Archieven: Verhalen

‘Dit was de allereerste krant die in het bevrijde Nederland verscheen’

Op OBS De Spiegel in Zaandam bereiden Safiye, Abigail, Firdowsa en Jemina het interview voor. Dorothy Borghardt heeft heeft de oorlog niet zelf meegemaakt, maar ze vertelt het verhaal van haar oma Johanna Christina Belkmeer-Wessels. Toen de oorlog uitbrak, was zij 47 jaar en woonde in Amsterdam-Noord, aan de Waddenweg. Heel bijzonder is de krant die mevrouw Borghardt laat zien. Het Parool van zondag 6 mei 1945. Het is een artikel uit een verboden krant tijdens de oorlog. Op 5 mei 1945 capituleerden de Duitsers en dit was de allereerste krant die daarna in het bevrijde Nederland verscheen.

Wat gebeurde er in 1942?
‘Op een dag kwamen vier Joodse mensen bij mijn oma onderduiken. Haar huis was klein, ze woonde er met haar man en vijf kinderen. Mijn oma had een kleine ruimte ingericht als badkamer, maar uit de kraan kwam alleen maar koud water. Met z’n elven in een huis was het krap en zwaar.
Het was uitzichtloos, dus toen de Duitsers vroegen zich te melden voor werk, deden ze dat. Ze werden naar kamp Westerbork gebracht, een doorgangskamp, en daarna naar Auschwitz. Ze reisden in overvolle veewagons zonder toilet en met weinig water. Onderweg gooiden sommige mensen stiekem briefjes uit de trein, in de hoop dat iemand ze zou vinden. Bij aankomst gingen ze bijna allemaal, behalve de vader, direct naar de gaskamers.’

Zijn de onderduikers nooit verraden?
‘Helaas wel. In 1943 kwamen er drie Joodse mensen bij mijn oma onderduiken: een man die viool speelde, zijn moeder en nog een man. Ze werden verraden en door de politie meegenomen. Via Westerbork gingen ze naar Auschwitz, waar ze in de gaskamers omkwamen.
Omdat ze de Duitsers in huis had genomen, werd ook mijn oma opgepakt. Het helpen van Joodse mensen was strafbaar. Ze werd eerst naar een politiecel gebracht, daarna naar de gevangenis aan de Amstelveenseweg in Amsterdam en vandaaruit ging ze naar concentratiekamp Vught bij Den Bosch.
Mijn opa was op het moment dat de Duitsers binnenvielen niet thuis. Alleen mijn oma was er, samen met de onderduikers. Ze wilden ook mijn opa oppakken, maar mijn oma was heel slim. Ze zei: ‘Ik ben de baas in huis, hij heeft er niets mee te maken.’  De Duitsers trapten erin en lieten hem met rust. Zo was mijn oma: klein van stuk, maar een heel sterke, slimme vrouw.’

Moest uw oma werken in het kamp?
‘Mijn oma werd vanuit kamp Vught doorgestuurd toen de Amerikanen bijna kwamen. In september 1944 dachten ze dat ze bevrijd zouden worden, maar de Duitsers haalden in twee dagen het hele kamp leeg. Alle mensen werden in treinen gepropt en naar andere kampen in Duitsland gestuurd. Mijn oma kwam eerst in kamp Ravensbrück terecht, in het noorden van Duitsland. Daar heeft ze niet zo lang gezeten, want kort daarna werd een groep van ongeveer tweehonderd vrouwen uitgekozen om naar een wapenfabriek bij München te gaan, in het zuiden van Duitsland. Dat was een lange treinreis in goederenwagons, en daar bleef ze de rest van de oorlog.
In de fabriek moesten de vrouwen wapens in elkaar zetten. Mijn oma en de anderen deden dat expres niet goed: schroefjes werden er niet goed ingezet, zodat de wapens later niet goed werkten. Zo saboteerden ze het werk. De Duitsers merkten pas dat de wapens niet goed werkten toen ze werden gebruikt.’

 Wat voor spannends heeft u oma in de fabriek gedaan?
‘De vrouwen kregen steeds minder te eten en moesten ’s ochtends heel vroeg opstaan. Ze liepen elke dag een lange afstand naar de fabriek en weer terug, vaak door sneeuw en kou, zonder warme jassen en met versleten schoenen. De commandant van het kamp moest het eten voor de gevangenen inkopen. Hoe minder hij kocht, hoe meer geld hij zelf hield. Op een gegeven moment besloten de vrouwen te staken, ze stopten het werk. ‘Nu gaan we dood van de honger, dan maar een snelle dood met de kogel.’ Het staken werkte: ze kregen meer te eten.’

Archieven: Verhalen

‘De Duitsers hadden onze bakkerij op Midsland gevorderd en dat was niet leuk’

Sam, Hylke en Luuk van de Vossersschool op Terschelling hebben hun vragen goed voorbereid als ze in de auto stappen. Ze rijden helemaal naar Hoorn om Wim Bos (90) thuis op te zoeken. Omdat het lekker weer is, gaan ze met zijn allen rond de tuintafel zitten. Tijdens de oorlog woonde meneer Bos in Midsland op Terschelling.

Hoe oud was u tijdens de oorlog?
‘Ik was vijf jaar toen de oorlog begon. Mijn vader had een bakkerij in Midsland. De Duitsers hadden onze bakkerij gevorderd en dat was niet leuk natuurlijk. De Russische bakker die door de Duitsers bij ons aan het werk was gesteld, was ook veel liever bij zijn vrouw en kinderen in Rusland gebleven. Het was een goede man voor ons want hij sneed randjes af van de koek die hij voor de Duitsers bakte, en gaf die aan ons.’

Woonden er ook Duitse soldaten bij u in de straat?
‘In een straat dichtbij ons huis stonden allemaal barakken waar Duitse soldaten sliepen. De hoge piefen hadden huizen gevorderd in het dorp. De Duitsers kwamen soms ook naar de bakkerij. Ik kende wel een paar soldaten en omdat wij nog kinderen waren deden ze best aardig tegen ons. Op en dag werden we zelfs gewaarschuwd om niet te dichtbij een bepaalde plek te komen.’

Zijn er ook dierbaren omgekomen tijdens de oorlog?
‘De broer van mijn vader en zijn gezin met drie kinderen en een dienstmeisje zijn allemaal omgekomen tijdens een bombardement op Nijmegen. Zij woonden daar, terwijl wij redelijk veilig op Terschelling woonden.’

Wat weet u nog van het einde van de oorlog?
‘Ik was bij mijn oom op West-Terschelling. We waren aan het wandelen, toen we ineens zagen hoe de Duitse soldaten werden afgevoerd. Sommigen die niet wilden, werden beschoten. Mijn oom en ik zijn snel weggevlucht. Dat was best spannend.’

 

Archieven: Verhalen

‘Bij de bombardementen op de scheepswerf van Harlingen was ik heel bang’

Ronald van de Vossersschool op Terschelling is nog aan het jeu-de-boulen op het plein van het zorgcentrum de Stilen als zijn klasgenoten Lauren en Floris aan komen lopen. Met zijn drieën gaan ze eerst nog vragen voorbereiden in de koffieruimte van de Stilen voor hun interview met Nely Haringa (91). Met een lekker koekje gaat dat prima. Mevrouw Haringa woonde in Harlingen tijdens de oorlog.

Met hoeveel mensen woonde u in huis?
‘Ik groeide op in Harlingen en woonde samen met vader en moeder en zes broers en zussen in een klein huisje. Ik was zeven jaar toen de oorlog uitbrak en twaalf toen hij over was.’

Had u honger tijdens de oorlog?
‘We hadden geen honger. Wij kregen tegenover ons een Duits ziekenhuis en daar was wel eens wat eten over. Als kind moest ik wel een heel eind lopen om melk te halen bij de boer. Dan liep ik helemaal alleen want als ik met een broertje of zusje ging, kregen we samen maar één liter. Gingen we alleen, dan kregen we drie keer een liter melk.’

Kende u mensen die voor de Duitsers moesten werken?
‘Mijn zuster werkte in het hotel waar de Duitsers verbleven en daar luisterde ze stiekem naar de Engelse zender. De vrouw van de notaris kwam dan bij ons thuis zodat mijn zus alles kon vertellen wat ze had gehoord. Die notarisvrouw deed net alsof ze kleren voor ons bracht. Mijn vader werkte als havenarbeider en mocht zijn fiets houden om naar zijn werk te gaan. Ook hij moest voor de Duitsers werken.’

Wat was het ergste wat u heeft meegemaakt?
‘Tijdens de bombardementen op de scheepswerf van Harlingen was ik heel bang. We woonden daar dichtbij en op een nacht lagen de dakpannen in mijn bed. Dat was heel erg. Het beschieten, de bombardementen… Twee gezinnen zijn omgekomen, ze woonden dichtbij ons.’

Hoe was het na de bevrijding?
‘We gingen gewoon door. Het was wel heel vreemd want de ene dag hoorde je Duits praten en de andere dag hoorde je Engels. We vierden groot feest. Mijn vader had een Canadees op zijn nek die op een doedelzak speelde.

Ik hoop dat jullie zo’n oorlog nooit meer hoeven mee te maken. Want dat gaat je hele leven mee.’

Archieven: Verhalen

‘De Duitsers marcheerden door de straat, ze konden ontzettend goed zingen’

Joris, Tygo en Thomas van de Vossersschool op Terschelling gaan op de fiets naar de Willem Barentzkade, langs de boot, naar Janny Bergsma (99). Ze woont op een mooie plek met zicht op de havenkom en de Waddenzee. Mevrouw Bergsma woonde in Leeuwarden tijdens de oorlog.

Hoe oud was u tijdens de oorlog?
‘Ik was 14 jaar toen de oorlog uitbrak. Ik zat op de ulo (Uitgebreid Lager Onderwijs) en herinner me dat er ’s avonds geen licht meer mocht branden om te voorkomen dat de Engelse vliegtuigen de huizen konden zien. De Duitsers marcheerden door de straat, ze konden ontzettend goed zingen. Ook vielen ze huizen binnen, op zoek naar radiotoestellen en andere verboden voorwerpen.’

Wat vond u het ergst?
‘Mijn broertje overleed aan kinderverlamming en moest naar een barak buiten Leeuwarden omdat het een besmettelijke ziekte was. Ik kon hem niet meer zien en dat vond ik heel erg. Ik zie hem nog voor me, dat ik thuiskwam, dat hij op de grond lag te huilen van de pijn.

De bombardementen en de huiszoekingen maakten ook veel indruk op me. Ze lieten wel eens bommen vallen op het vliegveld.’

Kende u iemand die moest onderduiken?
‘Mijn vader werkte bij de spoorwegen en hij moest onderduiken toen de Duitsers hem wilden arresteren. Ook ik moest onderduiken en bracht het laatste jaar van de oorlog bij mijn tante door. Ons huis namen de Duitsers in beslag en toen we na de oorlog terugkwamen, was alles weg.’

Wat deed u het liefst in de oorlog?
‘Ik had veel plezier op de boerderijen van familieleden en ik vond het wel leuk om bonnetjes te plakken voor voedsel.’

Heeft u nog een les voor ons?
‘Na de oorlog ontmoette ik ook Duitsers die niet allemaal slecht waren en ik probeer dan ook niet alle Duitsers over één kam te scheren.’

Archieven: Verhalen

‘Het geslachte kalf is toen samen met mijn broer verstopt in de kelder’

Op een zonnige dinsdagochtend vertrekken Kisten, Julian en Marit al vroeg vanaf de Vossersschool op Terschelling naar het huis van Lea Ruig (88). Ze woont heel dichtbij school en heeft de deur al opengezet. De kinderen nemen plaats op de bank en mevrouw Ruig steekt gelijk van wal met verhalen. De kinderen hebben mooie vragen voorbereid die ze graag willen stellen, en na een poosje leiden ze haar dan toch door de vragen.

Waar woonde u tijdens de oorlog?
‘Ik woonde in Friesland op een boerderij in de buurt van Dokkum. Ik was de jongste van zes kinderen. Mijn oudste broer was 18 jaar en zat ondergedoken in de boerderij omdat hij anders moest werken voor de Duitsers. Het was soms best spannend als er razzia’s waren. Gelukkig was er wel altijd iemand die ons waarschuwde, maar zo ineens al die soldaten in de boerderij… dat maakte veel indruk. Tijdens de Hongerwinter hebben we nog een echtpaar opgevangen dat op de grond sliep omdat er geen bedden te koop waren.’

Had u ook huisdieren in de oorlog?
‘Op de boerderij waren koeien, varkens, schapen en kippen. Deze werden geslacht zodat we zelf konden eten. Het mocht niet van de Duitsers dus als er een razzia was dan moest het vlees ook worden verstopt. Op een dag had mijn familie een kalf geslacht en was er een razzia. Toen is het geslachte kalf samen met mijn broer verstopt in de kelder, hij zat dus tussen het vlees. De Duitsers hebben hem gelukkig niet ontdekt.’

Wat voor kleding droeg u tijdens de oorlog?
‘We kregen bijna geen nieuwe kleren want die waren ook niet te koop. En omdat ik een oudere zus had, kreeg ik haar kleren of werd er iets gemaakt.’

Wat deed u tijdens de oorlog in uw vrije tijd?
‘Wij hadden heel weinig. Ik weet wel dat we in de schuur een schommel hadden. Daar heb ik uren en uren en uren op gezeten. Er was weinig speelgoed. Mijn oudste broer had later een orgel omdat hij bij ons in huis zat ondergedoken. Hij kon nergens heen en zat gevangen in huis. Zo kon hij toch nog orgel spelen.’

Archieven: Verhalen

‘Op Texel kwamen de Russen in opstand tegen de Duitsers’

Na een korte wandeling naar het woonzorgcentrum nemen Bart, Rieneke, Nora en Tygo van de Prinses Margrietschool op Terschelling de lift naar de vierde verdieping. Altijd een belevenis, zo’n lift! Ze arriveren bij de woning van Griet van Holk (91), die net afscheid neemt van haar fysiotherapeut en snel haar koffie opdrinkt zodat het interview kan beginnen. Mevrouw Van Holk woonde tijdens de oorlog op Texel.

Hoe oud was u tijdens de oorlog?
‘Ik was zeven jaar oud toen de oorlog uitbrak in 1940 en ik herinner me dat de meester die dag op school zei dat we vrij kregen. Alle schoolkinderen vonden het geweldig om vrij te zijn, ze beseften nog niet wat oorlog inhield. Voor ons was oorlog wel een feest op dat moment.’

Waar woonde u?
‘Ik woonde met mijn vijf jaar oudere broer en vader en moeder op Oosterend op Texel. Mijn vader had een manufacturenwinkel. We hadden een poes die Miep heette en hij ging altijd mee naar mijn bed tot ik sliep, dan sloop de poes weg naar buiten.’

Woonden er Duitsers bij u in de straat?
‘Er waren Duitsers op het eiland en die kwamen soms langs bij de winkel, dan moest het licht uit van mijn vader. Er zaten ook Russen op Texel gestationeerd. Zij kwamen later in opstand en begonnen al die Duitsers te vermoorden en de boerderijen in brand te steken.’

Hoe vond u de bevrijding
‘Iedereen was opgelucht. Weet je, de angst ging weg. Alle dagen had je toch die spanning. Je kon feesten en hossen en achter de muziek en oh, het was een groot feest. Ik weet nog dat het een hele mooie tijd was, echt wel heel fijn.’

Archieven: Verhalen

‘We aten meestal gort uit water met suikerbietenstroop’

Dante, Bo en Sissel vertrekken met de fiets van de Vossersschool op Terschelling naar de Stilen voor een interview met de 88-jarige Edy van Sijp. Eigenlijk zijn de school en het verzorgingscentrum buren, maar de kinderen moeten na afloop van het interview nog door naar Midsland en hebben daarom hun fiets nodig. Na een grote koek en wat limonade kan het interview beginnen. Ze mag gerust een vraag niet beantwoorden als ze dat liever niet wil, zeggen de kinderen tegen haar. Edy van Sijp woonde tijdens de oorlog in de Kattenburgstraat in Amsterdam en is later naar familie op Terschelling gebracht.

Wat at u tijdens de oorlog?
‘We aten niet veel bijzonders, meestal gort uit water met suikerbietenstroop.’ Het waren moeilijke omstandigheden en de angst die mensen voelden tijdens die periode waren niet fijn. Ook al was ze nog maar een jong meisje van 8 jaar, ze herinnert het zich nog goed.

Waar woonde u tijdens de oorlog?
Ze woonde in Amsterdam in de oorlog, maar is later met een schipper naar Terschelling gebracht, samen met andere kinderen. Haar familie woonde daar. Vol met luizen kwam ze aan bij haar familie. ‘Ik vond het gevaarlijk, vertelt ze. ‘We moesten omgaan met voedselschaarste en het gevaar van bombardementen.’

Haar vader vervoerde wapens met zijn bakfiets. Ze zat dan achterop de fiets zodat de Duitsers ze niet zo snel zouden aanhouden voor een controle. Ook hielp haar vader Joodse mensen door eten naar de buren te brengen, die een grote groep onderduikers hielpen.

Hoe was het leven na de oorlog?
‘We probeerden allemaal weer een normaal leven op te bouwen.’ Het leven ging langzaam terug naar normaal, maar de herinneringen aan de oorlog bleven. Na de oorlog is ze met haar familie op Terschelling gaan wonen. Toen ze zo oud was als Dante, Bo en Sissel nu zijn, kreeg ze een graf van een Poolse vliegenier onder haar hoede. Tot de dag van vandaag onderhoudt zij het graf en heeft zij contact met zijn familie uit Polen.

Archieven: Verhalen

‘Natuurlijk nam ik kleren mee, maar ik koesterde echt een oude Surinaamse vlag’

Wat gespannen maar vrolijk zit Carmen Schaken al te wachten op haar interviewers Raf, Adam, Abi en Nina van basisschool Philipsdorp in Eindhoven. Ze stelt voor om er ‘een gezellig gesprek’ van te maken. Mevrouw Schaken is geboren in 1950 in Paramaribo en kwam in 1968, toen ze 18 was, naar Nederland. Ze heeft foto’s en spullen meegenomen om haar verhaal tastbaar te maken en ze trakteert de kinderen op zelfgebakken Surinaamse koekjes.

Waarom bent u naar Nederland gekomen?
‘Ik ben geboren in Paramaribo, de hoofdstad van Suriname, en ik groeide op in een houten huis tussen veel groen. Bij ons stonden de deur en de ramen open: mensen konden zo binnenlopen. Als je uit school kwam, ging je buiten spelen, dat was het leven. Ik bleef in Suriname tot mijn achttiende, toen heeft mijn vader mij naar Nederland gestuurd. Dat voelde dubbel.

Ik verlangde er als kind ook naar, omdat we op school veel over Nederland leerden en Nederland ver weg en bijzonder leek. Maar ik moest ook alles achterlaten: mijn vrienden, mijn vertrouwde huis en de geur van thuis. Toch zat er ook iets krachtigs in: mijn vader wilde dat ik zou studeren en iets zou worden. Later is dat een soort leidraad geworden in mijn leven.’

Hoe zag uw huis eruit?
‘In Suriname woon je vaak niet met alleen vader, moeder en kinderen. In mijn familie woonden oma’s, tantes, neefjes en nichtjes samen in één huis. En meestal heeft de oma het laatste woord, dat was gewoon zo. Als kind speelde ik het liefst buiten. We speelden tikkertje (wij zeiden soms ‘elle) en we speelden Moeder, mag ik reizen?’ Dan vroeg je: ‘Moeder mag ik reizen?’ en zei je een plek, soms zelfs ‘Amsterdam’, omdat je als kind al droomde van Nederland. Dan mocht je stapjes zetten met de letters van het woord.

We hadden niet veel gekocht speelgoed; we maakten het zelf buiten. Tegelijk was het thuis ook streng: je had schoolkleren, huiskleren en uitgangskleren. Met schoolkleren mocht je niet ravotten. En je moest op tijd thuis zijn, want rond vijf uur werd het donker. Als je te laat was, kreeg je straf, maar spelen was zó leuk dat je soms toch weer te ver wegging.’

Wat nam u mee en hoe was de reis naar Nederland?
‘Ik was 18, dus ik had niet veel spullen. Natuurlijk nam ik kleren mee, maar wat ik echt koesterde was een oude Surinaamse vlag. Die vlag hoorde bij Suriname van toen en die zat als het ware in mij. De reis vond ik eng. Ik had nog nooit gevlogen of met de trein gereisd, en ineens zat ik uren in een vliegtuig. Ik kreeg eten en iedereen at met mes en vork, dat kende ik niet, dus ik at niet.

Toen ik aankwam op Schiphol schrok ik van deuren die vanzelf opengingen. Ook in de trein schrok ik van het lawaai van een voorbijrazende trein. En het was herfst: bomen zonder bladeren, dat vond ik zó vreemd, want bij ons is alles groen. Later fietste ik door de sneeuw en voelde ik van alles om me heen: ik dacht echt, wat is dit? Alles was nieuw en ik moest snel wennen.’

Hoe was het om hier te wonen?
‘Toen ik hier was, wilde ik mijn weg vinden. Ik ben de verpleging ingegaan om mijn diploma te halen en verder te studeren. Dat is bijzonder, want in Suriname was ik eigenlijk bang voor psychiatrische patiënten. En ineens werkte ik in een omgeving waar veel mensen psychisch ziek waren. Niemand had me een handleiding gegeven; ik heb het moeten leren door te kijken, door ervaring en door studie.

Dat studeren heeft me ook geholpen in Nederland, want ik heb racisme en discriminatie meegemaakt. Er zijn mensen geweest die nare dingen zeiden, zoals dat ik ‘terug moest naar de rimboe’. Ik leerde dat je niet alles kunt veranderen, maar wel hoe je ermee omgaat. Voor mij werd het heel duidelijk: kennis is macht. Kennis is een sleutel om deuren open te maken. Nu heb ik kinderen en kleinkinderen en voel ik me hier thuis, maar ik mis Suriname ook. Daarom ben ik soms een half jaar daar en een half jaar hier. En om af te sluiten heb ik voor jullie Surinaamse koekjes gebakken, zodat jullie ook iets van die sfeer proeven.’

Archieven: Verhalen

‘Toen konden we elkaar alleen zien als we het vliegtuig pakten’

Angelica Goyenechea en haar mooie, grijze Maine Coonkat zijn blij dat de kinderen er zijn. Darwin, Gioa-Dean en Koyuki van basisschool Philipsdorp worden hartelijk ontvangen in Stratum. Het was even zoeken naar het juiste nummer, maar ze zijn er. Als ze allemaal wat te drinken hebben, starten ze met het interview. Mevrouw Goyenechea is in 1972 geboren in Mexico-Stad en inmiddels al bijna 29 jaar in Nederland. Het bevalt haar goed en ze wil hier ook niet meer weg.

Hoe was de cultuur in Mexico?
‘In Mexico dansen we veel meer als er een feestje is. In Nederland zitten mensen met een verjaardag in een kring en dan zit je daar en dan krijg je eerst taart en daarna de hartige dingen en iedereen blijft de hele tijd op zijn stoel zitten. In Mexico veranderen mensen van plaats en de taart komt aan het einde en niet in het begin. Mensen zijn ook opener, ze gaan sneller met een vreemde praten.’

Wat vond u ervan dat de familie van uw vriend gemeen tegen u deed?
‘Ik vond dat verschrikkelijk. Maar weet je, het zal altijd gebeuren dat iemand je niet leuk vindt, maar wat telt is wat je ermee doet. Je kan in de vechtstand gaan, je kan het negeren of je kan weggaan. Ik heb me niet laten kleineren en ben weggegaan. Ik wilde graag in Nederland blijven. Ik had de taal geleerd, ik had een baan en kon gelukkig een eigen huis kopen.’

Vond u het moeilijk om uw familie achter te laten toen u wegging uit Mexico?
‘Dat was pijnlijk en niet leuk. Mijn zus was getrouwd met een Nederlander en woonde al in Nederland dus dat scheelde. Toen konden we elkaar alleen zien als we het vliegtuig pakten en bellen was heel erg duur. We schreven brieven. Maar nu met de mobiele telefoons en internet kunnen we elkaar videobellen. Dat scheelt heel veel in het contact.’

Wilde u iets meenemen uit Mexico wat niet mocht?
Ikzelf wilde wel eten meenemen, maar ik zal je vertellen wat mijn moeder een keer heeft gedaan. Ze kwam een keer op bezoek en zij had een pot met bacteriën om yoghurt te maken in haar koffer meegenomen. Ze wilde haar eigen yoghurt maken. En als onschuldige, oude vrouw kwam ze zo met haar koffer de douane door. Ik was heel kwaad, heb je hier de supermarkt al gezien? Ze hebben hier zoveel verschillende soort yoghurt, maar dat kende mijn moeder niet in Mexico.’

Archieven: Verhalen

‘In Mexico is iedereen veel aardiger en wordt er veel geknuffeld’

In een kleurrijke woning in Eindhoven doet een kleurrijke vrouw de deur open voor Samm, Amani, Sebastiaan en Toby, leerlingen van basisschool Philipsdorp. Meteen voel je de Mexicaanse gastvrijheid waar Idoia Leal Belausteguigoitia in het interview zo veel over vertelt. Haar huis staat vol met mooie schatten uit Mexico en dingen die ze zelf heeft gemaakt. In 2007 kwam ze samen met haar grote liefde naar Nederland om hier een nieuw bestaan op te bouwen, en dat was erg wennen.

Wat is de reden dat u naar Nederland bent gekomen?
‘In 2002 ontmoette ik mijn huidige man, Hans. Hij werkte voor Philips in de tv-fabriek in Mexico. We wilden samen in Mexico een bestaan opbouwen en bouwden zelfs een huis op de grond van mijn ouders. Na vijf jaar moest Philips zijn fabriek sluiten vanwege de opkomst van de flatscreen-tv’s. Er was geen passende baan voor mijn man in Mexico, dus besloten we naar Nederland te gaan.’

Waar moest u aan wennen toen u in Nederland kwam?
‘Toen ik aankwam in Nederland regende het en dat vond ik verschrikkelijk. Ook de wind was heel erg wennen. In Mexico waait het ook, maar dat is een warme bries van de zee. Hier is de wind erg koud.

Aan de Nederlandse mensen moest ik ook wennen. Ze spraken geen Engels, dus ik kon met niemand communiceren. Daarnaast zijn Nederlanders erg gesloten en leken ze vaak onvriendelijk. In Mexico is iedereen veel aardiger en wordt er veel geknuffeld. Bij ons is iedereen welkom, maar in Nederland kostte het me jaren voordat iemand me uitnodigde voor een kopje koffie.’

Hoe was vroeger uw school in Mexico?
‘Jullie kunnen het je vast niet voorstellen, maar wij droegen allemaal een uniform. Dat was verplicht van 4 tot 18 jaar en soms echt heel warm. Gelukkig hadden we airco op school.
Onze schoenen moesten shinen, dus we moesten ze goed boenen. Elke maandag moest een klas iets voorbereiden en vertellen over de geschiedenis van Mexico. Daarna zongen we samen het volkslied van Mexico.

Op school hadden we een kleine tendieto (winkel) waar we in de pauze burrito’s kochten. Dat was heerlijk. Brood als lunch kenden we niet. We leerden veel Engels op school en hadden ook muziekles.’

Hoe was het leven in Mexico?
‘Het leven was geweldig. In onze stad hadden we een soort kermis die elke middag open was. Op zaterdag en zondag kon je kleine pony’s huren. Die versierden we als My Little Pony’s met verf en sterren.

In Mexico kennen we ook lucha libre. Dit is een soort worstelen waarbij mannen maskers en capes dragen. Dat is echt geweldig grappig om te zien. Jong en oud komt daar naar kijken.
Verder waren we altijd buiten. Meisjes speelden veel met het springtouw en jongens speelden altijd voetbal. We deden verstoppertje en gingen ook belletje trekken.’

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892