School: De Hasselbraam

‘Ze lachten mij uit omdat ik op straat liep in mijn pyjama…’

Luuk, Valentijn, Amélie en Jagger van basisschool De Hasselbraam in Eindhoven fietsen naar het gezellige huis van Ad van Thoor (1936). Daar ontvangt hij hen hartelijk, samen met zijn vrouw Paula. Tijdens het interview worden kinderen getrakteerd op drankjes en andere lekkernijen van Paula en op de grapjes van Ad.

Wat gebeurde er tijdens het bombardement van 1944?
‘Het bombardement van 19 september 1944 kan ik bijna fotografisch zien, zo’n indruk heeft dit op mij gemaakt. Ik was acht jaar en zat in mijn pyjama met een aantal mensen in een schuilkelder aan de Aalsterweg, waar nu de Cool Blue is gevestigd. Het was een verrassingsbombardement van de Duitsers, want Eindhoven was eigenlijk net bevrijd door de Engelse en Amerikaanse soldaten. Ik was als enige van mijn gezin in die schuilkelder, want mijn ouders hadden hun kinderen verspreid over verschillende locaties. Zodat ze niet in één klap al hun kinderen zouden verliezen als er iets ergs zou gebeuren. In de schuilkelder brandden kleine lichtjes. We hoorden de vliegende bommen vallen en er viel er ook een op het café naast ons. De lichtjes vielen uit en er ontstond paniek. Iedereen wilde uit de schuilkelder vluchten. Ik kwam er als laatste uit en daar stond ik, alleen op de binnenplaats. Een bekende van mijn moeder nam mij mee naar een veilige plek. De volgende morgen bracht zij mij te voet terug naar huis. Ik zag overal doden en gewonden liggen. Ik heb gezien dat ze werden opgehaald door boerenkarren en huifkarren. Het bombardement was voorbij en het was mooi weer. De zon scheen en de kinderen speelden op straat, en ze lachten mij uit omdat ik daar liep in mijn pyjama…’

Had u een huisdier in de oorlog?
‘Ja, ik had een hondje, een fox terriër, genaamd Foxxie. Ik stond met mijn hondje voor de winkel van mijn moeder naar de Duitsers te kijken met hun mooie groene jassen. Toen kwamen er twee grote Duitse officieren en die liepen daar, met hun schoenen beslagen met ijzeren pinnen. Die maakten zoveel lawaai dat het hondje zich los trok van mij en pardoes in de jas van een van de officieren hapte. Er zat een grote winkelhaak in. Ik schrok heel erg en de Duitse officier zei: ‘Wo ist deine Mutti?’ We moesten naar mijn moeder en zij heeft op de naaimachine de winkelhaak in de jas van de Duitse officier gerepareerd. Dat was een van de heftigste dingen die ik heb meegemaakt in de oorlog.’

Wat deden jullie in de vrije tijd?
‘Wij waren vooral aan het voetballen met zelfgemaakte voetballen. Want er was weinig te krijgen. Wij maakten die voetballen van in elkaar gefrommeld krantenpapier en elastieken van de weckpotten. Die weckpotten werden gebruikt om groente langer houdbaar te houden. Als er geen verse groente meer verkrijgbaar was, kon je uit de weckpotten eten.

Mijn broer had als grote uitzondering een leren voetbal gekregen van mijn vader. Maar dit was uniek in Eindhoven! Naast het voetballen hielden we ons bezig met tollen, repen met een fietswiel, schieten met pijl en boog of met een katapult. Ook dat moest je allemaal zelf maken, want er was niks. Er was niks te koop, of je kreeg bonnen waarmee je wat kon kopen.’

Wat heeft veel indruk op u gemaakt?
‘Toen de Duitsers waren verdreven, kwamen de Engelse bevrijders en zij sloegen hun tenten op in het Stadswandelpark. Gedurende een aantal weken reden ze met militaire voertuigen over de Aalsterweg van Valkenswaard naar Eindhoven en terug om al hun materieel op te halen. Ik stond dan met mijn hondje langs de kant van de Aalsterweg te kijken naar die militaire voertuigen. Plotseling stopte zo’n voertuig vlak voor onze winkel, de klep ging open en er kwamen allemaal lekkere dingen uit. In de consternatie had mijn hondje zich weer los gerukt en voordat ik het in de gaten had, trok een van de soldaten het hondje in de auto. De deur ging dicht en ze reden weg en ik heb mijn hondje, mijn maatje, nooit meer teruggezien!’

 

School: De Hasselbraam

‘In één keer brak de hel los… echt de hel!’

Roos, Saar, Jasmijn en Fern zijn op bezoek bij Peter Buddemeijer (1936) in zijn appartement. Ze zitten op de school De Hasselbraam in Eindhoven en gaan hem interviewen over de oorlog. Hij kan heel gedetailleerd vertellen en ze weten na afloop nu ook wat de naam van hun school betekent.

Had u veel eten in de oorlog?
‘Wij kwamen in de oorlog niets tekort. Dat wil zeggen: ons gezin, dus mijn vader en moeder, mijn broertje en zusje en ik. Mijn vader was voor de oorlog slager en kon dus dieren slachten. Dat deed hij in de buurt. Dan vroegen de mensen: Toon, wilde gij slachten? Als hij klaar was, wilde hij geen geld maar een gedeelte van het vlees. We kwamen dus niks tekort, maar het eten was wel afgepast. Het brood was op de bon, we kregen niet meer dan vier sneetjes per persoon. Mijn ouders kwamen oorspronkelijk uit Eersel en zij kenden dus veel mensen in die buurt. Mijn vader ging regelmatig ‘de boer op’ om melk en graan te kopen. Als hij thuiskwam, moest ik in actie komen. Met zo’n ouderwetse koffiemolen moest ik het koren malen, net zolang totdat ik 1 kilo meel bij elkaar had.

Mijn vader was voor d’n duvel niet bang, maar mijn moeder had juist heel veel schrik. Vooral als mijn vader weer eens op strooptocht was. Mijn moeder moest ook af en toe mee om het stuk vlees op te halen, als hij bij mensen had geslacht. Dan namen ze mijn zusje mee, die nog een baby was. Mijn zusje lag in de kinderwagen. Onderin de kinderwagen had mijn vader een luikje gemaakt en daar stopten ze dan het stuk vlees in. Luikje dicht en dan mijn zusje daar weer bovenop. Zo hadden de Duitsers niet in de gaten dat ze eigenlijk vlees aan het smokkelen waren.’

Kunt u iets vertellen over het Sinterklaasbombardement?
‘Vroeger werd Sinterklaas ’s morgens op 6 december gevierd, zo ook die keer in 1942. Mijn broer en ik kregen samen een toverlantaarn, waarmee je plaatjes op de muur kon projecteren. Wij waren er reuze blij mee! Er stonden ook twee cyclamen op tafel en die waren voor oma. ’s Middags ging mijn vader die cyclamen naar oma op de Hoogstraat brengen, samen met mij en mijn broertje. Ik zat achterop de fiets en mijn broertje zat voor in het stoeltje. Wij kwamen bij de spoorwegovergang bij de Demer, maar die was dicht. We moesten heel lang wachten, want we konden niet met de fiets en al over de voetgangersbrug. In één keer brak de hel los… echt de hel! Vanaf de kant van het PSV-stadion kwamen heel veel Engelse vliegtuigen, Spitfires en Mosquito’s. Dat zijn bommenwerpers. Ze wierpen die bommen op de Philipsfabrieken vlak voor onze neus. Op de lichttoren stonden mitrailleurs opgesteld van de Duitsers en die begonnen te ratelen. Ze schoten op die Engelse vliegtuigen. Daar stonden wij vlakbij. Mijn vader liet zijn fiets vallen, wij lieten onze bloempotten vallen en we plasten van schrik in onze broek. Het waren fosforbommen en overal waar ze vielen begon het te branden. We konden schuilen in een huis in de buurt. Daarna kwam de tweede golf van vliegtuigen. Omdat de vliegtuigen heel laag vlogen, was er geen alarm afgegaan. Door die bombardementen wilden de Engelsen de Philipsfabrieken uitschakelen, zodat ze geen oorlogstuig meer konden maken. Daarom hadden ze de zondag uitgekozen om te bombarderen. Maar toch zijn er veel burgerslachtoffers gevallen. Toen de aanvallen voorbij waren, gingen we naar huis. Zonder fiets, zonder bloemen. En die toverlantaarn… die hebben we nooit meer gebruikt.’

Hadden jullie Joodse onderduikers in huis?
‘Ja, in de oorlog hadden wij Joodse onderduikers in huis. Mijn vader was niet bang. Door die onderduikers in huis te halen, riskeerde hij de doodstraf. Ik wist niet dat wij onderduikers in huis hadden, want onze ouders hadden ons niets verteld omdat ze bang waren dat wij ons misschien zouden verspreken. Vroeger hadden veel huizen een afgesloten trap naar de zolder en dat was bij ons ook zo. Voordat die onderduikers er waren, speelden wij wel eens op de zolder, maar ineens was de deur op slot. Onze ouders zeiden: Als je iets hoort op zolder, zullen het wel pieten zijn’. En wij geloofden toen nog vast in Sinterklaas, dus wij vroegen niet verder. Mijn ouders waren bang dat de buren iets zouden horen. Dat waren NSB’ers en dan zouden ze verraden worden. Op een gegeven moment heeft mijn vader de onderduikers naar een ander adres gebracht want mijn moeder leefde constant in angst. Gelukkig heeft dit Joodse gezin de oorlog overleefd.’

Hoe was het om met paard en wagen naar Waalre te gaan?
‘De bevrijding begon op 17 september 1944. De lucht zag zwart van de vliegtuigen. Wij zagen ze overkomen. Ze landden op de Sonse Heide en uit die vliegtuigen kwamen soldaten en militaire voertuigen. Op 18 september was de bevrijding. Ik was de hele dag op de Boschdijk, want daar kwamen de voertuigen en de soldaten overheen. Op Vlokhoven is flink gevochten. De Amerikaanse soldaten strooiden koekjes en wij maar graaien natuurlijk. Ik leerde mijn eerste Engelse woordjes: please, biscuits en cigarettes for papa. Toen ik thuiskwam zei ik tegen mijn moeder: Ik heb een zwarte piet gezien, die soldaat is. Ik had voor die tijd nog nooit een zwarte man gezien…

Op 19 september waren er grote feesten op de Markt in Eindhoven. Rond 20.00 uur kwamen er oranje bollen uit de lucht vallen. Mensen dachten dat het vuurwerk was, maar het waren lichtkogels en 15 minuten later vielen er ineens heel veel Duitse bommen uit de lucht. Onze straat, de Lijmbeekstraat, stond vol met Amerikaanse auto’s die benzine vervoerden. Wij waren bang dat er een bom op zou vallen. De volgende morgen was het puin ruimen. Er was een gerucht dat de Duitsers ’s avonds weer zouden gaan bombarderen en daarom zijn er veel mensen gevlucht uit Eindhoven. Wij ook. We mochten op de kar van de schillenboer, met een paard ervoor. En zo kwamen wij in Waalre terecht, bij een boer, en daar mochten wij in de stal slapen, in het hooi. Als kinderen vonden we het wel leuk, we hadden een vakantiegevoel. We bleven daar drie nachten en toen konden we terugkeren naar ons huis in Eindhoven.’

School: De Hasselbraam

‘Ik hoorde de knallen, maar ben niet gaan kijken’

Het is maar een klein stukje lopen van basisschool De Hasselbraam naar het complex waar Mientje van den Nieuwenhof-Hendriks woont.  Buiten is het fris herfstweer, maar binnen is het warm en zit Mientje al op Eline, Janna, Ruben en Valentijn uit groep 8 te wachten. Het is voor het eerst dat de 94-jarige meedoet met Oorlog in mijn Buurt. Ze noemt zichzelf een kletskous en vraagt al snel: ‘Hebben jullie ook vragen voor mij?’ Dat hebben ze.

Was u bang in de oorlog?
‘Toen de oorlog begon, was ik niet bang. Ik herinner me dat we eten gingen halen bij een boer in Vessem. Dat is wel vijftien kilometer van de Jan Hollanderstraat, in de wijk Gestel, waar ik met mijn ouders en zes broertjes en zusjes woonde. Maar de boer kon niet alles meegeven. Hij moest ook verplicht eten aan de Duitsers geven. We kregen dan geen groente mee, maar wel brood. Ik was de oudste thuis en mijn vader zei me op de uitkijk te gaan staan. Hij zou dan stiekem de groente uit het veld snijden. Dat mochten we thuis niet zeggen, want van moeder mochten we niet stelen. Toch hebben we nooit honger gehad. Mijn opa en oma hadden ook een boerderij. Zij namen fruit voor ons mee. Ze hadden ook varkens.’

Hadden jullie wel eens honger?
’Nee, honger hebben we niet gehad in de oorlog. We hadden wel weinig kolen. Ook daarvoor ging ik met mijn vader op pad. Bij het spoor van de treinen lagen kolen. Op een dag gingen we daar kolen stelen, maar we werden betrapt door een jong soldaatje. “Terugleggen!” riep hij en gebaarde dat we weg moesten wezen. Als het een oudere soldaat was geweest, had hij ons misschien wel doodgeschoten. Maar ze waren niet allemaal slecht. Sommige soldaten wilden hier ook helemaal niet zijn. Toen later, tijdens de wisseling van de wacht, er korte tijd niemand stond, is mijn vader teruggegaan en heeft hij alsnog een zak kolen gestolen.’

Wat is het ergste dat u in de oorlog heeft meegemaakt?
‘Omdat er thuis te weinig geld was, moest ik op mijn veertiende gaan werken. “Ga maar naar Philips,” zei mijn vader. Ik vond het er vre-se-lijk. Je moest alles zo vlug doen. Mijn vader had gezegd dat ik in de pauzes binnen moest blijven. Gelukkig maar. Op een dag stonden een paar mensen buiten een sigaretje te roken. Er kwamen Duitsers aan en die zeiden dat ze hun pas moesten inleveren. Daarna werden ze doodgeschoten. Ik hoorde de knallen, maar ben niet gaan kijken. Dat is het ergste dat ik in de oorlog heb meegemaakt. Al gauw daarna heb ik ontslag gevraagd, omdat mijn moeder, die in verwachting was, me thuis nodig had. In huis werken vond ik wel fijn.’

Hoe was de bevrijding?
‘Het was een roerige periode. Ik zag wel vliegtuigen laag over komen, maar van de bombardementen heb ik niet veel gezien. We moesten ook een keer naar een schuilkelder. Toen de bevrijders door de Genneperweg reden, was ik zestien. Wat was ik blij, en dankbaar aan de bevrijders! Je mocht weer van alles, je mocht weer dansen. Mijn vader zei: “Je gaat niet uit met een soldaat, hoor.”  Ze mochten wel thuis op bezoek komen. Dat vonden ze fijn. Ze waren toch ook ver van huis, die jongens. Ze namen dan een blikje worst of een pakje sigaretten mee. En ook al konden we elkaar niet verstaan, toch was het gezellig. Met handen en voeten kwamen we er wel uit. Dat was echt een leuke tijd. Een keer wenkte een Engelse soldaat naar mij, hij wilde me een reep geven. Eerst ging ik niet naar hem toe, want mijn vader had me gewaarschuwd om voorzichtig te zijn. Toen toch, voor de reep. Een andere keer hielp een soldaat me met een ring die te strak om mijn vinger zat. Hij haalde een tangetje en knipte de ring van mijn vinger. “Mag ik die ring houden,” vroeg hij. Later zag ik hem nog eens toen er vanaf een wagen naar me gezwaaid werd. “Kijk ik heb je ringetje nog!” riep hij al zwaaiend.’

 

School: De Hasselbraam

‘Het NSB-gezin wilde instappen, maar moest in de aanhanger’

Op een regenachtige dinsdagochtend interviewen Stijn, Billy, Liv en Jake van basisschool De Hasselbraam Paul van de Grinten over zijn jeugd tijdens de oorlog. Hij was zes jaar toen de oorlog begon. Zijn ouders hadden aan de Hertogstraat een bakkerij. Hun huis is tijdens de bombardementen van 19 september 1944 verloren gegaan. Deze en andere gedetailleerd vertelde gebeurtenissen uit een tijd die “misschien niet normaal, maar zeker niet altijd angstig was” maken indruk op de kinderen.

Hoe was het om met voedselbonnen te leven ?
‘Met voedselbonnen kon je eten kopen. Dan kreeg je bonkaarten thuisgestuurd. Daarop stond een nummer en een datum van wanneer tot wanneer je met de bon iets kon verkrijgen. In de krant stond ook elke week welke bonnen geldig waren. Met die bon en geld kon je dan naar de winkel om het te halen. De winkelier moest die bonnen tonen als hij meel en gist wilden inkopen. Afhankelijk van hoeveel brood hij verkocht had, kon ie weer meel en gist inkopen om nieuwe broden te bakken. Alles in de oorlog werd hergebruikt en opgemaakt. Er was veel ruilhandel. Mensen ruilden alles tegen eten en bonnen. Mijn ouders hadden een bakkerij, dus honger heb ik nooit gehad tijdens de oorlog. Mijn vader hoefde dan ook niet te werken voor de Duitsers, want een bakkerij verzorgde de eerste levensbehoefte.’

Had u Joodse vrienden?
´Ik kende geen Joodse kinderen. In de Hertogstraat had je wel een pleintje met allemaal doodlopende straatjes en daar woonden een paar Joodse families die op een gegeven moment weggevoerd waren, maar daar heb ik geen herinnering aan. Later werden er NSB’ers in hun huis gezet. We speelden niet met de kinderen, want NSB’ers waren landverraders. Na de oorlog werden die NSB’ers opgehaald. Ik herinner me dat nog; op bevrijdingsdag door een auto met aanhanger van de PAN. Het gezin wilde in de auto stappen. Maar dat mocht niet. Ze moesten in de aanhanger. Hun radio mocht wel op de achterbank. Ze zijn naar een school aan de Gestelsestraat gebracht. Ook hun mooie dochter Corry, die ze de Moffenhoer noemden. De dag dat alle NSB’ers opgehaald werden, wordt Bijltjesdag genoemd. De dag dat er wraak werd genomen.’

Wat deed u als het luchtalarm afging?
‘Dan verzamelden alle buren zich in de schuilkelder onder de bakkerij. Er kon wel een man of dertig in. Er zaten mensen te bidden, te praten; al je vriendjes en vriendinnetjes uit de buurt waren er. Een chaotische toestand in zo’n schuilkelder, maar het voelde vertrouwd. De vliegtuigen vlogen vanuit Engeland via Zeeland en dan was het maar afwachten of ze doorvlogen naar Eindhoven. Maar dat hoorde je gauw genoeg. En als er ergens een bom viel ook. Vaak wachtten we tot de volgende ochtend en dan gingen mijn vriendjes en ik bomscherven zoeken en raapten we de reepjes zilverfolie op die gebruikt werden om de bommenwerpers in verwarring te brengen doordat het licht op de vliegtuigen weerkaatste.’

Hoe vond u het om te zien dat er Duitsers doodgeschoten waren? 
´Oh, dat was fijn. Heerlijk! Je moet je voorstellen; je bent tien jaar en alle gesprekken tussen volwassenen gaan over ‘de Duitsers’. Dat was de vijand. Dus nee, dat vonden we niet erg of eng. Ik heb nog meegemaakt, dat was op 17 september 1944, dat de parachutisten bij Son naar beneden kwamen. De Duitsers vluchtten, want die wisten al dat ze het niet zouden redden. Toen kwam een vrachtauto vanuit de Jan Smitzlaan met twee of drie Duitsers erin en die zijn door een Amerikaanse parachutist, die in het schuttersputje in ons steegje verstopt zat, neergeschoten. De Duitse soldaten lagen dood op straat bij het benzinestation, dat toen nog op de hoek van de Hertogstraat stond. Het was net voordat de Engelse troepen binnen kwamen rijden. De NSB’ers uit onze straat legden een laken over de dode Duitsers. Mijn vriendjes en ik trokken eventjes het laken omhoog. “Ze zijn echt dood,” zeiden we. We vonden dat niet eng maar vooral spannend en avontuurlijk. Het was eigenlijk heel gewoon.’

Wat herinnert u zich nog van het bombardement op 19 september?
‘Rond een uur of zeven ‘s avonds zagen we ineens lichtkogels. Iedereen dacht dat het vuurwerk was. Maar het waren de Duitsers die gingen bombarderen. De hele buurt kroop in de schuilkelder bij de bakkerij. Er barstte een groot lawaai los. Een bom werd op een colonne munitiewagens, die op de hoek van de straat stonden, gegooid. Om de beurt vlogen alle wagens de lucht in. Het lawaai leek eindeloos te duren. Uiteindelijk zijn we allemaal de kelder uitgevlucht. Door de achtertuinen en over schuttingen kwamen we op de Stratumsedijk terecht. Je kon niet gewoon door de Hertogstraat lopen; daar stond alles in brand. Ons hele huis is afgebrand. We zijn door de Rochusstraat naar de Tuinstraat gelopen en daar een huis binnengegaan. Daar hebben we de hele nacht op de grond geslapen. Daarna logeerden we bij familie aan de Heezerweg. Eind november kregen we een huis op het Hertog Hendrik van Brabantplein. We hadden niets meer. Meubels en zo kon je ook niet kopen toen. We kregen meubels uit huizen die verlaten waren door Duitsers en NSB’ers. De bakkerij en de keuken waren gelukkig niet afgebrand. Zo konden mijn ouders toch weer brood verkopen.’

School: De Hasselbraam

‘Je beseft op die leeftijd niet waar je mee bezig bent’

Janne, Elena Mees en Raphael bezoeken op een zonnige dag Jaap de Kok. Hij woont op de dertiende verdieping van een woontoren en het uitzicht is adembenemend. Jaap kan veel vertellen over de oorlog, die hij meemaakte toen hij net zo oud was als de kinderen. Jaap woonde toen samen met zijn ouders en zeven broers en zussen aan de Geldropseweg. Na het interview laat Jaap zijn stenenverzameling zien. De kinderen mogen alle drie een steen uitkiezen. Die zullen ze altijd bewaren en zal hen herinneren aan zijn indrukwekkende verhaal.

Herinnert u zich het begin van de oorlog nog?
‘Ik herinner me dat op een ochtend Nederlandse militairen met paard en wagen over de Geldropseweg gingen. Er reden ook grote gaarkeukens, met eten voor de soldaten, mee. ‘s Middags kwamen de Duitse militairen langs. Ze waren zeer gedisciplineerd en erg moe. Als ze de kans kregen, stalen ze fietsen. Mijn vader had zijn fiets onder bed verborgen. Een van de Duitsers kwam bij ons binnen. “Wasser, Wasser,” zei hij. Mijn moeder wist niet wat hij bedoelde, ze dacht dat hij naar het toilet moest. Maar hij zag een keteltje water op de kachel staan. Dát had hij nodig, voor de radiator van zijn auto. Dat was de eerste kennismaking met de oorlog.’

Hoe was het leven in de oorlog?
‘We gingen gewoon naar school en deden allemaal leuke dingen. Je zag van alles, maar je besefte als kind niet dat het oorlog was. Wel moesten we onze mond houden over de onderduikers bij ons thuis. Naast ons woonden Duitse officieren. Als ik dan ‘s avonds, in het donker, met de onderduiker ging wandelen, moest ik papa tegen hem zeggen. Wat ik merkwaardig vond was dat mijn vader bij thuiskomst meteen naar de slaapkamer ging. Om zich om te kleden, zei hij. Ik dacht: er klopt iets niet. Toen ben ik aan het zoeken gegaan en vond in de kleerkast de radio, waar hij dus stiekem naar luisterde. Dat hij ook in het verzet zat, wist ik toen niet. Hij hielp Joodse mensen in Den Haag aan bonnen en had een verzetskrantje. Na de oorlog kwam ik daar pas achter. Wij kinderen wisten tot die tijd niets, zodat we onze mond niet voorbij zouden praten’.

Wat speelde u in de oorlog?
‘Voor de oorlog bouwde ik hutten en speelde ik op het veld. We zwommen in het kanaal en maakten vuurtjes buiten. In de oorlog was vlak bij ons huis de militaire dump. Dat was feest voor mij. En heel gevaarlijk. Op de dump stonden tanks. Nog gaaf, alleen de banden waren kapotgeschoten. En er lag ontzettend veel munitie waar ik ook mee speelde. Je beseft op die leeftijd niet waar je mee bezig bent. Hoe gevaarlijk dat kon zijn. Ik heb een keer een mitrailleur en een geweer meegenomen. Dat was niet zo leuk voor mijn ouders. Dat zijn van die spannende momenten waarvan je later zegt: hoe heb ik het toch kunnen doen. We hadden ook een munitiekist met kogels. Dan haalden we de punt van een kogel en gooiden het kruit in een bus. Die bus werd met Oud en Nieuw met een schoenveter aangestoken. We zijn er gelukkig goed mee weg gekomen.’

Wat maakte het meeste indruk op u?
‘Op een dag viel een brandend vliegtuig vlak over ons huis naar beneden. Het was een viermotorige bommenwerper. Ik ben toen naar de plek waar die was neergestort gegaan en heb van alles meegenomen. Een laars en koptelefoons en nog meer dingen uit de cockpit. Jaren later ben ik door iemand die een boek over de oorlog maakte geïnterviewd hierover. Hij zocht uit wie de piloot van dat vliegtuig was. Hij vond zijn familie en zo kreeg ik jaren later een foto van de piloot onder ogen. Ik was zo onder de indruk op dat moment, dat zo’n jongeman ons had proberen te bevrijden. Dat dat de piloot was die ik dood in het vliegtuig had gezien. Ik stond hier als kind niet bij stil toen ik dat neergestorte vliegtuig zag.’

Wat herinnert u zich nog van de bevrijding?
‘Dat er Canadezen in ganzenpas over de Geldropseweg kwamen. In tegenstelling tot de Duitsers hoorde je hen niet, omdat zij rubberzolen onder hun laarzen hadden. Er zaten enkele Duitsers in het kasteel aan de Geldropseweg. Die hebben zich toen overgegeven. De volgende dag, de dag dat de Duitsers terugkwamen en Eindhoven bombardeerden, ging ik naar de boer om melk te halen. Toen ik terugkwam zaten er vlak bij ons huis twee Duitsers met de mitrailleur gericht op de binnenstad van Eindhoven. Ik werd aangehouden en ze vroegen wat ik in mijn tas had. Ze keken erin en zeiden: “Schnell, weiter!’ Snel rende ik naar huis, waar ik mijn ouders vertelde dat er allemaal Duitsers in de straat waren. Daar schrokken ze van want Eindhoven was net bevrijd. Vlak daarna vlogen er opeens allemaal granaten over ons heen. We waren heel bang maar mijn vader zei: “Zolang je ze hoort fluiten, is er niets aan de hand”. We gingen toen toch naar de schuilkelder. Maar ik, eigenwijs als ik was, had geen zin om daar te blijven en ging buiten kijken naar de lichtkogels. Opeens kwamen er bommenwerpers recht op me af. Er kwamen bommen uit en die vielen achter de schuilkelder. “Er vallen bommen!, Er vallen bommen!” riep ik. Maar mijn familie in de kelder geloofde me niet. Een paar dagen later werden drie bommen vlak bij de schuilkelder gedemonteerd. Ik vroeg of ik er eentje mee mocht nemen. Dat mocht, want hij was gedemonteerd. Thuis liet ik hem zien en zei ik: “Zie je wel dat ik bommen heb gezien!”’

School: De Hasselbraam

‘Alles wat Duits was, deugde niet voor mijn vader’

Noor, Lux en Luuk van basisschool De Hasselbraam hebben de vragen voor Cor Sprengers goed voorbereid en willen alles weten over het Sinterklaasbombardement en hoe het is om een onderduikster in huis te hebben. Meneer Sprengers vertelt graag en de verhalen maken indruk op de kinderen.

Wat herinnert u zich nog van het Sinterklaasbombardement?
‘Op 6 december 1942 was ik samen met mijn broer op de zondagsschool. We zongen ‘Er ruist langs de wolken‘ toen de bombardementen op de Philipsfabrieken begonnen. Onze school was daar niet ver vandaan. Toen we de school uitkwamen, was er overal brand. We zagen mijn vader die ons zocht en mee naar huis nam. Vanaf ons huis konden we de stad zien branden. Onze buren hebben Duitsers uit brandende torens zien springen. Dat maakte wel indruk.’

Wat vond u ervan dat uw vader in het verzet zat? Was u niet bang?
‘Voor mijn ouders was het je burgerplicht om mensen te helpen, ze vonden dat niet bijzonder. Als kinderen wisten wij heel goed wat er aan de hand was, maar we waren ook nog kind. Ik was dus niet heel erg bang. Ik herinner me dat mijn moeder mijn vader altijd aan de kant trok als er Duitsers langsliepen. Hij werd dan  spierwit en wilde hen uitschelden. Hij had ook zoveel meegemaakt tijdens de bombardementen in Rotterdam. Alles wat Duits was deugde niet.’

Hoe is tante Mientje bij jullie in huis gekomen?
‘In 1943 kregen we ineens een logé, tante Mientje. We mochten aan niemand vertellen dat zij bij ons in huis was. De vitrage was daarom altijd dicht en als er mensen langskwamen, snelde tante Mientje direct naar boven. Tante Mientje was eerst ergens anders ondergedoken, maar daar was ze niet veilig meer, ze was daar bijna opgepakt. Ze deed toen alsof ze zich aan het omkleden was. Daardoor durfden de Duitsers niet haar kamer binnen te komen. Tante Mientje zag er heel Joods uit, dus ze heeft veel geluk gehad. Na de bevrijding is moeder samen met haar voor het eerst na lange tijd naar buiten gegaan. Dat was heel gek voor haar.’

Hoe bereidde u zich voor op de oorlog?
‘Niet. Als kind overkwam je dat. Mijn ouders wisten heel goed wat er aan de hand was. En toen het eenmaal oorlog was, hebben we ons zo goed mogelijk aangepast. Mijn vader wist wel wat er aan de hand was. Daarna was het een kwestie van aanpassen en zorgen dat je van de toestanden wegbleef. In het begin woonden we in Zeist. Het heeft ruim twee maanden geduurd voordat we terug naar Eindhoven konden. Alle bruggen waren nog kapot, waardoor we iedere keer met een bootje de rivieren overgezet werden. Maar dat was toen gewoon zo.’

School: De Hasselbraam

‘“Gerard, je moet even naar buiten komen,” zei de meester’

Als Olivia en Filip van De Hasselbraam binnenkomen bij Gerard van Iersel worden ze hartelijk verwelkomd. De leerlingen zitten op school in de wijk waar hij vroeger woonde. Veel plekken uit de stad waar Gerard over vertelt zorgen zo voor herkenning bij hen. Na het interview gaan ze met handen vol lekkers naar huis; toegestopt door Gerard. Hij was zes jaar toen de oorlog begon, de een na jongste in een gezin met zes kinderen en woonde toen op de Stratumsedijk. Zijn vader had een klokken-/horlogewinkel.

Herinnert u zich het begin van de oorlog?
‘Ik merkte als kind wel dat het veranderde toen de oorlog begon. Mijn vader plakte op een dag de ruiten van de etalage vol met plakband. Ik zie het hem nog zo doen. Hij deed dat zodat het raam bij een bombardement niet uit elkaar zou springen. Dat is ook nooit gebeurd gelukkig. Ik weet ook nog dat ik boven met mijn jongste broertje in bed lag. Als er heel veel vliegtuigen over gingen, waren we heel bang. Of als de sirene afging. Dan renden we naar beneden. Mijn ouders waren dan meestal in de winkel en hadden het niet gehoord. We sliepen ook altijd met onze kleren aan, zodat we eventueel snel weg konden vluchten. Er stond voor dat geval altijd een koffertje met kleren voor ons klaar. We speelden met een groepje jongens vaak soldaatje. We maakten dan zelf geweren. Zo speelde je als kind de oorlog na.’

Zag u ook wel eens Duitse soldaten?
‘De Duitsers zaten in de eerste kazerne op de Oirschotsedijk. Eén keer in de maand, of paar weken, gingen die jonge jongens naar het zwembad. Dat was tegenover ons huis. Ze liepen precies in de maat van de muziek. In een hele lange rij zongen die honderdvijftig jongens dan het lied van ‘heidie-heido-heida’ terwijl ze langs ons huis marcheerden. Hun geweren zetten ze bij het zwembad per drie netjes tegen elkaar. Een van hen bewaakte dat; de rest ging lekker zwemmen.’

Hoe voelde u zich toen uw broer naar Duitsland moest?
Mijn grote broer was achttien. Hij zat bij de ondergrondse en was nooit bang. Na een bombardement ging hij de mensen helpen. Hij had dan een speciale jas aan en een helm op. Als hij dan thuis kwam, zat hij helemaal onder het stof. Op een dag zat ik op school – ik zat in de tweede klas bij meester Smits – toen er op de deur werd geklopt. De meester ging naar buiten, kwam terug en riep: “Gerard, je moet even naar buiten komen”. Daar stond mijn broer. Hij huilde. Ik had hem nog nooit zien huilen. Hij zei dat hij naar Duitsland moest om te werken. Ik moest erg huilen want mijn grote broer ging weg! Hij ging in de fabrieken waar ze geweren en munitie en zo maakten werken. Toen hij ziek werd, mocht hij tijdelijk naar huis. Hij is nooit teruggegaan, maar is ondergedoken in Lichtervoorde, dat is in de Achterhoek. Daar ging hij op het land werken. Hij had een onderduikersnaam, Piet van Kraal, en daarmee kon hij naar mijn ouders bellen. Hij kon niet zeggen waar hij was, maar zo hadden wij heel voorzichtig wat contact. Een keer moest hij daar wegvluchten, omdat hij werd gezocht, en toen is hij op een landmijn gaan staan. Hij was zwaargewond en moest in een ziekenhuis in Nijmegen geopereerd worden. Het Rode kruis bracht hem, helemaal in het verband, naar ons terug. Gelukkig heeft hij nog heel lang geleefd.’

Wat herinnert u zich nog van het Sinterklaasbombardement?
‘Ik zat voor het raam en heb het allemaal gezien. Er kwamen heel veel vliegtuigen vanuit Engeland om de fabrieken te bombarderen. De Duitsers stonden met hun afweergeschut op de Witte Dame naar die vliegtuigen te schieten. De bommen vielen en soldaten sprongen zo uit de gebouwen. De hele stad was daarna plat. De Demer, Van Pierre, alles was plat. Naast ons huis was een meubelzaak met achterin een grote loods met meubelvoorraad. Wij konden achterom daar naar binnen om te schuilen. De hele buurt zat daar. Ik had mezelf in een grote kast verstopt tot het niet meer gevaarlijk was.’

School: De Hasselbraam

‘We waren getraind om de onderduikers snel te verstoppen’

Trees Jansen was elf toen de oorlog begon. Ze woonde toen met haar ouders en acht broers en zussen aan de Lekstraat in Amsterdam. Een katholiek gezin in een Joodse buurt; achter hen woonde het gezin van Anne Frank. Vader Jansen was tijdens de oorlog werkeloos en zat bij het verzet. Ondanks alle risico’s deed het hele gezin hieraan mee. Zowel Joodse mensen als jongens die waren opgeroepen om te werken in Duitsland boden ze onderdak. Olle, Ysoie, Filiz en Kars hangen aan haar lippen en ze mogen haar alles vragen.

Wat kunt u vertellen over de Joodse gemeenschap in uw buurt?
‘Doordat er veel Joodse mensen bij ons in de buurt woonden, was er ook een synagoge, bij ons in de straat. Bij mij in het gebouw woonde de Joodse familie Barend. Hun dochter Hetty was mijn beste vriendinnetje. Ik mocht vaak met Hetty mee naar de synagoge op zaterdag en dat was altijd heel leuk. Op een dag moesten alle Joodse mensen van de Duitsers een Jodenster op hun kleding dragen. Hoe onnozel dat ik toen was, heb ik Hetty nog geholpen om die ster op haar jasje te naaien. Wij wisten niet wat er zou gebeuren. Uiteindelijk werden ze allemaal weggevoerd. Ze moesten verzamelen op het pleintje voor ons huis. Hetty en haar familie werden ook meegenomen. We hebben geen gedag gezegd; we dachten dat we elkaar snel weer zouden zien. De vader van Hetty heeft toen tegen mijn vader gezegd dat wij hun huis moesten leeghalen. anders zouden de NSB’ers dat doen. Dat hebben wij toen maar gedaan. Ik heb nog een kandelaar en ook een bestekset uit hun woning. Hetty heb ik nooit meer gezien. Ik heb gehoord dat haar naam op een steen op het Holocaust Namenmonument in Amsterdam staat.’

Wat deed uw vader bij het verzet?
‘We hadden onderduikers in huis. Dat regelde mijn vader. Als ik uit school kwam, waren er telkens weer nieuwe onderduikers. Joodse mensen en ook jongens die waren opgeroepen, maar niet voor de Duitsers wilden werken of vechten. Op de kamer waar ik met mijn vier zussen sliep, stond een speelgoedkast die tot aan het plafond reikte. Mijn vader had in de kast het plafond losgemaakt, zodat je zo naar een verborgen ruimte onder het dak kon klimmen. Daar verbleven de ondergedoken mensen als ze zich moesten verstoppen. Mijn zussen en ik waren getraind om snel het speelgoed uit de kast te halen, plafond eruit te halen, de onderduikers erin te laten, het plafond terug te plaatsen en het speelgoed weer in de kast te stoppen. Als er een razzia was, moest dat heel snel gebeuren. Er kwamen regelmatig Duitsers of NSB’ers in ons huis om te controleren of er niemand was verstopt. Dat was wel spannend. Ze hebben nooit iemand bij ons kunnen vinden. Verzet plegen was heel gevaarlijk. Maar op mijn leeftijd was ik me daar niet bewust van, al was een vriend van mijn vader die ook in het verzet zat opgepakt en doodgeschoten door de Duitsers. En vanwege de NSB’ers die in ons gebouw woonden, moesten we extra voorzichtig zijn. Ik moest elke week op mijn step de ‘Christofoor’ halen. Dat was een verzetskrant, dus hartstikke illegaal. Ik legde de kranten dan op mijn step en bezorgde ze zo bij alle huizen in mijn buurt. Ik was me niet bewust van het werkelijke gevaar dat ik liep door dit te doen, maar ik ben gelukkig nooit betrapt. Als er een razzia kwam, moest ik de verzetskranten thuis snel verbranden voordat ze werden ontdekt.’

Hoe was het leven tijdens de oorlog?
‘We moesten heel zuinig zijn. Er was een tijd geen licht en we hadden geen verwarming dus het was heel erg koud. Ook was er heel weinig te eten en ik moest altijd alles delen met mijn broers en zussen. In die tijd ruilde je veel en kocht je alles op de bon. Omdat hij bij het verzet zat, kreeg mijn vader extra bonnen om eten mee te halen. Hierdoor kwamen er ook altijd weer mensen met ons gezin mee eten. Mijn ouders hadden een wonderkacheltje gemaakt in huis. Daarvoor moesten we karton, dat we ook weer ergens konden krijgen, in hele kleine stukjes scheuren. Op dat kacheltje werd ook gekookt. Voor het licht had mijn vader ook een oplossing bedacht. Hij had een klein lampje boven de tafel gehangen en dat met een lange draad verbonden aan een fiets. De onderduikers kregen de taak om te fietsen, zodat wij onder het lampje ons huiswerk konden maken. Als iemand dan moe werd van het trappen, riepen wij met zijn allen: “doorfietsen!”

Hadden jullie genoeg te eten?
‘Tijdens de oorlog kregen mijn broers, zussen en ik allemaal één klein jampotje, waar we een hele maand mee moesten doen. De twee boterhammen die we per dag kregen, moesten we dus heel dun besmeren. Een van mijn zussen bewaarde het potje tot het einde van de maand. Als het bij iedereen al op was, zat zij lekker te eten met haar volle potje. Dan waren we natuurlijk allemaal hartstikke jaloers.
Tijdens de hongerwinter deden we van alles om aan eten te komen en aten we alles wat we konden krijgen. Zo bonden mijn zwager en broer een klein stukje brood aan een touwtje en gooide dit over het balkon naar de zeemeeuwen. Als er een zeemeeuw hapte, trok mijn broer heel handig aan het touw, pakte de vogel en draaide hem de nek om. We moesten de vogel dan plukken als een kip en dat aten we dan. Het was niet lekker en onze magen konden ook niet meer zo goed tegen dat vettige vlees. Mijn zussen en ik zijn ook nog een tijdje naar de Achterhoek gegaan om daar bij een boerenfamilie aan te sterken. Ik vond het daar vreselijk. Ik moest bij de dikke boerendochter in bed slapen en dat bed zal vol met vlooien. Toen ik daar weg wilde lopen, mocht ik naar een ondernemersgezin in Ruurlo. Daar vond ik het wel leuk. Ik mocht helpen in hun winkel en we aten gezellig met z’n allen gebakken aardappelen uit de pan.

Wat weet u nog van het einde van de oorlog?
’Van de Bevrijding kan ik me niet zoveel herinneren. Het bevrijdingsfeest was vooral in het centrum van de stad en daar kwam ik eigenlijk nooit. Ik leefde in mijn eigen driehoekje bestaande uit mijn huis, school en de kerk. Wel weet ik dat na de oorlog veel vrouwen die met Duitse soldaten waren opgetrokken kaalgeschoren werden, zodat iedereen kon zien dat zij verraders waren.’

School: De Hasselbraam

‘Ik schrok het meest van mijn vader die bang was’

Het regent pijpenstelen als Job en Andy vanaf De Hasselbraam naar het huis van Helly van Loon gaan. Hun klasgenootje Ella is ziek en kan helaas niet mee. Als ze het wooncomplex binnengaan, komen ze Peter Buddemeijer tegen, die ook al jaren verteller bij Oorlog in mijn Buurt is. Helly wacht de kinderen bij de deuropening op en verwelkomt hen hartelijk. Helly werd geboren op 1 september 1939, de dag dat de Duitsers Polen binnenvielen. Ze woonde toen met haar ouders, oudere broer en drie oudere zussen aan de Genestetlaan. Haar vader was Tsjechisch en werkte voor de Bata, waar hij later directeur werd.

Wat herinnert u zich nog van het Sinterklaasbombardement?
‘Ik was nog heel klein en was die dag met mijn vader wandelen. Ik moest dan altijd zijn pink vasthouden, zodat ik niet wegliep. We liepen bij de Tongelreep. Daar stonden grote populieren. Opeens vlogen er vliegtuigen over; heel laag, net boven de toppen van de bomen. Dat was een lawaai! Ik schrok verschrikkelijk. Maar ik schrok eigenlijk nog het allerergste van mijn vader. Want mijn vader was bang! Hij pakte me op en rende met me naar huis. Dat moment, en zijn angst, vergeet ik nooit meer. Mijn zussen waren op de zondagschool in de Ten Hagestraat, vlak bij de Catharinakerk. Tijdens het bombardement viel daar het orgel naar voren en zo naar beneden. Ook boekhandel Van Pierre was geraakt en stond in brand. Mijn tante is op de fiets gesprongen om mijn zussen op te halen. Ze ging dwars door de stad, tussen al die brandende gebouwen. Ze zag allemaal bebloede en huilende mensen.’

Wat herinnert u zich nog van de bevrijding?
‘Dat de tanks hier over de Aalsterweg Eindhoven binnenkwamen. Mijn moeder, die net aardappeltjes aan het bakken was, heeft toen het gas uitgedraaid, mijn broertje in de kinderwagen gezet en is met mij aan de hand naar de Stratumsedijk gerend om de tanks te zien. Er werd gejuicht en gejubeld. Mensen zaten op de tanks. Het was feest! Al snel konden de tanks niet verder omdat de route naar het noorden van Nederland versperd werd. Zo konden ze bij Best niet direct het kanaal over, omdat de bruggen daar opgeblazen werden door de Duitsers. Die hebben daar nog flink gevochten tegen de Engelsen en Amerikanen aan de andere kant van het kanaal. De Bata schoenenfabriek, waar mijn vader directeur was, lag daar aan het kanaal. Op een nacht zijn een paar Duitse soldaten stiekem met een bootje over het water gevaren en hebben er schoenen gepikt. Mijn vader ging daarop met een bootje naar de overkant, naar de Duitse commandant, en zei hem wat de soldaten hadden gedaan. Die commandant vroeg hem of hij er alsjeblieft geen werk van wilde maken. “Anders moet ik hen doodschieten”. Op diefstal kon de doodstraf staan bij de Duitsers. Hij gaf mijn vader twintig gulden voor de gestolen schoenen. Wij zijn later in Batadorp gaan wonen, in de buurt waar gevochten is. Daar zag je op de hei nog veel graven van onbekende soldaten en uitgebrande tanks. Je mocht daar niet komen, omdat er landmijnen lagen, achtergelaten door de Duitsers. Soms gingen kinderen daar toch stiekem spelen. Een jongen uit mijn klas is daarbij zijn oog verloren, toen hij op een landmijn stapte.’

Wat herinnert u zich nog van het bombardement op 19 september?
‘Dat was de tweede dag van de bevrijding. We waren allemaal buiten op straat aan het feest vieren en spelen. Om een uur of acht waren er ineens allemaal oranje bollen aan de hemel. De kinderen riepen: “Oranje boven, Oranje boven!” Maar mijn vader, die het vanuit huis zag, klopte op het raam en riep: “Naar binnen! Naar binnen!” Hij wist dat het lichtkogels waren. Dat waren kogels die de Duitsers voordat ze gingen bombarderen afvuurden, zodat ze konden zien waar ze de bommen konden gooien. Wij zijn toen snel naar binnen gegaan en meteen door naar de tuin, waar mijn vader eerder een loopgraaf had gegraven. Om ons heen werden alle munitiewagens van de Engelsen gebombardeerd. Ik deed mijn vingers in m’n oren, want het was me een lawaai. Dat kun je je niet voorstellen. Verschrikkelijk! Toen mijn kleine handen moe werden, heeft mijn tante haar vingers in mijn oren geduwd. En zo ben ik in slaap gevallen. Midden in de nacht zijn we weer het huis ingegaan. Het kraakte overal van het glas. Alle ruiten waren gesprongen en dat glas was allemaal in het gras terechtgekomen en kraakte onder onze voeten, krsj, krsj. We deden heel zachtjes want we wisten niet of de Duitsers nog in de buurt waren. De volgende dag gingen mijn zussen en broer in de stad kijken wat er kapot was en bomscherven zoeken. Mijn broer vond een granaat. Hij vertelde het niet aan mijn ouders en nam het mee naar zolder om het daar uit elkaar te halen. Hij had hem in de draaibank gestopt en met een schroevendraaier probeerde hij hem te ontmantelen. KNAL! Dat gaf een ontploffing! Hij had een scherf in zijn been en moest geopereerd worden. Engelse en Amerikaanse chirurgen deden dat. Na de operatie ging er verband om, maar het bleef pijn doen. Toen bleek, dagen later, dat de scherf er nog inzat! Die domme verpleegster had de scherf mee verbonden. Hij heeft nu nog een enorm litteken op zijn been.’

Was u ook wel eens bang in de oorlog?
‘Ja. Op een dag liep ik met mijn vriendinnetje Philippine van school naar huis. Van de Akkerstraat naar school moesten we helemaal door de Elzent lopen. Op een veldje waren de moffenmeiden, die wij toen zo noemden, aan het exerceren. Een officier zei wat ze moesten doen. Ineens brulde hij iets in het Duits en de vrouwen richtten allemaal tegelijk hun geweer op ons. Ik deed het in mijn broek van angst. Ik was heel bang dat mijn moeder boos zou zijn, maar dat was ze gelukkig niet.’

School: De Hasselbraam

‘Ik miste mijn vader verschrikkelijk’

Julia, Luca en Lieve zitten alle drie op basisschool De Hasselbraam, tegenover de kazerne in de Tuinstraat waar Lies Vogels tijdens de Tweede Wereldoorlog woonde. Lies ontvangt de kinderen in de serre van haar huidige huis en zet hen wat lekkers voor. Dan begint ze te vertellen. Met haar 93 jaar kan ze zich nog veel herinneren van de oorlog. Ze was elf jaar toen het begon. Net zo oud als Julia, Luca en Lieve nu zijn.

Waarom ging uw vader naar Engeland?
‘Omdat hij bij de Marechaussee zat. Met andere militairen is hij aan het begin van de oorlog naar Frankrijk gelopen om daar mee te vechten. Onderweg hielp hij allemaal mensen. Een maand later staken ze over naar Engeland. Daar heeft hij in Londen heel erge bombardementen meegemaakt. Ondertussen wisten wij niet waar hij was. Dit was, naast de bombardementen, het ergste dat we meemaakten in ons gezin. Ik heb mijn vader jaren niet gezien. Ook kon je heel moeilijk contact met elkaar maken. Ik wist helemaal niet hoe het met hem ging. Een brief ging via via naar hem toe en was lang onderweg. Dan was nieuws al weer oud nieuws. Ik miste mijn vader verschrikkelijk.’

Hoe leefden jullie in de kazerne? 
‘Omdat we niet genoeg kolen hadden en niet alle kamers konden verwarmen, verbleven we in de keuken, waar een kacheltje was. Daar maakten we ook ons huiswerk bij een klein lampje, dat we ook nog van onder zwart hadden gemaakt, zodat er geen licht naar buiten kon schijnen. Dat was verboden. Eten haalden we bij de boer, op een gammel fietsje. Bij de groenteboer stond soms een lange rij. Als je dan aan de beurt was, kon het zijn dat alles al op was. We vermaakten ons met kaartspelletjes en gingen op tijd naar bed. Mijn broertjes sliepen samen op een kamer. Mijn moeder luisterde naar Radio Oranje. Ze zat dan met haar oor tegen de radio aan, anders kon ze het niet horen met ons spelend op de achtergrond.’

Hoe vierde u de bevrijding?
‘We gingen allemaal naar de stad om het te vieren. Het was één groot feest. Amerikaanse parachutisten landden in Son. Zij waren de eersten die binnenkwamen in Eindhoven. De volgende dag kwamen de Engelsen vanuit Valkenswaard over de Aalsterweg binnen. Zij hebben ons bevrijd. Wij gingen ze verwelkomen. Ik had een handtekeningenboekje bij me – dat had je in die tijd als meisje – en heb veel handtekeningen gekregen die dag. Mijn vriendinnen van school, en dus de soldaten, mochten haar of zijn handtekening erin zetten op de datum van hun verjaardag. Ik had ook handtekeningen van beroemde mensen. Elke bevrijdingsdag kwamen de Amerikanen naar Eindhoven om de bevrijding weer te vieren en wij hielden veel contact met hen. We werden ook een keer uitgenodigd om naar Amerika te komen. Dat heb ik gedaan en toen heb ik nog een aantal van deze soldaten ontmoet die hun eigen handtekening herkenden. Ik heb dit boekje goed bewaard.’

 

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892