Archieven: Verhalen

‘Als er luchtalarm was, gingen velen de grotten van Valkenburg in’

Zuzanna, Xavi, Kisanet en Emma gaan in Heerlen iemand met een bijzonder verhaal interviewen: Mieke Fox. Terwijl Kisanet foto’s maakt, vertelt mevrouw Fox haar verhaal. Zuzanna, Xavi en Emma luisteren aandachtig en stellen de vragen die zij van tevoren hebben opgesteld.

Hoe zag het begin van de oorlog eruit?
‘Ik was zeven jaar oud toen de oorlog begon, in mei 1940. Ik droeg een wit jurkje met een grote strik in mijn haar, want meisjes droegen toen geen broeken. Ik was de middelste van drie kinderen, ik had een oudere en een jongere zus. Op 10 mei kwamen ineens de Duitse vliegtuigen over Rotterdam. Dat was heel beangstigend, want vliegtuigen zag je toen bijna nooit. Opeens vielen er bommen uit de lucht. Alles stond in brand. Bij ons thuis waren alle ramen eruit geblazen. Mijn vader probeerde ze nog dicht te plakken. Ik vergeet nooit hoe eng dat was.’

Hoe was het leven in Rotterdam tijdens de oorlog?
‘Rotterdam werd bijna helemaal verwoest. Overal brandden huizen en mensen moesten vluchten. Wij pakten snel wat spullen bij elkaar en gingen te voet weg, want bijna niemand had een auto. We namen alleen het hoogstnodige mee, zoals dekens en een klein kistje met belangrijke papieren dat mijn oudste zus moest dragen. Mijn vader zei dat mensen eerder bij ouders naar papieren zouden zoeken dan bij een kind, zodat we beschermd waren. We hebben een hele nacht in een weiland geslapen. De volgende dag gingen we naar mijn tante, die een slagerij had. Ons huis was helemaal kapot. Mijn vader ging terug om te kijken of het nog te redden was en gebruikte glas uit schilderijen om de ramen voorlopig dicht te maken.’

Hoe was het leven nadat jullie naar Valkenburg gingen?
‘Via een vriend van mijn vader zijn we naar Valkenburg gegaan, omdat het daar veiliger was. We gingen met een verhuiswagen. Mijn vader was musicus; hij speelde saxofoon en was dirigent. Mijn moeder, een Friezin, begon daar een hotel dat uiteindelijk groter werd en dat ik later overnam. Mijn vader noemde het hotel ‘Rotterdam’ en de Rotterdamse en Friese vlag hingen altijd uit. In Valkenburg moest ik meteen naar school en ik kreeg snel nieuwe vriendinnetjes. We hadden veel spullen uit Rotterdam meegenomen, zoals speelgoed, schaatsen en tennisballen, waardoor de kinderen daar graag met ons wilden spelen. Zo leerden we ook snel plat Limburgs praten.’

Wat gebeurde er in de grotten?
‘In Valkenburg waren grotten, zoals de Gemeentegrot en de Catacomben. Als het luchtalarm afging, gingen de meeste mensen de grotten in, vooral degenen die erg bang waren, zoals mijn schooljuffen. Tijdens de bevrijding hebben we veertien dagen in de Catacomben doorgebracht. Elk gezin had een eigen plekje, afgescheiden met lakens en dekens. Er was een gaarkeuken waar men in een lange rij voedsel kreeg, en gaslampen brandden in de grot. Voor ons kinderen was het spannend; ik organiseerde poppenkastvoorstellingen en andere spelletjes voor de kinderen.’

Hoe ging de bevrijding?
‘Op 17 september 1944 mochten we de grot weer uit. Het moment dat je ineens weer licht zag, staat me nog helder voor de geest. Toen we teruggingen naar ons hotel, lag er een dode Duitse soldaat binnen. Amerikaanse en Engelse soldaten kwamen daarna in Valkenburg aan. Wij zagen voor het eerst ook zwarte soldaten, die werden gediscrimineerd binnen het leger, maar wij vonden het bijzonder om met hen te praten. De Amerikanen deelden chocola uit en soms kregen wij brood of gebak van de soldaten.’

Kunt u iets vertellen over de ‘Verboden voor Joden’-bordjes?
‘Tijdens de bezetting moesten alle zaken een bord buiten hangen met de tekst ‘Verboden voor Joden’, ook bij ons hotel. Mijn pianoleraar was Joods en droeg een ster. In het begin kreeg ik nog les van hem, maar ineens was hij verdwenen. Hij overleefde de oorlog gelukkig.’

Hoe kijkt u nu terug op de oorlog?
‘De oorlog heeft mijn jeugd bepaald. We moesten snel groot worden, maar we hebben ook geleerd door te gaan. Ik ben dankbaar dat ik het heb overleefd, want veel mensen hebben dat niet. Ik heb geleerd hoe belangrijk vrijheid is. Daarom vind ik het belangrijk om mijn verhaal te blijven vertellen, zodat kinderen begrijpen wat oorlog met mensen doet.’

Archieven: Verhalen

‘In de nacht hoorden we dat er in Aken gebombardeerd werd’

Stanislaw, Ysaira, Jolie, June en Luca komen met z’n vijven naar het verzorgingstehuis in Heerlen om mevrouw Frijns te interviewen. Ze hebben op school vragen bedacht die ze haar willen stellen. Stanislaw maakt de foto’s. Met z’n allen nemen ze plaats in een gezellig hoekje, om vervolgens om de beurt een vraag te stellen.

Kunt u zich nog herinneren hoe uw leven eruitzag toen de oorlog begon?
‘Ik was tien jaar oud toen de oorlog begon. We woonden met ons gezin aan de Markt in Simpelveld, op de Molsberg. We waren met zes kinderen thuis, vier jongens en twee meisjes. Mijn vader werkte in de mijnen als ondergronds opzichter. We hadden het niet breed, maar we kwamen niets tekort. Toch wisten we niet wat er allemaal zou gaan gebeuren.’

Wat was uw eerste herinnering aan de oorlog?
‘In het begin herinner ik me vooral de vliegtuigen. Ze kwamen heel vroeg in de ochtend over, rond vier of vijf uur. De lucht was zwart van de vliegtuigen. Ik lag nog in bed en hoorde het zware gebrom. Mijn moeder zei: ‘Och, och, nu krijgen we oorlog’. Wij wisten helemaal niet wat ons te wachten stond. Het was angstig, maar ook onwerkelijk.’

Hoe kwam de oorlog uw dorp binnen?
‘Niet veel later kwamen de Duitsers het dorp binnen. Ze marcheerden met een hele groep door de straten, met geweren en zelfs een tank en kanon erbij. Dat maakte diepe indruk. Opeens was de oorlog niet meer iets van ver weg, maar stond hij gewoon voor je deur.’

Hoe was school in die tijd?
‘School was heel anders tijdens de oorlog. We moesten in het dorp blijven voor school. Er werd in Simpelveld een huishoudschooltje gemaakt voor de zevende en achtste klas – dat is nu de eerste en tweede klas van de middelbare school. Daarna moest je gaan werken; pas met veertien jaar mocht je officieel aan het werk.’

Merkten jullie al dat de oorlog op zijn einde liep?
‘Tegen het einde van de oorlog merkten we dat er iets ging veranderen. Simpelveld ligt vlak bij Duitsland en we hoorden dat er in Aken gebombardeerd werd. ’s Nachts was het dan soms heel licht aan de hemel, door al dat vuur en die explosies.’

Kunt u zich de bevrijding nog herinneren?
‘Bij de bevrijding kwamen de Amerikanen. In de weilanden van de boeren stonden tanks en auto’s, het leek wel een legerplaats. Wij liepen daar gewoon tussendoor, tussen die soldaten. We waren niet bang. We kregen snoep en chocolade van hen, dingen die we al heel lang niet meer hadden gehad. De Amerikanen kwamen ook bij ons thuis. Ze hadden daar een wagen staan waarin ze schrijfwerk deden. Bij ons thuis hadden we een grote kamer en die gebruikten zij als kantoor.’

Archieven: Verhalen

‘We kropen stiekem door brandgangetjes om te kijken hoe er gevochten werd’

Rayan, Tamim, Jayce en Rayvian gaan naar het verzorgingshuis vlak bij hun school in Heerlen. Daar interviewen ze de 93-jarige meneer Bosgraaf over zijn jeugd tijdens de oorlog. In hun handen hebben ze een stuk papier met vragen die ze hebben voorbereid zodat ze er tijdens het interview af en toe even op kunnen spieken.

Kunt u iets vertellen over hoe u het begin van de oorlog meemaakte?
‘Ik was acht jaar oud toen de oorlog begon. We woonden op de Molenberg in Heerlen, vlak bij de Duitse grens, samen met mijn vader, moeder, een broer en een zus. Mijn vader werkte in de mijn, net als veel andere mannen in onze familie. Dat gaf ons een klein voordeel, want mijnwerkers hoefden niet naar Duitsland om te werken. Als kind begreep ik in het begin eigenlijk niet wat er aan de hand was. Op een vroege ochtend, rond vijf uur, werden we wakker van een enorm lawaai. De lucht was zwart van de vliegtuigen. Het voelde meteen verkeerd, maar toch gingen we die dag gewoon naar school.’

Wanneer merkte u dat de oorlog ernstiger werd?
‘Vooral tegen het einde werd het echt heftig. Er gingen geruchten dat de Amerikanen eraan kwamen. Mensen in de buurt hingen vlaggen uit en begonnen te juichen. Toen kwam er een groep soldaten door de velden aan en iedereen dacht dat het Amerikanen waren, maar het bleken Duitsers. Die riepen dat de vlaggen weer naar binnen moesten. Ze zeiden zelfs: ‘Heute Abend könnt ihr euch freuen.’ Ze wisten dat ze verloren hadden, maar er werd die dag nog hard gevochten. Op de Molenberg, bij het spoor van de Wilhelmina-mijn, hadden de Duitsers zich ingegraven. Dat spoor lag hoger dan de akkers en werd gebruikt als verdedigingslijn. De eerste Amerikanen die wij zagen, lagen ingegraven bij het Zusterbosje. Wij gingen met een groep jongens kijken, maar een Amerikaanse commandant stuurde ons weg. Even later vlogen de granaten vanuit de richting van Aken. We waren net op tijd weg.’

Hoe gevaarlijk was het voor u als kind om dit allemaal mee te maken?
‘Vooral ’s nachts was het eng. Dan kwamen de bommenwerpers en ging het luchtalarm af. We vluchtten de kelder in en zaten met alle kinderen op een hoop kolen, met een deken erover. Overdag waren we toch nieuwsgierig. We kropen stiekem door brandgangetjes tussen de huizen om te kijken hoe er gevochten werd. Dat was levensgevaarlijk. Een keer vloog er een kogel rakelings over ons hoofd. Toen zijn we zo snel mogelijk weggegaan.’

Wat is een beeld uit de oorlog dat u nooit bent vergeten?
‘Na een gevecht gingen we toch weer kijken. In een schuttersputje lag een Amerikaanse soldaat, half ingezakt, met zijn geweer nog in zijn hand. Zijn helm had twee gaten: een kogel erin en er weer uit. Dat beeld staat voor altijd op mijn netvlies. Er lagen meer doden, maar die konden niet meteen worden weggehaald omdat er nog geschoten werd. Een buurjongen heeft later zo’n helm gekregen en die lang als souvenir bewaard. Wij mochten van mijn vader eigenlijk helemaal niet gaan kijken, maar we deden het toch.’

Kwam u ook in aanraking met onderduikers?
‘Ja. Op school wisten we dat de directeur een onderduiker had en bij de dominee zat er ook een. Mijn zwager had er eveneens een. Sommigen zijn gepakt, maar de meesten hadden geluk. Ik zat in het kinderkoor en bij een dansavond danste ik met een leuk meisje. Later bleek dat zij Joods was en ondergedoken zat. Mijn vader was boos toen hij dat hoorde, omdat het gevaarlijk was, maar ik wist dat toen helemaal niet.’

Hoe was de tijd direct na de bevrijding?
‘Na de bevrijding trokken de Amerikanen in de lege huizen in de buurt. Daar hadden Duitsers en NSB’ers gewoond die naar Duitsland waren gevlucht. Op een dag stond onze straat vol met grote stapels munitiekisten, zelfs voor onze voordeur. Een soldaat liet die kisten verplaatsen. Hij had een oogje op mijn zus, die lang rood haar had. Ik had dat zelf ook. De Amerikanen waren daar dol op. We kregen chocolade, sigaretten en van alles.’

Archieven: Verhalen

‘Zes weken lang at ik erwtenbrood met appeljam’

Bahita, Jarrion, Milan en Hafsa vinden het best spannend als ze de lift nemen naar de vierde verdieping van het verpleeghuis Douvenrade in Heerlen. Met de hele klas zijn ze naar het verpleeghuis gekomen om een interview te houden over de Tweede wereldoorlog in hun buurt. Maar het ijs is snel gebroken met de spraakzame Leo Quadvlieg.

Toen de oorlog begon, was meneer Quadvlieg drie jaar oud. Hij woonde met zijn ouders en zijn tweelingbroer in de Josephinastraat in Bleijerheide, een wijk van Kerkrade, vlakbij de Duitse grens. Veel van zijn familie woonde daar ook. Als klein kind merkte hij in het begin niet zoveel van de oorlog. Maar tegen het einde werd het levensgevaarlijk, vertelt hij al snel. De kinderen hangen aan zijn lip.

Wat gebeurde er aan het einde van de oorlog?
‘In september 1944 kwam het front recht voor onze buurt te liggen. De Duitsers zaten over de grens in Herzogenrath en de Amerikanen zaten aan de andere kant, op de Nieuwstraat. Dat is precies de grens tussen Bleijerheide en Kerkrade. Ze lagen zó dicht bij elkaar dat ze elkaar voortdurend beschoten. Vliegtuigen vlogen dag en nacht over en er werd vooral vanuit de lucht gevochten.

In Bleijerheide zaten Amerikaanse soldaten van de Old Hickory Company. Dat was een onderdeel van het Amerikaanse leger, jonge jongens die vanuit Amerika waren gekomen om Europa te bevrijden. Zij kwamen Kerkrade binnen en vestigden zich in onze buurt. Van daaruit vochten ze tegen de Duitsers die net over de grens zaten.’

Was dat niet gevaarlijk?
‘Ja, heel gevaarlijk. Daarom kwam het bevel dat we weg moesten. Met de hele familie, zo’n vijftien mensen, werden we geëvacueerd. We namen mee wat we konden dragen en vertrokken samen met een lange stoet mensen uit Kerkrade richting Ubachsberg.

Onderweg sloegen er granaten in tussen de vluchtende mensen. Acht granaten. Dertien mensen kwamen om het leven. We kwamen langs toen die mensen er net lagen. Ik was nog een kind, maar dat beeld ben ik nooit vergeten. In Ubachsberg staat nu een monument voor hen.’

Waar moesten jullie naar toe?
‘In Ubachsberg werden we opgevangen door een boer. Zijn schuur was helemaal ingericht voor evacués. Met vijftien mensen uit één familie zaten we daar bij elkaar. We zijn er zeker zes weken geweest.

Wij waren met zes kinderen: mijn tweelingbroer en ik, en vier neefjes en nichtjes. Voor ons voelde het soms zelfs als een avontuur. We speelden in de weilanden en ravotten tussen het stro. In het dorp was een grote keuken waar voor iedereen gekookt werd. Brood was er bijna niet. Mijn moeder maakte appeljam van geplukte appels en bakte brood van erwten. Zes weken lang at ik erwtenbrood met appeljam. Later hoefde ik dat nooit meer.’

Konden jullie helemaal niet terug?
‘Mijn vader is in die tijd één keer teruggegaan naar Bleijerheide om te kijken hoe het met ons huis was. Er woonde nog een man in onze straat die niet geëvacueerd was. Die man heeft mijn vader verteld dat de Duitsers bij ons binnen waren geweest en van alles wilden meenemen, ook de piano. Hij is toen voor onze spullen gaan staan en heeft tegen die Duitsers gezegd dat ze niks mochten meenemen. Dankzij hem is ons huis niet leeggeroofd.

Het huis waarin wij woonden was van een Duitser. Wij huurden het. Dat was heel normaal in die tijd omdat we zo dicht bij Duitsland woonden. Iedereen in mijn woonplaats had ook wel familie in Duitsland wonen. Het was dan ook heel gek toen de oorlog uitbrak dat er ineens een harde grens werd getrokken. De huizen in Kerkrade die in het bezit van Duitsers waren werden door de gemeente in beslag genomen. De eigenaar werd over de grens gezet en de gemeente bood het huis te koop aan. Mijn vader moest daar goed over nadenken. Hij vroeg zich af of we het wel konden betalen en of het verstandig was. Nu is het onbegrijpelijk. Het ging over een bedrag van 4800 gulden.’

Herinnert u zich de bevrijding nog?
‘Ja, ik weet het nog goed. In onze buurt werd een grote molen op het trottoir gezet, als teken dat hier Nederlanders woonden. Wekenlang was het feest. Ik was toen negen of tien jaar en ging elke maandag naar die molen. Er was muziek van de harmonie, kinderen kregen limonade en ijsjes.’

Het was vrolijk en dat was het lang niet geweest. Er werd ook gedanst. Tijdens die bevrijdingsfeesten heb ik leren dansen. Niet omdat het moest, maar omdat het weer mocht. Dansen betekende vrijheid.’

 

Archieven: Verhalen

‘Ik ging naar de nonnenschool, misschien was ik daarom wel zo’n braaf meisje’

Samen met Emmy Gooiker-Zink gaan Alina, Djullien, Nola en Almira aan een tafeltje zitten in het zonnige restaurant van verpleeghuis Douvenrade. Ze zijn naar het verpleeghuis gekomen om ouderen te interviewen over hun herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog in Heerlen. Ze hebben er zin in. Djullien gaat foto’s maken bij het interview.

Mevrouw Gooiker houdt van kinderen. Ze vertelt hen dat ze pas drie jaar was toen de oorlog begon. Ze was de jongste thuis, een nakomertje. Ze had twee zussen en een broer. Haar vader kwam uit Duitsland, uit Hamburg, en haar moeder uit Roemenië. Ze waren naar Limburg gekomen omdat ze hier werk kon vinden in de mijnen. Zo ging dat in die tijd. Maar in de oorlog werd dat ineens lastig, want als je vader Duits was, dan werd je zelf ook als Duits gezien.

Wat moesten jullie doen als het luchtalarm afging?
‘Als het luchtalarm ging, wisten we precies wat we moesten doen: naar de kelder. Onder ons huis was een kelder met bedjes. Daar zaten we dan met het hele gezin te wachten. Je hoorde dat loeiende geluid en dan wist je: we moeten naar beneden.
Ik was nog klein en begreep niet wat er gebeurde, maar ik voelde dat het niet goed was.’

Waren er ook bombardementen?
‘Ja, in 1942 werd ons huis gebombardeerd. We zaten weer in de kelder toen ons huis werd geraakt door een fosforbom, een brandbom. Dat was levensgevaarlijk. We moesten snel wegvluchten uit de kelder. Ik herinner me nog het beeld dat iemand boven aan de keldertrap stond te roepen: ‘Emmy, je moet snel naar boven komen!’ Aan de voorkant van het huis stond alles al in brand. Maar ik zei alleen maar dat ik mijn schoenen niet kon vinden. Dat beeld, die trap, dat geroep, dat staat nog altijd op mijn netvlies.

Achteraf bleek dat het een vergissingsbombardement was, een ‘friendly fire’. De bommen hadden eigenlijk op Aken moeten vallen, maar ze kwamen op Heerlen terecht. We mochten tijdelijk schuilen in de kelder aan de overkant, bij mijn vriendinnetje. De brandweer kwam iedereen controleren en zelfs aan je kleren ruiken, om te kijken of je geen fosforspatjes op je had. De ruiten van ons huis waren helemaal gesmolten.’

Gingen jullie gewoon naar school tijdens de oorlog?
‘Toen ik zes was ging ik naar de lagere school. Dat was midden in de oorlog. Maar die school werd door de Duitsers ingenomen. Dus moesten wij naar een andere school, in Meezenbroek. Dat betekende elke dag ver lopen. Algauw kreeg ik te horen dat ik naar een Duitse school moest omdat mijn vader Duits was, maar dat wilde mijn moeder niet. Daarom ging ik vanaf mijn zesde jaar naar een kostschool, ver van huis. Het was een nonnenschool.

Misschien ben ik daardoor wel zo’n braaf meisje geworden. Eén keer per maand mocht ik op zondag naar huis. Dat was altijd bijzonder. Tot mijn zestiende ben ik bij de nonnen gebleven. Ze hadden daar ook een kweekschool, de pabo van nu, en zo ben ik in het onderwijs terechtgekomen. Daar heb ik veel aan te danken. Toch heb ik altijd het gevoel gehad dat ik een dubbeltje was en nooit een kwartje kon worden.

We hadden thuis genoeg te eten. Mijn vader en moeder hadden een café, en achter in het café kon je frietjes kopen. De drank uit het café werd geruild voor eten. Zo kwamen wij de oorlog door.’

Hoe was het om half Duits te zijn in de oorlog?
‘Omdat mijn vader Duits was, golden wij ook als Duits. Dat maakte alles moeilijker. Mensen keken anders naar je. Mijn zussen waren achttien en werden opgeroepen om naar Duitsland te gaan om daar te werken voor de Duitsers. Dat wilden ze absoluut niet. Ze zijn toen snel getrouwd met een Nederlander, zodat ze niet hoefden te vertrekken. Dat waren oorlogstrucjes, maar soms had je geen keuze.’

Werd uw broer ook opgeroepen om te vechten voor het Duitse leger?
‘Mijn broer is ondergedoken bij een boer. Hij werkte daar en probeerde uit handen van de Duitsers te blijven. Maar toen hij vijftien was, is hij alsnog opgepakt.

Tijdens het Ardennenoffensief, aan het einde van de oorlog, werd hij opgeroepen om te vechten. Hij was pas zeventien. Veel te jong. Hij is bij die gevechten in zijn been geschoten. De Duitsers hebben hem laten liggen. De Amerikanen hebben hem gevonden, gevangengenomen en naar een ziekenhuis gebracht. Hij is zelfs nog in Engeland in een ziekenhuis geweest.

Toen hij uiteindelijk thuiskwam, had hij geen benen meer. Ik heb mijn moeder in haar hele leven maar één keer zien huilen. En dat was om hem.’

Wat weet u nog van de bevrijding?
‘Ik zie de bevrijding nog voor me: de Amerikaanse jeeps die Heerlen binnenreden. Ze kwamen via Maastricht Nederland binnen. De soldaten stonden bij hun jeeps en wij probeerden met ze te praten, maar ze verstonden ons niet. Dat vonden we heel raar.
We kregen kauwgum, koekjes en chocolade. Als kinderen liepen we te bedelen om lekkers. Dat voelde als vrijheid.’

Archieven: Verhalen

‘Ik heb de wet dat vrouwen en mannen gelijke rechten hebben ontworpen’

Jermaine, Sheranza, Jediël, Zephanayah en O’lyvelshjo van de Ritfeldschool in Paramaribo interviewen Soerdj Badrising (1940). Meneer Badrising is de overbuurman van Jermaine en is ook op zíjn uitnodiging naar school gekomen voor een interview. De groep gaat aan een grote tafel in de bibliotheek zitten en de kinderen stellen de eerste vragen.

Kunt u iets vertellen over uw ouders?
‘Mijn vader is op zee geboren toen hij vanuit India naar Suriname kwam. Hij was een baby toen het schip aan land kwam. Mijn moeder is in Suriname geboren. Ons gezin bestond uit acht kinderen: vijf dochters en drie zonen, onder wie een tweeling, en ik ben een van de tweeling. Mijn ouders zijn nooit naar school gegaan, ze konden niet lezen en schrijven. Ze leerden door wat mensen hen vertelden. Mijn oudste broer ging ook niet naar school omdat hij mee moest helpen met de zorg voor de jongere kinderen. Ik ben wel altijd naar school gegaan en dat vond ik helemaal niet erg. In rekenen was ik de beste, talen vond ik moeilijk.

Om naar school te gaan, moest ik heel ver lopen, weer of geen weer. We hadden geen fiets, en oh wee als je te laat was op school, dan werd je gestraft. Om de afstand te overbruggen, speelden we vaak wakka tjoepoe. Dan gooide je een knikker en ging je er achteraan, zo liep je spelenderwijs naar school. We hadden geen schoenen want we hadden niet genoeg geld.

Mijn oudste broer had een bananenmeelfabriek opgezet, na school moesten wij helpen bananen schillen, snijden, drogen en malen. Mijn vader deed het zware werk, het oogsten, en toen ik wat ouder was ging ik op de brommer om het meel te verkopen aan de winkeliers. In de weekenden moesten we naar het perceel van mijn vader, waar hij rijst plantte. Dan liepen we ’s ochtends vroeg met een kom eten op ons hoofd naar zijn plantage, dat was een heel eind lopen. We moesten ook door een rivier en er was geen brug, dus we liepen door het water met het eten op ons hoofd. Als we aankwamen, keek mijn vader naar de stand van de zon, dan kon hij zien hoe laat het was en als we te laat waren dan kregen we geen eten, dat was onze straf.

Mijn vader was een taaie man, hij is 70 jaar geworden. Hij ging nooit naar een dokter of tandarts, hij zei: ‘God heeft me ziek gemaakt, hij zal me ook weer genezen’. Hij was ook iemand die veel dronk. Uiteindelijk is hij overleden door een hersenbloeding.’

Wat was uw beroep?
‘Ik wilde militair of leerkracht worden. In Nederland deed ik de opleiding voor militair. Ze konden me niet verzekeren van een baan in Suriname als ik erin verder wilde gaan. Maar ik wilde zo snel mogelijk terug naar Suriname. Toen ben ik naar de universiteit gegaan en heb ik wiskunde en pedagogiek gedaan en zo ben ik leerkracht geworden. Ik werd docent op de kweekschool in Paramaribo, daarna onderdirecteur, toen onderdirecteur AMS (Algemene Middelbare School) en daarna ben ik minister van Justitie en Politie geworden. Dat was in het jaar 1973, ik was toen 33 jaar oud. Ik ben in de familie de enige die het zover heeft geschopt, mijn zussen zijn getrouwd toen ze 14, 15 jaar oud waren en hebben niet gestudeerd.’

Hoe heeft u de periode als minister ervaren?
‘Het waren geen gemakkelijke jaren, er waren veel acties en onrust, want de coup van 1980 was in voorbereiding. Maar als minister heb ik toch wat kunnen doen, de Wet van de valhelm is door mij ontworpen op verzoek van meneer Ferrier. Ook heb ik de wet dat vrouwen en mannen gelijke rechten hebben en de wet van strafvordering ontworpen. Ik ben ook de minister geweest die president Santokhi naar Nederland heeft gestuurd om de politieopleiding te volgen. Hij was destijds een goede student.

Ik was maar kort minister, want toen de coup werd gepleegd moesten we vluchten. Mijn hele familie is naar Nederland vertrokken. Ik ben toch gebleven, want ik vond dat ik niks verkeerd had gedaan. In 1982 zijn de moorden gepleegd. De militairen zijn toen langs geweest bij mij om mij op te halen, maar ik was niet thuis. De buren zeiden later toen we thuiskwamen: ‘we adviseren jullie om weg te gaan’. Toen ben ik ondergedoken, en zijn we naar Frans-Guyana gevlucht. Vrienden van mij zijn doodgeschoten. Ik heb meneer Bouterse nooit willen ontmoeten, omdat ik die ellende heb meegemaakt.’

Welke adviezen heeft u voor ons ?
‘Je moet niet lui zijn om te werken. Pak hard aan om op een eerlijke manier aan je geld te komen en te verdienen. Ga studeren en blijf je best op school doen ondanks de moeilijke tijd waarin we leven. Ondanks de moeilijke periode in mijn jonge jaren heb ik toch het beste van mijn leven kunnen maken en een bijdrage kunnen leveren aan de Surinaamse samenleving. Neem daar een voorbeeld aan. Je moet de wil hebben om vooruit te komen. Het ligt helemaal aan jou.’

Archieven: Verhalen

‘Ik kon een gat in de lucht springen wanneer ik hoorde: Mini, Moksa lesi!’

Javen, Maeghan, Tanisia en Eroesha van de Wellesschool interviewen Magda Muriel Bijnaar. Mevrouw Bijnaar gaat zitten en wacht vol verwachting de eerste vraag af. In het begin moet iedereen op gang komen, maar mevrouw Bijnaar heeft er plezier in en vertelt over de leuke en de minder leuke dingen die ze heeft meegemaakt in haar leven.

Wat at u vroeger?
‘Ik at rijst, soep, bananen, cassave, heel anders dan nu. Ik woonde met mijn grootmoeder en de broer en zus van mijn vader. Dat zusje had een geestelijke beperking, dus ze moest bij haar moeder blijven en zo waren we met z’n vieren. Ik was het enige kind bij mijn grootmoeder. Elk weekend aten we moksa lesi, wat ik erg lekker vind. Ik kon een gat in de lucht springen wanneer ik hoorde ‘Mini!’, dat was m’n roepnaam, ‘Mini!’ – ‘Ja oma!’ –‘Moksa lesi!’ Dan danste ik.’

Welk feest van vroeger vond u het leukst?
‘Ik hield van erffeestjes. Op het erf woonden we samen met een Javaanse familie, een boeroe-oma en de eigenaresse was een Joodse dame, we leefden daar als één familie. Wanneer iemand jarig was, dan werd je uitgenodigd. We maakten plezier, we dansten en we aten. Je kreeg bruine bonen met groente en vlerken en zoutvlees en een stukje pom. Als je ouder was dan 15, dan kreeg je ook een stukje pastei. En we kregen gommakoek, van echte gomma gemaakt. Het brokkelde hetzelfde als die maizenakoekjes, maar het was veel lekkerder. Puur gommakoekjes, grootmoeders recept, het was heerlijk. Maar het is er niet meer. Maizena is makkelijker.’

Van waar komen uw voorouders?
‘De familie van mijn moeders kant, komt van het gebied van de Cottica in Suriname. Mijn moeder heeft een beetje Indiaan in zich. En de moeder van mijn vader komt uit Barbados, dat is een eiland. Mijn grootmoeder was een baby toen ze daarvandaan wegvluchtte, ze is samen met haar moeder gevlucht voor de slavernij. In die tijd was dat daar op Barados erger dan in Suriname. Als je iets verkeerd deed werd gewoon je hoofd afgehakt. Mijn grootmoeder was nog klein toen ze heeft gezien hoe haar vaders hoofd werd afgehakt. Dus ze konden daar niet blijven en zijn gevlucht. Ze zijn zwemmend aangekomen in Guyana. Er waren ook haaien, maar gelukkig zijn ze niet gepakt. Ik ben blij dat ik dit kan navertellen, want er is zoveel gebeurd. In Guyana hebben ze assistentie gekregen om naar Suriname te gaan.’

Heeft u een advies voor ons?
‘Jullie zijn jong, ik ben 72, ik heb heel veel van de wereld gezien, ik ben naar Guyana geweest, ik ben naar Frans Guyana geweest en ik ben 2x naar Nederland geweest. Maar weet je wat het belangrijkste is: eerbied en respect. Als je respectvol bent tegenover anderen, dan krijg je respect terug. Wees behulpzaam tegenover elkaar en tegenover anderen. Als iemand ruzie zoekt, doe dan niet mee, want je weet hoe de ruzie ontstaat, maar je weet niet hoe het eindigt. Vroeger op school vochten we wel, met klappen enzo. Ik was ook een vechtersbaas, want je moet me niet lastig vallen! Ik kom op voor mijn recht, maar ik zie dat het niet iets goeds is, je komt niet verder daarmee. Je moet je best doen en als je iets niet begrijpt, vraag het. Wees nooit te groot om te vragen ‘juf, ik heb dat niet verstaan, kunt u me een beetje meer uitleggen’. En je moet eerbiedig zijn tegenover ouderen, vooral je vader en je moeder. Hoeft niet speciaal je biologische vader of moeder te zijn, het kan een oudere persoon zijn die je wat leert.’

Archieven: Verhalen

‘Mevrouw Graanoogst, u bent vanaf vandaag inspecteur van onderwijs’

Gianna, Sjomar, Jusitin, Levi-Jay en Manuella van de Ritfeldschool in Paramaribo interviewen Lucia Graanoogst (1940). Mevrouw Graanoogst komt naar hun school, samen met andere ouderen van het bejaardentehuis waar ze woont. Het interview vindt plaats in een leeg klaslokaal op school.

Hoe was het bij jullie thuis?
‘We waren met zes kinderen en ik was de oudste. We woonden in een groot houten huis. Toen ik elf was overleden twee broertjes van me. Eén was 9 jaar, hij had bloedkanker. Een maand later overleed mijn andere broertje van 5 jaar door een auto-ongeluk. Mijn ouders hebben daar heel veel verdriet van gehad. Anderhalf jaar na hun overlijden kwam er een nieuw broertje en daarna nog een broertje en nog een zusje.

Mijn vader was streng, hij was militair, mijn moeder was heel erg lief, ze verzachte altijd. Twee weken voor mijn tiende verjaardag mocht ik van mijn vader een lot trekken. De dag dat de nummers getrokken waren, keek in de krant en ik zei: ‘Pappa, het is hetzelfde nummer!’. Hij zei ‘Meisje, jok niet!’. En inderdaad, ik had gelijk: ik had de tweede prijs gewonnen. Het was 750 gulden, dat was veel geld in die tijd. Toen heeft mijn vader van dat geld een piano gekocht en moest ik verplicht op pianoles. Ik heb vaak tikken op mijn vingers gehad, maar niemand mocht aan de piano komen, want het was mijn piano.’

Waar komt uw naam vandaan?
‘Mijn overgrootoma was een keukenslavin. Haar slavenhouder heette ‘Ouderogge’ en rogge is een graansoort. De slaven hadden eerst nog geen achternamen, maar later heeft mijn overgrootoma, de keukenslavin, de naam gekregen van Graanoogst. Het is een geweldige naam! Zonder die naam eet je geen brood, zeg ik altijd.

Die overgrootoma heb ik niet gekend, maar haar dochter was mijn grootvaders moeder, die heb ik nog even gekend, ik was 5 jaar oud toen zij stierf. Maar over de slavernij werd niet gesproken, dus ik weet er niet veel van.’

Wat voor beroep had u?
‘Ik ben naar Nederland gegaan om te studeren, en toen ik terugkwam werd ik lerares op de kweekschool. Op een dag hadden we een roostervergadering. Toen ik weer thuis was gaf mijn moeder me een papiertje met een telefoonnummer erop. Ze zei: ‘Je moet dit nummer bellen’. Ik belde, en wat kreeg ik te horen? ‘Mevrouw Graanoogst, u bent vanaf vandaag inspecteur van onderwijs’. Ik kon niet eens afscheid nemen van de school waar ik les gaf, want ik moest op het kantoor van de inspecteur zijn.

Voor mijn beroep moest ik veel scholen bezoeken, soms helemaal in Saramacca. Eén keer had ik iets heel moois meegemaakt. Daar waar nu Staatsolie is, was een weggetje. Ik reed die straat in om naar een school te gaan en ineens zag ik een grote aap midden op de weg. Ik remde en maakte de deur open om te kijken. Toen kwam er ineens een hele rij van wel dertig aapjes langs lopen. Die aapjes sprongen de Saramaccarivier in, zo gingen ze het bos in. Het is het mooiste wat ik ooit heb meegemaakt. Maar vanaf die dag mocht ik als vrouw niet meer alleen rijden.’

Heeft u wel eens discriminatie meegemaakt?
‘Toen ik 24 jaar oud was, ging ik naar Nederland om te studeren. Daar ben ik nooit gediscrimineerd. In mijn kindertijd in Suriname was er altijd wel een beetje een gevecht tussen Hindoestaanse en Creoolse kinderen…. maar ik kan niet zeggen dat ik het als ernstig heb ervaren. Ze noemden mij ‘Boeroe’, maar dat vond ik niet erg.’

Wat heeft u meegemaakt van de Binnenlandse Oorlog?
‘Oh, kind dat vond ik wel iets ergs hoor, vooral van wat er in Moiwana was gebeurd. Ze waren Moiwana binnengevallen omdat ze meneer Brunswijk zochten, want hij was de leider van de binnenlandse strijders. Omdat ze hem niet vonden hebben ze zelfs op kinderen en zwangere vrouwen geschoten. Veel mensen zijn daar overleden, ik krijg nog kippenvel als ik erover praat. Dat was iets heel ergs. Ik was heel erg blij toen dat allemaal afgelopen was.’

Archieven: Verhalen

‘Creolen, Javanen, Chinezen en Boeroes, ze kwamen allemaal bij ons thuis’

Edgar Comvalius (1960) ontmoet Xavi, Renaja, Drishti, Ghivar en Alicia onder de grote manjaboom op het schoolplein van de Ritfeldschool in Paramaribo. Hij laat de leerlingen een groene gulden zien, een briefje geld dat nu niet meer bestaat. Het was vroeger meer waard dan een Nederlandse gulden. De leerlingen mogen het niet vasthouden want het valt al bijna uitelkaar. Als iedereen zit, stellen de leerlingen de eerste vraag.

Waar bent u geboren?
‘Ik ben te Saramacca geboren, in het inheemse dorp Colombia, ik ben van de Caraïben-stam. Ik ben indiaan, van ouds af heb ik die benaming geaccepteerd, maar in de moderne tijd zegt men ‘inheems’. En mijn familie is ook meer aan het mixen, want mijn broers en zussen hebben Creoolse en Hindoestaanse partners.

Hoe was het bij u thuis toen u klein was?
‘Mijn ouders hebben twaalf kinderen gehad, vijf meisjes en zeven jongens en er was altijd een gezellige drukte. We speelden spelletjes, zoals djompo futu, djoel, gòngotè, combat en knikkeren. Wij waren niet rijk, maar leefden gelukkig. We aten vis, vlees, kippen en cassave en we plantten bananen thuis. Mijn vader was altijd bezig. Hij kweekte kippen, deed van alles, hij was niet lui. Maar we kwamen toch niet vooruit, want mijn moeder ving iedereen op. Mijn moeder zei nooit dat iemand weg moest gaan, iedereen kon blijven slapen en ze had altijd eten voor de gasten. Al was het alleen maar rijst met groente. Creolen, Javanen, Chinezen en Boeroes, ze kwamen allemaal bij ons thuis.

Wij hadden veel respect voor onze ouderen, voor broer, zus, opa of oma. Wij noemden onze broer of zus niet bij hun naam. In onze inheemse taal is zus wà wà, broer is sèwò, opa is àwò en oma is pìpì. En zo werden ze netjes toegesproken. Mijn vader was streng. We konden niet dicht bij hem zitten, hij bleef op een afstand. We moesten om zes uur thuis zijn om het erf schoon te maken. Als niet, dan wachtte de riem op je. Of een touw. Je kreeg een pak slaag, vooral mijn oudste broer. Mijn vader mishandelde hem. Pappa was streng, maar mamma was lief.’

Waar bent u naar school gegaan?
‘Ik ging naar de rooms-katholieke basisschool, vlak bij het huis waar ik woonde. Er waren paters en een kerk, we kregen ook godsdienstles op school van de paters. Het was gezellig en we hadden heel veel respect voor onze leerkrachten. Er was ook goed contact tussen de leerkracht en de ouders, vandaar dat wij ons best ook deden. Daarna heb ik ulo gedaan, later heette het lbo (lager beroepsonderwijs) en nu vmbo. Dat heb ik afgemaakt en daarna ben ik gaan werken, ik was toen 16 jaar. Ik wilde mijn eigen boontjes doppen want mijn ouders hadden het moeilijk thuis. Nu ik terugkijk op die tijd heb ik toch spijt dat ik school vroeg heb verlaten. Eerlijk gezegd was ik ook een beetje lui om naar school te gaan. Een keer had m’n oom me gepakt, toen ik was gaan spelen. Hij stuurde me weer naar school.

We kregen wel pak slaag vroeger, dat is nu niet meer, daarom zijn de kinderen nu heel anders dan vroeger. Jullie hebben het nu te goed. Ik mag mijn kinderen nu niet aanraken. Als hij of zij fout is, dan moet ik praten, maar hoelang blijf je praten? Soms wil ik een tikje geven, maar dat mag niet. De mens is veranderd, de bossen zijn er nog met schaduw en al, de natuur is er gewoon, wij mensen veranderen. We lopen nu met andere gedachten dan vroeger.’

Hebben uw grootouders u verteld over de slaventijd?
‘Ja, zo’n beetje. Mensen moesten onder erbarmelijke omstandigheden werken op die cacaoplantages werken en ze moesten bossen open kappen, kregen weinig eten en weinig rusttijd en werden mishandeld, geslagen. Ja, ik heb ervan gehoord hoe die slavenmeester met hen omgingen. En als ze ziek waren, waren ze in feite ten dode opgeschreven. Want ze konden niet werken, en kregen dus geen voeding meer. Zo was het. Het waren slaven en de Nederlanders waren de wreedste slavenhouders. Dat heb ik gehoord.’

Wat vindt u nu van Suriname?
‘Suriname is een lekker land, ik ben hier opgegroeid en ik wil hier ook sterven. Ik zeg het uit m’n hart. Je kan hier van alles krijgen. Als je bij iemand langsgaat, dan krijg je eten, je wordt gastvrij ontvangen.’

Archieven: Verhalen

‘Ik zou niet terug willen naar de koloniale tijd, we moeten het zelf gaan doen’

Jaylen, Trisha, Abhai, Patricia, Jezreël en Azahra van de O.S. Mariënburg in Commewijne, Paramaribo interviewen Wangsakrama Légimin. Hij wordt ook wel ‘meneer Bimbo’ genoemd en dat vindt hij niet erg. Hij weet veel van de geschiedenis van Mariënburg omdat hij ook gids is.

Wie waren uw voorouders?
‘Mijn voorouders komen uit Indonesië en werden hiernaartoe gebracht als contractarbeiders. Mijn opa van mijn vaders kant werd te werk gesteld op de plantage Jaglust, dat was een koffieplantage. Mijn andere opa werd te werk gesteld op plantage Visserszorg, een citrusplantage. Beide opa’s heb ik niet gekend, maar ik heb wel hun cultuur geërfd. We hadden bijvoorbeeld de Ludro-voorstelling vroeger en Djaran Kepang, dat is een dans met paarden en dan gaan mensen in trance. De dans vond ik erg mooi, maar het wordt niet meer gedaan.’

Wat vond u leuk toen u klein was?
‘Toen ik jong was, werden elke 1 juli activiteiten ontplooid door de Nederlandse Handelsmaatschappij. De treinen en de fabriek werden versierd, de kinderen deden kinderspelen, zoals mastklimmen, hardrennen, zaklopen en dat vond ik echt leuk. De ouders kregen bonnetjes van de maatschappij en ze konden ook frisdrank gaan halen en bolletjes. In die tijd kon je ook voetballen na schooltijd, maar om vijf uur moest je wel naar binnen gaan om je lessen te leren.’

Wat voor werk deed u?
‘Ik werkte hier bij de Suikeronderneming Mariënburg, eerst als magazijnmeester en later op de afdeling personeelszaken. Ik had mijn mulodiploma behaald en zou verder gaan studeren. Ik ging naar een internaat maar mijn ouders konden het niet permitteren, zodoende kwam ik terug en ging hier werken. Vroeger was Mariënburg schoon, maar na de koloniale tijd is het vergane glorie geworden. We produceren niks meer. Nu ben ik gids en geef rondleidingen op het terrein van de vervallen fabriek.’

Wat denkt u dat er in de toekomst gaat gebeuren?
‘Wat ik denk is dat wij als de nazaten van de contractanten en de slaven meer als Surinamers moeten gaan denken, want we zijn in Suriname geboren. Wat ik echt moeilijk vind hier in Suriname is de politiek. De politieke partijen zijn opgericht per bevolkingsgroep, dus de Javanen hebben hun eigen partij, de Hindoestanen hebben hun eigen partij… en dat vind ik niet goed. We zijn Surinamers, we moeten samen het land opbouwen. Maar dan moeten wij een goede leider hebben. Tot nu toe ken ik geen echte leiders in Suriname. Suriname is een groen land, alles groeit in Suriname. Toch moeten we alles importeren voor de lokale markt. Dat is toch erg.

Maar ik zou niet terug willen naar de koloniale tijd, we moeten het zelf gaan doen. De Nederlanders zijn rijk geworden van de slaven en de contractanten. De slaven werden het ergste onderdrukt, want die kregen geen betaling, de contracten wel, maar niet zoveel. En als je niet wilde werken, dan werd de politie ingeschakeld. Ik vind het eng hoe het vroeger was in Suriname, wij werden door de Nederlanders onderdrukt. De rijkdom ging naar Nederland, niet naar Suriname.’

 

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892