Archieven: Verhalen

‘De volgende dag hoorde ik dat er vijf schoolvriendjes dood waren’

Mimi, Saar, Wout en Cas van basisschool de Hasselbraam gaan op bezoek bij de 92-jarige Bernard van de Moosdijk om hem te interviewen over zijn jeugd in de oorlog. Hij was 12 toen de oorlog eindigde, ongeveer de leeftijd van de leerlingen nu. Dat maakt best veel indruk op ze, ze zijn er even stil van. Als meneer Van de Moosdijk vertelt over zijn vrienden die aan de Biesterweg in Eindhoven zaten tijdens het bombardement, wordt hij heel emotioneel. Wat er toen gebeurde, heeft hem enorm geraakt en verdriet gebracht.

Hoe vond u het toen het eerste luchtalarm afging
‘Als je buiten was, moest je de schuilkelder in, anders kreeg je een bekeuring. Eindhoven had veel schuilkelders in de oorlog. Nestenhutten hadden we ook, een grote hut gemaakt van ijzer waar zand omheen gelegd wordt. Verstoppen thuis mocht ook, onder de trap of in de kelder thuis.’

Woonden er Joden in uw buurt?
‘Wij hadden zelf geen Joden in huis en ook in de buurt waren er geen, behalve bij de buren. Daar waren Joden ondergedoken. Ze moesten altijd binnen blijven, een hel was dat. De Joodse onderduikers betaalden deze mensen voor het onderduiken. Die konden van dat geld eten kopen en kleding. De Joodse onderduikers hebben de oorlog overleefd.’

Kende u mensen die in het verzet zaten?
‘Mijn vader bracht verzetskrantjes rond. Die deed hij tussen de post. Hij had adressen waar hij ze af moest geven. Mijn vader hield ook op een kaart bij hoe de oorlog verliep, dat hoorde hij bij Radio Oranje. De radio hadden we niet ingeleverd, we luisterden stiekem. Mijn zus werkte bij Philips en ze wisten dat wij een radio hadden, dus dat was best gevaarlijk.

Op 4 februari was er staking, de zogenoemde februaristakingen, ook bij Philips. Mensen kwamen massaal uit de fabriek gelopen. Ook mijn zus staakte. Er zijn toen vijf mensen doodgeschoten.

Alle jonge mannen moesten in Duitsland gaan werken. Mijn oudste broer zat in het klooster en als je in het klooster werkte hoefde je niet naar Duitsland. Mijn andere broer moest eigenlijk wel in Duitsland werken. Hij kreeg toen snel een baan in het klooster als boekhouder zodat hij niet weg hoefde.’

Hoe was de bevrijding in september 1944?
‘Iedereen was aan het feesten op de markt, ook op 19 september, de dag na de bevrijding. Ineens was er oranje feestverlichting in de lucht. Dat dachten de mensen… maar het waren lichtkogels. De Amerikanen waarschuwden dat we snel naar huis moesten want het waren lichtkogels. Ik rende naar huis. Ik hoorde overal al bommen vallen.

Alleen de vrouwen waren thuis, ik was de enige jongen, ook mijn vader was er niet. Toen brak de hel los. Er vielen veel veel bommen en er was een enorm lawaai. Er viel een bom in onze tuin. Alle ruiten sprongen uit ons huis… ik was heel bang. We schuilden in de gang. Daarna gingen we naar bed, maar durfden niet boven te slapen. Dus lagen we beneden tegen elkaar aan. Vader kwam midden in de nacht thuis en vertelde aan moeder hoe erg het was onderweg. Veel later kwam mijn broer Eddie ook thuis.

De volgende dag hoorde ik dat er vijf schoolvriendjes dood waren. Er was een bom gevallen op de schuilkelder aan de Biesterweg. Ik was misdienaar bij de begrafenis. Er waren twee grote massagraven voor alle 41 doden.’

 

Archieven: Verhalen

‘Mijn opa zou nog op de laatste trein naar Auschwitz worden gezet’

Cato, Mathis en Carmen ontvangen Sheila Meinhardt bij hen op school, de Hasselbraam in Eindhoven, in de koffiekamer. Er is een gezellig hoekje ingericht voor het interview. Mevrouw Meinhardt (46) heeft drie van haar kunstwerken bij zich en deze worden mooi neergezet. Ze is de kleindochter van Maria Steinbach en Johan Meinhardt. Over hen gaat het interview.

Hoe was de treinreis?
‘Mijn oma, ‘Mami’, werd door de Nederlandse politie en de SS opgepakt aan de Zwaaikom van het Eindhovens Kanaal. Zij woonde in een Sinti-gemeenschap. Haar man, mijn Papu, was al eerder opgepakt om voor de Duitsers te werken in kamp Vught. Nu moesten ook Mami, haar dochtertje Hélène van twee jaar en haar ongeboren kind vertrekken.

Ze werden naar kamp Westerbork gebracht. Mijn oma was verdrietig en bang, ze wist niet wat er met hen zou gebeuren. Na een paar dagen werd Mami met Hélène op de trein naar kamp Auschwitz gezet. De treinreis duurde drie dagen. De SS gebruikte wagons voor dierenvervoer. Deze werden volgepropt met mensen die je niet kent, dicht bij elkaar, warm en donker. Er was nauwelijks eten. Water werd af en toe moet een slang naar binnen gesproeid, dan konden ze een paar druppeltjes opvangen.

Toen ze uiteindelijk In Auschwitz aankwamen, zijn Mami en Hélène van elkaar gescheiden. Hélène heeft nog een tijdje geleefd in het kamp. Ze is op 4 juli vermoord en Joseph is op 23 mei geboren en hij is op 9 juli vermoord. De SS’ers hadden niks aan kinderen en zwakke mensen.’

Heeft uw opa de oorlog overleefd?
‘Ik noem het een wonder dat mijn opa en oma de oorlog hebben overleefd. De SS’ers zeiden in kamp Auschwitz tegen Mami: ‘Je gaat naar kamp Ravensbrück, naar een vrouwenkamp’. Ze werd overgeplaatst en dat heeft haar leven gered. Van de drieduizend mensen die toen zijn vermoord, heeft zij het overleefd.

Ze heeft nog een tijdje gewerkt vanuit kamp Ravensbrück en is na de oorlog teruggezonden met behulp van het Rode Kruis naar Eindhoven. Ze is terug naar de Zwaaikom gegaan en heeft zich herenigd met Papu, mijn opa. Mijn opa zou vanuit kamp Vught nog op de laatste trein naar Auschwitz gezet worden. Maar op het station aangekomen was de laatste trein weg. Anders was hij ook naar Auschwitz gegaan. Hij is toen terug naar kamp Vught gegaan om daar weer te gaan werken. Ze hebben beiden echt geluk gehad.’

Vindt u het lastig om over de oorlog te praten?
‘Mijn Mami heeft er bijna niet over gepraat. Ik denk dat de pijn zo diep zat dat het voor haar heel moeilijk was om erover te praten. Ikzelf vind het eigenlijk juist fijn om het met jullie te delen. Toen ik ontdekte wat er met mijn familie is gebeurd, was ik in schok. Dan denk je: hoe kan dit? Hoe kan zoiets gebeuren? Hoe kunnen mensen zoiets andere mensen aandoen

Ik ben gaan onderzoeken hoe het zat. En toen ik alles wist, ben ik begonnen met erover te praten en te schilderen. Ik voelde vaak verdriet. Maar door erover te praten en te schilderen, ben ik het gaan verwerken. Heel vaak wordt verdriet weggestopt, maar het blijft er. Het zijn innerlijke wonden, het zijn eigenlijk littekens die je van je voorouders meekrijgt. Dat heb ik geschilderd op het werk De innerlijke verwonding van mijn ziel.

Archieven: Verhalen

‘Op de terugweg zei ik tegen mijn vader: ik heb mijn bijl nog!’

Faas, Dirkje en Britt van basisschool de Hasselbraam in Eindhoven zijn op bezoek bij Ruud Nordt (1937). Hij heeft boeken met plaatmaterieel en zijn eigen tekenboekjes klaargelegd om te vertellen hoe het was om als jong kind de oorlog en de Hongerwinter mee te maken, vlakbij de Noord-Hollandse kust.

Hoe oud was u toen de oorlog begon?
‘Ik was 3 jaar, maar daar weet ik niks meer van. Ons gezin bestond uit mijn vader, mijn moeder en ik. Wij woonden in Santpoort tussen IJmuiden en Haarlem in. Mijn vader was onder de 40, dus die moest eigenlijk in Duitsland gaan werken. Maar hij was al heel vroeg kaal en erg mager, waardoor hij veel ouder leek dan-ie was. Zo is hij het werken in Duitsland ontlopen.

In het begin van de oorlog viel het allemaal nog wel mee, maar vanaf dat ik 5 jaar was, werd de oorlog grimmiger. Op een dag liepen mijn vader en ik van Bloemendaal naar huis en zagen daar mensen hakken en zagen, hoewel dat eigenlijk verboden was. Wij hebben toen ook een zaag en een bijl gehaald en gingen meedoen.

Tot er een politieagent kwam met een pistool. Iedereen moest het gereedschap inleveren en zijn Ausweiss laten zien, dat was een soort identiteitskaart. Het zag er niet goed uit voor mijn vader, want zo konden ze zien dat hij nog geen 40 was en moest hij alsnog naar Duitsland. Ik had stiekem de bijl onder mijn jas verstopt. Mijn vader had een witte zakdoek, haalde die uit zijn zak en deed hem heel rustig weer terug in zijn zak, zodat het leek alsof hij zijn Ausweiss al ingeleverd had. Zo kwam hij weer goed weg. Op de terugweg zei mijn vader tegen mij: ‘Ik heb mijn Ausweiss nog’. En ik zei: ‘En ik heb mijn bijl nog!’

Wat gebeurde er nog meer in de oorlog?
Niet ver van ons huis in Santpoort was een vesting en daar lagen dikke bunkers met duikboten. De geallieerden wilden ze bombarderen, maar dat lukte niet. Die duikboten zijn heel gevaarlijk, die gaan onder water en kunnen schepen beschieten.

IJmuiden zelf was helemaal plat gegooid, de huizen waren opgeblazen. De inwoners moesten nu ergens anders wonen. Wij werden gemaand te vertrekken of toe te staan dat mensen in ons huis kwamen wonen. Mijn ouders hebben toen voor het laatste gekozen en ieder gezin had één verdieping. Maar dat was wel lastig, twee gezinnen in één huis.

Om die vesting te verdedigen hadden de Duitsers ruimte nodig om alles te kunnen zien. Dat was het schootsveld. Naarmate de oorlog vorderde, werden de Duitsers steeds benauwder voor de geallieerde troepen. Ze probeerden de vesting goed te verdedigen, dus het schootsveld moest groter. Daarvoor moesten bossen gekapt worden.

Wij kregen de mededeling dat we nu echt ergens anders moesten gaan wonen, want anders konden we beschoten worden. Maar mijn vader zei: ‘Ik ga niet weg, we blijven hier stiekem wonen, illegaal’. Dus wij bleven daar, maar we hadden geen gas en elektriciteit meer. En het water werd ook nog afgesloten. Toen heeft mijn vader aan iemand van de gemeente gevraagd of ze ’s avonds de kraan wilden open draaien, zodat we toch wat water hadden. Dat deden ze. Maar als je naar de wc ging, moest je uitkijken met doortrekken, want anders kwamen ze erachter dat we wel water hadden…’

Hoe was de Hongerwinter?
‘De Hongerwinter was heel erg. Een gedeelte van Nederland was al bevrijd, daar viel Eindhoven ook onder, maar de rest van Nederland was nog bezet door de Duitsers. We woonden inmiddels clandestien, er was bijna niks in de buurt. We hadden niks meer om de kachel goed te stoken en moesten hout zien te verzamelen. Toen ze dat schootsveld wilden vergroten en het bos weg moest, hadden wij voor een tijdje hout.

We woonden in één kamer, de rest van het huis werd niet gebruikt. Daar stond een noodkacheltje met een hele lange platte buis, waar je ook op kon koken. Het was een allesbrander. Omdat er zo weinig eten was, moesten we suikerbieten eten en tulpenbollen. Die maakte mijn vader klaar in een grote pan en noemde het ‘tulpenbollencake’. Het voedde wel, maar was niet echt lekker. Het smaakte naar uien.

We kregen wel eten, maar dat was veel te weinig, zeker voor drie mensen met een opgroeiend kind. We kregen een heel klein broodje en daar moest je een paar dagen mee doen. Als je brood snijdt, komen er altijd kruimeltjes. Daar maakten we bolletjes van. De ene dag kreeg mijn vader zo’n bolletje en de andere dag kreeg ik zo’n bolletje, en dat vonden we heerlijk! Op het einde van de oorlog, mei 1945, kreeg ik hongeroedeem. Dat zie je nu ook bij de kinderen in Gaza. Ik lag op bed en kon niks meer. De bevrijding heb ik in bed meegemaakt. Ik kon niet meedoen met de feesten. Daarna kreeg ik bijvoeding en kregen we voedsel van het leger. Ik kon niet meteen alles eten, want dat kon mijn maag niet verdragen.’

Archieven: Verhalen

‘Er kwamen honderden vliegtuigen overvliegen die alles plat bombardeerden’

Mijs, Moos en Zófi van basisschool de Hasselbraam in Eindhoven mogen op bezoek bij Peter Buddemeijer. Hij was 4 jaar toen de oorlog begon, en is nu bijna 90. Hij vertelt indrukwekkende en emotionele verhalen uit zijn jeugd in de Lijmbeekstraat. Al snel geeft hij aan dat hij na een hersenbloeding extra gevoelig is, zeker bij herinneringen aan de oorlog. De kinderen luisteren aandachtig; het is alsof ze de vliegtuigen zelf horen overvliegen. Op de vraag hoe hij de bevrijding beleefde, begint meneer Buddemeijer te stralen: ‘FAN-TAS-TISCH!’

Hoe was het om Joodse mensen op zolder te hebben?
‘Dat was heel erg spannend. Ik zal jullie hier wat meer over vertellen. Mijn familie bestond uit mijn vader, mijn moeder, mijn broertje en zusje. Ik speelde heel graag samen met mijn broertje, maar we mochten niet buitenspelen tijdens de oorlog want mijn moeder was erg voorzichtig en bang. We mochten wel op de zolder spelen.

Totdat we op een dag merkten dat de deur op slot was. Onze moeder vertelde dat er drie pieten op zolder gingen wonen. Dit moet in november 1943 zijn geweest, rond Sinterklaastijd. Vroeger werden wij thuis bang gemaakt voor piet. Want als je niet zoet was werd je meegenomen in de zak naar Spanje. Dit was een leugentje om bestwil van mijn moeder, anders lag alles op straat, want op onze zolder woonde nu een Joods gezin.

‘s Avonds, wanneer mijn broer en ik in bed lagen, hoorden we gestommel op zolder. Dit vond ik heel spannend en ik dook dan onder mijn dekens. Later bleek ook dat wanneer ik sliep de ‘pieten’ naar beneden kwamen om te eten, want overdag ging de deur van de zolderkamer niet van het slot. Het allerergste van alles was dat we niet meer op onze veilige zolder mochten spelen.

Uiteindelijk heeft mijn vader ervoor gezorgd dat het Joodse gezin bij een boer kon onderduiken. Het gezin heeft de oorlog overleefd. Vorig jaar is de zoon bij mij op bezoek geweest en heeft mij laten weten dat er in Israël een boom is gepland om mijn ouders te bedanken! Dit was een bijzondere ontmoeting.’

Wilt u wat vertellen over het Sinterklaasbombardement?
‘Dat wil ik maar vind dit niet makkelijk om te vertellen. Ik ga terug 6 december 1942, het was Sinterklaas en in de ochtend lagen er pakjes op tafel voor mijn zusje, broertje en mijzelf. Tussen de cadeautjes stonden twee bloempotten, voor de oma’s, zei mijn vader.

Nadat ik mijn cadeautjes aan de buurjongen had laten zien, stapten we op de fiets richting mijn oma. Op de fiets van mijn vader, samen met mijn broertje, ik en twee bloempotten, vertrokken we richting de Hoogstraat. Voor de spoorwegovergang bij de Philipslichttoren moesten we wachten. Er kwamen honderden vliegtuigen laag overvliegen die alles plat bombardeerden. De vliegtuigen vlogen zo laag dat ik de kentekens van de vliegtuigen en silhouetten van de piloten kon zien. Dit was heel erg eng, zo eng dat ik in mijn broek plaste.

We zijn toen gevlucht naar een huisartsenpraktijk. Maar voordat we het wisten stond de voordeur in brand door fosfor. We moesten steeds verder het huis in en uiteindelijk heeft mijn vader eerst mijn broertje en later mij uit het raam laten vallen. En daarna is hij er zelf ook uit geklommen. Snel naar huis, naar mijn moeder en zusje die nog thuis waren. Het was fijn om weer veilig samen te zijn, of ja veilig…’

Hadden jullie genoeg te eten?
‘Vier sneden brood per dag, zei mijn moeder. Ik kon niet mijn buikje rondeten, maar ik heb geen honger hoeven lijden. Iedereen wist dat mijn vader kon slachten, dus werd hij regelmatig gevraagd om in de avond, wanneer het donker was, ergens te gaan slachten. Hij kreeg dan als bedankje wat vlees mee naar huis. Geld kon niet tussen de boterham, maar het vlees wel.

We moesten ook bonkaarten ophalen op het gemeentehuis. Op deze manier werd alles eerlijk verdeeld, wat er nog was natuurlijk. De bonkaarten kon je inzetten voor kolen, groenten, brood, aardappelen, sigaretten, etc. Sommige mensen werden NSB’er omdat ze dan extra bonkaarten konden krijgen en dus geen honger hoefden te lijden. De bonkaarten zijn nog zeven, acht jaar actief geweest na de oorlog.’

 

Archieven: Verhalen

‘In de oorlog gingen we vaak naar vrienden met een villa om te pingpongen’

Filip, Gijs, Lux en Olivia van basisschool de Hasselbraam in Eindhoven zijn op bezoek in Tongelre, in het authentieke huis van de 99-jarige Mimi Dijkman. Zij woont nog helemaal zelfstandig en rijdt zelfs nog auto. Helaas kan ze niet meer zo goed horen, maar uiteindelijk krijgen de kinderen toch de antwoorden op hun vragen.

Wat is het verschil tussen nu en de oorlog?
‘Een enorm groot verschil! Je ging nergens heen, je kon niet uit, dus we moesten zelf gezelligheid maken. Ik had vrienden op de Hoogstraat en die woonden in een grote villa. Mijn vader had een pingpongtafel gekocht, tegenwoordig heet dat tafeltennis, en die tafel mochten we op de zolder van de villa zetten. Wij gingen daar vaak heen om te pingpongen. Na de oorlog zijn we een pingpongclub begonnen. Als het vroor, dan gingen we schaatsen. Ik had het als jong meisje heel gezellig in de oorlog omdat ik die vrienden daar had.’

Hebt u ook wat spannends meegemaakt in de oorlog?
‘Ik had een oudere broer die van de Duitsers naar Duitsland moest om te werken. Maar dat wilde hij niet. Hij dook onder bij mijn oom en tante, die naast ons woonden. Op een gegeven moment kwamen Duitse soldaten aan de deur en zij vroegen naar mijn broer. Toen lieten mijn ouders een brief zien van mijn broer, waarin stond dat hij in Duitsland aan het werk was. En dat geloofden die Duitsers…’

Zijn er ook mensen overleden die u goed kende?
‘Ja, een vriendin van mij is geraakt tijdens het bombardement na de bevrijding. Het zat zo: we waren al bevrijd en gingen de straat op en wij natuurlijk weer naar die villa in de Hoogstraat om daar de bevrijding te vieren. Toen werd er ineens gebombardeerd. We gingen snel weer naar huis en kropen met zijn allen onder de keukentafel want een schuilkelder hadden we niet. Later zijn we de weilanden in gevlucht. En we hebben het overleefd. Maar mijn vriendin uit de Gestelsestraat was geraakt en zij heeft het helaas niet overleefd…’

Hoe hebben jullie de bevrijding gevierd?
‘Toen het zeker was dat de Duitsers weg waren, hebben we een bevrijdingsfeest gevierd in de villa in de Hoogstraat. Daar waren ook Engelse en Amerikaanse soldaten bij aanwezig. Maar het allerleukste was toch het grote bevrijdingsfeest op de Markt in het centrum van Eindhoven. We hadden oranje rokjes aan van papier. Iedereen kwam daar en we gingen dansen, hand-in-hand. Dat was een hele leuke dag in mijn leven!’

Archieven: Verhalen

‘Een buurman zat bij de NSB en liet zijn kinderen door hun tuin marcheren’

Een tikje zenuwachtig lopen Filippa, Valerie, Fenne en Floortje van hun school, de Hasselbraam in Eindhoven, naar verzorgingstehuis Wilgenhof. Daar woont de 89-jarige Joke Hanique die ze gaan interviewen over haar oorlogstijd. Als mevrouw Hanique opendoet, zijn de zenuwen meteen verdwenen. ‘Kom verder, meiden’, zegt ze, ‘ga lekker zitten. Wat willen jullie drinken?’ Na een drankje en een slagroomsoes stellen ze hun eerste vragen

Gingen jullie tijdens de oorlog naar de bioscoop?
‘Voordat ik de vraag zal beantwoorden, wil ik toch even benadrukken dat jullie kinderen vandaag de dag in grote rijkdom leven. Ik bedoel niet materiële rijkdom, maar vooral de vrijheid dat je kan buitenspelen wanneer je maar wilt, en dat er bijvoorbeeld geen honger is.

Tijdens de oorlog waren er helaas geen bioscopen. Geld werd besteed aan de echt noodzakelijke dingen, zoals eten. Ik herinner me wel dat we vlak na de oorlog naar een kleine bioscoop aan de Hertogstraat mochten, maar ik weet niet meer welke film er gedraaid werd. Wat ik me herinner is dat het luchtalarm ging tijdens de film en dat ik en mijn zus hebben gerend naar ons ouderlijk huis aan de Frans Halsstraat. Er vielen ook echt bommen. We zagen dat een meisje ernstig gewond raakte aan haar gezicht.’

Hadden jullie onderduikers in de oorlog?
‘Nee, we hadden geen onderduikers tijdens de oorlog. We hebben na de oorlog wel Engelse soldaten in huis gehad. Die werden bij ons gestationeerd, ze waren erg begaan met het gezin.

Tijdens de oorlog was er niet veel voor handen. Ik herinner me nog goed dat we in de avond vanaf de Frans Halsstraat naar de Fuutlaan liepen. Daar lagen de spoorlijnen, waar onder andere goederentreinen stonden met steenkool. Mijn zus en ik gingen dan als het donker werd met zakken naar die treinen om kooltjes te gaan stelen. De zakken zetten we in een gangetje om ze later met een karretje op te gaan halen. De kooltjes gebruikten we voor de kachel of om op te koken.

We hebben dit best een aantal keer gedaan, totdat een van de bewakers een meisje uit de buurt had betrapt toen ze over het hek was geklommen. De soldaat had een riek naar het meisje gegooid en deze was tot ieders schrik in haar hand beland. Daarna deden we het maar niet meer.’

Schrok u toen u voor het eerst het luchtalarm hoorde?
‘Toen we voor het eerst een luchtalarm hoorden, wisten wij niet echt wat er aan de hand was. Maar mijn ouders wisten dat natuurlijk wel. Om ervoor te zorgen dat de kinderen niet bang zouden worden, waren mijn ouders heel erg rustig en lieten ze niet zien dat ze zelf toch wel een beetje bang waren. Wij hadden geen schuilkelder in huis of in de buurt en we hadden dan ook afgesproken dat we allemaal bij de stevige draagmuur van de keuken zouden staan tot het gevaar geweken was.

Tijdens het luchtalarm had mijn vader altijd de voordeur openstaan voor het geval er mensen over straat zouden lopen die snel een schuilplek moesten vinden. Onze overburen konden hun angst wat minder goed verbergen en zij kwamen vaak door die openstaande deur naar ons huis gerend en bleven dan regelmatig bij ons slapen op matrassen op de grond.’

Waar woonden jullie tijdens de oorlog?
‘We woonden in de Frans Halsstraat in Eindhoven. Er woonden ook vriendinnetjes in de straat waar we wel eens gingen spelen. Later hoorden we dat de vader van deze meisjes een NSB’er was. Hij was lid van de Nationaal Socialistische Partij die samenwerkte met de Duitsers. Zijn kinderen waar we mee speelden, konden hier natuurlijk niets aan doen, maar we moesten regelmatig eerder naar huis omdat de vader het nodig vond om zijn kinderen in de tuin te laten oefenen met marcheren.

In de oorlog hadden we een radio in huis, wat de verboden was. We moesten dan ook erg oppassen dat de NSB-buurman hier niet achter kwam want die liep regelmatig langs de voordeuren om te luisteren of er radio’s in huis waren. Tijdens de bevrijding is hij opgepakt. Ik weet ook nog dat ze op de Tongelresestraat vrouwen en meisjes die in de oorlog met Duitse soldaten een relatie hadden gehad, kaal hebben geschoren zodat iedereen kon zien dat ze samen waren geweest met de Duitsers. Dit vond ik niet leuk om te zien.’

Archieven: Verhalen

‘Honger hebben we hier in Eindhoven gelukkig nooit geleden’

Lola, Linde en Stef wandelen met een doosje chocolade in hun handen naar het huis van Anne van den Broek (1931) in Eindhoven. De leerlingen van de Hasselbraam hebben zich goed voorbereid en hebben er ook zin in om haar te ontmoeten. Ze herinneren elkaar er nog snel even aan om haar met ‘u’ aan te spreken. Bij de receptie vragen ze de weg, en via de lift, een aantal gangen vinden ze haar appartement. Mevrouw van den Broek doet open en heet de kinderen welkom.

Wat veranderde er voor u toen de oorlog begon?
‘Eigenlijk kan ik me er niet veel meer van herinneren… Ja, de bombardementen en vliegtuigen waren hinderlijk, maar gelukkig hebben we nooit honger geleden. Ik was ook niet bang, want ik werd ook helemaal niet bang gemaakt. In het zuiden hebben we weinig meegemaakt, in het noorden was het veel erger.

We aten ook nog gewoon hetzelfde als wat we gewend waren, aardappelen, vlees en groente. Wel allemaal op de bon. Je kon niet zo veel vlees kopen als dat je gewend was. Er was nog geen supermarkt, maar er was wel een buurtwinkel.’

Bent u wel nog naar school geweest toen de oorlog begon?
‘O ja, ik zat op de lagere school en de scholen werden ook bezet, moesten we weer naar een andere school, of een week vrij. Dat hebben we wel meegemaakt. Maar dat vond ik eigenlijk wel leuk, eens een keer een andere school toch?’

Heeft u bombardementen meegemaakt?
‘Ja, zeker, daar heb ik midden in gezeten. Het bombardement van 6 december, daar zaten we midden in! We zaten met het hele gezin klaar om op de fiets van Valkenswaard naar Eindhoven te gaan. We zouden om 16.30 uur bij oma (in Eindhoven) op bezoek gaan. Het alarm hadden we niet gehoord. We stonden klaar voor de overweg, toen ze begonnen te schieten en te bombarderen. Toen zijn we een huis in gevlucht en dat is gelukkig niet geraakt. Dus ja, we hebben het er goed vanaf gebracht.’

Archieven: Verhalen

‘Als het vliegveld ’s nachts werd gebombardeerd, hoefden we niet naar school’

Cas, Mees en Mikki van basisschool de Hasselbraam beginnen een tikje onwennig aan het gesprek met Jan Sprengers, maar dat gaat al snel over. Meneer Sprengers was bijna 3 jaar toen de oorlog begon. Hij praat ogenschijnlijk makkelijk over de oorlog van destijds, en er wordt ook nog gesproken over de oorlogen van nu.

Hoe zag uw gezin eruit?
‘Ik was met mijn vader en moeder en broer, maar die is zes jaar ouder. Wij woonden tijdens de oorlog in Tongelre. Er was toen al een vliegveld in Eindhoven. Als deze ’s nachts werd gebombardeerd, dan hoefden we de dag erna niet naar school. Ik was dus eigenlijk wel blij dat dat vliegveld er was.

Langs het Eindhovens Kanaal was nog helemaal geen bebouwing. Nu had mijn vader gehoord dat daar Canadese soldaten waren en dus gingen wij er samen met mijn tante en nichtjes kijken. Mijn vader kreeg een sigaret van een Canadese soldaat. Dat was voor ons heel bijzonder. Maar vlak daarna werden we beschoten door Duitse soldaten die iets verderop lagen. We renden snel de dijk af om beschutting te zoeken. Mijn tante viel en belandde met haar gezicht in een koeienvlaai. Dat zal ik ook nooit meer vergeten.’

Wat vond u van de NSB?
‘Onze buren waren NSB’ers, maar dat was vooral omdat zij een zoon van 20 jaar hadden. Door NSB’ er te worden, hoefde hun zoon niet naar de werkkampen in Duitsland. We hebben daar verder weinig last van gehad.

Maar het was wel altijd oppassen. Je moest altijd opletten wat je zei. We hebben een paar weken een onderduikster in huis gehad. Ik was toen een jaar of 4, en dat was toch wel gevaarlijk, want als ik als kind daarover zou kletsen met anderen, en de Duitsers zouden er daardoor achter komen, dan kon ik iedereen in gevaar brengen. Dus de onderduikster heeft niet lang in ons huis kunnen zitten.

Toen ik op de kleuterschool zat, kwam er een nieuw jongetje in de klas. Dat was de zoon van de burgemeester van Eindhoven, een NSB’er. Ik wilde niet meer terug naar school, want ik wilde niet naast ‘een stinkende NSB’er’ zitten. Dat had ik anderen over dat jongetje horen zeggen. Daarmee bracht ik mijn moeder in een lastige situatie, want die moest toen gaan uitleggen waarom ik niet meer naar school wilde.’

Heeft u ook mooie herinneringen aan de oorlog?
‘Het mooiste wat ik gezien heb van de oorlog was toch wel de bevrijding, op 18 september 1944. Eindhoven had nog geen hoge gebouwen, alleen een paar kerktorens. En het was prachtig weer, net als nu. Bij Best en Son hing de hele lucht vol met vliegtuigen, gliders en parachutisten. Ik heb de hele dag in de dakgoot gezeten met uitzicht op hele luchtlanding. Dat was echt spectaculair.

En de volgende dag kwam het leger vanuit België via Valkenswaard door Eindhoven getrokken. Dat was ook heel spannend om mee te maken. Dat was ook de eerste keer dat ik Canadese soldaten zag en hoorde praten. Het was opnieuw mooi weer en ik heb met mijn ouders de hele dag langs de Aalsterweg gestaan met vlaggetjes.

Toen we eenmaal thuis waren, hoorden we knallen. Mijn moeder dacht nog dat het vuurwerk zou zijn, maar het bleken fosforbommen van de Duitsers te zijn. Daarmee maakten ze licht en zo konden ze beter zien waar ze moesten bombarderen. Ik ben samen met mijn ouders onder de trap gaan schuilen, want een trap is heel sterk en overleeft bijna altijd een bombardement.’

Archieven: Verhalen

‘Door mijn eigen schuld raakte ik vaak gewond’

Theo en Nina van basisschool de Hasselbraam interviewen de 89-jarige Jan Klercx. Hij was 4 jaar toen de oorlog uitbrak in Eindhoven. Meneer Klercx woonde met zijn vader, moeder, twee broertjes en zes zusjes aan de Zevenbergenstraat, vlakbij Eindhoven Airport.

Wat hoorde u toen de oorlog begon?
‘Het eerste wat wij er van merkten was dat de Duitsers bij ons in colonne door de Bredalaan marcheerden. In het begin begreep ik er nog niet zoveel van, dat kwam pas later toen ik naar de kleuterschool ging. Het vliegveld is verschillende keren gebombardeerd en het is twee keer zelfs heel intensief gebombardeerd. Toen zagen wij vanuit ons huis de bommen in de lucht boven het vliegveld en hoorden we explosies. In de avond zagen we ook de lichtflitsen. Iedereen vluchtten het huis uit en ging achterin de tuin in het schuurtje zitten. Wat eigenlijk vele malen gevaarlijker was dan gewoon in het huis blijven…’

Hoe was school toen het oorlog was?
‘De lagere school heb ik op vier of vijf verschillende plaatsen doorlopen omdat onze school, de Sint-Willibrord, ingenomen was door de Duitsers. Om die reden zaten we vaak op plaatsen waar eigenlijk helemaal geen school zou kunnen zijn. Eens bij een smid achterin de schuur, toen hoorde ik de smid in zijn werkplaats werken. In de Trudostraat ben ik naar de derde en de vierde klas gegaan. Na de oorlog konden wij weer naar onze gewone school. Daar heb ik nog twee jaar op gezeten. Er waren niet zoveel spullen in het klaslokaal. Het enige wat ik mij nog goed herinner is dat ik een leraar had die heel mooi kon voorlezen. En die las voor uit een boek van Sim en Sam. Ik zal nooit weten hoe het afliep want na drie hoofdstukken was het schooljaar voorbij. Hij kon niet iedere week voorlezen, hè…’

Bent u vaak gewond geraakt?
‘Ja, maar niet door oorlogshandelingen. Ik raakte vaak gewond door eigen schuld. Zo ben ik een keer omvergelopen en heb ik mijn rechterarm op twee plaatsen gebroken. En ben ik een keer uit een vrachtwagen gesprongen, waardoor ik mijn beide armen bezeerde. Ik zat met mijn ene arm in het gips en met de andere in het verband. En aan het eind van de oorlog liep ik met mijn buurjongen op een plaats waar we helemaal niet mochten komen. Hij trapte op een waslijn en deze zwaaide omhoog, precies in mijn oog. Gelukkig liepen er veel militairen rond, die hebben mij direct naar de ziekenboeg gebracht.’

Hebben de mensen uit uw familie de oorlog overleefd?
‘Ja, wij waren thuis met negen kinderen. Ik had vier zussen die ouder waren dan ik. En dan een oudere broer, die was tien jaar ouder dan ik. Dus toen de oorlog uitbrak, was hij ongeveer 14 jaar. Die heeft er meer van meegemaakt. Ze hebben hem ook een keer meegenomen en voor het vuurpeloton gezet omdat ze dachten dat hij iets gedaan had wat niet mocht. Tot bleek dat hij dat niet gedaan had en toen kwamen al die jongens weer terug. Allemaal jongens van rond de 18, 19 jaar.

Mijn vader was metselaar. Iedereen die kon werken werd getransporteerd naar Duitsland en werd daar te werk gesteld. Hij kwam gelukkig meteen terug toen de oorlog afgelopen was. Hij is toen vanuit Esse, in Duitsland, te voet terug naar Eindhoven gelopen. En dan had hij ook nog al zijn gereedschap bij zich in een kist, die droeg hij op z’n schouder. Hoe lang hij erover heeft gedaan weet ik niet.’

Archieven: Verhalen

‘Om na de oorlog weer met vrijheid om te gaan, is nog niet zo makkelijk’

Jaap de Kok verwelkomt Eva, Koen en Cooper hartelijk. De kinderen zitten op basisschool de Hasselbraam in Eindhoven en wonen in de buurt van de plek waar meneer De Kok tijdens de oorlog woonde. Hij vertelt dat hij 95 jaar is en pas sinds een jaar een rollator heeft. Eva vraagt hoe meneer De Kok aangesproken wil worden en dat is gewoon als ‘Jaap’. Hij laat ze hun eigen namen opschrijven zodat hij ze niet vergeet.

Hoe kwam u erachter dat het oorlog was?
‘Dat zag ik gebeuren. Eerst kwamen de Nederlanders over de Geldropseweg marcheren en toen sprongen ze allemaal de heg in omdat er een verkenningsvliegtuig van de Duitsers laag over kwam vliegen. Een Duitser vroeg aan mijn moeder om ‘Wasser’ (water) en dit was de eerste keer dat we een buitenlander spraken. De Duitsers vielen op door hun disciplinaire werken. Toen de Amerikanen, Canadezen en Britten kwamen, werd het chaos. Om na de oorlog weer met vrijheid te kunnen omgaan, is nog niet zo makkelijk. In de oorlog ben ik ook mensen kwijtgeraakt, alleen weet ik nu hun namen niet meer. Het is ook moeilijk om daarover te praten.’

Hoe heeft u de oorlog beleefd?
‘We hadden twee onderduikers tijdens de oorlog en ik heb een goede band met ze opgebouwd. De oorlog was ook erg spannend en mijn vader zat in het verzet. Op een gegeven moment kwam een deel van een gevechtsvliegtuig (bommenwerper, red.) brandend naar beneden naast ons huis en dat bleek een extra tank te zijn. Met mijn gekke kop ging ik op zoek naar dat onderdeel. Dit is ook terecht gekomen in een boek van Ed Hermes over oorlogsverhalen. Via hem heb ik een bedankbrief ontvangen van een Canadese familie, omdat ik attributen die ik uit het vliegtuig gehaald heb aan die familie gegeven heb. Ik ben voorzichtig met het delen van deze dingen, want anders word ik dadelijk als held beschouwd en dat was ik helemaal niet.

Het geloof speelde natuurlijk ook een belangrijke rol in de oorlog en ik ben in aanraking gekomen met veel verschillende geloven. Ik heb nog een mooi gezegde van een Aboena van de koptische kerk (hoofd van deze kerk, red.): wij zijn gevlucht en je zult wel weten waarom want hier heb ik vrijheid. Ik mis hem. Hij was heel goed met kinderen. Ze kunnen wel een kerk afbranden, maar wat in de geest zit niet.’

Hoe was de bevrijding voor u?
‘Een echte bevrijding, eindelijk kon ik zeggen wat ik wilde. Met de Duitsers in het land kon je niet zomaar alles zeggen… Toen ik tijdens de bevrijding melk haalde voor mijn zus, zag ik dat het feest was in Eindhoven. Kort daarop liep ik in een mitrailleursnest van de Duitsers. Vervolgens kwamen er granaten over ons huis en gingen we naar de schuilkelder. De zijkanten waren van zand, het plafond van bielsen met daar bovenop gras. De hele buurt zat erin, dat was wel zo gezellig. Ik wilde daar niet in dus ging ik naar buiten en zag bommen heel dichtbij langskomen. Ze geloofden me niet echt totdat ze een paar dagen later de bommen vonden rondom ons huis. Ik heb ook een mitrailleur gestolen, in die tijd hadden wij niet in de gaten hoe gevaarlijk dat was.’

 

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892