Archieven: Verhalen

‘Mijn collega’s zeiden: ‘die Henk die is zo positief als wat’

Het is meteen lachen in de lerarenkamer als Mazem, Noa-Lian en Pietro van basisschool Philipsdorp Henk Bhawanidin (69) begroeten. Hij doet erg zijn best alle namen goed uit te spreken maar het lukt pas na een paar pogingen. Bij Noa-Lian gaat het wel meteen goed, want meneer Bhawanidin is haar opa (‘Nana’) en haalt haar elke woensdag op. Vandaag gaan de kinderen hem interviewen over zijn jeugd in Suriname en zijn komst naar Nederland.

Welke herinnering heeft u nog van de lagere school?
‘Ik zat op de lagere school, de Benjaminschool noemde ze dat. Mijn Nana, de vader van mijn mama, had een ezel, en daarmee ging hij elke donderdagochtend vroeg vaten melasse verkopen. Op weg terug naar huis liep hij om 9:30 uur langs mijn school als wij buiten aan het spelen waren. Dan riep ik ‘Nana, Nana!’ en stopte hij en gaf mij 10 cent. Dat ging ik dan samen met mijn vrienden opmaken aan eten: bami en gebakken cassave.’

Hoe was het om daar te wonen in Suriname?
‘Suriname is een heel fijn land met een mooi klimaat. Het is altijd 25 graden, maar er is ook veel regen. Ik had daar veel vrienden, en de mensen zijn vriendelijk. Het eten is ook heel lekker. We hebben zoveel verschillende soorten mensen dat je allerlei soorten eten hebt. Er zijn mensen uit Afrika, India, Indonesië, China, dus het Surinaamse eten is een mengelmoes van alles. Je kon niet anders dan met elkaar samenleven en dat ging altijd goed.’

Bent u ooit ontslagen?
‘Ja, in Suriname. Ik zat op kantoor bij een groot warenhuis. Ik was jong en wilde dingen veranderen. Ik ging me met vakbondszaken bemoeien, omdat ik zag dat het niet goed liep daar. Beneden waren verkoopsters die niet veel verdienden, maar de hele dag moesten staan en lopen en niet mochten uitrusten. We hebben toen een actiecomité opgericht. We wilden verkiezingen en we wilden het overnemen van de vakbond. De mensen op de werkvloer vonden het fantastisch wat wij eisten. Je bent jong, je kent niet alle spelregels, en toen zijn we pamfletten gaan uitdelen op het bedrijfsterrein en dat mocht niet. Toen hebben ze me ontslag gegeven. Maar gelukkig kon ik zo weer aan de slag, want mijn vader was goudsmid. Hij had zijn eigen zaak en daar ben ik toen gaan werken.’

Waarom gingen jullie naar Nederland en niet naar een ander land?
‘Dat heeft met de geschiedenis te maken. Suriname is een kolonie van Nederland geweest. Nederland ging naar Zuid-Amerika, pakte Suriname en zei: Suriname, jij bent van mij. Nou kan dat niet meer, maar 400 jaar geleden kon dat nog wel. Van kolonie werden we rijksdeel, zeg maar een provincie. Toen Suriname onafhankelijk werd, gingen veel Surinamers weg. Waar kan je naartoe? Naar je moederland, je vaderland. Daar mocht je naartoe want we zijn Nederlanders. Dat hebben veel Surinamers gedaan, mijn ouders ook.’

Vond u het in Suriname leuker of in Nederland?
‘Suriname vond ik heel leuk, ik had veel vrienden daar, ik speelde veel buiten. Ik vond het moeilijk om weg te gaan, maar ik moest. Als de ouders iets zeiden, dan luisterden we, dus we gingen mee.

Toen ik in Nederland kwam was het niet leuk voor mij, ik had geen vrienden. Maar ik ben meteen gaan werken en heb toen vriendschappen gesloten met mijn collega’s. En toen begon het ook leuk te worden voor mij. Doordat ik mijn best heb gedaan, mee ben gaan doen, ben ik gaan zien dat het een heel fijn land is. Maar als je je afsluit en je maar met één groep gaat bemoeien dan is het geen leuk land. Je moet altijd positief in het leven staan, dan zal je zien dat je alles veel leuker vindt. Als er iets tegenzit, daar mag je over praten, maar blijf er niet over doorzeuren. Bij DAF werkten toen nog niet zoveel donkere mensen. Maar ik probeerde het woord discriminatie niet te gebruiken, ik zei alleen maar: ‘je valt me tegen jongen’ of ‘je doet iets wat ik niet leuk vind’. En ik werd op handen gedragen. Mijn collega’s zeiden: ‘die Henk die is zo positief als wat’.’

Archieven: Verhalen

‘In Egypte kregen we weer vers water, daar kan ik nog steeds van dromen’

Eamila, Hailey, Kerim en Luz van basisschool Philipsdorp rijden met de auto naar de Parkbuurt in het oude Eindhoven. Bij de voordeur worden ze al opgewacht door Henk van Gijn, die hen meteen hun namen vraagt. Hij nodigt ze uit om mee te gaan naar de tuinkamer, waar ze uitkijken op de tuin en de eekhoorntjes die daar vrolijk rondrennen.

Meneer Van Gijn kwam in 1958, op achtjarige leeftijd, met de boot uit Indonesië aan in Nederland. Zijn ouders waren Nederlands, maar vanwege het werk van zijn vader is hij geboren en opgegroeid in Indonesië. Later woonde hij samen met zijn broertjes en zusje nog een tijd in Iran.

Waarom gingen jullie weg uit Indonesië?
‘Weten jullie wat etnisch is? Dat betekent dat je aan iemand kunt zien dat die uit een bepaald land komt of een bepaald uiterlijk heeft. In Indonesië werden na de oorlog duizenden mensen met een bepaald uiterlijk vervolgd en vermoord. Deze mensen woonden daar al honderden jaren. Daarom gingen wij terug naar Nederland.

Maar ook in Nederland worden mensen soms ongelijk behandeld. Ik heb lesgegeven aan meiden, maar dat werd door de omgeving en de cultuur niet altijd toegestaan. Toch was mijn rol prachtig, want de meiden wilden heel graag leren. Sommigen haalden in drie jaar een havo-diploma. Ze zó goed konden ze leren.

Weten jullie wanneer vrouwen voor de belastingen gelijk werden gesteld aan mannen? Dat was pas in 1988. Ik kon daar heel boos over worden, vooral over hoe sommige mannelijke collega’s vrouwen behandelden.’

Hoe was het om vanuit Indonesië naar Nederland te komen?
‘Ik was 8 jaar toen ik uit Indonesië kwam om naar Nederland te gaan. We zaten een maand op de boot. We waren het laatste vluchtelingenschip.

We hadden een kinderspeeldek. Er was een kinderjuffrouw, maar die lette niet altijd goed op. Soms wil je ook een beetje ondeugend doen en klommen wij over het hek. Samen met een vriendje heb ik alles bekeken, van voor tot achter op het schip, de schoorsteen, de hondenhokken, de machinekamer. We hebben heerlijk gespeeld op de boot.

Soms raakte het water op en kregen we heel smerig water. In Egypte kregen we weer vers water, daar kan ik nog steeds van dromen, mmm zo lekker.

Er gingen ook oudere mensen dood. We keken door de spleten in het doek dat speciaal voor de kinderen was opgehangen, zodat we eigenlijk niet konden zien wat er gebeurde. De kist schoof de zee in, bleef dan even dobberen op het water. Eerst moest die zinken en dan ging de scheepsmotor weer aan. Dat maak je dan mee. Het was best avontuurlijk allemaal.’

Hoe was de reis uit Iran?
‘Mijn vader bouwde scholen in Iran en daarom woonden we daar ook een tijd. Toen we weer teruggingen naar Nederland, ging mijn moeder met mijn zusje en jongste broer met het vliegtuig. Mijn vader vond het leuk om met de andere kinderen met de auto van Iran naar Nederland te reizen. Hij sprak Perzisch en kreeg een visum om door Arabische landen te reizen; hij wilde die graag zien.

We waren met z’n vieren. Ik en mijn broers waren 12, 10 en 8 jaar oud. De reis duurde zes weken. We reden door Irak, Jordanië en Israël. In Syrië zaten we een tijd vast; daar was het toen al onrustig. Daarna gingen we verder door Turkije, Griekenland en Joegoslavië en nog een stuk door Europa naar Nederland. Later in mijn leven begreep ik pas echt hoe waardevol het is om in Europa vrij te mogen reizen.’

Wat mist u uit Iran?
‘Ik mis de uitzichten, de wijde vergezichten. Mijn moeder had een brommer en daarmee ging ik naar de woestijn. Ik was 11 jaar. Daar was helemaal niemand, alleen zand, zand, zand. Op een keer kwam ik zomaar op een stuk asfalt terecht. Ik was per ongeluk op het vliegveld uitgekomen en er kwam een vliegtuig aan. Gelukkig was het een klein vliegtuig. De piloot en ik zagen elkaar. Hij stopte en zei: ‘Steek jij maar over’.

In Nederland mis ik die vrijheid van Iran. Hier zijn veel regels. Dat komt omdat we zo dicht op elkaar wonen. Maar in Nederland zijn er weer andere vrijheden, zoals de vrijheid van denken en spreken. Heel belangrijk.’

Welke sporen heeft het wonen in andere landen nagelaten in uw leven?
‘Niet bang zijn. Ik werkte net bij Philips. Een nieuw ontworpen machine moest naar Amerika. Collega’s werden gevraagd: ‘Wil jij mee naar Chicago om de machine te installeren?’ Ze zeiden ‘liever niet’ of verzonnen allerlei smoesjes.

Toen vroegen ze mij: ‘Wil jij, Henk?’ Ik werkte daar nog maar net. In mijn hart zei ik meteen ja, maar ik hield me rustig en zei dat ik het even met mijn vrouw moest overleggen. En ik ben natuurlijk gegaan! Ik merk dat veel mensen bang zijn om ergens anders naartoe te gaan.

Mijn broer zegt altijd: ‘Een glimlach is in elk land hetzelfde. En voetbal ook.’

Archieven: Verhalen

‘In de zomer verkocht ik water op de markt, we deelden het geld altijd’

In de vroege ochtend van een zonnige februaridag bellen Juliaan, Tuguldur, Julian en Haruya van basisschool Philipsdorp aan bij het huis van Yusuf Basci aan in Eindhoven. Ze worden hartelijk ontvangen. Meneer Basci schenkt Turkse thee in kleine theeglaasjes en zet zoete traktaties en gedroogde abrikozen op tafel. Daarna schenkt hij, volgens Turkse traditie, een beetje eau de cologne in hun handen. Het ruikt heel lekker, vinden de kinderen.

Meneer Basci is geboren ineen klein dorpje in het oosten van Turkije, maar toen hij 2 jaar was verhuisde hij naar Ankara, de hoofdstad van Turkije.

Hoe was uw kindertijd?
‘Ik ben opgegroeid in Turkije, in Ankara. Istanbul is groter, maar Ankara is de hoofdstad. Wij woonden in een buurt waar bijna alles nog natuur was. Veel bomen, heuvels, open plekken. Geen flats zoals hier. Wij waren eigenlijk alleen binnen om te slapen. De rest van de tijd waren we buiten. We hadden een grote tuin en overal om ons heen groeide fruit. Watermeloenen lagen gewoon op de grond, druiven, abrikozen, alles. Wij plukten wat we nodig hadden. Dat was normaal. Wij dachten niet: dit is bijzonder. Dat besef je pas later.

We waren met vijf kinderen thuis, plus mijn ouders. Maar eigenlijk was ons huis nooit leeg. De deur stond altijd open. Mensen kwamen en gingen. Mijn vader werkte bij de gemeente en hielp andere mensen aan werk. Mensen die arm waren, uit andere delen van Turkije, kwamen vaak bij ons langs. Dat hoorde erbij.

We hadden geen speelgoed zoals nu. Geen PlayStation, geen lego. Maar we misten het niet. We maakten alles zelf, van hout, metaal, fietsbanden. We maakten karretjes en skateboards, lang voordat dat woord bestond. Gewoon een plank met vier metalen wieltjes eronder. Dan gingen we van de heuvel af, keihard. We vielen vaak op asfalt. Dat deed pijn, ja. Maar beschermers? Die kenden we niet.

Als kind werkte ik ook al. In de zomer verkocht ik water op de markt. Het was heet, dus mensen hadden dorst. Het water zat in aardewerken kannen, die bleven koel. Geen plastic. Glas en klei. Gezond, echt gezond. We deelden het geld altijd samen. Wat we verdienden, was van ons allemaal.’

Wat speelde u het liefst als kind?
‘Voetbal was onze grote liefde, zoals bij bijna alle jongens. Maar een echte bal? Die hadden we bijna nooit. Plastic ballen gingen snel kapot en waren duur. Dus maakten we ballen van stof.

Toen ik 13 of 14 was, heb ik samen met andere kinderen een voetbalclub opgericht. Dat klinkt nu misschien groot, maar het begon heel klein. Er was net een moskee gebouwd in onze buurt. Wij hielpen allemaal mee. Stenen dragen, zelfs in de minaret, trap op, trap af. Dat deden kinderen gewoon.

Onder de moskee kwamen kleine winkeltjes. We hebben gevraagd: mag één winkeltje voor ons zijn, als clubruimte? En dat mocht. Onze club heette Cevislidere Spor, dat betekent ‘notenboom-sport’, omdat er bij ons een grote notenboom stond.

We hadden geen geld. Dus gingen we langs de huizen. We wisten: deze man werkt bij de gemeente, die kan iets meer betalen. Die ander werkt in de bouw, die iets minder. Iedereen gaf wat hij kon. Zo spaarden we genoeg voor shirts en sokken. Schoenen konden we niet betalen. We kozen onze clubkleuren zelf: rood-groen. Niet zoals de grote clubs. Dat voelde speciaal. Toen we voor het eerst onze eigen shirts aantrokken… dat gevoel vergeet ik nooit. Echt nooit.

We organiseerden toernooien. Mensen kwamen kijken. Iedereen voelde zich trots, omdat ze hadden meegedaan. Dat was gemeenschap. Samen iets maken, samen plezier hebben.’

Waarom ging u weg uit Turkije?
‘Toen ik ouder werd, raakte ik geïnteresseerd in politiek. Ik was jong en idealistisch. Ik wilde dat mensen gelijk behandeld werden, dat iedereen goed kon leven. Ik zat in een linkse studentenbeweging, wat verboden was in Turkije.

We organiseerden protesten en liepen ook voor andere landen, zoals Palestina en Nicaragua. Dat was gevaarlijk. Ik ben een paar keer opgepakt, maar gelukkig steeds snel vrijgelaten.

Die tijd was zwaar. Er gingen dagen voorbij dat dertig of wel veertig mensen werden gedood. Niet in een oorlog, maar door politiek geweld. Vooral linkse studenten, docenten, professoren. Mijn ouders waren bang en zeiden: als je blijft, ga je dood of de gevangenis in.

Ik ben niet als politieke vluchteling naar Nederland gekomen. Ik ben gekomen omdat ik met mijn vrouw trouwde. Maar de politiek speelde zeker mee. Het verschil met Nederland? Hier kon ik ademhalen. Vrij praten. Vrij leven. Dat kende ik niet op die manier.’

Hoe was het toen u net aankwam in Nederland?
‘Ik kwam op 9 oktober 1989 naar Nederland, met het vliegtuig, van Ankara naar Amsterdam. Vier uur vliegen, dat was alles. Maar mijn leven veranderde compleet.

Op Schiphol werd ik opgehaald en we gingen meteen naar het huis van mijn schoonouders. Ze woonden achter in de straat. In dat huis woonden zeven mensen. Drie slaapkamers. Mijn vrouw en ik sliepen twee jaar in een piepkleine kamer. Eén klein bed, een plastic kast van de V&D, meer paste er niet.

Het was vreemd. Nieuw land, nieuwe taal, nieuwe regels, alles was anders. Maar je bouwt het op, stap voor stap. Je hebt geen keuze. Je leert, je werkt, je past je aan. En langzaam wordt het ook jouw plek.’

Archieven: Verhalen

‘Ik dacht: ik ga een paar jaar naar het buitenland en dan word ik rijk!’

Francesco, Noah, Zoe en Claire van basisschool Philipsdorp in Eindhoven mogen mee in de auto naar Angelines Castro om haar te interviewen. Mevrouw Castro is geboren in een klein dorpje vlakbij León in Spanje. Zij kreeg een relatie met een jongen die naar Nederland ging voor werk. Toen hij een vast contract kreeg, trouwden ze en ging ze op 19-jarige leeftijd ook naar Nederland. Het interview verloopt voorspoedig, de kinderen vragen veel door, vooral over de Spaanse munt, de peseta, die mevrouw Castro ook laat zien. Aan het einde van het interview krijgen de kinderen allemaal nog iets lekkers.

Hoe was het eigenlijk om in Spanje te wonen?
‘Leuk, maar keihard werken. Mijn vader was een boer, dus wij moesten op het land werken. Nu heb je daar machines voor, maar wij deden het met de hand. We hadden suikerbieten, boontjes en aardappels. Er was een groothandel, die nam het allemaal mee. We aten er zelf ook een beetje van. We hadden twee koeien, daar dronken we de melk van, wat over was verkochten we weer.

Ons pap had een café, dat hielden we ‘s avonds bij. Er kwamen dan mannen kaarten of een bakje koffie drinken. We hadden ook een tv, er was alleen een televisie in het café. Als er stierenvechten waren of een voetbalwedstrijd, kwam het hele dorp kijken.

We moesten ook naar school, van 9 tot 1 en dan van 3 tot 5. Als ik terugkwam van school, moest ik de vaat doen. Kwam ik te laat thuis dan kreeg ik straf, dan mocht ik bijvoorbeeld niet naar buiten. Tot 14 jaar was school verplicht, daarna ben ik ook van school afgegaan om te werken.

Mijn moeder kocht koekjes voor ons winkeltje, in een doos van drie kilo. Die mocht ik niet opeten, want die waren om te verkopen. Als mijn moeder een dutje deed, ging ik stiekem naar het winkeltje en at ik snel een paar koekjes. Maar ons mam was slim! Ik kon het alleen doen als de doos nog vol zat, anders had ze het door.’

Hoe kwam u hier?
‘Phillips ging mensen halen in Spanje. Mijn man kwam daarom in Nederland, maar hij moest eerst een vast contract krijgen anders kon hij zijn vrouw niet meenemen. Hij is 1,5 jaar alleen geweest in Nederland, toen kreeg hij een vast contract. Hij is naar Spanje gegaan en toen zijn we getrouwd en ik kwam met hem mee. Het was een grote bruiloft van twee dagen, zo ging dat in Spanje. We zijn 28 december getrouwd en 6 januari waren we samen in Nederland. De eerste keer zijn we met de trein gekomen, van Spanje naar Frankrijk en verder naar Nederland. Maar we zijn later ook nog wel eens met de bus gegaan en met het vliegtuig en sinds mijn man een rijbewijs heeft komen we met de auto.’

Hoe was het om weg te gaan?
‘De eerste keer dat ik naar Nederland ging, vond ik het niet zo eng. Toen hoefde ik niets te doen, alleen het huishouden. Het was net alsof ik vakantie had. Toen begon ik bij Phillips te werken, maar dat was ook niet zwaar. Ik dacht: ik ga een paar jaar naar het buitenland en dan word ik rijk! Ons mam had wel verdriet.

Toen ik voor het eerst weer in de vakantie naar Spanje kwam en daarna weer terug moest, was ik verdrietig. Ik was daarvoor ook nooit weggeweest. De eerste jaren zijn ook best moeilijk geweest, maar als je jong bent kun je de hele wereld aan.

We hadden vroeger nog geen telefoon om naar huis te bellen. Alles moest met brieven. Het kon wel tien dagen duren voordat die aankwamen. Mijn vader had mij een brief gestuurd in september. Toen de brief bij mij aankwam, was mijn vader al gestorven. Toen we thuis kwamen van de begravenis lag daar die brief. Die heb ik heel lang bewaard. Ons mam kon niet schrijven, ik kreeg alleen brieven van mijn vader. Mijn moeder is nooit naar school geweest, zij is toen ze 10 was bij rijke mensen gaan werken.’

Waar woonde u toen u hier kwam?
‘Ik heb eerst in Woensel gewoond. We konden daar huren van mensen die ik nog nooit had ontmoet. Toch hebben we het goed getroffen bij hen. Wij hebben nog steeds contact. Als zij in het weekend bij iemand op visite gingen, dan mochten wij mee, want we kenden nog niemand. Daarna hebben we op Strijp een huurhuis gekregen van Phillips. Daar hebben we tot 1987 gewoond. Daarna hebben we ons eigen huis gekocht.’

Was het moeilijk met de taalbarrière?
‘Ja, het was heel moeilijk. Ik kwam hier in januari en in maart ben ik bij Phillips begonnen, maar ik verstond helemaal niets. We hadden wel een tolk, maar die bleef maar een half uurtje en dan was hij weer weg. Gelukkig heb je hier overal goede mensen, en met handen en voeten kom je een heel eind. Toen ik bij Philips begon, volgde ik daar een cursus Nederlands, daar ben ik drie jaar gebleven. Ik heb tegen mijn man gezegd: als ik hier de taal niet leer, dan ben ik weg.

In het begin durfde ik niet te praten. Ik dacht dat mensen me zouden uitlachen.Toen zei een collega tegen mij, praat maar tegen mij. Wat als ik het niet goed zeg?, vroeg ik. Dan zeg je het maar twee keer, zei hij, zo moet je het leren. De buurvrouw hielp mij ook. Ik kan nu Nederlands praten en lezen, maar schrijven vind ik nog steeds moeilijk. Met mijn telefoon gaat het wel.

Door Phillips waren er veel Spaanse mensen in Eindhoven. We hadden hier een Spaans centrum. We gingen daar in het weekend allemaal naar toe. Ik kende hier niemand en zo begon ik mensen voor het eerst een beetje te leren kennen.’

Was het uurloon goed?
‘Het eerste loon wat ik heb gekregen weet ik nog goed, dat was 560 gulden. Dat was voor die tijd een heel redelijk loon. Toen ik op het land werkte kon mijn loon onzeker zijn. In Nederland was ik iedere maand zeker van loon. Dat vond ik heel fijn. Ik kon in de supermarkt altijd kopen wat ik wilde.

We hadden niet veel in Spanje. In het eerste jaar dat ik in Nederland was, kocht ik alles wanneer ik in de winkel was. Ik vond frikandellen ook heel lekker. Ik ben het eerste jaar 8 kilo aangekomen. Het was echt vakantie. ‘Is dat jullie Angelines?’, vroegen de mensen toen ik terug was in Spanje.’

Mist u Spanje?
‘Spanje is mijn land. Mijn familie zat daar. Toen ik voor het eerst naar Nederland ging waren ons pap en ons mam in Spanje, en de moeder van mijn man ook nog. Inmiddels leven die niet meer. We waren vroeger met zes man thuis, maar ik heb alleen nog meer één broer en één zus over. Nu heb ik hier 3 kinderen en 2 kleinkinderen, als ik nu naar Spanje zou gaan zou ik die missen. Ik heb zelfs een kleinkindje op komst! Mijn kleinkinderen komen iedere week eten. Dan kook ik. We waren eigenlijk van plan terug te gaan naar Spanje als we met pensioen waren, maar ik heb nu mijn kinderen hier en mijn kleinkinderen. Dus ik ga niet meer weg. In de zomer gaan we nog wel naar de familie.’

Archieven: Verhalen

‘Ik vind stamppot heel lekker, mijn buurvrouw leerde mij dit gerecht’

Tessa, Nienke, Isabel en Milo gaan op bezoek bij de 59-jarige Bingul Eren, die geboren is in Turkije. Bij aankomst worden ze heel vriendelijk door haar verwelkomd. Ze begeleidt de leerlingen van basisschool Philipsdorp in Eindhoven naar de achterkant van het huis, waar een aanbouw is met een schattige kachel waarop thee wordt gemaakt. Ze krijgen heerlijke oliebollen. Isabel wil het liefst de hele dag blijven om oliebollen te eten.

Waar bent u geboren?
‘In een dorp in Posof. Daar gebruikten we geen auto’s, maar paarden voor boodschappen en andere taken. Er was geen waterleiding, dus we moesten water halen met een emmer bij een waterput. Tegenwoordig is alles anders: er zijn auto’s en voorzieningen zoals hier in Nederland.

Ik ben alleen naar de basisschool geweest. Mijn favoriete vak was muziekles, omdat ik een mooie stem heb. Ik mocht vaak zingen, en dat vond ik erg leuk. Later ben ik naar een stad verhuisd.’

Hoe vindt u het in Nederland?
‘Op mijn 17de trouwde ik en een jaar later kwam ik naar Nederland. Kort daarna was ik zwanger. Ik heb drie kinderen, onder wie een tweeling. Het was moeilijk in het begin omdat ik hier alleen naartoe verhuisde. Gelukkig hielp mijn schoonfamilie mij om me thuis te voelen. Ik ging vaak met mijn schoonzusje de stad in. Zij was mijn beste vriendin, zo close dat iedereen dacht dat we echte zussen waren.

Nu vind ik het hier leuk. De mensen en de buurt waar ik woon zijn fijn, en de mensen zijn vriendelijk.

Ik heb vier jaar niet naar Turkije kunnen gaan. Toen mijn moeder mij eindelijk zag, moest ze flauwvallen. We hielden contact via brieven, en ik stuurde haar foto’s van mijn kinderen. Vorig jaar vonden mijn dochter en familie deze foto’s terug in Turkije. Ik ga tegenwoordig elk jaar op vakantie en zie mijn familie. Alleen mijn ouders zijn overleden, die mis ik nog steeds heel erg.’

Heeft u gewerkt in Nederland?
‘Ja, bij Philips, bij de videocassette-afdeling en bij Champions. Het was leuk, omdat er veel mensen uit verschillende landen werkten. Mijn werkgevers waren goed en lief voor mij.’

Wat is uw favoriete Nederlandse eten?
‘Ik vind stamppot heel lekker, met andijvie en roomboter. Mijn buurvrouw leerde mij dit gerecht, en ik leerde haar Turkse gerechten. Ik noem haar abla, wat zus betekent en familiegevoel uitdrukt. Wij zijn net als echte zussen voor elkaar.’

Archieven: Verhalen

‘Ik kwam uit Marokko en nu kom ik uit Nederland’

Ahmed El-Farah zit met zijn vrouw en dochter te wachten op de kinderen die hem komen interviewen, Amani, Zoë, Diya en Elisa. Amani kent hij erg goed, dat is zijn achterkleindochter, hij vindt het leuk dat hij een stukje familiegeschiedenis met haar kan delen. Hij heeft wat dingen klaarliggen die hij de kinderen wil laten zien. Zo heeft hij een oude identiteitskaart van Marokko en zijn eerste Nederlandse verblijfsdocumenten. Ook heeft hij de blouse die hij aanhad tijdens zijn reis naar Nederland, erbij gepakt, dit alles laat hij trots zien.

Waar komt u vandaan uit Marokko?
‘Ik kom uit Beni Said in Marokko, maar nu kom ik uit Nederland.’

Had u moeite in Marokko met het leven?
‘Ja het was moeilijk in Marokko. Er was niet altijd werk. Wanneer er wel werk was, konden we redelijk goed leven maar op momenten dat er geen werk was, hadden we veel moeite met rondkomen. Wanneer je in Marokko ontslag kreeg, was er niet iets zoals de sociale dienst of een uitkering waardoor je nog wat inkomen had.

Wij hebben gelukkig nooit honger geleden. Omdat iedereen een stuk land had en iedereen wat eten verbouwde, was er altijd wel iets te eten. Vaak woonden families dicht bij elkaar en hielpen we elkaar ook waar het nodig is. We moesten er wel hard voor werken.

Wij hadden een mooi en ruim huis in Marokko. Ons huis stond hoog in de bergen en we hadden een mooi stuk land waar wij ook eten op verbouwden. Vanuit de berg waar wij op woonden, konden we zo naar de zee kijken. Helaas staat het huis er nu niet meer.’

Waar werkte u in Marokko?
‘Ik had allerlei baantjes. Ik heb bij boeren op het land gewerkt, maar ook banen gehad in de bouw. In Marokko kon je niet altijd kiezen voor het werk dat je leuk vond. Omdat er zo weinig werk was pakte je alles aan wat je kon krijgen.

Wij maakten lange dagen. In Marokko werkte ik soms van zonsopgang tot zonsondergang. In de zomermaanden werkten we niet in de middagen, dan hadden we een siësta. Tijdens de drie heetste uren van de dag konden we even gaan rusten, vaak van twaalf tot drie uur. Het was dan te warm om te werken.

We verdienden weinig. Bij licht werk verdiende ik 8 dirham per dag en bij zwaar werk 10 dirham per dag. Omgerekend naar euro’s is dat 0,80 eurocent tot 1 euro per dag. Dit is natuurlijk wel al zestig jaar geleden. Nu verdienen ze in Marokko ook meer, maar nog niet zoveel als in Nederland.’

Had u veel vrienden in Marokko?
‘Ik had wel wat vrienden, maar ik had nooit veel vrienden. Ik vond een klein groepje vrienden altijd veel fijner. Ik deed ook veel leuke dingen met familie. In Marokko is familie heel belangrijk.’

In 1966 kwam u naar Nederland. Waarom?
‘Ik moest gaan werken. Ik wilde een beter leven voor mijn familie en kinderen. Toen hoorde ik dat ik dit kon waarmaken door te gaan werken in Nederland. Toen ik naar Nederland vertrok, mochten de gastarbeiders hun vrouwen nog niet meenemen. Zij moesten achterblijven, dat was moeilijk maar ik ben toch gegaan. Ik liet alles achter wat ik had: mijn vrouw en dochter die pas 9 maanden oud was, mijn moeder en de rest van familie. Mijn thuis liet ik achter en daar was ik erg verdrietig om. In de jaren dat ik in Nederland was, heb ik ook nog drie andere kinderen gekregen.

Ieder jaar ging ik vier weken op vakantie naar Marokko. Ieder jaar dat ik weer terug moest om te werken, was het moeilijk. Ik was 11 jaar alleen.Toen er steeds meer mensen terug wilden naar Marokko om bij hun gezinnen te zijn, mochten wij uiteindelijk onze gezinnen hierheen halen. Mijn gezin is naar Nederland gekomen in 1977.’

Hoe was het om hier te komen?
‘Het was vooral moeilijk omdat de reis naar Nederland veel geld koste, wat ik niet had. Ik kreeg hulp van anderen om dit te betalen. Toen ik in Nederland was, was het ook moeilijk om te communiceren en alles geregeld te krijgen. Gelukkig kende ik al mensen die mij daarbij geholpen hebben, ook heb ik het geluk dat ik al wat Frans sprak en daarmee kwam ik ook ver.

Het leven nu is gelukkig goed. Ik heb mijn kinderen de kansen kunnen geven die ik ze wilde geven en we zijn allemaal dicht bij elkaar. Het kan natuurlijk nooit honderd procent goed gaan, maar redelijk goed is ook al goed genoeg.’

Is Nederland anders dan Marokko?
‘Ja zeker, Nederland is plat en koud. In Marokko hebben we heel veel bergen en is het vaak warm. Maar als we kijken naar hoe het land geregeld is, vind ik Nederland het beste land ter wereld.’

Archieven: Verhalen

‘Somalië was een goed land, maar door de oorlog is veel verloren gegaan’

Kai, Moayed, Isra, Levi en Sarah ontvangen de 54-jarige Qabul Salah op hun school, Philipsdorp in Eindhoven. Mevrouw Salah is geboren in Mogadishu in Somalië, en kwam in 1995 naar Nederland. Voordat ze beginnen met het interview, praten ze eerst een tijdje over van alles en nog wat. Zo verdwijnt de spanning en voelt iedereen zich op zijn gemak.

Wat gebeurde er in Somalië?
‘We woonden in Somalië in een groot huis met familie. In 1991 brak er oorlog uit. We volgden het nieuws en wisten dat er iets ging gebeuren. Mensen vluchtten van wijk naar wijk. Het was onveilig; in een land zonder regering wordt alles verwoest. Somalië was een goed land, maar door de oorlog is veel verloren gegaan. Oorlog is voor geen enkel land goed.

Ik moest vluchten naar Jemen. De meesten gingen naar Ghana of Kenia, ik koos voor Jemen. Mijn familie en foto’s van mijn ouders en familie liet ik achter. Ik kon niets meenemen, met lege handen ben ik gekomen. Jemen was geen fijn land om te blijven, de situatie was daar ook niet stabiel. Ik heb veel dingen gemist in Somalië als jonge meid. Ik wilde nog studeren.

Uiteindelijk kwam ik in Nederland in verschillende asielzoekerscentra terecht. De eerste en tweede waren fijn, maar de derde niet, omdat je met veel mensen op één kamer zat en niemand rekening met elkaar hield.’

Hoelang duurde het om Nederlands te spreken?
‘Ongeveer 1,5 jaar. In het asielzoekerscentrum heb ik het geleerd door eigen inzet en vrijwilligerswerk. Na vijf jaar kreeg ik een verblijfsvergunning en kon ik gaan werken. Ik heb mensen begeleid en gewerkt als tolk. Door vrijwilligerswerk heb ik veel vrienden gemaakt. Ik heb in Nederland tot NT2 geleerd. Ik wilde graag een mbo-opleiding doen, maar dat is niet gelukt.’

Woont er nog familie in Somalië?
Ja, mijn broer leeft nog. Eén broer. Mijn vader en andere broer zijn omgekomen tijdens de oorlog. Mijn moeder is overleden van verdriet. Ik mis mijn familie heel erg.’

Is uw leven nu beter in Nederland dan toen u hier kwam?
‘Ja, veel beter. Ik woon nu langer in Nederland dan in Somalië en voel me een beetje Nederlands.’

Als het goed gaat in Somalië, zou u daar weer willen wonen?
‘Als het goed is en mijn kinderen willen mee, dan wel. Ik wil bij mijn kinderen blijven. Misschien later met pensioen zou ik er graag op vakantie gaan.’

Archieven: Verhalen

‘Als er ooit zoiets gebeurt, mag je twijfelen aan gezag’

Op een zonnige ochtend in januari gaan Valerie, Mitchell, Danica en Amaril op weg naar verpleeghuis Douvenrade in Heerlen. Ze hebben interviewvragen bij zich, een doos chocolade en een uitnodiging. Bij Douvenrade worden ze hartelijk ontvangen. Ze krijgen eerst een stuk cake en limonade. Daarna gaan ze van start. De kinderen hebben vragen voorbereid voor Vera Wijsman. Zij vertelt het verhaal van haar oom Cornelis Wijsman. Cornelis was 14 jaar toen de oorlog begon en woonde aan de Pijnsweg 47 in Heerlen.

Waarom verstopte uw oom zich voor de Duitse bezetters?
‘Tijdens de oorlog kregen agenten de opdracht om alle jongens van achttien jaar en ouder op te pakken voor de Arbeitseinsatz. Zij moesten in Duitsland werken. Jongens probeerden zich te verstoppen om niet opgepakt te worden, maar er waren ook mensen die elkaar verraadden. Dat maakte het extra gevaarlijk.

Op een dag stond de politie bij mijn opa en oma voor de deur. Mijn oom Cornelis was verraden. De politie doorzocht het hele huis. Mijn oom had zich eerst nog kunnen verstoppen, maar hij werd bedreigd: als hij niet tevoorschijn kwam, zou de hele familie worden opgepakt. Daarom kwam hij toch tevoorschijn. Hij werd meegenomen en opgesloten in de gevangenis aan de Akenstraat in Heerlen. Ook twee vrienden van hem, met wie hij was opgegroeid, werden opgepakt.

Hoe wist uw oom te ontsnappen?
‘Mijn oom zei tegen zijn vrienden dat hij niet wilde wachten tot ze hem naar Duitsland zouden brengen. Hij wilde ontsnappen. Zijn vrienden vonden het te gevaarlijk, maar hij was vastbesloten.
Toen de gevangenisdeur openging, greep hij zijn kans. Hij trok zich over de muur omhoog en rende weg, richting de Akenstraat. Na zijn ontsnapping dook hij onder bij dokter Van Berkel. Later werd deze arts opgepakt omdat hij meerdere mensen had geholpen met onderduiken.

De politie kwam daarna bij mijn oma langs en zei dat ze het haar kwalijk namen dat haar zoon was ontsnapt. Mijn oma antwoordde: ‘Ik heb hem zo opgevoed. Ik heb hem geleerd: laat je niet pakken.’

Wat is er met de andere jongens gebeurd?
‘De twee vrienden van mijn oom, Jozef Luja en Leo Vinken, zijn wel naar Duitsland gebracht. Zij zijn daar omgekomen bij het werk. Dat maakte diepe indruk op mij. Juist degenen die gehoorzaamden, overleefden het niet. Daarom heb ik altijd tegen mijn eigen kinderen gezegd: als er ooit zoiets gebeurt, mag je twijfelen aan gezag. Blijf altijd zelf nadenken.’

Hebben uw ouders ook een moeilijke tijd gehad tijdens de oorlog?
‘Mijn moeder was half Duits en kwam uit Keulen. Na de bevrijding kregen alle kinderen een sinaasappel, maar zij en haar zus niet, omdat ze als Duits werden gezien. Later hoorde ik vergelijkbare verhalen. Zo was er een meisje dat geen eten kreeg omdat haar vader Duits was. Een Amerikaanse soldaat greep in en zorgde ervoor dat zij toch mocht mee-eten. Dat moment is mij altijd bijgebleven.’

Waren er ook Joodse mensen die opgepakt werden?
‘Hier vlakbij, in Benzenrade, speelde zich nog een ander oorlogsverhaal af dat ik nooit ben vergeten: dat van Henriëtte Neter, een Joods meisje van tien jaar dat hier ondergedoken zat.
Ze kwam oorspronkelijk uit Amsterdam en dacht dat ze hier veilig zou zijn. Maar zij is verraden, gedeporteerd naar Auschwitz en vermoord. Achter het kapelletje in Benzenrade is een paadje naar haar vernoemd: het Henriëtte Neterpaadje.’

Archieven: Verhalen

‘In september 1944 zag ik de eerste Amerikanen binnenkomen via Benzenrade’

Alfya, Sami, Armin, Orpita en Rimas komen op een zonnige dag in januari naar verpleeghuis Douvenrade in Heerlen om de 101-jarige Theo Holka te interviewen. De kinderen zijn erg onder de indruk dat meneer Holka al zo oud is en alles nog zo goed kan herinneren. Hij was 15 jaar toen de oorlog begon en woonde met zijn twee boers en ouders in de Frankenlaan.

Ze zoeken een fijne plek op in het verpleeghuis in het restaurant bij het raam. Na een lekker stuk cake en limonade starten de kinderen met hun vragen. Alfya is de fotograaf en legt het interview vast.

Wat herinnert u zich nog van het begin van de oorlog?
Ik herinner me het begin van de oorlog nog goed, ik was 15 jaar. Mijn ouders en mijn twee broers en ik waren allemaal thuis toen drie Nederlanders bij ons kwamen aanlopen met nieuws: zij hadden Duitse soldaten gezien in de stad. Ik ging samen met vijf vrienden naar de Sittardseweg om te kijken. Daar zagen we ze aankomen: een enorme colonne, te voet, met paarden en huifkarren, en grote rijen Duitse herdershonden erbij. Ze liepen in rijen van acht tot tien soldaten naast elkaar en zongen:Auf der Heide steht ein kleines Blümelein, und das heißt: Erika’.

In het begin ging het leven nog redelijk normaal. We voetbalden, speelden verstoppertje, hielpen thuis en genoten van onze grote tuin waar mijn vader groente verbouwde. Dat was belangrijk, want bij de groenteman kregen alleen de Duitsers groenten. Mijn vader werkte bij de mijn, en mijnwerkers kregen eens per maand een fles drank. Die ruilden we bij boeren voor voedsel. Zo konden we overleven.

We woonden in de Frankenlaan, een internationale buurt met Duitsers, Oostenrijkers, Joegoslaven en Polen. Mijn ouders waren Polen, ik sprak Pools thuis, Nederlands op school plat Limburgs op straat en Duits bij vrienden.’

Vond u de oorlog ook spannend?
‘Jazeker, er gebeurde veel en wij, jonge jongens stonden er soms met onze neus bovenop. Tijdens de oorlog stortten meerdere vliegtuigen neer bij Dunkrade (Doenrade). Ze werden vaak geraakt door Duits afweergeschut of beschadigd door bombardementen op het Ruhrgebied. Op een dag hoorden we dat er weer een vliegtuig was neergestort. Met een man of tien gingen we ernaartoe, op de fiets, naar een weiland, ongeveer honderd meter van de weg. Toen we bijna bij het wrak waren, kwamen er meteen Duitsers. Ze vroegen wat we deden, en wij verzonnen snel dat we mensen wilden helpen. Ze stuurden ons weg.

Ik heb ook een vliegtuig gezien waar iemand uit sprong met een parachute. Het vliegtuig stond in brand. Het wiel van dat vliegtuig ligt nu nog op een boerderij.’

Had u ook vrienden in de oorlog?
‘Tijdens de oorlog had ik veel contact met mijn vrienden. We hielden elkaar op de hoogte van wat er gebeurde. Ik weet nog dat in Valkenburg zeven ondergrondse verzetsmensen zijn doodgeschoten. Tijdens de grote staking in heel Nederland waren er hier bij de mijnen ook stakingen en er zijn hier ook zeven mensen vermoord. Allemaal tegelijk zijn ze doodgeschoten in een kuil geloof ik. Ook iemand uit onze straat, Tempelaars heette hij.

Er waren ook veel aardige Duitsers. Mijn buurjongen was een Duitser, en ik was bevriend met hem. Zijn vader waarschuwde me om mijn duiven te verbergen. Ik hield duiven, maar dat mocht niet in de oorlog. De bezetters waren bang voor spionage. Dus het was levensgevaarlijk als je nog duiven had, want wie betrapt werd, kon naar Auschwitz gestuurd worden. Dat was dus heel aardig van hem terwijl hij eigenlijk de vijand was.’

Wat weet u nog over het einde van de oorlog?
‘In september 1944 zag ik de eerste Amerikanen binnenkomen via Benzenrade. Ze hadden groot geschut bij zich, bij de Kruisstraat. We stonden te kijken toen de politie kwam en zei dat er driehonderd SS’ers onderweg waren. We moesten meteen naar huis. Onderweg durfden we niet verder en doken bij vreemde mensen naar binnen. Daar zaten we zeker een uur. De SS’ers kwamen niet.

De volgende dag stonden we op de kolenberg bij de mijn. Van daaruit zagen we duizenden Duitse soldaten te voet richting Duitsland vertrekken. Een dag later kwamen bij de Kopkesmolen honderden Amerikaanse tanks en bussen met soldaten. Heerlen was bevrijd.

Bij de molen gaf een Duitse soldaat zich over. We kregen Lucky Strikes van de Amerikanen. Ik hoorde een Amerikaan Pools praten en vertelde dat mijn ouders ook Pools waren. Ik vroeg of ik een geweer mocht hebben. Dan moet je een witte band hebben’, zei hij. Die had ik niet, maar ik kreeg het geweer toch mee, en ook een verrekijker.

Thuis werd het geweer weer opgehaald door handhavers. Ook zonder kogels is het goed’, zeiden ze, ‘de mensen schrikken toch.’

Archieven: Verhalen

‘Mijn oma belandde in het zigeuner-lager van Auschwitz’

Naya, Lize, Dax en Matthew bezoeken verpleeghuis Douvenrade voor een bijzonder interview over de Tweede Wereldoorlog in Heerlen. In het restaurant zitten ze aan tafel met Sheila Meinhardt, die vertelt over haar oma, Maria Steinbach, een Sinti-vrouw die de oorlog overleefde. Ze deelt herinneringen die ze van haar oma en familie heeft gehoord en toont indrukwekkende schilderijen die ze zelf maakte. De kinderen, die hun vragen hebben voorbereid, luisteren aandachtig terwijl Matthew foto’s maakt.

Kunt u vertellen over uw oma en hoe ze hier in Heerlen woonde?
‘Mijn oma Maria, ofwel mami zoals wij het zeggen, werd geboren in Heerlen in 1920. Ze woonde met haar familie in een woonwagenkamp op de Heksenberg bij de Brunssummerheide. Een woonwagenkamp ligt vaak buiten het bewoonbare gebied, in een hoek waar Sinti-gemeenschappen samenleefden.

De woonwagens waren van hout, getrokken door paarden, en vanbinnen mooi bewerkt. Kinderen konden vrij spelen, de mensen plukten kruiden in de bossen en leefden dicht bij de natuur. Het was een ongedwongen leven. Later trokken ze naar Eindhoven, waar het leven plotseling heel anders werd.’

Wat veranderde het leven van uw mami?
‘Op 16 mei 1944 werd mami opgepakt door de politie van Eindhoven samen met de nazi’s. Er vond een razzia plaats en iedereen op het kamp werd meegenomen. Het gebeurde heel vroeg in de ochtend, onverwachts. Alles moest snel worden ingepakt, er was geen tijd om knuffels of persoonlijke spullen mee te nemen.

Mijn mami had een dochter van twee, Helene, en een kind op komst. Haar man, mijn opa, was al eerder opgepakt op 9 mei en naar kamp Amersfoort gebracht. De familie werd naar kamp Westerbork gebracht en verbleef daar kort voordat ze drie dagen lang in een veewagon naar Auschwitz werden vervoerd. Tijdens die reis was er nauwelijks eten of drinken, en het was heel zwaar voor kleine Helene.’

Wat gebeurde er in Auschwitz?
‘In Auschwitz werden vrouwen en mannen gescheiden. Mijn oma belandde in het ‘Zigeunerlager’. Kleine kinderen werden meteen gescheiden van hun moeder en geselecteerd om vermoord te worden. Op 4 juli werd Helene, twee jaar oud, vermoord. Op 9 juli werd de pasgeboren Jozef vermoord, hij was op 23 mei geboren. De Duitsers vonden dat kinderen niets waard waren, omdat ze niet konden werken.

De barakken in het kamp waren lang en smal, met stapelbedden en harde vloeren. Er was geen eten of dekens. Ondanks alles overleefde mijn oma door haar enorme innerlijke kracht. Later werd ze overgebracht naar kamp Ravensbrück en kon daar werken, waardoor ze het overleefde.’

Hoe kon u oma overleven?
‘Mijn oma werkte hard in het vrouwenkamp en werd uiteindelijk bevrijd toen de Amerikanen Ravensbrück binnenvielen. Ze kon zich herenigen met mijn opa en begon langzaam een nieuw leven, bijna alles wat ze bezat was weg: hun woonwagen, viool, gitaar en andere spullen.

Ze sprak nooit over de oorlog, maar ik heb de puzzelstukjes bij elkaar gezocht. Haar verhaal leert dat trauma niet alleen verdriet is, maar ook kracht kan geven. Haar veerkracht hielp haar overleven en inspireert ons nog steeds.’

Hoe ging het verder na de oorlog?
‘Na de bevrijding moesten ze opnieuw beginnen, geld verdienen langs de deuren en hun leven weer opbouwen. Ondanks het verlies en verdriet, was ze blij haar man terug te zien. Mijn oma overleed in 1995 op 75-jarige leeftijd, en ik vertel haar verhaal nu, zodat haar herinnering en de herinnering aan de kinderen die vermoord zijn niet verloren gaan.

Toen ik geboren werd heb ik een stukje van het trauma van mijn oma meegekregen. Dat heet trans-generationeel trauma. Het zijn een soort verborgen wonden, littekens die je van buitenaf niet ziet. Daar heb ik een schilderij over gemaakt, dat zijn de wonden van mijn ziel.’

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892