk dat er bijna geen eten meer was. Er was altijd honger. Ze moest als klein meisje langs het Noordhollandsch Kanaal lopen met een kinderwagen om eten te vinden. Ze stopte het eten in die wandelwagen, dan viel het niet op en werd het niet afgepakt. Mijn moeder zat vaak binnen omdat het te gevaarlijk was om buiten te spelen. Ook was de school geregeld dicht omdat (Joodse) leraren gevangen werden genomen of omdat de Duitsers lokalen in beslag hadden genomen. Wat ze ook heel erg vond was dat de Joodse vriendinnetjes met wie ze altijd speelde, plotseling waren verdwenen. Ze kwamen nooit meer terug. En ze vertelde dat ze altijd bang was. Als het alarm afging, holde haar moeder met haar broer en zus naar waar nu het Noorderpark is. En dan ging ze op de grond liggen wachten tot de vliegtuigen weg waren. Mijn moeder heeft ook gezien dat mensen werden doodgeschoten. Dat maakte veel indruk, maar ze praatte er liever niet over.”

Hoe was de bevrijding?
“In Amsterdam-Noord was op het Mosveld een bioscoop. Boven de supermarkt, waar nu Genko zit, zat toen Astoria. Daar werd na de oorlog in Noord het bevrijdingsfeest gevierd. Mijn moeder geloofde niet dat Amsterdam bevrijd was. Ze kon zich niet herinneren hoe het voelde om vrij te zijn. In de eerste dagen na de oorlog werd er gefeest, maar er deden zich ook nare dingen voor. Mensen werden gevangengenomen omdat ze aan de kant van de Duitsers hadden gestaan. Buurmeisjes van mijn moeder werden kaal geschoren omdat ze teveel hadden geflirt met Duitse soldaten. Het duurde nog wel een tijdje voordat ze zich weer veilig voelde.”

Archieven: Verhalen

‘’Ik hoorde een verschrikkelijk gierend gefluit, het geluid van een vallende bom’’

Bente, Otto, Rhona en Tess van basisschool Het Wespennest in Noord hebben zich goed voorbereid op hun interview met Harry Sablerolle. Ook meneer Sablerolle heeft dat gedaan, hij heeft een flink pak met foto’s en documenten bij zich zodat hij straks niet alleen kan vertellen over zijn oorlogservaringen in Amsterdam-Noord, maar ook iets kan laten zien. Deze periode heeft veel indruk op hem gemaakt, vooral het bombardement op de Ritakerk waar hij als jong jochie bij was.

 

U zat in de Ritakerk toen die werd gebombardeerd. Hoe was dat?
“Het was zaterdag 17 juli 1943, een mooie zomerdag. In de Ritakerk werd een lange mis gehouden vanwege het 25-jarig jubileum van de kerk. Als lid van een katholiek gezin was ik er ook bij, in mijn deftige plusfour, een broek waarvan de pijpen net boven de schoenen met een pof-effect in de sokken staken. De kerk was vol; er waren wel vijfhonderd kinderen aanwezig, en ook nog oudere mensen. De jongens en meisjes waren keurig van elkaar gescheiden. De misdienaars en het zangkoor bevonden zich achter de ouderen, in het achterste gedeelte van de kerk; en de kinderen meer voorin. Toen de mis net was afgelopen, klonk het luchtalarm. De pater verbood de mensen de kerk te verlaten. We moesten met ons hoofd onder de bank gaan zitten. Ik hoorde een verschrikkelijk gierend gefluit, het geluid van een vallende bom. Daarna vielen alle gebrandschilderde koorramen uit de sponningen, maar een knal heb ik niet gehoord… Er was een bom door het dak en door de vloer van de kerk gevallen en ín de grond ontploft. Door een grote stofwolk was het ineens pikkedonker in de kerk. Iedereen schreeuwde. Ik haastte me over banken, stenen en ander puin heen en zag achterin een groot wit gat. Dat bleek gelukkig een uitgang te zijn, waar ik door sterke armen naar buiten werd getild. Hard huilend holde ik over de Wagenaarsbrug naar mijn huis op de Meeuwenlaan. Mijn blauwe pak zat dik onder het stof, maar behalve een schrammetje op mijn hoofd was ik ongedeerd!”


Werkten uw ouders voor het verzet?

“We hadden in de oorlog een onderduiker, Gerard genaamd, in huis. Gerard was een jonge Brabander, een boerenjongen uit de buurt van Eindhoven, met veel bravoure. Hij was eerder door de Duitsers te werk gesteld geweest. Hij kon tegen het einde van de oorlog vanwege een spoorwegstaking niet meer naar huis en bleef dus bij ons in huis. Vaak ging Gerard als het donker was met mijn oudste broer stiekem de straat op om honden en katten te vangen. Eigenlijk mocht niemand ’s avonds de straat op van de Duitsers vanwege een zogeheten ‘avondklok’. De honden en katten werden op de zolder van ons huis op de Meeuwenlaan geslacht. Als je daar nu gaat kijken, zou je zien dat de vloer nóg bruin is van het bloed.”

Heeft u in de oorlog veel honger gehad?

“Ik kan me niet herinneren dat ik echt honger heb geleden, maar best was het toch niet. Tijdens de hongerwinter heb ik vijf maanden in Lutjebroek gezeten. Lutjebroek was een katholiek bolwerkje, waar ik ook al naartoe was gegaan na het bombardement op de Ritakerk om rustig bij te komen van deze gebeurtenis. Dit keer ging ik er naartoe met Gerard, onze onderduiker. Het was een tocht van 50 kilometer die ik lopend en met een slee heb afgelegd. De polders ten noorden van Amsterdam waren onder water gezet. Dat hadden de Duitsers gedaan, als verdediging tegen mogelijke invallen van de geallieerden. We liepen over het ijs. Ik herinner me nog de aanblik van boerderijen die met hun daken boven de ijsvlakten uitstaken.”

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892