Archieven: Verhalen

‘Vaak kwam er een aardbeving als we op school zaten’

Op een regenachtige middag bellen Madina, Adam, Samya en Sedanur aan bij het appartement van de 99-jarige Tineke van der Woude. Nadat de leerlingen van basisschool De Schelp in Eindhoven zijn gaan zitten, begint mevrouw Van der Woude te vertellen hoe haar Nederlandse ouders in het voormalige Nederlands-Indië terechtkwamen. Haar vader werkte als sergeant in het leger en werd uitgezonden naar Nederlands-Indië. Samen met zijn vrouw en hun dochtertje van één jaar vertrok hij. Al snel werden er nog twee dochters geboren, mevrouw Van der Woude is de jongste.

Hoe was uw leven in Nederlands-Indië vóór de Japanse bezetting?
‘Ik ben geboren in Atjeh, op Sumatra, en had twee oudere zussen. Ik had een fijne jeugd voordat de oorlog uitbrak. We hadden veel vrijheid en veel dieren, waaronder een grote trouwe herdershond. Er waren vaak aardbevingen en daarom werden de huizen op palen gebouwd. Ons huis stond ook op palen. Onder dat huis lag zand, en daar kon je leuk spelen.

Er kwam ook vaak een aardbeving als we op school zaten. Dan viel de inkt uit je potje over je tafel. Ik herinner me nog dat iemand dan ineens heel hard riep: ‘Lindu, lindu!’ Dat betekende ‘aardbeving’. Alle kinderen van de school liepen dan heel snel naar buiten.

Mijn vader ging regelmatig op tijgerjacht. Nadat er een tijger was gesignaleerd die iemand had doodgebeten, moest het beest worden gedood. Anders zou hij denken dat hij dat opnieuw kon doen. Mijn vader kreeg dan van het leger de opdracht hem te vangen. Soms zat hij urenlang in een boom omdat hij wist dat de tijger dichtbij was. Dan hadden ze eerst een diepe kuil gegraven en daar takken overheen gelegd. In die kuil stopten ze een jong geitje, dat daar een beetje zat te huilen. Als de tijger dat hoorde, sprong hij in de kuil. Op dat moment schoten ze hem vanuit de boom dood.’

Hoe begon de Japanse bezetting?
‘Mijn vader had bericht gekregen van de Japanse bezetters dat hij opgehaald zou worden. Alle mannen werden opgehaald. Op een dag zaten we de hele dag te wachten op de voorgalerij van ons huis. Mijn moeder had een bundeltje kleren voor vader ingepakt. Op een gegeven moment kwam er een grote open vrachtwagen aanrijden. Er sprongen Japanse soldaten uit die mijn vader meenamen. Protesteren hielp niet. De soldaten hadden grote geweren waarmee ze sloegen als je niet luisterde.

Mijn vader gaf mijn moeder, mijn twee zussen en mij een zoen en zei tegen Radja, onze hond: ‘Radja, pas goed op de meiden’. Toen reden ze weg, op weg naar een interneringskamp voor mannen.

Niet lang daarna kwamen mijn moeder, mijn zussen en ik ook in een kamp terecht, een vrouwenkamp. Er kwam weer een open vrachtwagen, dit keer om de honden op te halen. Honden mochten niet in het kamp. De kleine hondjes gooiden de soldaten direct dood tegen de auto. Ik hoor de mensen en de hondjes nog gillen. Onze herdershond namen ze mee.

De volgende dag kwam dezelfde vrachtwagen waarmee de honden waren opgehaald, brood brengen. We zagen dat de auto helemaal onder het bloed zat en wisten toen dat onze hond was doodgeschoten. We hebben allemaal staan huilen.’

Hoe woonden jullie in het kamp?
‘Het was een vrouwen- en kinderkamp. Het begon ermee dat de Japanners prikkeldraad om een wijk heen zetten. Er moesten zoveel mogelijk mensen in een huis wonen. Dus in een huis waar je eerst met je eigen familie woonde, werden allemaal mensen bijgeplaatst. Sommige mensen sliepen in de keuken, anderen in de badkamer of in de gang. Je had maar een heel klein plekje voor jezelf. Elk plekje werd benut, elke vierkante centimeter.

Wij hadden van een oude kast een woonplekje voor onszelf gemaakt, op de galerij, met een gordijntje ervoor. We mochten niet zomaar naar een andere plek. Stiekem gingen we ’s nachts toch, bijvoorbeeld als we naar de wc moesten. Dan luisterden we goed of we geen voetstappen hoorden en slopen we door het donker.’

Wat moesten de vrouwen doen in het kamp?
‘De vrouwen en kinderen moesten zwaar werk doen, werk dat normaal door mannen werd gedaan. Hout sjouwen voor de gaarkeuken, brancards dragen, noem maar op. Iedereen had corvee. Wij kinderen moesten ook zwaar werk doen. In de gaarkeukens stonden enorme pannen waarin we moesten roeren. Dat was heel zwaar. Er moest ook gedweild worden en mensen moesten met brancards worden vervoerd.

Toen er steeds meer mensen stierven in het kamp, kregen de vrouwen nog een taak erbij: doodskisten maken. Eerst van hout, maar later was het hout op en moesten ze van riet of bamboe gemaakt worden. De doden zakten daar gewoon doorheen. Dat zag er heel eng uit.’

Welke straffen kreeg je in het kamp?
‘Iedereen had een kampnummer. Ik had nummer 1119. Je kreeg een plastic band met dat nummer erop. Als je die niet om had, kreeg je klappen van de Japanse bezetters. Maar het was heel vervelend om die band te dragen, want het was erg warm.

Twee keer per dag was er appel. Dan kwam er een jongetje door het kamp fietsen met een megafoon: ‘Het is control tijd!’ Iedereen moest zich verzamelen. We stonden in rijen van vijftien mensen. De Japanse bezetter kwam en je moest buigen. Dat kon uren duren, in de brandende zon. Soms hielden kinderen het niet meer vol. Als een moeder zei: ‘Ga maar even liggen’, werd ze geslagen.

Mijn moeder zei altijd: ‘Niet tegen de Japanners ingaan, want je krijgt alleen maar klappen’. Een keer had een mevrouw iets fout gedaan en die werd in een kippenhok gestopt, waar ze alleen maar kon zitten. Ze kreeg nauwelijks eten en zat daar dagenlang. De Japanners hadden wrede straffen.’

Archieven: Verhalen

‘Het maak niet uit waar je in gelooft, het is belangrijk wat je doet’

Jahan Valianpour is in 1953 geboren in Masjed Soleyman in Iran. Vanwege de politieke situatie moest hij met zijn gezin vluchten en woont hij sinds 1991 in Nederland. Rayan, Damla, Armina en Nora van IKC Het Talent werden hartelijk ontvangen in zijn woning aan de Osdorperhof. Rayan las het gedicht ‘Die Dag’ voor, die Jahan Valianpour had geschreven. Het geeft een beeld van de oorlog. Net als de schilderijen aan de muur van Iraanse kunstenaars en de portretten van vermoorde Iraanse vrouwen.

Hoe bent u in Nederland terecht gekomen?
‘Ik ben opgegroeid in Iran en werkte daar als chemisch analist. Ik en mijn vrouw waren politiek actief. De regering wilde politieke activisten oppakken. Daarom zijn wij in 1991 gevlucht, samen met onze zoon en dochter die toen vijf en zeven jaar oud waren. Een smokkelaar heeft ons geholpen. De reis duurde lang, maar uiteindelijk zijn wij goed en gezond in Nederland aangekomen. Het was heel moeilijk om ver weg van mijn familie te zijn. Mijn vader was al overleden, maar mijn moeder, broer, zusjes en hun kinderen waren nog in Iran. Ik was al mijn contacten kwijt en voelde mij verdrietig. Maar de andere kant van de medaille was dat ik gevlucht was voor de veiligheid van mijn kinderen. Dat is de moeite waard! Als ze me nu zouden dwingen om Nederland te verlaten zou ik heel verdrietig worden.’

Hoe was om in Nederland aan te komen?
‘De eerste tijd voelde ik mij een vreemdeling. Ik ben gelukkig goed ontvangen in het asielzoekerscentrum in Wijk aan Zee. Met z’n vieren hadden we één kamer, terwijl we Iran een grote koopwoning hadden. In het AZC kon je zelf niet koken, je moest eten halen en dan moest je lang in de rij staan wachten. Ik haalde eten voor de kinderen, maar zelf kon ik niet goed eten en in de eerste maanden ben ik zestien kilo afgevallen. Op mijn tweede dag in Nederland ben ik naar de bibliotheek gegaan om te vragen hoe je Nederlands kan leren. Om een tweede vaderland te krijgen is een nieuwe taal leren het belangrijkst! Zonder taal kan je niet communiceren en voel je niet dat je een Nederlander bent. Het leven in een asielzoekerscentrum is niet prettig. Er waren soms ook ruzies tussen asielzoekers, dat was niet fijn. In 1992 kregen we als gezin een woning aangeboden in Purmerend. Dat was prachtig!’

Bent u weleens terug gegaan naar Iran?
‘Nee, ik ben nooit teruggegaan, want het is te risicovol. Hier in Nederland mag je kiezen wat je wil studeren, wat je over politiek wil zeggen. Je hebt genoeg vrijheid om een boek te lezen en deel te nemen aan een demonstratie. Dat soort dingen konden wij niet doen in Iran. Als je bijvoorbeeld voor de rechten van vrouwen in actie kwam, werd je meteen opgepakt, in de gevangenis gezet en beschuldigd van dingen die niet waar waren. Ik heb foto’s in mijn huiskamer van vrouwen en kinderen die verkracht en vermoord zijn in Iran. Dat was voor mij heel pijnlijk en verdrietig, dus ik heb hun foto’s uitgeprint zodat ik mijn emoties beter kan controleren. Dat als ik naar ze kijk, dan denk ik: ze zijn nog in leven.’

Wat mist u het meest aan uw eigen land?
‘Iran noem ik niet mijn ‘eigen land’, want dat is Nederland nu. Ik mis wel mijn land van afkomst en natuurlijk wil ik graag een keer terug naar mijn geboortestad! Als het veilig zou zijn om te reizen en een paar maanden te blijven, dan kom ik wel terug in mijn nieuwe vaderland. Ik wil nergens anders wonen dan in Nederland. Ik voel mij Nederlander van Iraanse afkomst en ik voel mij hier vrij en veilig. Ik heb 34 jaar in Nederland gewoond, gestudeerd en gewerkt als mentor.  Van alleenstaande minderjarige asielzoekers, jongeren met verstandelijke beperking, daklozen en hangjongeren. Ik heb ook heel veel vrijwilligerswerk gedaan; zoals Iraanse nieuwkomers helpen om Nederlands te leren.’

Archieven: Verhalen

‘Ik was één week verdrietig, daarna besloot ik om niet meer verdrietig te zijn’

Zoëy, Farah, Bram en Kilian van basisschool Strijp Dorp in Eindhoven interviewen Qabul Salah. Zij is in Somalië geboren, en kwam in 1995 in haar eentje naar Nederland. In de schoolkantine wordt ze door de kinderen geïnterviewd.

Hoe was het in Somalië toen u jong was?
‘Toen ik er opgroeide, was het veilig. Er waren mensen met verschillende achtergronden, culturen en religies. Mensen waren gelijk en er was vrijheid. Somalië was vroeger niet arm. Wij hadden gratis scholen en gratis ziekenhuizen. We aten drie keer per dag warm en exporteerden vis en zout. Op het platteland werden veel dieren gehouden. De president zei dat we alles uit ons eigen land moesten halen. Andere landen moesten producten uit Somalië kopen. Hij deed het niet om rijk te worden, hij deed het voor het land en de mensen.’

Hoe was het om in Somalië te wonen?
‘Goed. Waar je bent geboren, is de beste plek voor jou. Je hebt eten, een dak om onder te wonen, dat is genoeg. We hadden niet zoveel als jullie. Op school waren er veel kinderen. Het was anders. Niet zo netjes als hier. Maar toch waren we blij. We hadden eten, een dak om onder te wonen: dat is genoeg. Ik heb er mooie herinneringen aan. Maar als de situatie verandert, dan moet je weg. Je lot kun je niet veranderen, dat moet je accepteren. Je weet nooit waar je in de toekomst bent.’

Hoe was het om alles achter te laten?
‘Mijn familie moest ik achterlaten. Die dag heb ik niets gegeten, maar door de honger kon ik niet slapen. Ik was één week verdrietig en moest veel huilen. Toen werd ik moe. Daarom heb ik besloten om niet meer verdrietig te zijn. Als je jong bent, is je verdriet sterker. Ik huil niet zoveel meer. Sindsdien ben ik nooit meer zo verdrietig geweest, zelfs niet als iemand dood is. Nederland is mijn tweede land geworden. Ik heb hier kinderen gekregen.’

Wat vond u de grootste verandering of het grootste verschil?
‘Nederland is totaal anders, een andere cultuur. In Somalië heb ik geleerd hoe ik om moet gaan met andere nationaliteiten. Ik woonde in de stad, daar waren ook andere mensen. We hebben geleerd om met elkaar om te gaan en elkaar te accepteren. Voor mij was dat niet zo moeilijk. Het leven in het dorp was heel anders.’

Als u zou moeten kiezen, zou u dan voor Somalië kiezen of Nederland?
‘Nu voor Nederland. Maar als er geen oorlog was, dan zou ik Somalië kiezen. Het is nergens beter dan waar je familie is.’

 

Archieven: Verhalen

‘Ik ben hier al zo lang dat ik me meer Nederlander dan Marokkaan voel’

Met kriebels in de buik vertrekken Daan, Jur, Anique en Hidaya in de ochtend vanaf basisschool Strijp Dorp in Eindhoven naar het huis van ElHoussine Hamoumi. Zenuwachtig maar enthousiast staan ze voor zijn deur. Meneer Hamoumi is 51 jaar oud en geboren in het kleine dorp Taourirt, ook wel ‘de heuvel’ genoemd in de Berberse taal in Marokko. In de gang verwelkomt hij de kinderen hartelijk en biedt pantoffels aan om het ze zo comfortabel mogelijk te maken in zijn huis. Op tafel liggen, heel warm en gastvrij, stroopwafels en speculaas klaar voor het gezelschap.

Waarom zijn jullie met heel jullie gezin naar Nederland gekomen?
‘We kwamen naar Nederland omdat mijn broer ernstig ziek was en medische hulp nodig had die in Marokko niet beschikbaar was. Mijn vader besloot toen om met het gezin naar Nederland te gaan. Ons hele gezin reisde met het vliegtuig naar Nederland. Mijn vader kreeg meteen werk bij een metaalbedrijf van Voorden, dat enorme scheepspropellers maakte van soms 3 tot 5 meter, die hij op maat sneed. Hij heeft daar gewerkt tot zijn pensioen. Gelukkig is mijn broer in Nederland weer beter geworden.’

Wat mist u het meeste uit Marokko?
‘’Ik mis vooral mijn familie die daar nog woont, het lekkere eten en het mooie weer. Ik reis regelmatig terug naar Marokko. Met de auto is het een lange reis van meer dan 2000 kilometer, ongeveer twee dagen, wat zwaar kan zijn, vooral met kleine kinderen. Onderweg maken we wel picknicks en stoppen wij even om te rusten, maar met het vliegtuig gaat het veel sneller en gemakkelijker: binnen drie uur ben je in Marokko, zoals afgelopen zomer.

Wat deed u extra om u thuis te voelen in Nederland?- Jur
‘Ik deed vooral mijn best op school en leerde de taal goed. Er waren toen geen inburgeringscursussen, maar omdat ik jong was, leerde ik snel en voelde ik me sneller thuis in Nederland. Ik ben al zo lang in Nederland dat ik me meer Nederlander dan Marokkaan voel.’

Hoe vond u het om te verhuizen?
‘Ik was 5 jaar oud toen ik naar Nederland kwam. Het was niet mijn keuze, maar als klein jongetje moest ik me aanpassen aan een compleet nieuwe wereld. Voor mij was het een groot avontuur: een jongen uit een klein dorp in het oosten van Marokko die met het vliegtuig naar een onbekend land ging. Alles leek vreemd: de cultuur, de taal en de stad Zaltbommel. Gelukkig was ik jong, waardoor ik veel kon opnemen en leren.’

Wat doet u voor werk?
‘Ik ben ingenieur en ontwerp hoogspanningsinstallaties die stroom leveren aan steden in Nederland. Momenteel werk ik bij TenneT.’

Hoe was het om het enige Marokkaanse gezin te zijn in Zaltbommel?
Het was soms eenzaam. Pas na vijf jaar kwamen er meer Marokkaanse gezinnen bij. Het eerste jaar was vooral wennen, omdat ik de taal nog niet kende. Maar ik leerde snel en was gelukkig nog jong, om de taal te leren zonder taalachterstand. Alles voelde anders dan in Marokko: de mensen, de cultuur en de taal. Dat maakte het spannend.’

Deed u vroeger aan sport?
‘Vroeger heb ik veel getennist en tafeltennis gespeeld. Sinds 1994 speel ik zaalvoetbal.’

Naar welke middelbare school ging u?
‘Ik ben in Marokko geboren en toen ik in 1979 naar Nederland kwam, begon ik op de basisschool. Later ging ik naar het Cambium College en volgde VWO-Atheneum. Daarna studeerde ik elektrotechniek aan de Technische Universiteit Eindhoven. Mijn studententijd was een van de mooiste periodes van mijn leven. Dat ik in Eindhoven ben blijven wonen, zegt genoeg. In 1998 studeerde ik af als elektrotechnisch ingenieur en begon ik een brede carrière.’

Als het kon, zou u dan in Nederland blijven of naar Marokko willen gaan?
‘Na mijn pensioen wil ik misschien vaker naar Marokko, maar nu blijf ik bij mijn kinderen in Nederland.’

Archieven: Verhalen

‘Hoewel ik al 10 jaar was, werd ik geplaatst in de kleuterklas’

De 60-jarige Batoul Heijdenrijk emigreerde op 10-jarige leeftijd van Marokko naar Nederland omdat haar vader hier als gastarbeider aan het werk was. Ze komt zelf naar basisschool Strijd Dorp in Eindhoven voor een interview met de leerlingen Lucy, Mirre en Ahmet. Zodra zij de kamer binnenloopt, is het duidelijk dat ze een lieve, vrolijke en warme vrouw is, naar wie de kinderen graag luisteren.

Kunt u uw verhaal misschien met ons delen?
‘Ik ben in 1975 samen met mijn moeder vanuit het zuiden van Marokko naar Nederland gekomen en dat was heel spannend. We kwamen ’s avonds aan, die lichtjes, dat vergeet ik echt nooit meer. Zoveel lichtjes. Wij woonden in Gestel, in de Bennekel. Wij kwamen in september en we hadden hele strenge winters. En mijn moeder had geen benul van sneeuw en kou, want wij woonden in het zuiden van Marokko en maakten dat niet mee. Dus ik vergeet ook nooit dat ik ooit met dikke geitenwollensokken met sandalen naar buiten ging in de sneeuw. Ik had ijskoude voeten en kwam huilend terug. De buurvrouw kocht voor mij toen laarsjes en een dikke jas. Daar heb ik hele fijne ervaringen mee gehad. Die buren waren echt gastvrij!

Hoewel ik al 10 jaar was, werd ik geplaatst in de kleuterklas omdat ik geen Nederlands kon spreken. Dat vond ik wel raar, met allemaal kleine kinderen… Binnen een half jaar sprak ik alsnog Nederlands want we speelden veel buiten en hadden geen Marokkaanse tv, dat scheelde ook.‘

Vond u het in het begin moeilijk om vrienden te maken?

‘Nee, vrienden maken was helemaal niet moeilijk. Ik kon heel snel contact maken. Wij woonden op nummer 11 in onze straat en op nummer 7 was er een meisje, enig kind, dat op zolder een barbieparadijs had… Ik vergeet dat nooit meer. Zoveel speelgoed kreeg ik niet. Ik was dus altijd lief tegen haar om daar maar te mogen spelen met de barbies. Maar mijn vader kende niemand in de buurt want hij werkte altijd. Mijn moeder had wel contact met de buurvrouw, alleen bleef de taal lastig. Dan moest ik tolken. De buurvrouw kwam ook vaak bij ons en dan kreeg ze een Marokkaanse thee of koffie, maar mijn moeder nam nooit iets bij de buurvrouw. Onze buurvrouw zei een tegen mij: ‘Wat raar dat jullie mam nooit iets drinken pakt’. Ik vroeg mijn moeder waarom dat zo was. Toen zei ze: ‘Ja dadelijk krijg ik alcohol’. Dat was zo grappig, die misverstanden.’

Wat was het grootste verschil tussen Marokko en Nederland?
‘Het verschil is natuurlijk de kledingdracht. Vroeger vond ik het niet fijn als mijn moeder mij kwam ophalen. Zij heeft van die lange kleding, daar schaamde ik mij voor. Dus ja, kleding, een hoofddoek, het eten zelf, maar ook met de handen eten. Daarnaast hebben wij ook andere feestdagen. Dat zijn wel de grootste verschillen.’

Uw vader had twee vrouwen, waardoor uw echte moeder terug naar Marokko moest. Wat vond u daarvan?
‘Ja, mijn vader had twee vrouwen. In Marokko mag dat, in Nederland niet. Vijf jaar nadat we in Nederland waren gekomen, zeiden ze hier dat het niet kon. Toen is mijn moeder teruggegaan. Dat vond zij ook niet erg, want zo kon ze zorgen voor haar moeder. Mijn vaders tweede vrouw is gebleven met haar twee kinderen, en ik dus ook. Dat vond wel ik erg, ja, dat vond ik heel erg.’

Wat was voor u een hele grote verandering toen u naar Nederland kwam?
‘Dat was de school, het systeem van de school. In Marokko was dat heel streng. Wij moesten Arabisch spreken op school en mochten geen Berbers praten. Het as heftig dat wij ons niet mochten uiten in onze eigen taal. En hier was het toch wel wat fijner en gemoedelijker. Hier was het meer van lang leve de lol. En ik ging heel graag naar school.’

Als u nu zou mogen kiezen, zou u dan terug naar Marokko willen of toch in Nederland blijven?
‘Ik heb hier nu mijn kinderen, kleinkinderen en mijn werk. Dus op dit moment kies ik voor Nederland natuurlijk. Wie weet als ik later gepensioneerd ben, dan zou ik toch ook wel hier én daar willen wonen. Gelukkig hoef ik niet te kiezen. Als me de vraag werd gesteld toen ik 11 was, dan was het zeker hier. Ik vond het geweldig.’

Archieven: Verhalen

‘België was precies hetzelfde als Marokko’

Liv, Thijs en Tess van basisschool Strijp Dorp in Eindhoven interviewen de 60-jarige Abdelkader Elbouchaib in de Arrahmaan moskee. Ze mogen dit doen op de meest bijzondere plaats in de moskee: de gebedsruimte. Als meneer Elbouchaib de gebedsruimte binnenkomt, gaat hij eerst bidden. De leerlingen kijken toe hoe hij bidt en gaan dan op de zachte vloer zitten om hem de eerste vraag te stellen. Meneer Elbouchaib kwam in 1990 vanuit Marokko naar Nederland.

Hoe bent u vanuit Marokko naar hier gereisd?

‘Ik ben met de trein via Algeciras, Madrid, Barcelona en Zuid-Frankrijk naar België gegaan. Vijf dagen deed ik erover. Dat wilde ik graag want ik hou van reizen.

Toen ik de eerste keer vanuit Marokko kwam in 1989, was het eigenlijk het plan om in België te gaan studeren. Ik had een test gedaan voor de opleiding en was aangenomen en ik had een langdurig visum nodig. Hiervoor moest ik naar Frankrijk, naar de ambassade. Ik ging om 10 uur ’s morgens met mijn broer met de trein naar Frankrijk, maar net voor de grens hoorden we dat er een staking was en dat de treinen niet verder reden. Mijn broer belde een taxi, maar die kreeg een ongeluk en toen konden we niet verder. We hebben toen 1,5 uur op een nieuwe taxi moeten wachten en deze heeft ons naar de ambassade gebracht. We kwamen daar pas om half 5 aan. Ik kreeg te horen dat ik terug moest naar Marokko voor een visum, maar ik kon niet terug en belde familie in Helmond. Daar kon ik een aantal dagen blijven. Kort daarop kreeg ik werk en toen ben ik gebleven.’

Hoe was het om steeds in een ander land te zijn en weer opnieuw te moeten beginnen?

‘Ik heb in België veel familie, broers en een tante, en in Nederland heb ik ook familie dus ik hoefde niet echt te wennen. Dat is natuurlijk wel anders dan dat je helemaal alleen hierheen komt. België was precies hetzelfde als Marokko, er woonden veel Marokkaanse mensen en er waren Marokkaanse bakkerijen, viswinkels en cafés. Dat was in Nederland in het begin nog niet zo, maar dan gingen we in België boodschappen doen. En ik had ook al snel werk dus dat hielp ook mee. Ik heb op de hogeschool ook Engels en Frans gehad, dus het communiceren was niet moeilijk voor me.

Zou u nog terug willen naar Marokko?
‘Dat is een moeilijke vraag. Voor nu niet. Ik mis wel mijn ouders, die zijn nog in Marokko, maar mijn kinderen zijn allemaal hier. Ik heb vier kinderen en zij spreken niet zo goed Marokkaans. Bovendien wonen en werken ze hier. Misschien dat ik later zou gaan als zij ook naar het buitenland gaan.’

Archieven: Verhalen

‘Ik mis het eten, mijn vrienden, de natuur, de bergen, de zee en de dieren’

Barbara Butta (1976) is geboren in Roemenië, en kwam in 2005 naar Nederland om hier een leven op te bouwen. Veerle, Dirk en Jackie van basisschool Strijp Dorp in Eindhoven zijn nieuwsgierig naar haar verhaal en hebben allerlei vragen voorbereid. Ze voelen zich bijna echte journalisten, klaar om alles vast te leggen over haar ervaringen, haar reis naar Nederland en hoe ze zich hier thuis voelt. Het is spannend, gezellig en leerzaam tegelijk!

Hoe waren de eerste dagen in Nederland?
‘Heel leuk, maar ook bijzonder om te zien hoe anders alles was dan in Roemenië. De mensen waren vriendelijk, iedereen zei ‘hoi’. Dat zag ik in mijn geboortestad in Roemenië nooit. Ook viel het me op dat er veel meer huizen naast elkaar stonden. In Roemenië hebben wij veel woonruimte en is alles groter. Ook moest ik erg wennen aan het weer. Het was hier altijd koud en het regende vaak, terwijl het in Roemenië lekker warm is.

Eerder was ik al als toerist in Nederland geweest en had ik gestudeerd in Luxemburg en België. Toen ik terug wilde gaan naar Roemenië, kwam ik mijn man tegen op een bruiloft. We hebben elkaar daarna nog gezien in Luxemburg en België en besloten later te trouwen en samen voorgoed in Nederland te wonen. Dit heb ik via Skype aan mijn ouders verteld. Ze waren erg verdrietig, maar ook blij.

De keuze om in Nederland te wonen kwam door mijn man, omdat hij hier zijn studie nog moest afronden. Sinds ik in Nederland ben, en vooral omdat ik nu kinderen heb, kan ik niet meer terug naar Roemenië, dit is nu ons thuis geworden.’

Hoe was het om uw vaderland te verlaten?
‘Het was spannend, vol zorgen en vragen, vooral omdat ik de taal niet sprak. Ik vroeg me af wat ik in Nederland zou doen en wat ik kon verwachten. Ik trouwde op 29-jarige leeftijd. Mijn vader is Hongaars en mijn moeder Roemeens. Ik spreek meerdere talen en heb mijn kinderen viertalig opgevoed, zodat ze contact kunnen houden met familie in Roemenië en Hongarije.

Het was moeilijk om aan de Nederlandse cultuur te wennen. Wij zijn erg familiegericht, en dat is hier veel minder. Ik moest ook wennen aan het feit dat ik na enkele maanden alweer moest werken toen ik kinderen kreeg. Dat was voor mij een grote cultuurschok, want in Roemenië krijg je twee jaar verlof.’

Wat mist u het meest uit Roemenië?
‘Het eten, mijn vrienden, de natuur, de bergen, de zee, dieren zoals beren en wolven. Ook de cultuur, dans en muziek mis ik erg. Het leven was heel anders. De gewoontes, de manier waarop verjaardagen werden gevierd en het eten, alles was anders. In Roemenië zijn verjaardagen groot en uitbundig: veel eten, muziek en dans tot in de vroege ochtend. Hier in Nederland zat ik bij de familie van mijn man in een kring met koffie, thee en een klein stukje gebak. Toen dacht ik: is dit alles?’

Hoe was het om opnieuw te beginnen in Nederland?
“Ik vond het moeilijk. Ik kon geen Nederlands spreken en moest steeds andere spieren gebruiken om de taal te leren, daardoor had ik de eerste weken pijn in mijn wang. Ik was eenzaam, had geen vrienden, mijn man was vaak weg voor werk en mijn familie was in Roemenië. Soms ben ik blij hier, maar soms mis ik mijn land. Ik voel me zowel hier in Nederland als in Roemenië thuis, maar soms ook nergens volledig. Soms heb ik heimwee en bezoek ik Roemenië om dat gevoel wat te verzachten.’

Wat zou u missen aan Nederland als u terugging?
‘De vrijheid en het relaxte leven, de openheid in werk en leven. Ik vind het leuk hier, ik ben vrij en kan mezelf zijn.’

 

Archieven: Verhalen

‘In Nederland heb je weinig vrijwilligers, dat vind ik wel jammer’

Dulce, Ishaq en Ympke vertrekken van basisschool Strijp Dorp in Eindhoven naar het huis van Abdelhakim Abdellati. De rit duurt korter dan verwacht, ze zijn er al binnen enkele minuten. Meneer Abdellati doet de deur op en verwelkomt iedereen. Op tafel staan Marokkaanse thee, sap en lekkere broodjes klaar. Vanwege de liefde emigreerde meneer Abdellati in 2001 op zijn 26ste van Marokko naar Nederland.

U had een bedrijf in Marokko?
‘Ik geboren in Bni touzine, een klein dorpje in het noorden van Marokko. Ik had een goedlopend schildersbedrijf, kreeg veel opdrachten en ik was goed in mijn werk. In 1999 ontmoette ik mijn toekomstige vrouw, zij was in Marokko op vakantie. Vanwege haar besloot ik om naar Nederland te verhuizen en mijn bedrijf op te doeken. Mijn vrouw werkte bij de gemeente en we dachten dat in Nederland de kans op een betere toekomst groter is dan in Marokko.’

Hoe was het voor u toen u in Nederland aankwam?
‘Het was heel moeilijk. Het was koud en ik kon niet communiceren omdat ik taal niet begreep, dus focuste ik mij op onderwijs om de taal machtig te worden. Ik miste ook mijn familie en het koste even tijd om me aan te passen. Een vriend vroeg me om te kijken of ik schoonmaakwerk iets vond. Na een paar weken merkte ik dat ik het leuk vond, het klantcontact, de band met collega’s en het specialistische werk. Ik heb daarna meerdere cursussen gevolgd om specialist te worden in vloeronderhoud.’

Heeft u nog familie in Marokko?
‘Ja, ik heb er nog tantes, ooms en neven, die zie ik in de zomervakantie als ik naar Marokko ga. Mijn broer woont ook nog in Marokko. Ik heb vier broers en een zus, zij wonen verspreid in Marokko, Spanje en Nederland. Familie was een van de redenen waarom het lastig was in begin. Je familie achterlaten is moeilijk.’

Heeft u kinderen?
‘Ik heb vier kinderen, de oudste is 23 en de jongste is 15 jaar. Zij wonen allemaal hier in Nederland. Ik vind het heel belangrijk dat zij naar school gaan en goed hun best doen. Daarnaast hebben zij ook bijbaantjes. Ze moeten zien dat werken belangrijk is en het niet goed is om alleen maar thuis of buiten te luieren. Mijn oudste is elektricien en mijn andere kinderen studeren of gaan nog naar school.’

Waarom doet u vrijwilligerswerk bij voetbalvereniging Brabantia en de moskee?
‘Ik vind het heel leuk om samen te werken met kinderen. Kinderen die ik jaren geleden training gaf, zijn nu jongvolwassenen en zie ik nu nog steeds, bijvoorbeeld bij de Albert Heijn. Telkens als zij mij zien zeggen zij: ‘Hoi Abdelhakim, jij was mijn trainer vroeger’.

In de moskee help ik graag mee omdat ik het leuk vind om mensen te helpen en iets te doen voor de maatschappij. In Nederland heb je weinig vrijwilligers, dat vind ik wel jammer. Ik zou het mooi vinden als ook jongeren vrijwilligerswerk zouden doen. Samen kunnen wij onze kleine wereldje een stuk mooier maken.’

Wilt u hier of in Marokko wonen?
‘Ik wil hier wonen en als de kinderen uit huis zijn wil ik mijn pensioen graag afwisselend doorbrengen in Marokko, Nederland en ander leuk land. Het duurt alleen nog wel even voor ik pensioen heb.’

 

Archieven: Verhalen

‘Wat ik leuk vind aan Nederland, is dat je hier iedereen kunt tegenkomen’

Rick, Lea, Emma en Yaro ontmoeten Loubna in hun basisschool Strijp Dorp in Eindhoven. Ze hebben allerlei vragen voorbereid voor haar. De 48-jarige Loubna kwam als baby van 2 weken oud van Marokko naar Nederland, om hier bij haar Marokkaanse adoptieouders- en zus te gaan wonen. Ze heeft nog contact met haar biologische familie in Marokko, maar voelt dat hun werelden veel van elkaar verschillen. Nederland is voor haar vertrouwder, hier is ze opgegroeid. Het raakt haar dat ze soms nog wel wordt gezien als iemand die ‘niet van hier is’.

Kunt u ons misschien iets vertellen over uw leven van nu?
Ik ben een alleenstaande moeder van zes kinderen. Ik vind het leuk om te lezen, te wandelen, koffie te drinken en gezellig te kletsen. Ik heb geen huisdieren, want thuis is het al best wel druk met alle kinderen die er rondlopen.

Hoe was de reis van Marokko naar Nederland?
‘Dit is wat ik ervan heb gehoord, want ik ben als baby hiernaartoe gekomen. Twee weken na mijn geboorte vertrokken mijn adoptieouders naar Nederland. We gingen met de auto, zonder autostoeltje. Ze hadden een rietenmandje waar ik in lag. De reis duurde wel drie of vier dagen.

Mijn vader ging naar Nederland om werk te zoeken. Het idee was toen dat je in Nederland veel beter kon verdienen en dus een veel betere toekomst zou hebben. En ergens denk ik ook wel voor het avontuur.’

Heeft u uw echte ouders nog een keer ontmoet?
‘Ja, ik zag ze elk jaar als we op vakantie gingen naar Marokko, en ook mijn echte broers en zussen. Ik wist alleen niet dat het mijn echte broers en zussen waren. Ik heb er zes. Wat ik wel heb opgemerkt, is dat we op elkaar lijken. Ik weet dat een broer de politiek graag volgt, en dat doe ik ook. Diezelfde broer houdt van theater, net als ik. En mijn broers en zussen zijn allemaal erg muzikaal, en dat ben ik ook. Ze spelen een instrument, zingen, of dansen graag, en daar houd ik ook van.’

We hebben gelezen dat Tonny heel belangrijk was voor uw gezin. Wie was zij?
Tonny was een vrijwilliger, een vrouw van dezelfde leeftijd als mijn moeder, die mijn moeder de Nederlandse taal wilde leren. Ze kwam bij ons thuis om koffie te drinken en te kletsen. Tony werd een hele goede vriendin van ons. Ik heb zelf heel erg veel van haar geleerd. Ze was ook vrijwilliger bij het kasteel van Helmond en nam mij dan mee daar naartoe. Met kerst zette ze altijd de kerstboom op en mocht ik helpen. Mijn favoriete kerstbal was de piek.’

Waarom ging u naar een katholieke school?
‘Dat was eigenlijk heel toevallig. Toen ik 3 jaar oud was, zag ik alle kinderen naar school lopen, en ik ben gewoon meegelopen. Ze hebben de school gebeld waar mijn zus op zat en toen kwamen mijn ouders mij halen. Daarna hebben ze mij ingeschreven op de katholieke school.

Ik had een hele leuke klas, soms heb ik daar wel nog eens heimwee naar. Op de basisschool voetbalde ik veel, ik speelde vaak met de jongens. Er was één ander meisje dat ook voetbalde, Camilla. Wij werden altijd als laatste gekozen.’

Heeft u snel Nederlands leren praten?
‘Ja, ik sprak het best wel snel. Ik heb ook op de peuterspeelzaal gezeten, dus ik denk dat ik met 2 jaar al beide talen sprak. Thuis spraken we Marokkaans, omdat mijn moeder niet zo goed Nederlands sprak, en buiten spraken we Nederlands.’

Wat kunt u niet missen uit de Marokkaanse cultuur en de Nederlandse cultuur?
‘Uit de Marokkaanse cultuur kan ik koriander niet missen, dat wordt in de Marokkaanse keuken altijd gebruikt. Uit de Nederlandse cultuur vind ik gewoon gekookte aardappelen, groente en vlees erg lekker, maar dan met mayonaise. Dat kan ik echt niet missen. Wat ik mis van het fruit uit Marokko zijn de gele meloenen, heerlijk stevig en zo zoet. Mijn favoriete fruit in Nederland is een lekkere appel.

Wat ik ook leuk vind aan Nederland, is dat je iedereen kunt tegenkomen. Mensen uit India, Marokko, China. Ik was bijvoorbeeld met een Algerijnse man getrouwd. Als ik in Marokko was opgegroeid, was ik waarschijnlijk met een Marokkaan getrouwd.’

Voelt u zich thuis in Nederland?
‘Ik voel mij meer thuis in Nederland dan in Marokko. Ik snap Nederland beter. Maar af en toe zeggen mensen dingen waardoor je je niet altijd helemaal thuis voelt. Ik ging een keer naar de bakker en zei dat het een beetje fris was. Toen zei die mevrouw: ‘Ja, maar waar jij vandaan komt is het warmer’. Terwijl ik uit Helmond kom. Door dat soort opmerkingen zegt iemand in feite: ‘jij bent niet van hier’, terwijl ik mij hier prima thuis voel.’

Archieven: Verhalen

‘Ik heb het liefste dat mensen gewoon Nederlands tegen me praten’

Op een vrijdagmiddag gaan Leon, Stella, Denis en Noud op bezoek bij Angelica Goyenecheau in Eindhoven. Het is een gezellige jaren-dertigwoning, waarin ze inmiddels al meer dan twintig jaar woont. De leerlingen van basisschool Strijp Dorp kunnen aan de inrichting zien dat ze houdt van levendigheid, kleur en vrolijkheid. Mevrouw Goyenecheau (1972) kwam in 1997 vanuit Mexico naar Nederland.

Om welke reden kwam u naar Nederland?
‘Ik had een hele leuke Nederlandse man leren kennen toen ik in Mexico woonde. Ik kwam hem tegen op de bruiloft van mijn zus. Zij is ook met een Nederlandse man getrouwd. Deze relatie was na drie jaar voorbij. Mijn voorouders komen uit Baskenland. – ze laat zien op de wereldbol welke reis zij hebben gemaakt – en verhuisden naar Mexico.’

Waarom ging die relatie uit?
‘Soms blijken mensen toch niet zo goed bij elkaar te passen als ze dachten. Dan is de liefde over en kun je beter uit elkaar gaan. Dat is bij mijn eerste relatie dus ook gebeurd. ‘

Hoe was het om in Nederland te komen?
‘Het was voor mij wat makkelijker dan voor anderen omdat mijn zus hier al woonde. Zij kon mij helpen met het zoeken van werk, een woning en ook bij het leren kennen van het Nederlandse systeem. Maar het kostte wel even moeite om mijn draai te vinden.’

Wat voor werk heeft u gedaan toen u in Nederland aankwam?
‘Ik begon bij een pakketjesbedrijf in de buurt van Eindhoven Airport. Via mijn vriend kwam ik terecht bij ASML. Mijn werk bestond uit het printen van handleidingen voor machines. Ik heb goede herinneringen aan die tijd.

Ik werkte vooral met Engelse mensen, ook veel Engelse oorlogsveteranen, en sprak dus ook veel Engels. Daardoor was het erg lastig om Nederlands te leren. Het is een moeilijke taal. Nu kun je nog steeds horen dat ik een accent heb. In Nederland gaan mensen dan al heel snel Engels tegen je praten, waardoor het extra lastig is. Ik heb het liefste dat mensen gewoon Nederlands tegen me praten.’

U houdt van schilderijen en mooie dingen, kunnen we hier zien. Wat doet u graag?
‘Ik hou ervan om mijn huis mooi en vrolijk te maken. Ik vind het leuk om sociale dingen te doen, zoals met jullie praten. Ook help ik graag mensen in de buurt, want soms is de sfeer niet helemaal fijn. Daar help ik de mensen dan mee. Ik heb mijn huidige man leren kennen op het Tuna Festival (met veel Spaanse muziek). Hij zit in een band die Spaantalige muziek maakt, maar eigenlijk is hij helemaal niet zo goed in Spaans. Ik help hem daarom met de teksten.’

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892