Archieven: Verhalen

‘De zusters van het klooster hebben mij geholpen om in Nederland te blijven’

Juul, Katia en Kit van basisschool Strijp Dorp in Eindhoven mogen Bioly Ikele interviewen. Meneer Ikele is op zijn 24ste om politieke redenen gevlucht uit de Democratische Republiek Congo. De kinderen vragen eerst hoe het met hem gaat en hoe oud hij is. Als hij ze laat gokken, zijn ze verbaasd dat hij al 66 is, ze hadden gedacht dat hij veel jonger zou zijn. Tijdens het interview vertelt meneer Ikele hoe het was om naar Nederland te vluchten. Daarnaast bespreken ze ook welk eten ze lekker vinden, wat de kinderen willen worden en hij drukt ze op het hart dat ze alles kunnen bereiken met genoeg doorzettingsvermogen.

Hoe was het vroeger in Congo?
‘Het was hartstikke leuk. Ik kon er goed spelen, ook al hadden we niet zo veel speelgoed. Dat maakten we zelf. We bouwden een auto van luciferdoosjes, en van bierdopjes maakten we de wieltjes. Een voetbal knutselen vond ik ook erg leuk. Dat deden we met rubber of kranten, met een touwtje eromheen.

We voetbalden op het plein met de kinderen uit de buurt, en speelden ‘Hollandse leeuw’. Je begint met drie leeuwen en tien renners. De renners rennen naar de overkant en de leeuwen tikken de renners, en als je getikt bent word je ook een leeuw en mag je ook tikken. De laatste die overblijft wint.’

Waarom bent u naar Nederland gekomen?
‘Ik ben naar Nederland gekomen om politieke redenen. Als student was ik lid van een studentenvereniging, en samen demonstreerden we, en dat is geëscaleerd. Ik moest onderduiken en stiekem het land uit. Ik werd geholpen om te vluchten naar België, hier zou ik Frans kunnen spreken. Maar ik was bang dat ik te makkelijk gevonden zou worden in België, daarom ben ik naar Nederland gekomen. Van Congo ben ik toen naar België gevlogen en het laatste stuk deed ik met de auto. Het was ongeveer 8 uur vliegen. Ik had niet veel te doen in het vliegtuig, maar dat hoefde ook niet, ik was heel bang. Ik wist niet waar ik naartoe ging. Het was heel spannend.

In het begin was het heel moeilijk dat ik mijn familie niet kon zien, maar nu ben ik gewend. Ik ga ieder jaar heen en weer. Vroeger was het ook heel moeilijk om te bellen. Je moest al heel veel betalen voor één minuut bellen. Je moest heel snel praten. Nu met WhatsApp gaat dat veel makkelijker.’

Hoe is het gegaan toen u net in Nederland was?
‘Eerst kwam ik aan op het politiebureau en vervolgens ging ik naar Vluchtelingenwerk. Ik heb drie maanden bij een gezin ingewoond, dat was fijn. Ze accepteerden mij en ik mocht overal mee naartoe met hen.

Daarna ben ik gaan wonen in een klooster bij zusters. De zusters hadden besloten om mensen van andere landen te helpen en ik was een van de eersten die hulp kreeg. Ik dacht bij mezelf: in het klooster zijn ze streng. Maar ja, ik had geen plek, dus ik ging er wonen. Gelukkig bleek het heel goed daar te zijn, een gesprek met hen gaf me het vertrouwen.

Nederlands leren was wel een uitdaging. Ik had een vriend, die aan de TU in Eindhoven studeerde. Die bracht mij mee naar een taallab, waar ik kon studeren. Ik kon leren achter de computer. Daarmee kon ik mezelf terug horen als ik sprak en werd ik gecorrigeerd. Ik had ook iemand die me thuis bijles gaf. Ik heb er een jaar over gedaan, toen kon ik gaan studeren.

Ik mocht aanvankelijk niet in Nederland blijven, maar de zusters hebben mij geholpen. Ik studeerde en de zusters stonden garant om mijn studie te betalen. Eigenlijk wilde ik gaan studeren aan de TU, maar het toelatingsexamen was moeilijk. Het wiskunde-examen had ik gehaald, maar het natuurkunde-examen was te moeilijk. Gelukkig kon ik op het hbo beginnen zonder examen.

Eerst deed ik scheikunde in Eindhoven, dat was moeilijk voor mij. In Congo zijn mensen heel theoretisch en hier meer praktisch. Ik was goed in theorie, maar niet in praktijk. De taal was ook moeilijk. Ik moest Nederlands leren en de boeken waren in het Engels en er was ook nog Frans. Ik vond het leuk om de talen te leren, maar om in er in de studeren is ingewikkeld. Dus uiteindelijk heb ik de laboratoriumopleiding gedaan in Venlo, dat ging heel goed.’

Zou u nog een keer naar Congo terug willen verhuizen?
‘Voorgoed? Dat weet ik nog niet. Ik heb familie in Congo, mijn moeder leeft nog en mijn zusje is daar. Ik probeer wel ieder jaar een keer naar Congo te gaan. Ik moet er wel voor sparen, een vlucht naar Congo is duur.’

Hoe heeft u de mensen in Congo geholpen?
‘De zusters hebben mij geadviseerd om een stichting te beginnen, stichting Bambale. Als je een stichting hebt dan kan je de mensen helpen. Destijds probeerden we daar subsidie mee te zoeken. Dankzij mensen die ons vertrouwden en ons geld gaven, konden we andere mensen helpen. We hebben er grond mee gepacht zodat anderen konden werken en met hun verdiende geld hun kinderen naar school konden sturen.’

Wat zijn de verschillen tussen Congo en Nederland? Wat vindt u een fijner land?
‘Ik ben in Congo geboren, maar ik vind Nederland ook een mooi land. Ik woon hier al bijna 40 jaar! Dit is ook mijn land. Als ik in Congo ben zeg ik ‘Ja, ik ben thuis’ en als ik in Nederland ben, zeg ik dat ook. In Congo is het altijd warm. Er zijn maar twee seizoenen. Regen en droog seizoen. In Nederland heb je er vier. Als het warm is in Nederland, is het in Congo juist een beetje koud.’

Archieven: Verhalen

‘We moesten snel inpakken en vertrokken per boot naar het eiland Biak’

Broox, Maja en Julian van basisschool Strijp Dorp in Eindhoven interviewen Guus Bruno, een man met een bijzondere achtergrond. Geboren in Nieuw-Guinea, groeide hij op in een groot gezin, maar door de politieke spanningen veranderde zijn leven drastisch. Na de gedwongen migratie naar Nederland in 1951 maakte hij een nieuwe start in een onbekend land.

Hoe was uw jeugd in Nieuw-Guinea?
‘Ik groeide op in een groot gezin met negen kinderen. Helaas overleed mijn zusje op 4-jarige leeftijd aan longontsteking. Mijn oudste zus en broer moesten vluchten voor het Indonesische leger omdat ze in militaire dienst zouden worden genomen.

Op school speelde ik honkbal en softbal. Ook speelden we gatric, een lokaal spel met een grote en een kleine stok die je daarna weg moest slaan. Ik was ook bezig met zelfverdediging, zoals karate, kempo en judo. Mijn vader was instructeur in het leger. Hij gaf me het advies om altijd balans en evenwicht te vinden, zowel in sport als in het leven.

Mijn schooldag begon om half negen en eindigde om kwart voor twaalf. Daarna ging ik vaak zwemmen in de Stille Oceaan, wat heerlijk was. Het klimaat was tropisch, met temperaturen tot wel 40 graden, wat een groot verschil is met het koude Nederland.’

Waarom vertrok u naar Nederland?
‘De situatie in Nieuw-Guinea werd gespannen doordat de Indonesische president Sukarno zich tegen Nederland keerde. Nederland gaf Nieuw-Guinea op, en we werden gedwongen te vertrekken. We moesten snel inpakken en vertrokken per boot naar het eiland Biak en daarna met een vliegtuig naar Nederland. Hier, ik laat het jullie zien.

‘Het was een lange reis. We hadden een tussenstop in München, waar ik voor het eerst sneeuw zag. Het was ontzettend koud.’

Hoe voelde u zich bij aankomst in Nederland?
‘Ik had gemengde gevoelens. Ik was deels boos dat we moesten vertrekken, maar ik moest de nieuwe situatie in Nederland ook accepteren. Het leven hier was veel gehaaster dan in Nieuw-Guinea.

Mijn vader moest na onze aankomst nog een jaar terug naar het leger, daarna was hij weer bij ons. De veranderingen waren groot, maar ik leerde snel het Nederlandse systeem begrijpen doordat ik in Nederland ook naar school ging. We verbleven eerst bij een tante in Den Haag, daarna werkte mijn vader in een glasfabriek in Tiel. We hebben daar een tijdje gewoond.

Het was niet zo moeilijk om Nederlands te leren, omdat ik al op een Nederlandse school in Nieuw-Guinea zat. Ik had de taal al een beetje onder de knie.

Er was een keer een bijna-ongeluk toen ik als jongen in een dorp bij Tiel fietste. In de winter zakte ik door het ijs en belandde onder water. Gelukkig redde een vriend mij door het ijs kapot te slaan en me eruit te trekken. Mijn moeder was erg geschrokken en ik moest meteen onder de hete douche om longontsteking te voorkomen.’

Hoe is uw leven in Nederland?
‘Ik heb meer dan vijftig jaar gewerkt. Ik was kraanmachinist in een staalfabriek en later als monteur bij de productie van kunststoframen. De werkcultuur was snel en efficiënt. Het tempo was hoog; alles moest snel af. Het motto was vaak ‘liever vandaag dan morgen’, heel anders dan hoe het gaat in Nieuw-Guinea.

Thuis eet ik vaak Indisch omdat ik dat gewend ben. Als we aardappelen eten, heb ik snel weer honger. Maar als ik op reis ben, probeer ik ook het lokale eten, al was het in het begin soms vreemd.

Ik heb een zoon van 50 jaar en een dochter van 42 jaar. Dit is mijn tweede huwelijk; mijn vrouw heeft ook kinderen van Turkse afkomst. We hebben samen kleinkinderen. Mijn kleinzoon lijkt volgens mijn familie erg op mij. Helaas heb ik weinig contact met ze.

Ik hou van tuinieren, amateurradio, en ik plaag mijn vrouw soms voor de lol. Ik communiceer met mensen wereldwijd, vooral in het Italiaans, Spaans en Turks. Helaas is mijn antenne nu kapot, dus ben ik tijdelijk niet actief.’

Wilt u ooit nog terug naar Nieuw-Guinea?
‘Ik zou graag teruggaan, maar mijn vrouw wil bij onze kleinkinderen blijven. Ik zou alleen gaan, maar dat zou de terugkeer naar Nederland moeilijk maken, dus ik doe het niet.’

Archieven: Verhalen

‘Onze lessen in Iran eindigden om 11 uur, daarna gingen we naar het zwembad’

Seline, Noalynn en Rafik van basisschool Strijp Dorp in Eindhoven stappen op de fiets naar het huis van Henk van Gijn. Hij heeft twee Nederlandse ouders, maar door het werk van zijn vader is hij geboren en opgegroeid in Indonesië. Later heeft hij met zijn broertjes en zusje nog een tijd gewoond in Iran. Bij binnenkomst complimenteert meneer Van Gijn de kinderen met hun namen en zegt dat hij zelf een naam had die vroeger veel voorkomend was. Bij het vertellen laat hij een boek zien met foto’s van de auto reis die hij, zijn vader en twee van zijn broers hebben gemaakt van Iran naar Nederland. En vraagt hij de kinderen: ‘Gaan jullie de ruzie tussen mensen oplossen?’ Als afsluiting mag Rafik nog een foto maken met de camera van de fotograaf.

Waar bent u geboren?
‘Ik ben helemaal aan de andere kant van de wereld geboren, in Surabaya, in Indonesië op het eiland Java. Toen kwam ik met de boot naar Nederland. Heel snel daarna werd mijn vader een baan aangeboden in Iran, en zijn we daar naartoe gegaan, daar heb ik de tweede helft van de basisschool gedaan. Mijn vader kon binnen een half jaar Farsi spreken, Arabisch leren lukte niet meer. Farsi ligt best dicht bij het Nederlands.’

Hoe was het op de boot naar Nederland?
‘Er zaten een paar klasgenoten bij mij op de boot. We waren met acht kinderen en een beetje ondeugend. Op het schip was een soort speelplein en er moest een mevrouw op ons passen, maar die viel wel eens in slaap. Dan klommen wij over het hek en gingen we de hele boot ontdekken. De punt, de schoorsteen, de hondenhokken, de machinekamer. We zaten uiteindelijk een maand op het schip.

Mijn broertje was jarig in die maand. Van de kapitein kreeg hij daarom een speelgoedautootje, een sneeuwschuiver. Maar dat hadden wij nog nooit gezien. De eerste keer dat wij uiteindelijk sneeuw zagen was niet in Nederland, maar in het noorden van Iran, bij de Kaspische zee. We waren daar op vakantie. En het was koud!

We kwamen met het laatste vluchtelingenschip uit Indonesië. Daarom kregen we een pakketje van het Rode Kruis toen we in Nederland aankwamen. Daar zaten dingen in die we nog nooit hadden gezien, zoals een waxinelichtje. Er zat ook een Verkade-kwartetje in met koekjes erop. In dat kwartetje zaten ‘ Biscuit en ‘Beschuit’, maar wij kenden dat niet. Dus vroegen w e als het spel speelden: mag ik van jou ‘bis-kuit’’ of ‘bés-schuit’, we leerden later pas dat je biscuit moest zeggen, op zijn Frans.’

Hoe was het in Iran?
‘Normaal was het in Iran heel warm, daarom hadden we drie maanden zomervakantie. ’s Ochtends hadden we een beetje zomerschool. De lessen begonnen om 7 uur eindigden om 11 uur, daarna werd het te warm en gingen we naar het zwembad. Daar zaten we tot 6 uur. Wat een leven, he?

Ik zat wel op de Nederlandse afdeling van de internationale school. We hadden maar hele kleine groepen. In groep 5 was ik de zesde leerling.’

Wanneer bent u naar Nederland gekomen?
‘In het laatste stuk van groep 8. Het was wel even wennen. We hebben een tocht gemaakt van wel zes weken met de auto om van Iran naar Nederland te komen. We reden door Irak en Jordanië en Israël. We zaten even vast in Syrië omdat daar toen een opstand was. We gingen verder door Turkije, Griekenland en Joegoslavië. Dat was zes weken vakantie! Toen ik in Nederland aankwam was het Pinksteren, dus toen had ik nog een week vakantie. Daarna zat ik nog zes weken op school in Badhoevedorp.

Toen ik in 1962 in Nederland aankwam, was het de koudste winter ooit. Op mijn kamer was het -18 graden. Ik mocht huiswerk maken met mijn potlood, want mijn pen was bevroren. We hadden geen verwarming in huis. In die winter was ook het IJsselmeer dicht gevroren. Toen gingen we met de auto over het ijs.’

Herkent u nog plekken waar u vroeger bent geweest?
‘Ik ben vijftig jaar na dat ik uit Indonesië was vertrokken, teruggegaan met mijn vrouw. Terug naar waar ik heb gewoond. Het kwam me wel bekend voor, maar om ons oude huis stonden hekken. Ik ging eromheen lopen. Iemand die een stalletje in de buurt had, zei: ‘Kan ik u helpen?’ in het Maleis. Ik kon toen zeggen: ‘Ik heb daar gewoond’. Hij heeft me toen geholpen om binnen in het huis te kijken. Ik herkende nog heel veel.

We zijn nog bij het andere huis gaan kijken, maar dat was een bankgebouw geworden en daar stond een meneer op wacht met een schietgeweer. Dus ik ben maar meteen gaan uitleggen dat ik daar had gewoond. Ook daar wilden ze me wel helpen. We zijn op het dak van het gebouw gaan staan en ik herkende de tuin van het gebouw nog. Ik was verbaasd hoe vriendelijk iedereen was. Als Nederlanders kunnen we daar nog wat van leren. Ik was zo maar een vreemdeling en ik werd gewoon geaccepteerd.

Mijn huizen in Iran kan ik helaas niet meer opzoeken door de oorlog die er is geweest. De wijk is plat gebombardeerd.’

Waarom zei een klasgenoot van u dat u niet met een jongen van een andere school mocht spelen?
‘Wat een goede vraag en het doet zo’n pijn. Ik zat op de openbare basisschool in Badhoevedorp. Kort daarvoor was het kermis in het dorp. Mijn overbuurjongetje had geen broertjes en zusjes en zijn vader had gezegd: vraag dat jongetje uit Iran, die snapt het allemaal niet. Dus ik ben met hem meegegaan naar de kermis. Ik heb toen voor het eerst in een botsautootje gezeten en in een reuzenrad. Het was een fantasie en ik zat er echt in! Allemaal door het buurjongetje.

Toen ik een andere dag terugliep met het klasgenootje van school, zag ik mijn overbuurjongen lopen. Ik zei tegen hem: ‘Hé kom er ook bij, dat is gezellig’. Maar toen zei mijn klasgenoot: ‘Met hem mag je niet spelen want hij is van de katholieke school’. Mag ik dan niet met mijn buurjongen spelen die super aardig en lief is, alleen omdat hij op een andere school zit? Ik snapte er niets van.’

Archieven: Verhalen

‘Toen we hier kwamen, waren we bezienswaardigheden’

Nouri, Luna Fay, Liz en Thom van basisschool Strijp Dorp in Eindhoven gaan op bezoek bij Winston Gibbes. De kinderen zijn duidelijk zenuwachtig, maar ze worden gastvrij onthaald met chocomel en wat lekkers. Meneer Gibbes is in 1951 geboren op Curaçao en groeide er ook op. Vroeger waren ze met zijn achten thuis, zes broers en twee zussen. Ze wonen nu allemaal in Nederland, op één broer na.

In welk dorp woonde u vroeger?
‘Ik woonde vlakbij de hoofdstad en onze wijk heet Steenrijk. Wij woonden bovenop een heuvel. Vlakbij de zee is een wijk en die heet Nieuw Nederland. Er zijn ook heel veel straten met plaatsnamen uit Nederland, zoals de Arnhemstraat, Wageningenstraat en het Wageningenplein.

Ik ging naar school, voetbalde en begeleidde toeristen, zodat ik andere talen kon spreken. Op Curaçao hoorde je de hele dag Engels en Spaans. Nederlands spraken we alleen op school, je kreeg zelfs straf als je in de pauze geen Nederlands praatte. Ik heb verschillende bijbaantjes gehad. Ik werkte bijvoorbeeld ook als telegrafist op zee. Ieder schip moest een telegrafist aan boord hebben om contact te houden met andere schepen en met de mensen aan land.’

Waarom bent u naar Nederland gekomen?
‘Ik kwam in 1973 hier om te studeren. Op Curaçao zijn wel basisscholen en middelbare scholen, maar als je verder wil studeren moet je naar Nederland of Amerika. Ik ben niet naar Amerika gegaan omdat daar alleen Engels wordt gepraat. Ik heb voor Nederland gekozen omdat me werd verteld dat je later meer met een Nederlands diploma zou kunnen. En omdat in die tijd het WK voetbal in Duitsland was en dat is dichterbij Nederland.’

Waar ging u werken?
‘Bij Philips. Vroeger kon je bij Philips, DAF of bij de gemeente Eindhoven werken. Waar jullie op school zitten, dat noemen ze Drents Dorp. Philips trok veel werkmensen van boven de rivieren aan, vooral uit Drenthe, en later ook veel Spaanse mensen.

Ik had ook een winkel met mijn vrouw. De winkel heette Toeters en bellen, en weet je waarom? Omdat we van alles verkochten. Alles wat je je maar kan voorstellen op feestgebied verkochten wij, voor carnaval zoals schmink, maar ook van alles voor Sinterklaas.’

Wat vindt u van Nederland?
‘Als ik eerlijk mag zijn vind ik Nederland net zoals ik mezelf vind: mensen zijn vriendelijk in de omgang en soms zijn ze ook boos. As iemand boos is, wil dat niet meteen zeggen dat hij slecht is. Ik had een collega die tijdens het werk altijd vrolijk vroeg: ‘Hee, hoe is het?’ Maar als ik ’s morgens aankwam, dan groette hij helemaal niet. Dat vond ik eerst raar. Maar mijn collega had gewoon een ochtendhumeur. Je moet mensen leren kennen.’

Wat is het verschil tussen Nederland en Curaçao?
‘Curaçao is heel klein: je kunt het vergelijken met de provincie Utrecht. Bijna iedereen kende elkaar daar. Hier spreekt iedereen elkaar met de voornaam aan, maar op Curaçao en op Aruba met de achternaam.

Het onderwijs op Curaçao was helemaal op Nederland gericht. We leerden de hoofdstad en de topografie van Nederland. Toen we in Nederland kwamen, bleek dat de mensen hier helemaal niets van Nederland wisten! Wij hadden een Nederlands paspoort en gingen daarmee op reis. Ooit bij de grenscontrole van België vroegen ze naar ons paspoort. Ze keken erin, maar gaven aan dat het niet goed was. Ze wisten niet dat er ook niet-witte Nederlanders waren.

Toen we hier kwamen, waren we bezienswaardigheden. Mensen kwamen ons dan vragen stellen, dat zou tegenwoordig niet meer kunnen. Jullie zijn eigenlijk rijk vergeleken ons, jullie zitten in de klas met verschillende nationaliteiten en leren met elkaar om te gaan. Voor ons leken de Nederlanders ook allemaal op elkaar. Bij ons op school kwamen bijna alle docenten uit Nederland. Als de docenten iets aan ons vroegen, dan bleven wij gewoon zitten. Ze moesten ‘alsjeblieft’ zeggen, want de slavernij was al lang voorbij.’

Archieven: Verhalen

‘Liefde overwint alles’

Sandy, Samuel en Dorian van basisschool Strijp Dorp in Eindhoven interviewen Yusuf Basci (66 jaar). Zij hebben er veel zin in. Bij binnenkomst geeft Dorian een zelfgebakken Spaanse tortilla aan meneer Basci om hem te bedanken voor het interview. Die geeft op zijn beurt iedereen een heerlijk stuk Turkse cake, die zijn vrouw zelf gebakken heeft. Verder staan er koekjes, rijstwafels en chocolaatjes op tafel. Een mooi begin.

Waarom kwam u naar Nederland en hoe voelde het om alles achter te laten in Ankara? 
‘Ik wilde eigenlijk niet naar Nederland komen want ik wilde in mijn land blijven. Maar vanwege politieke en economische redenen ben ik naar Nederland gekomen. In Turkije zag ik geen toekomst. Ik was bang dat ik naar de gevangenis zou moeten. Daarom besloot ik naar Nederland te gaan. Daar was ik tenminste vrij.

Het was moeilijk om weg te gaan. Ik woonde in een buitenwijk in Ankara en had daar ontzettend veel vrienden. Wij voetbalden bijvoorbeeld met zo’n dertig kinderen buiten op het veld of we deden andere spelletjes. Ik ben in Ankara met deze kinderen opgegroeid en die liet ik allemaal achter.

Op mijn 21ste kwam ik hier. Ik ging naar een land waar ik niemand kende, naar mijn vrouw en haar familie toe.  De eerste jaren in Nederland waren voor mij heel moeilijk. Ik voelde me hier alleen, had geen vrienden en ik kon niet makkelijk nieuwe vriendschappen opbouwen. En nieuwe vrienden zijn niet hetzelfde als de vrienden van vroeger. Ik had veel heimwee, huilde vaak. Dat was niet alleen voor mij moeilijk, maar ook voor mijn ouders. Het was de eerste keer dat ik wegging bij mijn familie. Maar ze waren ook blij dat ik hier kwam, want als ik in Turkije bleef, was er een kans dat ik naar de gevangenis moest. Wij hadden niks verkeerd gedaan. Wij wilden een eerlijke wereld. Daarom protesteerden we. Wij wilden een vrij en democratisch land hebben.’

Waar leerde u uw vrouw kennen?
‘Zij woonde in Nederland. Toen zij op vakantie ging naar Turkije heb ik haar ontmoet. Wij zijn getrouwd en na een paar maanden ben ik naar Nederland gekomen.’

Had u een goede aansluiting met andere Turkse mensen in Nederland?
De meeste Turkse mensen hier kwamen uit dorpen. Ik kwam uit een stad, had een andere kijk op de wereld. En mijn politieke opvattingen waren anders dan die van hen. Daarom hadden we geen goede aansluiting. Zij leefden heel anders dan ik. Ik was modern en Europees, zij hadden andere waarden en normen.’

Wat voor werk deed u?
Toen ik hier kwam begin jaren tachtig, was er een crisis. Het was heel moeilijk om werk te vinden. Ik heb overal gesolliciteerd en deed alles wat ik kon omdat ik geld nodig had. Ik moést werken. Mijn eerste officiële baan was in Gilze Rijen, in een leerfabriek. Het was heel zwaar werk. Wij moesten leer trekken om een speciaal matje vast te maken, dat ging daarna naar de oven om te drogen. Soms ging het kapot. En dan kwamen onze handen tussen het ijzer en kregen we wonden en dikke handen. Daarna heb ik in een fabriek in Aalst-Waalre gewerkt. Dat was productiewerk. Ik heb er dertig jaar gewerkt, tot ik werd ontslagen. Nu ben ik tien jaar werkloos. Maar ik doe veel vrijwilligerswerk.’

Gedicht gemaakt voor Yusuf

Liefde overwint alles!

De liefde voor je vaderland… dat je zo hard werkt om de situatie daar te verbeteren
De liefde voor je medemens… dat je zelfs een gevangenisstraf riskeert om ze te helpen
De liefde voor je vrouw… dat je alles en iedereen achterlaat om bij haar te kunnen zijn
De liefde voor een leerling… dat je nieuwe schoenen voor hem koopt als zijn schoenen versleten zijn
De liefde voor je kind… dat je hem naar een ander land laat gaan omdat dat het beste voor hem is, ook al zal je hem heel erg missen
De liefde voor je thuisland… dat je je als vrijwilliger inzet om een verschil te kunnen maken
De liefde voor kinderen… dat jij jouw verhaal vertelt zodat zij hier zoveel van kunnen leren

Bedankt Yusuf, mensen zoals jij maken het verschil!

Archieven: Verhalen

‘Veel steden zijn mooi, maar Eindhoven is mooier want daar kom ik vandaan’

Ayman, Timo, Sarah en Bram van basisschool Strijp Dorp in Eindhoven wachten op Zahra Boureddaya die op bezoek komt bij hen op school. Zij mogen een interview met haar doen. Mevrouw Bouradaya is voor de liefde vanuit Marokko naar Nederland gekomen toen ze bijna 40 jaar was. Aan het begin van het gesprek hoort mevrouw Bouradaya dat sommige van haar interviewers ook familie hebben in Marokko en een beetje Marokkaans spreken. Ze vertelt, in het Nederlands, over haar verleden en laat ook wat groente uit haar moestuin zien.

Wat voor kleding maakte u vroeger in Marokko?
‘Ik maakte lange jurken met een speciale grote machine, voor feesten of verjaardagen. Ik borduurde ook en maakte truien, dat was mijn werk.’

Waarom bent u naar Nederland gekomen?
‘Ik ben naar Nederland gekomen voor de liefde. Ik had een man leren kennen in Marokko, mijn familie kende hem. Hij is Marokkaans, maar woonde al twintig jaar in Nederland. Hij was er destijds op vakantie.

Ik ben met de auto naar Nederland gegaan, een mooie reis van drie dagen. Zo heb ik onderweg nog veel andere mooie plekken gezien en daar lekker gegeten. Als ik nu naar Marokko ga, neem ik het vliegtuig, dat is maar drie uurtjes vliegen. Vaak ga ik alleen, soms met een vriendin, zo’n twee keer per jaar.

Ik woon nu 27 jaar in Nederland. Mijn man en ik zijn 15 jaar samen geweest, daarna zijn we gescheiden.’

Wat voor werk had uw man in Eindhoven?
‘Ik woonde eerst twee jaar in Haarlem, maar we zijn in Eindhoven komen wonen voor zijn werk bij Phillips. Haarlem was ook een hele mooie stad.

In Eindhoven ging ik twee jaar op taalles bij het ROC. We kregen les met veel vrouwen uit Turkije, Marokko en Afghanistan, maar ook met mannen. Ik heb nog steeds vriendinnen van de taalles. Ik spreek Arabisch, Berber, Frans en Nederlands, maar niet allemaal even goed.’

Waar werkt u nu?
Ik ben met pensioen, maar ik werk soms in mijn moestuin. Van mijn Spaanse buurman heb ik geleerd hoe ik dat het beste kan doen. Ik heb knoflook, prei, bieten, paprika, boerenkool en pompoen in de tuin. Voor de tomaten heb ik een kas. Ik hoef nooit naar de winkel om groente te halen.’

Zou u nog naar Marokko teruggaan?
‘Alleen op vakantie. Ik vind het er heel leuk, mooi en rustig, maar ik blijf hier in Nederland. Soms zijn de mensen aardig, soms niet. Dat is zo in Marokko, dat is zo in Nederland, dat is overal zo. Niet allemaal goed, niet allemaal slecht.

Eerlijk waar, ik vind in Nederland alles goed: het ziekenhuis, de huisarts… alles is goed geregeld. Marokko is mijn land, dus ik zal altijd zeggen dat het daar goed is. Je kan er fijn op vakantie en je kan er lekker eten, maar ik wóón in Nederland, en ik ga op vákantie naar Marokko.

Ik ben geboren in Taza. Taza is niet mooi, maar ik vind het mooi. Hetzelfde heb ik met Eindhoven. Ik vind veel steden in Nederland mooi, maar Eindhoven is mooier want daar kom ik vandaan. Als ik naar Marokko ga, ga ik naar mijn familie, naar mijn zus en mijn broer. Ik mis ze wel.’

Archieven: Verhalen

‘In het prikkeldraad zat de zoon van de Joodse slager helemaal verstrikt’

Franz, Diederik en Olivia van basisschool de Hasselbraam gaan op bezoek bij Piet Hoppenbrouwers. Meneer Hoppenbrouwers was bijna 6 jaar oud toen de oorlog begon en woonde met zijn ouders op het Stratumseind in Eindhoven. De kinderen luisteren aandachtig naar zijn verhalen die hij als kind heeft opgeschreven en nu, op 91-jarige leeftijd, nog levendig kan navertellen.

Kunt u meer vertellen over die keer toen een Duitse soldaat aanbelde bij uw ouders?
‘Op een nacht, midden onder het luchtalarm, werd er bij ons aangebeld. Mijn vader keek door een spleetje en zag een Duitse soldaat staan, compleet met geweer. Dat was heel gevaarlijk en spannend, maar mijn vader deed toch de deur open. De soldaat kwam binnen, zette netjes zijn geweer in de hoek en vertelde dat hij de oorlog ook niet had gewild. Hij kwam uit de buurt van München en had zelf ook een vrouw en kinderen. Mijn vader gaf hem een zelfgedraaide nepsigaret van tabaksbladeren uit eigen tuin, en mijn moeder gaf hem een kopje nepkoffie. Toen het luchtalarm voorbij was, bedankte hij mijn moeder, groette ons en vertrok weer. Die nacht hebben we niet meer geslapen van de spanning. Het was een positieve ervaring die me leerde dat niet alle Duitsers slecht of gemeen waren.’

Kende u Joodse mensen?

‘Jazeker. Een van de verhalen die ik me herinner, gaat over een jongen van een jaar of 11, de zoon van een Joodse slager. Op een avond na zangles liepen we met een groepje jongens naar huis, vlakbij het kerkhof. Daar hoorden we gekreun. Rond het gastankstation was prikkeldraad gespannen en daar zat die jongen helemaal in verstrikt. Misschien waren het wel jongens van de NSB die dat hadden gedaan. Wij hebben hem er heel voorzichtig uitgehaald, maar hij bloedde aan alle kanten en kon niet meer lopen. Daarop hebben we hem naar zijn huis gebracht. De volgende dag is vermoedelijk de hele familie ondergedoken.

Ik heb jarenlang niet geweten hoe het met hem is afgelopen. Pas een paar jaar geleden ontdekte ik dat hij de oorlog, net als zijn vader en zusje, heeft overleefd. Zijn moeder is helaas vlak voor het einde van de oorlog gestorven van uitputting. Voor haar ligt nu een struikelsteentje in de stad.’

Wat dacht u van de NSB?
‘Ha, dat waren de gasten die voorop liepen met de Duitsers, maar ze waren net zo gemeen. Het waren rotzakken. Een collega van mij op school vertelde dat zijn broer in de oorlog is verraden voor 7 gulden door een NSB’er. Als je een hele Joodse familie verraadde, kreeg je soms wel 50 gulden. Zo gingen die NSB’ers te werk; ze werkten samen met het regime van Hitler. Ze groetten elkaar ook met een opgeheven arm, net als de Duitsers, een groet die ze van de Romeinen hadden overgenomen. Nee, ik neem geen blad voor de mond: dat waren geen goede mensen.’

Archieven: Verhalen

‘Bij de bevrijding waren we verkleed als de prinsesjes Beatrix, Margriet en Irene’

Juul, Mila en Lara wandelen toch een beetje gespannen van basisschool de Hasselbraam in Eindhoven naar de Wilgenhof, waar Pauline Spierings (87) woont. Die spanning blijkt niet nodig te zijn want ze worden allerhartelijkst ontvangen in haar appartement, waar de cake en de chocomel al klaarstaan.

Hoe merkte u dat de oorlog begon?
‘Ik was natuurlijk erg jong, 2 jaar, toen de oorlog begon, maar ik weet er nog best veel van. Dat komt denk ik omdat er heel veel angst was. Angst voor de herrie, angst voor waar we moesten slapen, angst voor wat er ging veranderen, angst voor bommen (V1’s) die overvlogen en waar we voor moesten schuilen onder de struiken. Zo moesten wij slapen in de kelder van het klooster in een schuilkelder.’

Waren er ook soldaten die bij jullie woonden?
‘We hadden twee soldaten die bij ons schuilden. Die woonden op zolder, Tom en Zwartie. Dat vond ik niet zo spannend. Kijk, in mijn boek heb ik nog foto’s van hen tijdens de oorlog. Dat is best bijzonder. Van Tom hebben ik ook nog een foto gekregen na de oorlog toen hij trouwde.’

Hoe voelde u zich toen Vught bevrijd werd?
‘Ook daar weet ik niet heel veel meer van. Ik kan me nog wel herinneren dat er een optocht was en dat wij hebben meegelopen. Wij waren met drie meisjes en we zaten op een boot en waren verkleed als de prinsessen, Beatrix, Irene en Margriet. We hadden speciale jurken aan in de kleuren van de vlag. Ik ben trouwens in dezelfde maand geboren als prinses Beatrix.’

Archieven: Verhalen

‘Op een kaart uit maart 1944 schrijft mijn vader dat hij op transport gaat’

Pip, Mick, Teddie en Krisje van basisschool de Hasselbraam in Eindhoven zijn op bezoek bij Andy Wijzenbeek en zijn vrouw. Ze hebben er ontzettend veel zin in, maar zijn ook een klein beetje zenuwachtig. De kinderen gaan meneer Wijzenbeek interviewen over zijn vader, die verzetsstrijder was in de oorlog. Wat zou hij allemaal over zijn vader kunnen vertellen?

Kunt u iets meer vertellen over uw vader en moeder?
‘Mijn vader Emanuel, ofwel Maan, Wijzenbeek werd geboren in Den Haag in 1909, hij was Joods. In 1932 trouwde hij met mijn moeder Marietje, zij was volgens mijn vader het mooiste meisje van Eindhoven. Mijn moeder was een katholieke vrouw. Omdat dit dus een gemengd huwelijk was, hoefde mijn vader in eerste instantie niet naar een concentratiekamp in Duitsland. Hij werkte als vertegenwoordiger voor Philips en we woonden aan de Heezerweg 229 in Eindhoven. Er waren al twee kinderen in huis en inmiddels was mijn moeder zwanger van een derde kind, dat was ik.

Net voordat de oorlog begon werd mijn vader opgeroepen voor het Nederlandse mobiliteitsleger. In die tijd ontving mijn moeder veel vrolijke brieven van mijn vader. Hij had goed te eten en de mensen om hem heen waren aardig voor hem, die tijd moet fijn voor hem geweest zijn.’

Uw vader zat in het verzet, wat deed hij dan?
‘We hadden twee Joodse kinderen uit Nederland in huis, eentje ervan heette Harrie. Ik was nog niet geboren, dus ik weet hier verder niet zoveel van. Wel weet ik dat mijn vader verzetsstrijder was. Hij hielp mensen met onderduikers in huis aan extra voedselbonnen. Dit was natuurlijk verboden en dus gevaarlijk. Mijn vader is uiteindelijk verraden, we weten niet door wie. Hij is opgepakt door de Duitsers en meegenomen. De ondergedoken kinderen zijn niet ontdekt.

Mijn vader is eerst in verschillende kampen in Nederland geweest. Uiteindelijk is hij gedeporteerd naar Auschwitz en daar vermoord, hij overleed in maart 1944.’

Uw moeder wilde niet veel vertellen, weet u ook waarom?
‘Vanuit Westerbork zijn er brieven, geschreven door mijn vader, meegesmokkeld en bij mijn moeder terechtgekomen. Daarnaast heb ik een kaart uit maart 1944, waarop mijn vader schrijft dat hij op transport gaat maar niet weet waarheen. Deze kaart heeft mijn vader hoogstwaarschijnlijk uit de trein naar Auschwitz gegooid en ook deze is bij mijn moeder beland.

Al deze brieven en kaarten heeft mijn moeder bewaard in een koffertje (snoepblikje). Dit koffertje was het enige wat ons herinnerde aan onze vader. Af en toe kwam het op tafel te staan en lazen wij de brieven en kaarten. Mijn moeder wilde niet veel vertellen over mijn vader omdat ze het verdriet eigenlijk wilde wegstoppen. Ik heb dit zelf ook jaren gedaan. Ik wilde me ook niet verdiepen in de oorlog, ik was een tijd lang vooral boos op de Duitsers.

De kaart die hoogstwaarschijnlijk uit de trein naar Auschwitz gegooid was, liet mijn moeder wel meteen zien toen mijn vrouw kwam kennismaken. Mijn moeder wilde dus wel het een en ander delen, maar vond dit ook heel moeilijk.’

Hoe was het leven na de oorlog?
‘In de brieven aan mijn moeder schreef mijn vader over de baby, een meisje dat Marijke zou moeten gaan heten. Hij schreef dat hij hoopte dat hij terug zou zijn voordat het kindje geboren zou worden. Ik werd in mei 1944 geboren, mijn vader was toen al gestorven.

We hadden in die tijd weinig. Ik speelde met klosjes garen, lege blikjes en lege luciferdoosjes. Toen ik vier maanden oud was, vierden we de bevrijding. Ik droeg een Amerikaans petje en de mensen noemde mij in plaats van Andre (dit was mijn doopnaam) Andy. Dit deden ze vanuit dankbaarheid naar de Amerikanen.

Jarenlang heb ik niet over de oorlog na willen denken en niet over de oorlog willen praten. Sinds kort ben ik me steeds meer gaan verdiepen in het verleden van mijn vader, mijn dochter heeft dit in mij aangewakkerd. Ik ben nu vooral trots op de dapperheid van mijn vader.

Er is inmiddels een struikelsteen voor mijn vader geplaatst bij mijn geboortehuis, mijn vader komt terug in een boek en artikel van omroep Brabant en er is een straat naar hem vernoemd in de verzetsbuurt. Maar het allermooiste is dat mijn kleinzoon vernoemd is naar mijn vader. Mijn moeder wilde graag dat ik onze zoon Maan zou noemen, maar dat wilde ik niet, dat was te pijnlijk. Nu is de wens van mijn moeder toch nog uitgekomen.’

Archieven: Verhalen

‘Opa was kostganger: hij nam de onderduikers in huis en gaf ze te eten’

Tibeau, Doortje en Polina zijn heel benieuwd naar het verhaal van Dre Rennenberg (1936). Hij was 4 jaar toen de oorlog begon en woonde aan de Leostraat in Eindhoven. Meneer Rennenberg (later ambtenaar in Eindhoven) schreef een boek over zijn herinneringen aan deze tijd. De drie leerlingen van basisschool de Hasselbraam willen weten hoe hij zich voelde. Toen de oorlog begon was hij nog erg jong, zegt hij, een gevoel is dan ook niet goed te omschrijven. Maar gedurende de oorlog voelde hij meer en meer angst.

Wat deed uw vader in de oorlog?
‘Mijn opa, oom en mijn vader zaten in het verzet tijdens de oorlog. In het verzet zitten was heel erg gevaarlijk. Ze hielpen Engelsen die de Duitsers wilden vermoorden, met schuilen en overleven. Opa was kostganger: hij nam de onderduikers in huis en gaf ze te eten. Mijn opa zorgde er ook voor dat er op het vliegveld kastjes met lichtgevende verf werden beklad, zodat de Engelsen in het pikkedonker toch zagen dat er een landingsbaan was. Mijn oom sprak heel veel talen en kon dus goed helpen. Iedereen moest zijn radio inleveren, maar opa hield er een verborgen. Daarmee kon hij dan stiekem naar de Engelse radio luisteren.’

Wat gebeurde er met uw opa?
‘Hij is verraden, waarschijnlijk door buurtbewoners, omdat hij naar de Engelse radio luisterde. De Duitsers konden hem toen afluisteren. Ze kwamen naar ons huis en pakten hem op. Hij is naar kamp Vught gebracht, een strafkamp, maar hij kreeg longontsteking. Dokter Jordaan zorgde ervoor dat opa van het kamp naar het ziekenhuis ging en daar mocht blijven. Helaas was hij te ziek en is hij gestorven aan de longontsteking. Opa was heel erg belangrijk in het verzet.’

Wat herinnert u zich van de bevrijding op 18 september 1944?
‘Die dag was ik met mijn vriend Willy oorlogje aan het spelen achter in de tuin. Ik had een vergiet op mijn hoofd, dat was mijn helm. We hoorden ineens allemaal mensen roepen en zagen mensen op de fiets: de Engelsen fietsten door de straat. Grote vrachtwagens kwamen langs en Engelse soldaten deelden chocola uit aan ons. Een donkere man gaf mij een chocolaatje en gaf me een kus op mijn hoofd. Ik had een heel raar maar ook blij gevoel. Ze zetten bijvoorbeeld grote palen neer waar we in mochten klimmen en een peperkoekje konden winnen. En er werd limonade geschonken.

Maar de dag erna, op 19 september, zagen we lichtkogels… De Duitsers bombardeerden toch nog de stad en wij moesten vluchten naar Tivoli. Veel huizen werden verwoest.’

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892