Archieven: Verhalen

‘We leerden dat witte mensen alles te vertellen hadden’

Rasoelan Rodjan is al in de bibliotheek om Zehra, Maryam en Znar van basisschool De Schelp uit Eindhoven te ontvangen. Ze is vrolijk en heeft thee meegenomen voor de kinderen en een tegeltje waarop staat ‘Iedereen is van de wereld en de wereld is van iedereen’. Ze komt oorspronkelijk uit Suriname en was 23 jaar toen ze samen met haar man en gezin naar Nederland kwam. Ze vertelt dat iedereen gelijk is, niemand is hoger of lager, meer of minder. Daarna mogen de kinderen hun vragen stellen, die ze keurig hebben uitgetypt en voorbereid.

Hoe was het leven in Suriname?
‘Mijn opa en oma kwamen als Hindoestaanse contractarbeiders naar Suriname en het leven was hard werken. Alle kinderen gingen naar school, maar met mijn zesde moest ik ook thuis helpen. Dat was eigenlijk belangrijker dan school, school was ook ver weg. Ik en mijn zussen moesten rijst planten en vijftig schapen van het land halen. De jongens mochten studeren, de meisjes niet.

Onze ouders waren bang en vertelden ons dat als we witte mensen zouden zien, we heel vriendelijk moesten groeten, dat was normaal. We werden geleerd dat witte mensen alles te vertellen hadden. Ik vind nu dat iedereen gelijk is. Ik houd er niet van dat mensen zich voordoen dat ze meer zijn.’

Hoe was het voor u om naar Nederland te komen?
‘Ik ben in Suriname getrouwd. Mijn man had al vijf kinderen, en samen kregen we er nog twee. Je voelde dat er een opstand op komst was, vrienden van ons waren al eerder gegaan. We hebben ons huis en land verkocht toen het er steeds onveiliger werd, en in 1974 zijn we naar Nederland vertrokken.

Mijn man ging werken als monteur bij autofabrikant Daf. Hij had het verlies van zijn eerste vrouw nooit echt verwerkt en werd uiteindelijk ziek. Toen Daf moest inkrimpen, raakte hij zijn baan kwijt. Daarna ben ik gaan werken: eerst twaalf jaar als schoonmaakster bij de Rabobank, en daarna vijfentwintig jaar in het magazijn van warenhuis V&D. Ik had geen diploma’s, maar kreeg toch de kans om te werken. Tegenwoordig is dat anders, nu heb je overal papieren voor nodig.’

Heeft u mensen kunnen helpen in Suriname?
‘Tijdens de tijd van Desi Bouterse was het erg heftig. Mijn broers en zus woonden buiten de stad en wisten niet precies wat er allemaal gebeurde, maar ze voelden natuurlijk wel de dreiging. Een van mijn broers werkte bij de politie. Op een dag werd zijn beste vriend doodgeschoten. Mijn andere broer, die al in Nederland woonde, heeft toen geregeld dat hij naar Nederland kon komen. We stuurden eten, kleding en ook geld mee in koffers, zodat hij veilig kon reizen.

Familie betekent heel veel voor mij. Ik heb dagelijks contact met mijn kinderen, broers en zussen, en we proberen zo vaak mogelijk bij elkaar op bezoek te gaan.’

Archieven: Verhalen

‘Ik vroeg mijn vader of ik alsjeblieft van school af mocht en dat mocht’

Hayrunnisa, Amin, Imran en Naya van basisschool De Schelp in Eindhoven worden hartelijk ontvangen door Carmen en Henk Rosendaal. De deur staat al voor open als ze op de negende verdieping aankomen, ze hebben er een mooi uitzicht over Eindhoven. De kinderen krijgen wat te drinken en een koekje. De 79-jarige mevrouw Rosendaal is geboren in Palembang in Indonesië. Als peuter kwam ze al even naar Nederland, daarna woonde ze tien jaar in Suriname, en op haar dertiende kwam ze terug naar Nederland. Samen met haar man heeft ze later nog in veel andere landen gewoond. Ze voelt zich rijk doordat ze zoveel van de wereld in zich draagt. Voor de kleinkinderen zijn ze weer terug naar Nederland gekomen.

Wat is uw mooiste herinnering?
‘Ik heb goede herinneringen aan mijn vader. Hij las gedichten voor, liet ons naar muziek luisteren, hij was altijd met ons bezig als hij tijd had. Hij was heel erg van de etiquette, hoe alles hoorde. Ik vond dat maar niks, maar heb er later toch wel veel plezier van gehad. Ik kon goed leren maar had er niet zoveel zin in. Tot mijn vader zei: ‘Straks kun je alleen maar keistenen eten want ons geld is van mama en mij. Je zal het zelf moeten verdienen.’ Toen ben ik wel beter mijn best gaan doen op school.’

Waarom vond u het niet leuk op de meisjesschool?
‘Ik was niet zo meisjesachtig als kind. Spelen met jongens vond ik veel leuker. Ik was een meisje dat op daken klom en in bomen. Daar kreeg ik dan ook vaak straf voor. Ik had niks met de onderwerpen waar de meisjes over wilden praten, zoals welke corsage ze hadden gekregen of naar welk bal ze waren geweest. Ik heb mijn vader gevraagd of ik alsjeblieft van school af mocht en dat mocht gelukkig van hem.’

Wat betekent ‘trouwen met de handschoen’?
Het heet officieel ‘trouwen per volmacht’. Mijn vader was in militaire dienst in Indonesië en mijn moeder woonde nog in Nederland. Ze wilden graag trouwen zodat zij ook naar Indonesië kon komen. Ze mocht pas gaan van haar ouders als ze getrouwd was, maar mijn vader kon daar niet weg. Toen heeft een broer van mijn moeder gedaan alsof hij mijn vader was en zijn ze getrouwd. Daar had mijn vader voor getekend. Daarna mocht mijn moeder naar Indonesië en zijn ze samen gaan wonen. ‘

Heeft u zelf ook in een kamp gezeten?
‘Ja, maar ik was toen nog een baby, ik weet daar zelf niks meer van. Mijn moeder en oudste broers hebben in een interneringskamp van de Japanners gezeten. Toen die oorlog voorbij was, kwam er wat rust en waren mijn ouders weer samen en werd ik geboren. Al vrij snel daarna begon de Bersiap-periode waardoor ze nu in een kamp van de Indonesiërs werden vast gehouden. Het was een grote villa in een villawijk omgeven door prikkeldraad. Nu werden ze juist door de Japanners beschermd. De twee oudste broers van mijn moeder overleden in het kamp. Haar vader heeft toen van Nederland geëist dat ze als gezin terug naar Nederland gehaald zouden worden en dat is gebeurd.’

Archieven: Verhalen

‘Gelukkig heb ik nog een foto van hem, waarop hij mij als baby vasthoudt’

Linford, Maliyah, Rafael en Luciana hebben op basisschool de Kinderboom al kort besproken wie, welke vragen gaat stellen. Het is best spannend, zo’n interview, maar in Museum Noord waar ze de Joodse Samuel de Leeuw  gaan ontmoeten wacht hun een warme ontvangst en grapt meneer de Leeuw erop los.

Met wie heeft u ondergedoken gezeten?
In mijn eentje. Mijn vader werkte hier in Amsterdam-Noord bij de Hollandia Kattenburg Fabriek. Daar is op 11 november 1942 een razzia geweest door de Duitse bezetters. Toen is mijn vader samen met alle Joodse werknemers daar meegenomen en naar Kamp Westerbork gestuurd. Hij is uiteindelijk in februari 1943 vermoord in Auschwitz. Gelukkig heb ik nog een foto van hem waarop hij mij als baby vasthoudt. Mijn moeder bleef alleen over met mij. Mijn moeder vond het te gevaarlijk voor een Joods kind om bij haar te blijven, dus heeft ze me alleen laten onderduiken. Het was moeilijk om zomaar een onderduikadres te vinden, dus toen is ze heel brutaal op straat naar iemand toe gelopen waarvan ze dacht dat het iemand was die bij het verzet zat. Ze vroeg heel direct of zij haar wilde helpen met mij laten onderduiken, maar de vrouw dacht dat het een valstrik was, dus loog ze en zei van niet. Later kwamen er toch twee mannen aan de deur die tegen mijn moeder zeiden: ‘we kunnen uw kind helpen onderduiken’. Ik was toen 1 jaar en werd naar een opvangcentrum in Limburg gebracht. Daar zijn in totaal 260 kinderen ondergebracht. Een lief echtpaar zonder kinderen heeft mij opgevangen. Vanaf dat moment werd ik Boukje genoemd. Kijk op deze foto….  Hier zag ik voor het eerst een schaap, want die hadden we helemaal niet in Amsterdam. Ik heb in Limburg altijd veel buiten gespeeld.’

Ging u in de oorlog naar school?
‘Ja, Limburg was heel katholiek, dus ik ging naar een school met nonnen. Ik ging wel pas later naar school, want ik was pas 1 jaar toen ik bij mijn pleegouders terecht kwam. Mijn pleegouders zijn in de oorlog ook voor mij verhuisd! Je mocht in die tijd natuurlijk geen radio hebben, maar dat deed mijn pleegvader stiekem wel. Dan zat hij ‘s avond heel zachtjes te luisteren naar de radio, en als klein jongetje luisterde ik natuurlijk ook mee! Op een gegeven moment stond ik op het balkon van het oude rijtjeshuis allemaal Engelse liedjes te zingen, en dat was natuurlijk supergevaarlijk! Want zo konden de buren erachter komen dat we een radio hadden, dus toen zijn mijn pleegouders uiteindelijk voor mij verhuisd en dat laat ook wel zien hoeveel liefde ze voor mij hadden.’

Wat deed u tijdens de Bevrijding?
‘In Amsterdam was de Bevrijding pas veel later, dus in Limburg liepen we al veel langer vrij rond. Wij konden al veel eerder naar de bioscoop en alles doen wat we wilden, dat was hier in Amsterdam pas een half jaar later. Maar ik herinner me nog wel dat we op straat stonden en iedereen droeg oranje, of rood/wit/blauw. En er reden grote tanks met Amerikaanse en Engelse soldaten en alle kinderen kregen chocola en snoep. Ik at voor het eerst kauwgom.’

Heeft u na de oorlog uw moeder weer gezien?
‘Ja, mijn moeder spoorde via een stichting oorlogspleegkinderen op en ontdekte ze waar ik was. Ze kreeg van het militair gezag een pasje om te reizen. Er waren geen treinen en veel wegen lagen in puin, maar al liftend kwam ze in de avond in Heerlen, toen ik al sliep. En dit weet ik nog heel goed hoor, de volgende ochtend vroeg ik aan mijn pleegmoeder ‘wie is die mevrouw?’ Ze zei: ‘dat is je echte moeder’. ‘Nee, u bent mijn echte moeder!’ zei ik. Mijn moeder is toen even een paar dagen gebleven in Heerlen, want ik moest erg aan haar wennen. Ik woonde daar in Heerlen, heel rustig. We woonden aan de heikant. Veel huizen in Amsterdam waren verwoest, gebombardeerd. Heel veel huizen waren afgebroken of gesloopt. Ik moest langzaamaan wennen.
Ik ben altijd naar mijn pleegouders teruggegaan. Iedere vakantie, zomer, herfst en winter, ging ik naar Limburg en dat vond ik heerlijk. Ik zei inmiddels natuurlijk geen ‘papa’ en ‘mama’ meer tegen hun, maar ‘oom’ en ‘tante’. Ik heb mijn hele leven contact gehouden met mijn pleegouders. Ook toen ik zelf trouwde en kinderen kreeg, zijn we vaak terug gegaan. Mijn kinderen noemden hun dan opa en oma en dat vond ik mooi. Toen mijn pleegvader overleed, heb ik mijn pleegmoeder naar een Amsterdams verpleeghuis kunnen halen zodat we haar vaker konden zien’.

 

 

Archieven: Verhalen

‘Het was net alsof we in Nederland waren, midden in de tropen’

Vol spanning gaan Walid, Dylan, David en Zubair op een herfstige dag in oktober op weg naar het interview met de 89-jarige Dee van Eldik. De spanning verdwijnt meteen als ze hen hartelijk ontvangt in haar warme huis, vol sporen van haar leven in het voormalige Nederlands-Indië en op Aruba. De jongens van basisschool De Schelp in Eindhoven zijn onder de indruk van de Indonesische muziekinstrumenten van bamboe waarop mevrouw Van Eldik nog altijd speelt. Terwijl ze thee inschenkt, stellen de jongens hun eerste vragen.

Hoe was het om een gemengde achtergrond te hebben?
‘Weet je, heel lang geleden, wel bijna 300 jaar, was Nederland de baas in Indonesië. Dat noemen we de koloniale tijd. Er kwamen veel Nederlanders naar Indonesië om handel te drijven, vooral in specerijen zoals kruidnagel en nootmuskaat. Daar werd Nederland heel rijk van.

In het begin mochten Nederlandse mannen geen vrouwen meenemen uit Europa, en dus kregen ze gezinnen met Indonesische vrouwen. Zo ontstonden kinderen die een beetje van allebei waren, een beetje Nederlands en een beetje Indonesisch. Dat zijn wij: de Indo-Europeanen, of Indische mensen.

We waren niet helemaal Indonesisch, maar ook niet helemaal Europees. We zaten er een beetje tussenin, en dat was soms moeilijk. We kregen een Nederlandse opvoeding, spraken Nederlands en gingen naar Nederlandse scholen. Maar in ons hart leefden twee werelden: de warmte van Indonesië en de gewoontes van Nederland. Dat maakte ons wie we zijn, een beetje van beide.’

Hoe was het op de Nederlandse school?
‘Toen ik kind was in Nederlands-Indië, ging ik naar een Nederlandse school. We begonnen al vroeg, om half acht, want later werd het veel te warm, soms wel 40 graden!

Op school leerden we lezen, schrijven, rekenen en netjes schrijven met kroontjespennen. Maar weet je wat vreemd was? We leerden niets over Indonesië, het land waar we woonden. We leerden alleen over Nederland, over rivieren, steden, sneeuw en bloemenvelden. De meeste kinderen hadden nog nooit sneeuw gezien!

We spraken Nederlands, zongen Nederlandse liedjes en lazen uit Nederlandse boeken. Het was net alsof we in Nederland waren, midden in de tropen. Toch heb ik er ook warme herinneringen aan: de geur van het krijt, de zon door het raam en de bel die klonk als we eindelijk buiten mochten spelen.’

Hoe was het leven tijdens de Japanse bezetting?
‘Tijdens de Japanse bezetting hoefden mijn moeder en ik niet naar een kamp. Wij waren buitenkampers, dat betekende dat we buiten het kamp woonden. Maar het leven was zwaar. We hadden bijna niets te eten, en omdat we half Nederlands waren, kregen we geen werk. We moesten alles verkopen: eerst sieraden, zelfs de trouwringen van mijn ouders, daarna kleren en meubels.

Mijn moeder was heel vindingrijk. Van kleine lapjes stof maakte ze kleertjes om te verkopen, zodat we een beetje rijst of groenten konden kopen. Ik miste mijn vader verschrikkelijk. Hij zat in een kamp, en elke dag hoopte ik dat hij terug zou komen.’

Hoe was de onafhankelijkheidsoorlog?
‘In 1942 kwamen de Japanners naar Indonesië. Ze wilden er de baas worden en zeiden: ‘Azië voor de Aziaten’. Ze leerden de Indonesiërs vechten om hun land terug te krijgen. Zo begon de strijd voor onafhankelijkheid.

Na de oorlog wilden de Indonesiërs hun vrijheid. Ze stuurden de Nederlanders weg en namen de plantages en huizen over. Maar toen kwamen wij aan de beurt, mensen met gemengd bloed. Tegen ons zeiden ze: ‘Jullie horen bij de vijand’.

We werden uit onze huizen gejaagd en konden bijna niets meenemen. Alles foto’s, spullen, herinneringen moesten we achterlaten. Ik was nog maar negen of tien jaar en ik weet nog goed hoe bang ik was. De mensen wilden hun land terug, en dat begrijp ik nu. Maar toen voelde het vooral alsof we nergens meer echt bij hoorden.’

Waarom zijn jullie toen naar Nederland gekomen?
‘Na de oorlog moesten we kiezen: blijven we in Indonesië en worden we Indonesisch, of gaan we naar Nederland? De Nederlanders zeiden dat we beter konden blijven. Mijn vader tekende daarvoor, want hij vond Nederland niet zo leuk. Maar al snel bleek dat de Indonesiërs ons ook niet wilden. Ze zeiden: ‘Jullie horen bij de Nederlanders’. We werden weer gepest en buitengesloten. Toen kregen we spijt dat we gebleven waren.

Naar Nederland gaan was moeilijk. We moesten maanden wachten op papieren en langs veel kantoren voor stempels. Toen het eindelijk mocht, waren we zó blij! Op 3 augustus kwamen we aan in Nederland. Het was warm, alles voelde vreemd en nieuw, en de boot zat stampvol mensen.

In Nederland moesten we weer in een opvangkamp wonen. We kregen kleding en eten, maar alles moesten we later terugbetalen. Zelfs toen ik ging werken, moest ik een groot deel van mijn loon inleveren. Toch waren we dankbaar dat we er waren: eindelijk waren we veilig.’

Archieven: Verhalen

‘Meneer Strauss vond mijn opstellen geweldig!’

Lorena, Doae, Owen en Safouan van basisschool De Schelp in Eindhoven worden van harte welkom geheten door Evelyne Marti (1952) in haar gezellige flat. Je kunt iets van haar afkomst zien aan de kleurrijke schilderijen en de ingelijste foto’s, die aan de muren hangen. Ze vertelt met veel enthousiasme en met grote precisie over haar jeugd op Curaçao en haar verblijf in Nederland.

Hebben uw opa en oma in de slavernij gewerkt?
‘Zij hebben zelf niet in de slavernij gewerkt, want die was toen al afgeschaft (in 1863), maar hun voorouders wel. De slavernij heeft grote sporen achtergelaten op Curaçao. Vanaf de zestiende eeuw hebben Nederlanders mensen uit Afrika gehaald en tot slaaf gemaakt. Zij moesten in Curaçao (en Suriname) werken op de plantages. De tot slaaf gemaakten werden slecht behandeld, ze werden zelfs niet als mens gezien. Gelukkig hebben premier Rutte en koning Willem-Alexander in 2023 namens Nederland hun excuses aangeboden voor de slavernij. In Curaçao vind je nog veel overblijfselen uit die tijd.’

Hoe heeft u Nederlands geleerd?
‘Mijn moedertaal is Papiaments. Maar op school en overal was alles in het Nederlands. Wij mochten op school geen Papiaments spreken. In groep 7 leerde ik dat er sneeuw valt in de winter. Ja, in Nederland, maar niet op Curaçao! Echte sneeuw leerde ik pas jaren later kennen, toen ik in Groningen studeerde. In groep 8 bepaalde de meester, meneer Hermans, waar wij naartoe mochten. Hij had zeven leerlingen aangewezen die mochten doorstromen naar de middelbare school. Waarom ik wel en een heleboel anderen niet? Ik had op school Surinaamse vriendinnen die Nederlands spraken en daarom was mijn Nederlands beter… Ik ging Nederlands studeren en dat was misschien te danken aan mijn leraar Nederlands, meneer Strauss. Wij moesten op school opstellen schrijven, dat is een soort verslag. En meneer Strauss vond mijn opstellen geweldig!

Ik heb later beseft dat het niet goed is om het spreken van je moedertaal te verbieden. Onze taal, het Papiaments, werd onderdrukt. Daardoor ga je die taal ervaren als minderwaardig. We hadden ook geen boeken in het Papiaments. Pas in 2009 kregen we de officiële spelling en grammatica van het Papiaments. Toen ik volwassen was, heb ik Papiaments leren schrijven. Dat was heel belangrijk, want je eigen taal is je identiteit.’

Hoe vond u het dat uw ouders gingen scheiden?
‘Dat was niet prettig. Ieder kind, die dat meemaakt, vindt dat moeilijk. Mijn vader is gewoon weggegaan. ‘Jullie zoeken het maar uit!’ Alle eer voor mijn moeder. Zij is als poetshulp gaan werken en wij, ik en mijn twee broertjes en mijn twee zusjes, zijn allemaal goed terechtgekomen. Er was niet veel geld in huis, maar mijn moeder kon heel goed naaien en zij maakte hele mooie kleren voor ons, die wij zelf ontwierpen. Later werkte zij in een gordijnstoffenzaak en kon daar heel goedkoop restjes stof kopen. En we woonden bij mijn opa en oma in huis. Toen mijn vader weg was, bleven we daar wonen en oma kon op ons passen als mijn moeder ging werken. Opa werkte ook en van dat geld konden we eten kopen. We waren wel arm, maar we hebben nooit honger gehad.’

Wat vond u leuk om te doen?
‘Ik speelde veel met mijn twee zusjes. We trokken met elkaar op en speelden vaak buiten, ook met andere kinderen. Onze huizen waren allemaal vrijstaand, geen rijtjeshuizen zoals in Nederland. Dus we hadden veel plaats om te spelen. Toen de tv in Curaçao kwam, hadden wij geen geld om er een te kopen, maar wij gingen bij buren tv kijken. Daarvoor moesten we soms wel 25 minuten lopen, heen en terug!’

Archieven: Verhalen

‘Mensen moeten weten dat zwarte mensen niet alleen onderdrukt zijn geweest’

Op een regenachtige maandag bellen Yusuf, Nouraya en Shamsheddin van basisschool De Schelp in Eindhoven aan bij de 55-jarige Gisèle Mambre. Op haar 18de vertrok ze uit Curaçao. Ze vloog samen met enkele honderden leeftijdsgenoten de oceaan over, om hier in Nederland te gaan studeren. Het was moeilijk om haar thuis en familie achter te laten en tegelijkertijd ook leuk: ze wilde het kleine Curaçao verlaten en stond ervoor open nieuwe dingen te ontdekken.

Wat heeft u zelf willen leren over Curaçao?
‘Ik heb veel geleerd op Curaçao toen ik daar woonde, dat we bijvoorbeeld gekoloniseerd zijn door Nederlanders – maar er werd ons ook veel niet geleerd. Over hoe erg de tot slaaf gemaakten het hadden bijvoorbeeld. Ik kom zelf ook uit een familie van mensen die tot slaaf gemaakten hebben gehouden en mensen die tot slaaf gemaakt waren. En juist van die verhalen, die ik hoorde van mijn tante die zelf ook geschiedenis gaf, heb ik geleerd, zij leerde me meer dan wat ik op school kreeg.

En omdat het onderwijs op Curaçao en in Nederland hetzelfde is, denk ik dat ook veel Nederlandse kinderen dit niet weten. Je leerde in die tijd alleen maar over de Nederlandse helden, je leerde niet over de mensen uit Afrika die daar weg zijn gehaald. Ook weten veel mensen niet dat Curaçao, samen met de andere eilanden, eigenlijk met Nederland één land is, maar dan met veel water ertussen. We hebben hetzelfde Nederlandse paspoort. Het klimaat is anders, het is klein, er wonen veel zwarte mensen, een beetje het tegenovergestelde van hier. Dat is allemaal anders, maar tóch horen we bij elkaar.’

Praat u nog met uw voorouders?
‘In gedachten wel, ze leven niet meer dus echt praten kan niet. In gedachte heb ik vaak gesprekken met ze, ook omdat ik zelf verhalen schrijf. Dus ik probeer me te bedenken hoe de twee generaties voor mijn oma, die slavernij hebben gekend, hebben geleefd.

Toen mijn oma nog leefde vertelde ze me verhalen over haar jonge jaren. Ze is niet in slavernij geboren maar als gevolg van de slavernij moesten ze heel hard werken omdat ze niet zoveel geld hadden. Mijn opa was een visser. De vis die hij ving werd verkocht door mijn oma. Maar dat was niet genoeg om het gezin te onderhouden, dus bakte mijn oma ook brood en verkocht dat.’

Waarom is het eigenlijk belangrijk om helden te kennen?
‘Ik was op zoek naar helden van Curaçao omdat je eigenlijk alleen maar weet over helden van de witte Nederlandse geschiedenis, en dat zij eropuit zijn gegaan om de wereld te veroveren. Maar ik denk dat wij zelf ook veel helden hebben gehad. Mensen die in opstand zijn gekomen, bijvoorbeeld tegen onderdrukking. Dat vind ik belangrijk om zelf te weten en om aan andere mensen te laten weten, daar krijg je ook eigenwaarde van. En om te beseffen dat mijn voorouders niet alleen tot slaaf gemaakt waren, maar dat ik ook uit een geslacht kom waar mensen dapper zijn geweest. Ik wil weten hoe mij dat heeft gevormd en het is belangrijk om te weten dat zwarte mensen niet alleen onderdrukt zijn geweest. Wij hebben zelf ook koninkrijken gehad, wij zijn ook belangrijk. Als je alleen maar ziet en hoort over witte helden, zeker als klein kind, dan zie je niet de andere belangrijke mensen aan wie jij je kunt spiegelen. Dat vind ik echt een gemis.’

Hoe gaat het nu met u, heeft u een goed leven?
‘Ik heb inmiddels op verschillende plekken in Nederland gewoond, gestudeerd en gewerkt. Hier in Eindhoven zit ik in de gemeenteraad als raadslid en vertegenwoordig ik de inwoners van Eindhoven. Dat vind ik heel leuk om te doen en dat had ik niet bedacht toen ik meer dan dertig jaar geleden hier naartoe kwam, dat ik in de politiek zou gaan. Daarnaast heb ik een goed leven met mijn man. We doen veel samen en met vrienden en ik zet me in voor mensen die het minder goed hebben omdat ik het zelf goed heb.’

Archieven: Verhalen

‘Als ik ergens naartoe ging, werd ik bekeken alsof ik een alien was’

Rivano, Aya en Amir gaan in Helmond op bezoek bij de Surinaams-Javaanse Joyce Djarkasi (1961). Onder het genot van de typisch Surinaamse soda en muffins spreken ze over haar jeugdliefde, de ondeugende fratsen en hoe het was om vanuit Suriname naar Nederland te komen. De leerlingen van basisschool De Schelp in Eindhoven luisteren aandachtig naar haar verhaal.

Hoe was het om vanuit Suriname naar Nederland te komen?
‘Ik vond het een hele mooie tijd om in Suriname te wonen, tot mijn 19de heb ik er gewoond. Ik ben van Javaanse afkomst. Mijn ouders zijn Javanen en mijn overgrootouders kwamen uit Indonesië, zij zijn als contractarbeiders naar Suriname gebracht.

Ik groeide op in Lelydorp. Je kan het een beetje vergelijken met Tongelre of Woensel. Hier speelden de kinderen veel buiten, heel anders in vergelijking met Nederland. In Suriname kregen we veel te leren over Nederland, we leerden bijvoorbeeld over het weer, zoals de sneeuw. Ik werd nieuwsgierig naar hoe de sneeuw zou voelen. Dus probeerde ik hoe de binnenkant van de vriezer voelde.

Het was allemaal anders in Nederland, het was allemaal een beetje vreemd. Ik had een andere verwachting. Het eerste jaar miste ik Suriname wel. Door het weer kom je minder buiten en school was heel anders. Als ik ergens naartoe ging, werd ik bekeken alsof ik een alien was.’

Hoe was het om naar school te gaan in Suriname en Nederland?

In mijn jeugdjaren leefde ik met alle andere bevolkingsgroepen, ik speelde buiten met kinderen die Hindoestaans, Creools, Javaans, Chinees en halfbloed waren. Van hen leerde ik verschillende talen. In Suriname spreken we Nederlands, in mijn tijd mocht je in de klas geen Surinaams praten want dan kreeg je straf. Buiten sprak ik Surinaams of Javaans met de andere kinderen.

Op school was het erg streng, ik heb daar de basisschool en de middelbare school gedaan. We mochten niet veel vragen stellen, het was heel anders dan in Nederland. We moesten de meesters en juffen altijd met meneer of mevrouw aanspreken en niet met de voornaam. Dat was best moeilijk toen ik hier naar school ging. Hier hoefde ik ze geen meneer of mevrouw te noemen. Ik had een beetje een cultuurschok.

Ik wilde hier verder studeren. Maar ze zeiden dat ze het niet vertrouwden of ik dat wel aankon omdat ik uit het buitenland kwam, dus moest ik een niveau lager studeren. Ik was de oudste in de klas! Ik wist niet helemaal hoe ik hiermee om moest gaan.’

Wanneer begreep u dat iedereen gelijk is?

‘Toen ik in Suriname woonde was mijn oom getrouwd met een Nederlandse vrouw. Dankzij haar leerden wij dat Nederland een paradijs was. Ik bewonderde de mensen die op vakantie waren geweest naar Nederland. Toen ik in Nederland kwam begon ik anders te denken, ik merkte dat de normen en waarden heel anders waren.

Het voelde alsof Nederland de baas speelde. Wij moesten altijd zoveel leren over Nederland, maar zij wisten helemaal niks van ons land. Ik word daar soms een beetje boos van. Ze hebben het idee dat wij in hutjes met een hangmat leven en we niks hebben. Maar in Suriname hebben we ook huizen en gaan we naar school en hebben ze auto’s. Het is net als hier.

Ik vroeg me toen af: waarom leren zij ook niet over ons, om te weten hoe het is in Suriname? We zijn allemaal verschillend, je leert heel veel van elkaar en we zijn allemaal mensen. Als ik je niet begrijp wil ik meer over je leren en dan krijg ik meer begrip voor jou. Het is een manier om elkaar te leren kennen. Ik vind het niet eerlijk als je verstoten wordt door je cultuur.’

Archieven: Verhalen

‘In het kamp woonden we met 99 nonnen in een loods’

Fenna, Yonis, Lena en Sardar van basisschool De Schelp in Eindhoven interviewen Peter Rufi (1939) over zijn jeugd in Indonesië. Zijn ouders waren, net als zijn voorouders, naar voormalig Nederlands-Indië geëmigreerd waardoor hij daar is geboren. Ze spreken over hoe het was om daar op te groeien, en je vader meer dan drie jaar niet te zien.

Hoe kwamen uw voorouders in Indonesië terecht?
‘Vanuit Europa zijn mijn voorouders naar Nederlands-Indië gegaan om werk te vinden en geld te verdienen. Ook mijn ouders waren kinderen van Europeanen die naar Nederlands-Indië zijn getrokken. Wij waren niet rijk maar we waren wel rijker dan de mensen daar.

Het werk dat de oorspronkelijke bewoners daar hadden, verdiende niet goed. Bij mijn ouders in huis konden ze meer verdienen. Ze kregen een goed loon, ze aten mee en kregen kledinggeld bij ons. Het was fijn dat er mensen waren die in huis werkten, er was altijd iemand die je bed opmaakte, kamer schoonmaakte, eten kookte, die de tuin voor je deed. Ik was toen nog een kind dus ik had daar verder geen moeite mee. Mijn vader en moeder vonden het natuurlijk heel fijn dat zij hulp kregen.’

Hoe was het tijdens de Japanse bezetting?
Toen de Japanners Nederlands-Indië veroverden en de Japanse bezetting begon, moesten wij het kamp in. We hebben daar drieënhalf jaar vastgezeten, ik was toen drieënhalf jaar oud. In het kamp waren er geen spelletjes of speeltuinen dus we bedachten zelf onze spelletjes. We bouwden hutten met takken, deden zakdoekje leggen of speelden rovertje.

In het kamp heb ik geen honger geleden want mijn moeder werkte in de keuken. Ik heb daar niet heel veel gekke dingen meegemaakt. Wel heb ik eens gezien dat de Japanners, de mensen die de baas waren, vrouwen een pak slaag gaven omdat ze iets gestolen hadden.

In het kamp woonde iedereen in loodsen. Wij woonden in een loods met 99 nonnen. Een van de nonnen had geiten. Ik ben eens het hok van de geiten ingegaan, maar ik was vergeten het hek achter mij dicht te doen. Alle geiten liepen naar buiten, over de net gewassen witte kleden die op het gras lagen te drogen. De kleden zaten daarna vol met geitenpootjes. Voor straf moest ik alle kleden met de hand wassen.

Toen ik veel ouder was, vertelde mijn moeder dat mijn vader ter dood was veroordeeld want in de ogen van de Japanners was hij een oorlogsmisdadiger. Hij had namelijk benzine en olie in brand gestoken om te voorkomen dat de Japanners die konden gebruiken. Hij moest zijn eigen graf graven, en wij waren daarbij. Hij kreeg een klap met een zwaard in zijn nek en viel in zijn graf. Wij dachten dat hij dood was. De volgende dag stond ik met mijn moeder bij de kade te wachten op de boot toen ik ineens mijn vader zag staan. Toen kwamen we erachter dat hij niet was overleden.’

Hoe was het om uw vader weer terug te zien na de Japanse bezetting?
Mijn moeder vertelde mij op een dag dat mijn vader in een ander kamp zat. Ik wist toen nog niet wat een vader was. Ze zei dat hij een man was, maar ik wist ook niet wat dat was. Ze wees naar de Japanners, maar voor mij waren zij de boosdoeners.

Toen de oorlog voorbij was, werden wij door de kampcommandant bij elkaar geroepen en werd er verteld dat de oorlog voorbij was. Op dat moment werd de rood-wit-blauwe vlag gehesen en het Wilhelmus gezongen. Dit had ik nog nooit gehoord. Iedereen huilde, ook ik begon te huilen. Tot op de dag van vandaag krijg ik tranen in mijn ogen als ik het Wilhelmus hoor.

Na de oorlog zat ik buiten in de tuin te spelen, mijn moeder was binnen in het huis. Er kwam een man aangelopen met een te klein Japans uniform aan. Het was een grote man, hij zag eruit als een Hollander: rossig haar, blauwe ogen, een baard en een snor. Hij kwam naar mij toe en vroeg aan mij: ben jij Peter Rufi? Ik zei: ja meneer. Toen zei hij: dan ben ik je vader. Ik geloofde het niet, dat kon helemaal niet want mijn vader zit in het kamp. Mijn moeder hoorde het gesprek en rende naar buiten om hem in de armen te vliegen. Ik dacht dat hij mijn moeder aanviel, ik pakte mijn klompen en begon hem te slaan. Na een tijd begon ik hem als vader te zien en van hem te houden.’

Archieven: Verhalen

‘Als de rivier overstroomde, kwamen er krokodillen en slangen’

Amir, Mohammed, Meral en Marley van basisschool De Schelp zijn te gast in de bibliotheek van Wilgenhof in Eindhoven. Ze ontmoeten er Rasoelan Rodjan (1951). Zij gaat de kinderen vertellen over haar jeugd in de jungle van Suriname.

Hoe zijn uw voorouders in Suriname terecht gekomen?
‘De oma van mijn moeder kwam uit India. In 1863 is de slavernij afgeschaft in Suriname, toen waren er dus geen goedkope arbeidskrachten meer voor het werk op de plantages. Daarom gingen de Nederlanders onder valse voorwendselen mensen ronselen voor de Surinaamse plantages. De moeder van mijn oma had twee dochters en had al heel jong haar man verloren. India was toen nog een kolonie van Engeland. De Engelsen bepaalden dat mijn overgrootmoeder met haar dochters naar Suriname moest om daar te werken. De lange reis werd per boot afgelegd. Op de boot moest ze werken in de keuken. Zij was een hele knappe vrouw en werd vaak lastig gevallen. Er was een man, die voor haar opkwam en haar beschermde. Uiteindelijk is deze man op de boot met haar getrouwd. Maar hij moest haar eerst kopen voor 30 cent. Toen ze in Suriname aankwamen, gingen ze werken als contractarbeiders op een plantage.’

Waar hebben de opa en oma van uw moeder gewerkt toen ze in Suriname waren?
‘Zij hebben gewerkt op de suikerrietplantage Mariënburg en daar was ook een suikerfabriek. Toen de kinderen wat groter waren, moesten zij ook meewerken. Na vijf jaar hard werken, was hun beloofd, zouden ze terug mogen naar India. Maar in de plaats daarvan werden ze in de jungle van Suriname achtergelaten en moesten hier zelf een nieuw leven opbouwen. Het leven in het oerwoud was heel zwaar. Ze moesten leven met wat de natuur hen bood. Dus gingen ze vissen vangen, groente zoeken en erachter komen wat je wel en niet kunt eten. Omdat ze uit India kwamen, kenden ze veel planten.’

Hoe woonden jullie in de jungle?
‘Wij woonden daar met elf gezinnen. De huizen waren gebouwd van bamboestokken die daar groeiden. Het dak werd gemaakt van bladeren. Er was geen radio, geen tv en er waren geen straten. In de modder liepen wij naar school, zonder schoenen, en als wij op school aankwamen, moesten wij onze voeten wassen. Toen ik er woonde, was er plaats vrijgemaakt om gewassen te verbouwen. Als de rivier heel hoog stond, kwam er water in huis. Dan moesten wij binnen zitten. Onze huizen stonden op kokosstammen, die als palen fungeerden. Als er een overstroming was, kwamen er krokodillen en allerlei slangen! Ik was dan heel bang en ik ben nog steeds bang voor slangen.’

Hoe was het om naar school te gaan?
‘Ook de school was in de jungle. Er waren juffen, maar ook twee Nederlandse leraren om ons Nederlands te leren. Na school moesten we water halen in twee emmers. De weg was gemaakt van modder dus moesten we uitkijken om niet te vallen. Je moest wel met water thuiskomen, anders kreeg je klappen! Er zaten ook krokodillen en piranha’s in het water.

Mijn vader werkte op een rijstplantage van een Nederlander en mijn moeder werkte op het land. Wij aten van de groenten die zij op het land verbouwden. Vanaf dat wij 8 jaar waren, moesten we ook meewerken op het land. Wij vonden het als kind leuk om met zijn allen op het land te werken. Dat was normaal voor ons.’

Archieven: Verhalen

‘Het fijnste was de vrijheid in Suriname!’

Mammoudou, Jihan en Israe ontmoeten Raymond Chin Kwie Joe in de lerarenkamer van hun school, basisschool De Schelp in Eindhoven. Meneer Chin Kwie Joe (1962) is in Suriname geboren en gaat ze wat vertellen over het leven in Suriname en over zijn afkomst. In 1982 kwam hij naar Nederland. Zijn Franse voornaam hebben zijn ouders hem gegeven omdat zij Frankrijk een belangrijk en sjiek land vonden.

Hoe komt het dat uw familie in Suriname terechtkwam?
Dat komt door mijn opa. Hij kwam rond 1912 vanuit Kanton, in China, naar Suriname om te werken. Zijn oom, die al in Suriname was, had gezegd dat mijn opa ook daarheen moest komen. En als je familie zei dat je moest gaan, dan ging je! Op dat moment was er in China een burgeroorlog aan de gang. Mijn opa ging werken in een klein winkeltje op een groot landgoed van zijn oom, die eerder al als contractarbeider uit China was gekomen. Contractarbeiders werkten heel hard voor weinig geld en hadden vaak een moeilijk leven. Mijn andere opa komt wel uit Suriname, en hij is met een Nederlandse vrouw getrouwd. Hij had haar leren kennen toen hij in Eindhoven op de Philips-school studeerde.’

Wat vond u het leukst van uw jeugd in Suriname?
‘Ik hield heel erg van de vrijheid, je kon overal gaan en staan, met iedereen een praatje maken. Wij waren veel buiten en ik ging vaak met mijn hond Bello aan de wandel. Ook speelde ik veel met andere kinderen, bijvoorbeeld tikspelletjes op school. Maar we haalden ook kattenkwaad uit, zoals fruit plukken bij de buurman. En we gingen soms vissen, maar het fijnste was de vrijheid!’

Kunt u iets vertellen over het eten in Suriname?
‘In Suriname is eten heel belangrijk, de mensen zijn er veel mee bezig. Samen koken en eten is een sociaal gebeuren. Als wij als kind uit school kwamen, riepen wij: ‘Wat eten wij vandaag?’ In Suriname wonen mensen van verschillende bevolkingsgroepen, zoals Chinezen, Indiërs, Javanen, Joden, Creolen. Daardoor zijn er veel verschillende eetculturen. Veel Chinezen hadden een winkel en werden ‘Oom Chinees’ genoemd. Je kon er vruchten op zuur kopen. Soms kregen wij als kind een paar centen en dan kochten we een zakje cassave, vergelijkbaar met de Nederlandse friet. Als er iemand op bezoek komt, vraag je niet ‘hoe is het?’, maar ‘heb je al gegeten?’. Ook chocolade komt uit Suriname, er is zelfs een merk, Kwatta, vernoemd naar een Surinaamse plantage.’

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892