Archieven: Verhalen

‘Het rook anders bij mijn vriendjes thuis, maar dat vond ik niet gek’

Eva, Mees en Nienke van basisschool de Talisman in Eindhoven zijn op bezoek bij Tony Liebregts. Hij is in 1954 geboren in Paramaribo, op 14-jarige leeftijd kwam hij naar Nederland. Ze mogen aan de eettafel gaan zitten, waarop meneer Liebregts allerlei Surinaamse lekkernijen heeft staan. Deze mogen ze meteen proeven en het meeste valt goed in de smaak.

Hoe hebben uw ouders een bestaan opgebouwd in Suriname?
‘Mijn opa en oma komen uit Libanon. Dit was in die tijd een kolonie van Frankrijk en in het Caribisch gebied waren ook Franse koloniën. Via Frans-Guyana zijn ze daarna in Suriname terechtgekomen. Ze waren handelsreizigers en verkochten textiel. De Libanese gemeenschap had meerdere winkels voor stoffen in Suriname. Mijn moeder is geboren in Suriname en mijn vader komt uit Nederland. Hij zat bij de Tris (troepenmacht in Suriname). Het leger van Nederland had een basis daar omdat Suriname een kolonie van Nederland was. Daar heeft mijn vader mijn moeder leren kennen en zijn ze getrouwd en hebben kinderen gekregen.

Ik heb veertien jaar in Suriname gewoond, daarna ben ik alleen naar Nederland gegaan om daar naar school te gaan. De gedachte in Suriname was veelal: alles in Nederland is beter. We kunnen het er nog over hebben of dat echt zo was.’

Merkte u iets van de verschillende culturen in Suriname?
‘Ik zal het jullie laten zien, hier is een foto van mij en mijn vriendjes. Dit was een Indiaanse jongen en dit was een Creoolse. Wij hadden het samen altijd goed met elkaar. Onze overbuurmeisjes waren hindoestaans en daar speelden wij ook mee. Maar omdat mijn vader bij het Nederlandse leger zat, stond ik ook wel eens verkleed in legertenue voor het standbeeld van koningin Wilhelmina te poseren. Het geeft de verschillende werelden weer in Suriname.

Ik merkte nooit veel verschil als ik bij andere kinderen ging spelen. Het rook wel anders bij mijn vriendjes thuis omdat ze anders kookten, maar dat vond ik niet gek. Ze deden dingen anders. Een hindoestaanse bruiloft had heel lang feest met veel goud en pracht en praal, daar was ik altijd van onder de indruk. Maar met spelen met mijn vriendjes merkte ik nooit een verschil. We hadden ook niet veel om te spelen. Als het regende, gingen we graag in onze onderbroek naar buiten om langs de weg te staan. Dan kwamen er auto’s voorbij en werden we helemaal nat, dat vonden we geweldig. We gingen ook op leguanenjacht bij de kreek.’

Vond u het niet lastig om alleen naar Nederland te gaan?
‘Natuurlijk is het lastig, je bent alleen. Ik had wel broers en zussen van mijn vader waar ik naartoe kon in het weekend, maar doordeweeks zat ik op een internaat. Wat ik leuk vond in Nederland was dat je hier zomaar een frietje kon kopen of een broodje kroket. En in de winter was er sneeuw en ijs, dat kende ik alleen van ijsklontjes uit de koelkast. Er waren veel nieuwe dingen, dat vond ik geweldig en dat maakte het leuk. Ik ben een nieuwsgierig iemand en kwam in een nieuwe wereld terecht, dat vond ik prachtig

Maar omdat ik uit Suriname kwam, dachten de kinderen met wie ik in Nederland op school zat dat ik niet kon schrijven, niet kon lezen, niet kon rekenen. Ze dachten dat ik uit de rimboe kwam en ik werd uitgescholden voor ‘rimboekikker’. Daar ben ik toen heel boos over geworden. Maar daarna was het prima, werden we vrienden en leerde ik bijvoorbeeld schaatsen van die kinderen. Ik zei altijd: je kent me niet, laat me het verhaal vertellen dan snappen jullie het.

Vier jaar later zijn mijn ouders en broertjes en zusjes ook naar Nederland gekomen. Dat was heel moeilijk voor mijn moeder die toen ongeveer 50 jaar was. Zij had haar hele leven in een tropisch land gewoond met warmte en ruimte, en ineens woonde ze met vijf kinderen op een flat in Nederland.’

Archieven: Verhalen

‘Na de Japanse bezetting werd het eigenlijk nog ingewikkelder voor ons’

Een beetje gespannen maar vooral heel nieuwsgierig vertrekken Liv, Fatima en Mannes vanuit basisschool de Talisman in Eindhoven naar de 90-jarige Dee van Eldik-Lippelt. Zij is geboren in Salatiga. Daarover gaat meteen de eerste vraag van hun interview met haar. Liv, Fatima en Mannes hebben wel gezocht op een kaart, maar konden het niet vinden. Mevrouw Eldik legt uit dat Salatiga een kleine stad is ten zuiden van de havenstad Semarang op Midden-Java.

Hoe was uw jeugd in Indonesië?
‘Ik had een hele fijne jeugd in Salatiga. Ik groeide daar op met mijn ouders. We waren Indo’s, dus we hadden een gemengde achtergrond en een Nederlands paspoort. Thuis spraken we ook Nederlands en ik ging naar een Nederlandse school.

Ik ging al vroeg naar school, eigenlijk een beetje te vroeg, want ik was best druk thuis en mijn ouders dachten: laat haar maar alvast beginnen. Maar toen, aan het einde van dat schooljaar, kwamen de Japanners en begon de oorlog. Alles veranderde ineens. De Nederlandse scholen gingen dicht en ik kon niet meer naar school.

Omdat wij van gemengd bloed waren, werden we niet opgesloten in kampen zoals de witte Nederlanders, maar het was zeker niet makkelijk. We moesten ons een beetje verborgen houden. In die tijd heb ik dus geen echte school gehad. Maar mijn ouders vonden leren wel belangrijk, dus thuis moest ik gewoon doorgaan. Mijn vader liet me Nederlands oefenen en mijn moeder liet me de tafels leren, van 2 tot en met 19.

Pas na de oorlog kon ik weer echt naar school. Maar die tijd zonder vergeet je niet. Je leven staat gewoon stil, terwijl je nog kind bent.’

Waarom kozen jullie ervoor naar Nederland te gaan na de onafhankelijkheid?
‘Na de Japanse bezetting werd het eigenlijk nog ingewikkelder. Indonesië wilde onafhankelijk worden van Nederland en dat zorgde voor veel onrust. Wij zaten daar een beetje tussenin, want we waren niet helemaal Nederlands, maar ook niet Indonesisch. Dat maakte het gevaarlijk.

Mijn vader werd in die tijd opgepakt en naar een kamp gebracht. Mijn moeder en ik kwamen later ook in kampen terecht. We hadden honger, waren vaak ziek en moesten steeds verplaatsen. Je had geen vrijheid meer, dat was misschien nog wel het ergste.

Mijn vader was op een gegeven moment best boos op de Nederlanders, omdat hij zich achtergesteld voelde. Daarom wilde hij eigenlijk niet naar Nederland. Toen kregen we de keuze: Indonesisch worden of Nederlands blijven. Mijn vader koos ervoor om Indonesisch te worden, dus we waren officieel geen Nederlanders meer. Ik moest zelfs van school af, terwijl ik daar zelf niks over te zeggen had.

Maar dat bleek geen goede keuze. De Indonesiërs zagen ons toch niet echt als een van hen. Veel mensen kregen daar spijt van, daarom werden we ‘spijtoptanten’ genoemd. We wilden ons Nederlanderschap terug, maar dat ging niet zomaar. We moesten er echt om vragen.

Mijn vader overleed ondertussen, dus mijn moeder stond er alleen voor. Zij mocht uiteindelijk wel naar Nederland, maar ik nog niet omdat ik te jong was. Mijn moeder liet mij niet alleen en bleef bij mij. Pas in 1960 mochten we samen naar Nederland vertrekken. Dat duurde dus heel lang.’

Hoe was het om in Nederland te komen?
‘Toen we eindelijk naar Nederland gingen, was dat een enorme verandering. Echt een cultuurschok. Alles was anders. Alleen al hoe mensen zich ‘wassen’ op het toilet, dat vonden wij heel raar, want wij gebruikten water. En het eten! We kregen aardappelen en groenten die helemaal doorgekookt waren, zonder smaak. Wij waren gewend aan kruidig, Indisch eten. Dat was echt even wennen. In het begin vonden we het helemaal niks.

We zaten eerst in een opvangkamp en daarna konden we pas een beetje ons eigen leven opbouwen. Toen konden we ook weer zelf koken zoals we gewend waren. Gelukkig ben ik wel snel gewend geraakt aan Nederland, maar die eerste tijd vergeet je nooit meer.

Als ik nu terugkijk, ben ik eigenlijk wel trots dat we erdoorheen zijn gekomen. Het was niet makkelijk, maar we hebben ons aangepast. Ik ben meteen gaan werken toen we in Nederland waren en had gelukkig snel een baan als boekhoudster. Mijn moeder was ook heel sterk. Na alles wat ze had meegemaakt in de oorlog, heeft ze zich hier toch goed aangepast. We hebben samen nog mooie dingen gedaan, zoals reizen door Europa.’

Archieven: Verhalen

‘Witte kinderen kregen vaker de beurt en werden sneller gekozen’

Heel dicht bij school woont de 87-jarige Jessica Mollen-van Putten. Anna Rosa, Elia en Lotte van basisschool De Talisman in Eindhoven gaan te voet op pad om haar te interviewen. Wanneer ze aanbellen, doet haar dochter Roxy de deur open. Ze ontvangt hen hartelijk en warm. Ook zij neemt deel aan het interview en helpt haar moeder bij het beantwoorden van de vele vragen die de drie leerlingen hebben voorbereid. Die vragen gaan over het leven op Aruba en de sporen van het koloniale verleden die daarin een rol spelen.

Hoe was uw jeugd op Aruba?
‘Ik ben opgegroeid op Aruba, in een klein dorpje, St. Nicolas, in de Saba Straat. Ik had een fijne jeugd met mijn ouders, broers en zussen. We woonden in eenvoudige huisjes met golfplaten daken, terwijl iets verderop grote huizen stonden van rijke Amerikanen en Nederlanders.

Voordat ik naar school ging, at ik altijd ‘Johnnycakes’, dat is iets typisch van de eilanden. Dat aten we met thee en daarna liepen we naar school. Ik zat op een katholieke school met nonnen en daar kregen we gewoon Nederlands. Daarom spreek ik nu nog steeds Nederlands.

Maar op school was er wel verschil. Witte kinderen kregen vaker de beurt en werden sneller gekozen. En we leerden vooral over Nederland, maar bijna niks over ons eigen land of over slavernij. Dat is iets wat ik later pas leerde. Dat vind ik een belangrijk koloniaal spoor: dat je opgroeit zonder je eigen geschiedenis echt te kennen.’

Wat weet u van uw familiegeschiedenis?
‘Mijn beide ouders komen van Sint Eustatius. Dat was vroeger een belangrijke plek in de slavernijhandel, en daar kun je nog steeds sporen van zien.

Van mijn opa’s kant weten we dat onze familie teruggaat tot de slavernij. Onze voorouder was tot slaaf gemaakt en kreeg een kind met een Nederlandse koopman. Daarom hebben wij nu een Nederlandse achternaam, Van Putten. Dat is eigenlijk de naam van de eigenaar. Dat vind ik best heftig, want daardoor weet je niet meer precies waar je familie oorspronkelijk vandaan komt, bijvoorbeeld uit West-Afrika. De echte naam is verloren gegaan.

Op Sint Eustatius heb je nog het slavenpad, waar mensen vanaf de schepen omhoog werden gebracht en verkocht. En er zijn nog straatnamen en gebouwen met familienamen zoals die van ons. Dat laat zien dat het koloniale verleden nog steeds zichtbaar is, ook nu.’

Wat is er in de Tweede Wereldoorlog gebeurd op Aruba?
‘Tijdens de Tweede Wereldoorlog speelde Aruba een belangrijke rol door de olieraffinaderij. Daar werkte mijn vader ook. Op een nacht, toen ik nog klein was, was er een enorme explosie. De Duitsers hadden de schepen aangevallen om de olie tegen te houden. Alles stond in brand, zelfs de zee, omdat er olie op lag. Veel mensen zijn toen overleden. Mijn vader had geluk: hij kon met een klein bootje ontsnappen, maar hij was wel zwaar verbrand. Dat is iets wat altijd in mijn familie is blijven hangen.

Toen ik later, rond mijn twintigste, naar Nederland ging om te studeren, was dat een grote verandering. Ik moest daarvoor het eiland verlaten, want op Aruba waren weinig opleidingsmogelijkheden. Ik kwam hier in de winter aan en kende dat helemaal niet. Ik liep op hakken over het ijs, dat was heel raar.

In Nederland moest ik erg wennen. Mensen wisten weinig over de eilanden en hadden soms vooroordelen. Maar uiteindelijk bouwde ik hier mijn leven op. Mijn verhaal laat zien hoe Nederland en de eilanden met elkaar verbonden zijn, door kolonialisme, slavernij en de oorlog. Dat zie je nog steeds terug in mijn familie en in wie ik ben.’

Archieven: Verhalen

‘Met een theelepeltje suikerwater; bietenwater, hebben ze me grootgebracht’

Viggo, Jesse en Saar, leerlingen van OBS Twiske, gaan op bezoek bij Ton Baardwijk. Meneer Baardwijk is geboren in 1945 en heeft de oorlog zelf niet bewust meegemaakt, maar hij kan wel veel vertellen over wat zijn familie heeft meegemaakt en heeft een prachtige postzegelverzameling, waarvan de leerlingen ieder één kregen met een afbeelding van Hitler erop. ‘Een boosaardige man met een poppensnorretje’ aldus meneer Baardwijk. Ook neemt hij hun mee naar de Museumwoning, een klein museum in Amsterdam-Noord, waar ze heel mooi kunnen zien hoe mensen vroeger leefden.

Welke spullen zijn er in het museum die direct met de oorlog te maken hebben?
‘In het museum staat een verduisteringsluik. In de oorlog moesten de ramen verduisterd worden, want er mocht geen licht van binnen naar buiten komen. Het is papier, zwart papier dat je in een hor deed. Die moest voor de ramen komen. De Duitsers reden dan op de motor langs en als ze dan ergens licht zagen, schoten ze zo op het raam, of er nou mensen achter waren of niet. Dus je zorgde wel dat je de zaak goed verduisterde. En ook een heel uniek, we hebben ‘kakies’ uit de oorlog. In een blik dat helemaal dicht gesoldeerd is, en uit Zweden kwam aan het einde van de oorlog.’

Heeft u de Hongerwinter meegemaakt?
‘Ik ben geboren in maart 1945. En de eerste melk die ik kreeg was in mei. Dat was melkpoeder die we kregen uit Zweden.  Mijn moeder had geen borst met voeding, dat was allemaal blauw water. Met een theelepeltje suikerwater, bietenwater, hebben ze me grootgebracht.’

Hoe kwam uw familie aan eten tijdens de Hongerwinter?
‘Het voedsel was op, en mensen moesten naar de boeren om voedsel te krijgen. En ik weet nog dat mijn vader een keer van mijn oom een half varken heeft gekregen. Maar dat moest hij wel ophalen, want mijn oom durfde niet. Als je terugkwam van het boerenland werd je gecontroleerd door Nederlandse politiemensen. En het voedsel werd altijd in beslag genomen. Dat werd dan afgepikt. Maar mijn vader heeft gedacht, ik moet met dat varken er doorheen zien te komen. Hij heeft het op zijn rug gebonden, zijn jas er overheen en liep gebogen alsof hij een bochel had. Het lukte: hij mocht zo doorlopen. Hij heeft geluk gehad, want als hij aangehouden was, had hij misschien de kogel gelegen. Het voedsel moest je inleveren. Dus dat waren wel spannende dagen.
Hij ging ook vaak naar de boer toe. Hij heeft een keer een kruiwagen vol met aardappels gekocht. Hij heeft er misschien wel 80 gulden voor betaald.  En wat gebeurt er nou, daar ziet hij ineens in de verte Duitse wagens. Er kwam een patrouille aan. Toen is hij gauw van de dijk afgegaan, maar toen rolde die kar om. Hij heeft toen de hele nacht op zijn knieën alle aardappels lopen zoeken. Die lagen allemaal over de dijk verspreid. En zo is hij thuis gekomen. Hij was bekaf en mijn vader is met de handkar zo de deur in gereden. Voordeur open, hup, zo naar binnen, en in de gang omgekiept. En toen hadden wij weer een tijdje aardappels.’

 

Archieven: Verhalen

‘Onderin de pan was de soep dikker en lekkerder, dus stonden we expres achter in de rij’

Bilal, Semih, Elif en Sara van OBS De Spiegel in Zaandam mogen met Fatima, de moeder van Bilal mee in de auto naar Oostzaan. Daar worden ze opgewacht door Leo van Zadel en zijn vrouw.  Ze worden warm ontvangen, krijgen wat drinken en iets lekkers. Hoe het  met gaat? Trots vertelt hij dat hij bijna 93 jaar is, nog aan badminton doet en erg actief is. Hij kan veel over de oorlog vertellen en was ongeveer 7 jaar toen de oorlog begon. De familie woonde aan de J. Franklinstraat. Hij vertelt over de periode 1940-1945 in Amsterdam.

Hoe was het in de oorlog in Amsterdam-West?
‘Aan het begin van de oorlog had bijna niemand een radio. Mijn vader wel. Hij had een grote radio en zette die in de vensterbank met het raam open, zodat iedereen in de straat kon horen dat de oorlog was begonnen.
Verder merkte je eerst weinig. De Duitsers zagen we pas later. Mijn moeder zei altijd dat de soldaten eigenlijk gewone jonge mannen waren, van zo’n twintig tot vijfentwintig jaar. Ze waren beleefd en stonden in de tram op voor vrouwen. ‘Dat waren geen slechte mensen’, zei ze, maar jongens die verplicht naar Nederland waren gestuurd.’

Wat merkte u als kind van de oorlog?
In het begin merk je als kind weinig van de oorlog. Je gaat gewoon naar school en hoort wel dingen, maar je begrijpt het nog niet. Ik was toen zeven jaar.
Later, toen de oorlog langer duurde en ik ouder werd, veranderde er veel. Er kwam minder eten, vooral vanaf 1943. We moesten zelf zorgen dat we iets te eten kregen.
Er waren gaarkeukens, vaak in een schoolgebouw. Daar kreeg je soep als je met een pan kwam. Mijn broertje was zes en ging met mij mee. Je stond lang in de rij. Als er net een nieuwe pan werd neergezet, was de soep dun. Daarom probeerden we expres later aan de beurt te zijn, want onderin was de soep dikker en lekkerder.’

Moest u en uw familie onderduiken?
‘Nee. Mijn vader werkte bij de PTT, bij de post. Hij bracht post rond met een fiets en een karretje.
Hij kreeg wel een oproep om zich te melden in de Euterpestraat in Amsterdam. Nederlandse mannen moesten in Duitsland gaan werken. Mijn vader ging daarheen, maar hij had zichzelf van tevoren verwond. Hij had een snee gemaakt en daar iets ingestopt zodat het ging ontsteken. Daardoor werd hij afgekeurd en teruggestuurd. Twee weken later moest hij zich opnieuw melden. Daar heb ik nog brieven van, van de Sicherheitsdienst.’

Waarom moest u zo vaak van plek veranderen?
‘Mijn moeder lag vaak in het ziekenhuis en was erg zwak. Mijn broer en ik moesten daardoor al jong voor onszelf zorgen. Alles was op de bon, ook brood. Soms deden we alsof we de bon al hadden gegeven, zodat we toch extra brood konden krijgen. Je moest slim zijn. Mijn broer en ik zijn twee keer in een sanatorium geweest.
Op een gegeven moment konden mijn ouders niet voor ons zorgen, dus gingen we naar het Burgerweeshuis. Na 14 dagen haalde mijn vader ons op en bracht ons naar een Luthers weeshuis. Ook daar zijn we niet lang gebleven, daarna moesten we naar Friesland.’

 

Archieven: Verhalen

‘Mijn moeder wist niet of ik het zou overleven; of ooit terug zou komen’

Zeynep Acar, Adam, Mirac, Zyulyay uit groep 7 van OBS De Spiegel uit Zaandam interviewen Samuel de Leeuw (1941). Hij is Joods en was een klein jongentje tijdens de oorlog: hij heeft die tijd niet bewust meegemaakt. Zijn moeder hem aan het verzet meegegeven om hem te laten onderduiken in Limburg.

 Wat deden uw ouders in de oorlog?
‘Mijn ouders werkten in een regenjassenfabriek Hollandia-Kattenburg in Amsterdam-Noord. Tijdens een razzia was mijn moeder niet aan het werk. Maar mijn vader is meegenomen door de Duitsers en met veel anderen naar Auschwitz gestuurd. Hij is daar vermoord. Mijn moeder is nadat ze mij had meegegeven aan het verzet, zelf ondergedoken in Heiloo, hier vlakbij. Ze werkte daar in een huis bij een vrouw met drie kleine kinderen. Ze zorgde voor de kinderen: gaf ze te eten, waste hun kleren en bracht ze naar bed.’

Moest u een Jodenster dragen?
‘Kinderen onder de zes hoefden geen Jodenster te dragen, dus ik niet. De Jodenster moesten mensen zelf kopen en overal dragen: op je jas, maar ook op je trui. Joodse mensen mochten steeds minder: niet meer naar de bioscoop, het zwembad of het park. Zo werden de regels langzaam steeds strenger.’

 Wat herinnert u zich van de oorlog?
‘Ik was nog een klein kind, maar ik herinner me dat ik ondergedoken was in Limburg. Mijn moeder maakte een moeilijke keuze: ze gaf mij, een baby van één jaar, weg aan mensen die ze niet kende, zodat ik veilig zou zijn. Ze wist niet of ik het zou overleven of ooit terug zou komen. Aan het einde van de oorlog, toen ik vier of vijf jaar oud was, kwamen Amerikaanse of Canadese tanks Heerlen binnen om Nederland te bevrijden. Na de bevrijding kwam mijn moeder mij ophalen in Limburg.’

 Waar zat u ondergedoken?
‘Ik werd ondergebracht bij een gezin in Heerlen, Limburg. Zij hadden zelf geen kinderen. Eerst woonden we in het centrum. Mijn pleegouders noemden mij ‘Baukje’. In het begin was ik zogenaamd hun neefje, omdat de buren wisten dat ze geen kinderen hadden. Later verhuisden ze en werd ik hun zoon. Ik woonde in een katholieke omgeving en ging later naar school bij de nonnen. Ik speelde veel met buurtkinderen. We hadden een grote tuin waar mijn pleegvader ook groenten verbouwde.’

Hoe heeft uw moeder u weer gevonden?
‘Tijdens de oorlog kregen mensen een bonkaart op naam voor voedsel. Het verzet zorgde ervoor dat ook onderduikers zo’n kaart kregen. Bij mijn pleeggezin stond per ongeluk mijn echte naam op een bonkaart. Zo ontdekte mijn pleegvader wie ik was en schreef hij na de oorlog een brief aan mijn moeder, die haar via een omweg bereikte. Zij wist toen dat ik nog leefde en schreef terug.
Na de oorlog kwam mijn moeder mij halen. Dat was moeilijk, omdat ik verlatingsangst had, net als veel andere ondergedoken kinderen. We reisden liftend naar Amsterdam, omdat de treinen nog niet reden. De stad was grotendeels verwoest en veel van mijn familie was vermoord; ik had geen grootouders, ooms of tantes meer. Mijn moeder bracht me regelmatig terug naar Limburg om te wennen. Uiteindelijk ging ik in Amsterdam naar school, maar ik bleef contact houden met mijn pleegouders. Mijn eigen kinderen noemden hen later ook opa en oma’.’

 

Archieven: Verhalen

‘Ik had geen vader en mijn moeder sprak nooit over de oorlog’

Na een gezellige fietstocht door Zaandam, komen Ecrin, Berire, Simge en Yigit van bij het huis van Siem Meijn aan. Hij woont in een aanleunwoning van het Ministenerf een verzorgingstehuis in Zaandam. Een echt ‘mannenhuis’ noemt hij het. Aan de muur hangen twee tekeningen van zijn kleinzoons, waar hij ontzettend trots op is. Siem is in 1946 geboren in Oostzaan. Hij vertelt het verhaal over zijn moeder in oorlogstijd en wat de gevolgen voor hem waren.

Hoe kent u de verhalen over uw moeder?
‘Mijn moeder heeft nooit met mij over de oorlog gesproken. Wat ik weet, heb ik pas veel later gehoord van mijn tante en van mijn opa en oma, bij wie ik deels ben opgegroeid. Ik had geen vader en mijn moeder sprak er nooit over. Via mijn tante, die naast mijn opa en oma woonde, en een andere tante ben ik uiteindelijk veel te weten gekomen. Zonder hen had ik het niet geweten.’

Waarom ging je moeder naar Duitsland?
‘Mijn moeder was ongeveer zeventien jaar oud toen de oorlog al vier jaar aan de gang was. Ze werd verliefd op een Duitse jongen die ze in het dorp had leren kennen. Begin november 1944 vertrok ze en bleef weg tot 5 mei 1945. Niemand wist waar ze was, ook mijn opa en oma niet. Later bleek dat ze in Duitsland was geweest; meer is daar niet over bekend. Mijn opa heeft daar veel verdriet van gehad. Op 5 mei, Bevrijdingsdag, keerde ze terug. Kort daarna, op 7 mei, ontstond er veel ellende.’

Wat gebeurde er toen?
‘Ze was uit Duitsland teruggekomen, op Bevrijdingsdag, en woonde bij mijn opa en oma, haar ouders. Op 7 mei, de verjaardag van haar zus, stonden er ongeveer 120 mensen voor de deur. Ze wilden haar ophalen en kaalscheren, omdat ze met een Duitser was omgegaan. Zo ging dat vlak na de oorlog; zulke vrouwen werden uitgescholden voor ‘moffenhoeren’.

Mijn opa is naar buiten gegaan en zei dat hij de eerste die het erf opkwam zou doodschieten. Hij had een schietmasker bij zich, het apparaat dat werd gebruikt om vee te doden. Twee mannen die de leiding hadden in de groep kwamen naar voren en gingen met mijn opa naar binnen om te praten. Ze spraken af dat mijn moeder een half jaar op het erf zou blijven en niet naar buiten zou gaan. Zo is het uiteindelijk gegaan.’

Is jouw vader een Duitser?
‘Nee, mijn vader was een Nederlander. Daar ben ik pas later achter gekomen, toen ik ongeveer twintig jaar oud was. Ik was een keer laat thuisgekomen en mijn moeder was daar boos over. In die ruzie noemde ze voor het eerst zijn naam. Verder heb ik er toen niets mee gedaan. Later bleek dat mijn vader heel dichtbij had gewoond, aan de Kometensingel 403 in Amsterdam. Ik ben verder gaan zoeken, maar je wilt natuurlijk zeker weten of iemand echt je vader is. Uiteindelijk ontdekte ik dat ik drie halfbroers had. Drie jaar geleden heb ik samen met een van hen een DNA-test gedaan. Die bevestigde dat zijn vader ook mijn vader was. Mijn vader is in 1994 overleden. Met honderd procent zekerheid bleek mijn halfbroer inderdaad mijn broer te zijn.’

Ze zeiden dat uw vader een politieagent was, klopt dat?
‘In het dorp werd veel gelogen, men dacht dat ik de zoon van een politieagent was. Dat staat zelfs in het gemeentearchief. Wat bleek: de vader van mijn vader was een politieagent. Daarom zei mijn dochter: ‘Pap, laten we het zeker weten.’ Zo kwam de DNA-test tot stand. Uiteindelijk bleek dat mijn vader een metaalwerker was, hij heette Dirk. Hij woonde eerst in Ransdorp in Amsterdam-Noord. Later verhuisde hij naar Vlissingen, waar hij ook als metaalwerker werkte. Ik heb hem nooit levend ontmoet, maar ik heb wel foto’s gekregen van hem en van mijn halfbroers. Ik heb drie halfbroers, allemaal van dezelfde vader. Eén broer woont in Vlissingen en staat open voor contact als ik dat wil.’ Een andere broer wil er niets mee te maken hebben en woont vaak in Spanje. De derde broer ken ik via foto’s. Met Ruud, mijn halfbroer, ben ik ook naar de plekken gegaan waar zijn grootouders woonden.’

Bent u gepest door de kinderen uit uw klas?
Nee, niet door kinderen, wel door volwassen, zelfs door de burgemeester. Op school heb ik nooit problemen gehad met kinderen.Een voorbeeld is een buurvrouw die mij, toen ik dertien was, begon uit te schelden met ‘moffenjong’ en ‘hoerenjong’. Ik vroeg mijn moeder waarom ze dat deed, en zij zei alleen: ‘Dat weet ik niet, laat ze maar praten.’ Dit ging zo door tot ik negentien was. Toen ben ik voor mijzelf opgekomen.’

 

Archieven: Verhalen

‘Pas later werd duidelijk dat de treinen niet naar werk gingen, maar naar de dood’

Vandaag zijn Sundus, Elena, Hamza en Bera van OBS De Spiegel in Zaandam  aan de beurt om met juf Nurten op bezoek te gaan bij Pim Blank en zijn vrouw. Meneer Blank is in 1943 geboren tijdens Tweede Wereldoorlog. Hij vertelt de verhalen van zijn ouders en over zijn opa die werd opgepakt. Zijn vader en moeder hadden verkering. Tijdens de oorlog vervalsten ze hun trouwboekje om zijn moeder te redden.

Waarom gingen je ouders snel trouwen in de oorlog?
‘Mijn vader was 20 en werd gevraagd om in het verzet te gaan. Mijn moeder was 21. Ze waren toen nog niet getrouwd; dat gebeurde pas in 1942. Ze vervalsten hun trouwboekje en zetten er 1941 in, zodat het leek alsof ze vóór die tijd al getrouwd waren. Dat was belangrijk, want er was een Duitse regel: Joodse vrouwen die met een niet-Joodse man getrouwd waren vóór een bepaalde datum, werden niet direct opgepakt. Dankzij dat vervalste boekje bleef mijn moeder veilig. En wat de Duitsers niet wisten: ze hielp ondertussen mee in het verzet.’

Wat is er met uw opa gebeurd?
‘Mijn opa is opgepakt en naar Kamp Westerbork gebracht. Vanuit daar schreef hij veel brieven aan mijn vader en moeder. Hij wist niet dat hij vermoord zou worden. Hij dacht dat hij in Duitsland moest gaan werken. Mijn opa was Joods, maar niet Joods opgevoed en wist weinig van het Joodse geloof. Mijn oma was toen al overleden. De laatste brief schreef hij op 7 februari 1943. Daarin vroeg hij of mijn ouders een broek voor hem wilden brengen, omdat zijn broek kapot was. Op 26 februari 1943 is hij vermoord in Auschwitz. Pas later werd duidelijk dat de treinen niet naar werk gingen, maar naar de dood.’

Moest uw familie zich verstoppen voor de Duitsers?
Mijn vader moest oppassen omdat hij in het verzet zat. Maar wij hadden zelf onderduikers. Geen Joden, maar verzetsmensen van 22 jaar uit Rotterdam en een piloot. Ze liepen gevaar en moesten ondergebracht worden. Wij woonden in een heel klein huisje in Wormerveer, dus het was behoorlijk krap met z’n allen. Die jongens werden gek van het opgesloten zitten, dus ze wilden er even uit. Mijn vader zou eigenlijk meegaan, maar hij had hoofdpijn en bleef in bed. Die dag zijn de jongens door de Duitsers opgepakt en neergeschoten. Mijn vader heeft daar veel verdriet van gehad. Hij zei altijd: ‘Als ik was meegegaan, was ik ook dood geweest.’  En dan zei hij: ‘Ik ben voor het geluk geboren.’

Moest je moeder een Jodenster dragen?
‘Ja. In het begin hoefde mijn moeder geen ster te dragen, omdat ze getrouwd was met een christelijke man. Later moest dat wel. Doordat ze een ster droeg maar niet werd opgepakt, kon ze veel doen voor het verzet. Ze vervoerde wapens in de kinderwagen waarin ik lag. Onder het matras lagen illegale kranten. Ik lag dus bovenop wapens. Juist omdat ze de ster droeg, werd ze niet verdacht van verzetswerk.’

Hoe was het na de oorlog?
‘Voor mij was de tijd na de oorlog eigenlijk heel goed. We waren eerst arm, maar het leven werd langzaam beter. Omdat mijn vader in het verzet had gezeten, werkte hij na de oorlog bij de politie. Ik had een fijne jeugd.
Voor mijn moeder was het anders. Zij is altijd bang gebleven. Op hun slaapkamer stond een koffer klaar, voor het geval er weer oorlog zou komen en we moesten vluchten. Die angst heeft ze haar hele leven meegenomen en ze is ook jong overleden. Zo was de oorlog na de oorlog nog steeds aanwezig. De herinneringen en het trauma bleven. Jarenlang durfden mijn ouders niet over de oorlog te praten. Het woord ‘Joods’ werd niet uitgesproken. Als we er toch over spraken, zeiden we ‘Mexicanen’. Zo groot was de angst. We vertellen deze verhalen, zodat jullie later kunnen zorgen dat er geen oorlog meer komt. Dat is heel belangrijk. We hopen dat jullie kunnen opgroeien in een tijd zonder oorlog. Dat begint met lief zijn voor elkaar, waar je ook bent en wie je ook bent. Iedereen is evenveel waard. Het is belangrijk dat we elkaar accepteren en respecteren. Als we dat samendoen, kunnen we zorgen dat er geen oorlog komt.’

 

Archieven: Verhalen

‘We hebben altijd contact gehouden; ze is gewoon mijn zusje gebleven’

Ayan, Yigit, Belinay en Simge van OBS De Spiegel gaan met de auto op bezoek bij Sophie Timmer-Primowees. Zij is 90 jaar oud en woont in Zaandam aan de Westzijde. Ze worden hartelijk ontvangen met een kop thee en lekkere chocolaatjes. Mevrouw Timmer vertelt haar verhaal over de oorlog, die begon toen zij 5 jaar oud was. Ze woonden in de Eerste Helmersstraat in Amsterdam.  In 1942 kwam zusje Hanneke erbij, die Joods en 3 jaar oud was toen ze bij Sophie en haar ouders kwam wonen.

Met hoeveel personen waren jullie vroeger thuis?
‘Ik was enig kind, samen met mijn vader en moeder, dus met z’n drieën. In 1942 kreeg ik een pleegzusje, Hanneke. Ze zou eigenlijk maar één nacht blijven als tussenadres, maar ze is uiteindelijk drie jaar bij ons gebleven. Hanneke was Joods en had al op twee andere adressen ondergedoken gezeten, waar het niet goed ging. Ik was blij dat ik niet meer alleen was en vertelde op school trots dat ik een zusje had gekregen. Niemand geloofde het, want ik was blond en Hanneke had donker haar, en ze liep al. Maar ik hield vol dat het mijn zusje was. Pas later kwam ik erachter dat iedereen wist dat Hanneke Joods was, maar dat niemand dat ooit had verteld.’

Wat gebeurde er tijdens het buitenspelen?
‘Hanneke en ik waren met vriendinnetjes aan het buitenspelen voor de deur, met een driewieler en een stepje. Toen kwam er een oudere dame en vroeg of Hanneke ook op het fietsje mocht. Ik vond dat zo vreemd, waarom vroeg die vrouw dit? Omdat ik bang was dat ze ons zou verraden, nam ik mijn zusje meteen mee naar boven en vertelde het aan mijn moeder. We hebben drie dagen in spanning gezeten. Pas later kwamen we erachter dat die vrouw Hannekes oma was, die maar één straat verder ondergedoken zat.’

Waar waren Hannekes ouders?
‘Tante Marie, een mevrouw van het verzet,  ging ook langs bij Hanneke haar ouders die in Vijfhuizen zaten ondergedoken zo’n 20 kilometer van Amsterdam. Hanneke kon daar niet heen, omdat ze nog zo klein was en de rest misschien gevaar zou brengen. Hanneke’s ouders wisten dat het goed met haar ging in ons gezin en tante Marie bracht truitjes en vestjes mee die haar moeder voor haar had gemaakt. Hanneke wilde ‘papa’ en ‘mama’ zeggen tegen mijn ouders, maar dat mocht niet. Mijn moeder zei: ‘Je eigen ouders komen beslist terug’. Maar als ze niet terugkomen, dan zijn wij pas papa en mama voor jou.’

Waar was uw vader?
‘Mijn vader had vroeger een timmer- en houthandel in Amsterdam, maar die werd door de Duitsers in beslag genomen. Kort daarna werd hij naar Duitsland gestuurd om te werken. Mijn moeder stond er helemaal alleen voor, met Hanneke erbij.
Mijn vader moest in Duitsland in een fabriek werken. Uiteindelijk kwam mijn vader terug, maar hij was erg ziek. De Duitsers hadden hem in zijn pyjama teruggestuurd, denkend dat hij het niet zou overleven. Hij had tuberculose, een besmettelijke ziekte, dus wij mochten niet dichtbij komen. We stonden in de deuropening om met hem te praten. Af en toe kwam een zuster van het ziekenhuis langs, zuster Pannenkoek, om ons te controleren of we niet besmet waren door mijn vader. Uiteindelijk werd hij toch opgenomen in Hilversum om daar te herstellen, en langzaam knapte hij helemaal op.’


Hoe was het tijdens de Hongerwinter?
‘Tijdens de Hongerwinter was mijn vader gelukkig weer terug. Hij ging met tante Jo of met mijn moeder op de fiets naar Enkhuizen om eten te halen.  Ze gingen op zogenaamde ‘hongertochten’ naar Enkhuizen. Daar haalden ze eten en bleven vaak een nachtje slapen. Op een dag moesten ze tijdens zo’n tocht in de berm  gaan liggen omdat er vliegtuigen overvlogen en ze bang waren voor bombardementen. Op de terugweg gingen ze op de pont en mijn tante had zoveel honger dat ze een broodje at. Toen ze van de pont afgingen, merkten ze dat de tassen ineens leeg waren: al het eten was gestolen. Na een lange, zware tocht kwamen ze dus met niets terug.’


Hoe was voor jullie de Bevrijdingsdag?
‘Die dag vergeet ik nooit: 5 mei, prachtig weer. Mama zette Hanneke altijd op de stoel in de keuken,om haar dikke bos met haar te kammen. Toen werd er op de deur geklopt en stonden haar vader, moeder en tante Marie daar. Hanneke sprong meteen onder mijn moeder’s rok; ze wilde absoluut niet met hen mee, ze kende hen niet meer. Later gingen we naar haar huis, om langzaamaan te wennen, maar telkens ging ze weer terug naar ons. Zo ging het wekenlang, totdat mijn moeder uiteindelijk zei: ‘Lieve schat, ik heb je bed verkocht.’ We hebben altijd contact gehouden; ze is gewoon mijn zusje gebleven.’

 

Archieven: Verhalen

‘Vooral baby’s hadden het zwaar, want er was bijna geen melk’

Nazario, Jedaiah, Zeynep, Han en Murat gaan van OBS De Spiegel uit Zaandam gaan met juf Nurten mee het huis van Martha Fosch. Ze woont op de 4e etage met een prachtig uitzicht over Zaandam. Haar gezellige huis vol met foto’s aan de wand en veel boeken maken indruk op de kinderen.  ‘Ik ben in Suriname geboren tijdens de oorlog. Ik was nog een baby toen mijn vader overleed, dus ik heb hem niet persoonlijk gekend. Hij heette Reinier. Mijn moeder is hertrouwd met mijn stiefvader en hij wordt dit jaar 103 jaar.’

Wat deden uw ouders tijdens de oorlog?
‘Mijn ouders woonden tijdens de oorlog in Suriname. Ik ben daar in 1942 geboren. Mijn moeder was thuis en mijn vader werkte als matroos op een vrachtschip van de KNSM, de Koninklijke Nederlandse Scheepvaart Maatschappij.  Suriname was toen een kolonie van Nederland. Mijn vader voer naar Europa en Amerika voor zijn werk. Dat werd steeds gevaarlijker, omdat de Duitsers probeerden te voorkomen dat het bauxiet werd vervoerd. De matrozen moesten zelfs leren vechten, terwijl mijn vader daar nooit voor was opgeleid.’

Waarom was bauxiet belangrijk voor de Duitsers?
‘Bauxiet was belangrijk voor de Duitsers omdat van die grondstof aluminium wordt gemaakt, en aluminium was nodig om vliegtuigen te bouwen. Vooral de Amerikanen gebruikten die vliegtuigen om in Europa te vechten. Dankzij die vliegtuigen konden ze Duitsland bombarderen en zo hielpen ze de oorlog te winnen. De Duitsers wilden dat tegenhouden. Daarom stuurden ze duikboten vlakbij Suriname. Ze lagen daar te wachten tot de schepen met bauxiet vertrokken en vielen die dan aan met torpedo’s.’

Hoe is uw vader overleden?
‘De Duitsers lagen met duikboten voor de kust van Suriname. Als er schepen met spullen vertrokken, vielen ze aan en lieten ze zinken. Ook het schip van mijn vader werd getorpedeerd. Hij is daarbij omgekomen, hij was pas 23 jaar. Ze hebben zijn lichaam nooit gevonden, dus er is geen graf. Bijna niemand overleefde de aanslag. Er was toen nog geen marine om de schepen te beschermen. Die kwam pas later. Toen ontdekten de mariniers een geheime code van de Duitsers, de Enigma-code. Zo konden ze precies weten waar de duikboten waren en meer schepen beschermen.’

Wanneer bent u naar Nederland gekomen?
‘In 1967 ben ik naar Nederland gekomen om te werken. Ik werkte in Suriname in de verpleging. In Suriname kon je wel leren, maar niet ver doorgroeien. Er waren geen universiteiten. Ook kon je je niet specialiseren. Voor hogere opleidingen moest je naar Nederland. Dat gold voor veel beroepen. Je kon bijvoorbeeld wel in de zorg werken, maar geen arts worden. De leidinggevenden kwamen meestal uit Nederland. Alleen mensen met rijke ouders konden hun kinderen naar Nederland sturen, want studiefinanciering bestond toen niet. Dat had alles te maken met het koloniale verleden, waarin Nederland de baas was.’

Hadden ze in Suriname ook honger tijdens de oorlog?
‘Ja, ook in Suriname was er honger tijdens de oorlog. Omdat bijna alles uit Nederland moest komen, was er veel tekort aan eten en medicijnen. Rijke mensen konden nog wat kopen of ruilen, maar arme mensen hadden niets. Ze moesten creatief zijn en gebruiken wat het land zelf had, zoals peulvruchten. Vooral baby’s hadden het zwaar, want er was bijna geen melk. Daarom kookten mensen bijvoorbeeld bruine bonen heel lang en zeefden die. De vloeistof gaven ze aan baby’s als vervanging voor melk.’

Heeft u een geloof?
‘Ik geloof in één God. Die God zit in alle geloven. Daarom zeg ik vaak: ik geloof in alles. Ik ben geboren en gedoopt als rooms-katholiek. In Suriname waren veel verschillende geloven: Christelijk, Joods, Islamitisch en andere stromingen. Mijn moeder vond dat je voor iedereen moest zorgen, ongeacht het geloof. Op een dag hielp zij een buurman die volgens zijn geloof moest vasten. Dat mocht niet van de kerk. Mijn moeder werd daarvoor gestraft en mocht geen kinderen meer laten dopen. Zij vond dat niet eerlijk. Liefde voor je medemens was toch juist belangrijk? Daarom haalde ze ons van die school en bracht ons naar een school waar geen onderscheid werd gemaakt tussen mensen. Sindsdien geloof ik dat God er voor iedereen is, in elk geloof.’

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892