School: De Hasselbraam

‘Toen brak de hel los! Echt de hel brak los’

Billie, Rebecca en Fen uit groep 8 van de Hasselbraamschool in Eindhoven brengen een bezoek aan meneer Peter Buddemeijer.  Hij was 4 jaar oud toen de oorlog begon en woonde toen in de Lijmbeekstraat in Eindhoven. Onder het genot van een drankje beantwoordt meneer Buddemeijer alle vragen over de oorlog. Hij vertelt zeer boeiend met een lach en een traan, iedereen is aan zijn lippen gekluisterd.

Hadden jullie Joodse onderduikers op zolder?
Ik moest met mijn broertje bijna altijd binnenspelen. Wij mochten bijna nooit naar buiten vanwege de veiligheid. We hadden wel een grote tuin waar we speelden. Als het te koud was, zei mijn moeder: ‘Ga maar naar boven toe’. Naar de zolder, bedoelde ze. En daar lag van alles, een viool en boeken van mijn vader, maar ook een beetje speelgoed. Mijn broer en ik vermaakten ons altijd daar. We hadden een overloop met een deur. Daarachter zat de trap naar de zolder. Op een dag was die deur op slot. Mijn moeder zei dat er zwarte pieten boven zaten. Daar waren we bang van. Wij geloofden dat je meegenomen zou worden in de zak van zwarte piet als je stout was geweest. Mijn moeder zei: ‘Wees maar stil, want die Pieten zitten boven en het is er niet een, maar wel twee of drie. Wees lief en blijf van de deur af.’
Toen de oorlog voorbij was en wij een beetje groter waren zeiden mijn ouders: ’Het waren geen zwarte pieten, maar twee Joodse mensen.’ Dat was heel spannend voor hen geweest. Mijn ouders riskeerde de doodstraf.’
Mijn moeder was vreselijk bang in de oorlog. Mijn vader was nergens bang voor. De Joodse mensen op zolder verstoppen, durfde hij dus ook. Ze hebben er een of twee maanden gezeten. Mijn vader heeft die meneer en mevrouw daarna naar een boer in Eersel gebracht. Daar hebben ze de oorlog overleefd. Toen de oorlog was afgelopen, zijn ze nog een keer bij ons geweest om te bedanken.’

Wat gebeurde er bij het Sinterklaasbombardement?
Toen had ik echt schrik. Sinterklaas werd vroeger op 6 december gevierd; de echte feestdag van de Heilige Nicolaas. Midden op tafel stond een Toverlantaarn voor mijn broertje en mij en er stonden twee cyclamen op de tafel met een briefje ‘voor oma’. Toen we hadden gegeten, zei mijn vader: ‘Jongens, we gaan die bloemen wegbrengen naar oma’. Oma woonde gelukkig ook in Eindhoven, in de Hoofdstraat. Mijn moeder en kleine zusje bleven thuis. Mijn broertje zat voorop in het kinderstoeltje en ik achter op de fiets. We moesten allebei een cyclaam vathouden. We kwamen op de Boschdijk bij een spooroverweg. De slagbomen waren dicht en dus moesten we wachten. Er stonden heel veel mensen; allemaal fietsers, niemand had een auto.’

Rond half een brak de hel Los! Echt de hel brak los.’

‘Van de kant van het PSV-stadion kwam een geluid, dat ik nog nooit had gehoord. Heel veel vliegtuigen kwamen zo laag over dat je de cijfers die erop stonden, kon lezen en de hoofden van de piloten kon zien. Ze lieten vlak voor onze neuzen allemaal bommen vallen, op de Phillips fabrieken was de bedoeling, maar veel vielen ernaast en ontploften.’
‘Op de Phillipstoren stond zwaar afweergeschut met een stuik of zeven Duitse soldaten erbij en die begonnen op die vliegtuigen te schieten en op de bommen die vielen. De soldaten werden door de luchtdruk naar beneden geblazen.  Er vielen bommen op de Demer, op de Phillipsfabrieken, op de Emmasingel, op de Witte Dame, op de Bruine Heer. En een heleboel vuur. Overal vuur, vuur, vuur. Een deel van die bommen waren fosforbommen en die fosfor brandt altijd. Alle mensen wilden vluchten. We zijn naar een paar huizen gelopen, naar een dokterspraktijk. Een paar sterke mannen trapte de deur in. Toen kwamen we met 25 tot 30 mensen in een gang. Het hout om de deur begon door de fosfor te branden. We moesten steeds verder naar achteren de gang in. Via een kapotgeslagen raam zijn we allemaal naar buiten gegaan.’
‘Mijn vader heef ons over de muur getild.  Het was een grote puinhoop! We zijn zonder fiets en zonder cyclamen naar huis gelopen. Toen we thuiskwamen, lagen de ruiten eruit en de voordeur stond open. Mijn moeder was met mijn zusje naar de buren gevlucht. De deur was door de luchtdruk van de ontploffende bommen naar binnen geduwd door het ijzeren slot heen.’

Hoe heeft u de bevrijding ervaren?
Op 17 september 1944 begon de bevrijding. Toen hebben we boven de keuken op het platdak gestaan. De lucht zag zwart van de Amerikaanse vliegtuigen. Allemaal Dakota’s. Ze landen op de Sonse Heide. Uit de vliegtuigen kwamen soldaten en voertuigen. Er waren veel parachutisten.’
Op 18 september kwamen de Amerikanen, die in Son geland waren, via de Frankrijkstraat en de Boschdijk, richting de stad. Op de hoek van de Boonstraat en de Boschdijk heb ik bijna drie dagen gezeten. ‘s Nachts niet natuurlijk en ik moest ook naar huis om te eten. De Amerikanen gooiden uit de tanks en de auto’s allemaal biscuits. Daarin zaten alle vitamines, die een mens nodig heeft. Ik propte alle koekjes in m’n zakken en achter m’n shirt. En iedere dag leerden we een aantal Engelse woordjes; ‘Please cigarette for papa’, ‘please chocolate’, ‘please biscuits’. Als ik dan veel koekjes had, rende ik vlug naar huis en kwam ik de buit afgeven aan m’n moeder. Daarna ging ik weer snel terug naar de Boschdijk. Dat heb ik op 18 en 19 september gedaan.’
Op 19 september waren er tot de avond nog steeds feestende mensen, maar toen kwam er een verschrikkelijk bombardement door de Duitsers. We zijn weggevlucht uit het huis naar Waalre met wat we konden dragen. We mochten meerijden met de buurman, met zijn paard en wagen. In Waalre hebben hebben we drie nachten in een veestal geslapen. De boerin heeft goed voor ons gezorgd. Toen konden we terugkeren naar huis.’
‘Op de Demer stond niet een winkel meer. Er waren alleen bomkraters’.

 

 

School: De Hasselbraam

‘Plas maar in de koektrommel’

Ian, Lyla en Mei uit groep 8 van basisschool De Hasselbraam in Eindhoven gaan op bezoek bij mevrouw Nel Machiels. Zij hebben zich goed voorbereid en onder het genot van een glaasje fris, branden ze los met hun vragen. Mevrouw Machiels heeft zich ook voorbereid door het een en ander op papier te zetten over haar ervaringen als kind in de tweede wereldoorlog.

Kunt u iets vertellen over het Sinterklaasbombardement?
Het Sinterklaasbombardement was op 6 december 1942. Ik weet het nog goed. Ik had van Sinterklaas een boek gekregen van Puk en Muk. En mijn vader was aan het voorlezen uit dat boek, toen het luchtalarm ging. Dan moest je naar de schuilkelder, maar wij hadden geen schuilkelder. Mijn vader schoof de zware eikenhouten eettafel onder het raam en daar gingen wij met zijn allen onder zitten. Mijn vader, moeder, mijn broertjes en ik. Toen het luchtalarm ophield, mochten we weer onder de tafel uitkomen en waren we opgelucht dat er bij ons niks gebeurd was.’

Wat is uw leukste herinnering van de oorlog?
De leukste herinnering is de bevrijding! Toen was het feest! Van alle kanten kwamen de soldaten, die ons kwamen bevrijden. De Amerikaanse parachutisten waren geland in Son. De Engelsen kwamen vanuit België en de Canadezen via Eindhoven. Het 101ste Airborne divisie kwam binnen en iedereen was uitgelaten. Met mijn moeder liep ik naar de Markt in Eindhoven. Daar was iedereen blij aan het dansen in een ronde kring.’
‘Na de bevrijding kregen wij Engelse soldaten in huis en dat vonden wij heel fijn, want dat waren onze bevrijders. Ik kreeg een keer een stukje chocolade van één van die soldaten. Maar dat mocht ik niet opeten. Dat moest ik mee naar huis nemen en op de boterham schaven. Dan had je tenminste wat beleg op je boterham.’

Is er iemand dood gegaan, die u goed kende?
Jazeker, mijn buurjongen. Na het bevrijdingsfeest op 18 september, zagen wij op 19 september allemaal oranje ballonnen in de lucht. Wij dachten dat het feestballonnen waren om de bevrijding te vieren. Maar dat was niet zo! De buurman waarschuwde ons dat we snel naar binnen moesten gaan, want die oranje ballonnen waren een voorbode van het Bevrijdingsbombardement door de Duitsers. Zij wilden zoveel mogelijk Engelse en Amerikaanse soldaten en hun oorlogsvoertuigen treffen. Wij gingen snel naar binnen en zijn toen onder de eettafel gaan zitten. Ik moest naar de wc, maar ik mocht niet onder de tafel uit. ‘Plas maar in de koektrommel’, zei mijn vader, maar dat wilde ik niet, want dan zou ik nooit meer koekjes lusten als we bleven leven. Dat koektrommeltje heb ik nog steeds.’
Bij het Bevrijdingsbombardement zijn veel inwoners van Eindhoven omgekomen. Bij ons in de straat waren zeven mensen getroffen. Mijn buurmeisje had een scherf in haar been en we zijn met haar naar de EHBO-post gegaan in het Villapark. Daar hebben ze die scherf uit haar been gehaald. Toen we terugkwamen bij haar thuis, lag haar broer Jan in de woonkamer te sterven. Hij was ernstig gewond geraakt door het bombardement en ik zie hem nog steeds in de kamer liggen. Hij heette Jan van der Linden en zijn naam staat nu op een monument op het Stadhuisplein in Eindhoven.’

School: De Hasselbraam

‘Moeders gaven in Amsterdam hun kinderen mee’

Mevrouw Betty van Galen was 5 jaar oud toen de oorlog begon. Ze woonde niet in Eindhoven maar in Lemmer, Friesland. Ze is de dochter van een brandstoffen- en steenkolenhandelaar. Daarom waren ze het enige gezin uit de straat dat door de Duitsers niet hun woning werden uitgezet tijdens de bezetting. Ze woonden in een huisje op de dijk aan het IJsselmeer, waar dagelijks de boot aanmeerde uit Amsterdam. Bastiaan, Pepijn en Wies uit groep 8 van basisschool de Hasselbraam uit Eindhoven interviewen mevrouw Van Galen.

Wat herinnert u zich nog van de oorlog?
‘Ik weet dat er weinig auto ’s waren. Alle huizen werden opgeëist door de Duitsers. De Duitsers herinner ik me als aardige mensen, die van Hitler de oorlog in moesten om te vechten. Lemmer ligt recht tegenover Amsterdam, wij hadden redelijk goed te eten, er kwamen veel mensen uit Amsterdam, die weinig tot niets te eten hadden. Die mensen staken bij ons het IJsselmeer over om eten te bemachtigen.  Bij ons in het dorp was een gaarkeuken. Alles was op de bon in die tijd. Je moest naar de bakker, groenteboer, melkboer. Er was geen supermarkt, waar je alles tegelijk kon kopen. De Duitsers hadden ook de school ingenomen, dus we hadden maar af en toe les.’
‘Met name aan het einde van de oorlog werd er regelmatig gevochten in ons dorp.
‘Wij hadden niet zo ’n groot huis, mijn zus en ik sliepen samen in een bed. Familie uit Noord-Holland wilde bij ons wonen, omdat er bij ons nog wel eten te koop was. Mijn moeder kon dat heel goed klaarmaken. We hebben niet echt hongernood gehad in Friesland. De Duitsers, die naast ons woonden, hadden de kelder vol met kur liggen. Dat is een soort desembrood dat lang houdbaar is. Als we daar voorbij wandelden, kregen we altijd een stuk kur mee. Ons huis was voor de helft kantoor. Daarom mochten we niet binnenspelen, we speelden altijd buiten. We hadden een Joods dienstemeisje, die werd Jodinnetje genoemd. Ik was te jong om te begrijpen wat dat betekende.’

Kunt u ons ook vertellen over uw opa die kinderen met honger meenam?
‘Mijn opa was hofmeester op de ‘Jan Liefing’, daar verzorgde hij de catering, het eten en drinken. Deze boot voer van Lemmer maar Amsterdam en meerde dan aan achter het centraal station in Amsterdam.  Moeders gaven in Amsterdam hun kinderen mee aan mijn tante, die dan voor de kinderen zou zorgen. Mijn tante had geen man en kinderen wilde ze helpen. De moeders wisten dat ze in Amsterdam geen kans hadden op eten. Mijn tante had soms tien kinderen in huis. Ik mocht dan soms de kinderen rondrijden in de kinderwagen. Dat vond ik heel leuk.’
‘Er waren ook veel mensen op de boot die verder Friesland in gingen en de boeren langs gingen om aardappelen te halen. Ik herinner me ook nog dat er in de onderste ruimten van een aantal vrachtschepen kinderen zaten, die geld gaven om voor hen eten te kopen. Die hadden zo’n honger. Die kinderen werden opgevangen en bij mensen in huis geplaatst. Wij hadden ook drie kinderen in huis omdat ze thuis geen eten hadden. Wij vonden het soms wel vervelend dat we met vier of vijf kinderen in een bed moesten slapen. Wij hadden altijd een huis vol met kinderen. We werden niet echt vriendinnetjes met de kinderen, die we opvingen.’

Wat deed u als het luchtalarm afging?
‘Dan werden wij uit bed gehaald en moesten we naar de kelder. Dan was ik altijd bang, dat heeft mijn tante mij later via een brief laten weten. De kelder was onder het huis, maar er was een raampje naar de oprit, waar je de granaten hoorde neervallen. Daar zat je dan soms de hele nacht in. Dat was wel een heel veilig stukje.  Ik zat niet vaak in de schuilkelder. Dat gebeurde vooral aan het einde van de oorlog’.

Hoe verliep het eind van de oorlog voor u?
‘De Duitsers hadden ook van veel boten in de haven de masten afgezaagd, zodat de mensen er niet zelf mee weg konden varen. Als de Engelsen of de Canadezen zouden komen, zouden de Duisters naar de boten gaan om er mee weg te varen, zodat ze niet gevangen werden genomen. De laatste avond toen de Engelsen binnen vielen, zagen we Duitsers met paarden en wagens naar de haven vluchten om te zorgen dat ze nog weg konden komen. Ik was toen pas 10 jaar dus kan me niet meer alles herinneren. Toen we werden bevrijd werd er feest gevierd we kregen lolly’s. Die hadden we de hele oorlog niet gehad.’

Hoe was het bombardement in Eindhoven op 19 september voor uw oom?
‘Er werd op 18 september in Eindhoven de bevrijding gevierd, Mijn oom woonde op kamers op de Biesterweg in Eindhoven. Op 19 september was daar een bombardement. Toen het luchtalarm afging vluchtte alle mensen uit de buurt naar de schuilkelder van de Biesterweg. Mijn oom ook. Maar hij rende nog snel naar huis, omdat hij iets vergeten was. Toen viel er een bom vlak voor de ingang van de schuilkelder, waardoor 41 mensen, die in de kelder zaten, om het leven kwamen. Mijn oom die nog buiten liep, is ook geraakt door een scherf en daarbij omgekomen.’

 

School: De Hasselbraam

‘Do you know what the word ‘scatter’ means?’

Isis, Ellus, Shayrad en Pip uit groep 8 van basisschool de Hasselbraam in Eindhoven zijn op bezoek bij meneer Ad Penning en zijn vrouw. De leerlingen interviewen meneer Penning over de oorlog en hoe hij deze als jonge jongen heeft beleefd. Hij was 13 jaar toen de oorlog begon en woonde destijds in de Elzentlaan in Eindhoven. Dit is vlak bij de Biesterweg, waar 41 mensen werden gedood bij een bombardement. Dit verhaal maakt zo’n indruk op de kinderen dat ze besluiten om op de terugweg langs de plek te lopen waar deze mensen zijn begraven.

Hoe was het voor u toen de oorlog begon? 
‘Tegenover ons huis was een veldje waar we altijd speelden. Op een dag ging ik de deur uit en waren er Amerikanen op dat veld bezig. Die plaatsten daar een kanon, een bazooka. Ik sprak geen Engels natuurlijk en zij geen Nederlands. Ik vroeg: ‘Wat is dat?’  Hij zei:’ The Germans are coming.’ Hij zei dus dat de Duitsers eraan kwamen. Toen zei die ene Amerikaan tegen mij: ‘Do you know what the word ‘scatter’ means?’ Als je dat hoort, moeten jullie wegwezen! Dat was het eerste Amerikaanse woord dat ik kende. Ze waren wel een beetje gespannen, die Amerikanen. Ze wilden natuurlijk niet dat er kinderen in de buurt waren als de Duitsers kwamen. Met die bazooka wilden ze de Duitsers tegenhouden. Ze hadden zelfs een soort kuil gegraven om zich in te verstoppen. Op een gegeven moment kwam er een luchtalarm en moesten we op een veilige plek in huis gaan zitten. We hebben toen dus ‘gescattered’. Eindhoven werd op dat moment door de Duitsers gebombardeerd. Toen is een bom op een schuilkelder aan de Biesterweg gevallen. Dat is hier vlakbij en al die mensen waren dood’.

Hoe kwam u aan het eten?
‘We hadden altijd een beetje honger, want er was niet veel te eten. We praatten ook veel over eten. En over snoep, want dat soort dingen waren er niet in de oorlog. Er waren nog geen supermarkten zoals nu. De wereld was totaal anders. De boeren brachten het eten naar de markt en daar kochten we het eten van de boer. Maar er was niet veel. En als de boer niks had, hadden wij ook niks. Een wereld zonder supermarkt vinden jullie wel een beetje gek natuurlijk?’
Mevrouw Pennings vult aan dat als de boer niks had, zij ook niets hadden. Ze gingen op de fiets langs de boer en dan vroegen ze om een aardappel. Vervolgens fietsten ze langs alle boeren om overal een aardappel op te halen. ‘Daar waren we al heel gelukkig mee. Soms kon je ook een wortel krijgen of een ui.  We waren echt arm toen. Wij weten nu niet meer goed wat echt arm is.’

Wat zag u als er een vliegtuig neerviel?
‘Dan gingen we altijd kijken in de buurt, want een vliegtuig stort natuurlijk niet in zijn geheel naar beneden, maar in allemaal stukjes. Dus in de buurt van waar het neergestort was, kon je van alles vinden. Dat verzamelden we dan en ruilden we met vriendjes. Zo had ik een chyroscoop. Vaak kregen we ook patronen, kogels en granaatjes. Dat was ons speelgoed. Heel interessant vonden we dat. We haalden dat ook uit elkaar. Dat was natuurlijk wel gevaarlijk, maar we deden het wel. Buskruit gaf van die grote vlammen. We vonden het heel interessant om te onderzoeken hoe de munitie in elkaar zat.’

Wat is het ergst dat is gebeurd in de oorlog?
 ‘Dat is een beetje moeilijk, maar ik denk dat ik het ergste vond dat een van onze leraren door de Duitsers is doodgeschoten.  We waren daar niet bij, maar er werd een lijst opgehangen waarin stond: ‘Vannacht hebben wij gefusilleerd (zo heette dat)….’ En dan een lijst met namen. Daar stond de naam van onze leraar tussen. Ze vonden dat hij iets niet goed had gedaan en daarmee was hij weg.’

Had u ook veel vrienden op school?
‘Ja dat is wel een leuke vraag! De Duitsers wilden dat hun vriendjes overal de baas werden en daarom hadden ze in Eindhoven een NSB-burgemeester. Meneer Pulles. En ik zat in de klas met het zoontje van meneer Pulles. Dat was een echte ‘Duitservriend’ die Pietje Pulles. Met Pietje had ik een weddenschap. Ik zei: ‘Pietje, jullie Duitsers gaan de oorlog verliezen.’ Pietje zei: ‘Deen sprake van! De Engelsen gaan het verliezen!’ ‘Nou dan maken we een weddenschap. Als de Duitsers het verliezen, krijg ik van jou een gulden. Als de Engelsen het verliezen, krijg jij van mij een gulden.’ Daar is natuurlijk nooit iets van gekomen. Pietje is uiteindelijk verdwenen met de NSB-ers. Die zijn uiteindelijk allemaal gevlucht.’

 

 

School: De Hasselbraam

‘Achteraf was het natuurlijk helemaal geen feest’

De 91-jarige Bernard van de Moosdijk is de dagen voorafgaand aan het gesprek heel ziek geweest, maar heeft er alles aangedaan om beter te worden. Hij wilde de kinderen niet teleurstellen door het gesprek af te zeggen. En een teleurstelling was het zeker niet. Met veel enthousiasme vertelt hij Sem, Olivier, Pien, Chahd en Hidde van OBS De Hasselbraam hoe hij de oorlog in Eindhoven heeft beleefd.

Wat deed u overdag tijdens de oorlog?
‘Ook tijdens de oorlog moesten we gewoon naar school. De Duitsers hadden bepaald dat geschiedenis een verplicht vak was. Onze leraar vertelde ons wat hij volgens de Duitsers moest vertellen, maar stiekem ook het verhaal zoals het voor de oorlog in de boeken had gestaan. De Duitsers vervalsten dus eigenlijk een beetje het echte verhaal. Als we niet naar school gingen, ging ik vaak voetballen. Maar je moest dan wel oppassen. Als de politie je op straat zag werd de bal afgepakt en kon je ook een boete of gevangenisstraf krijgen. Dat wilden we natuurlijk niet. We moesten in ieder geval altijd voor 5 uur thuis zijn.’

Wanneer ging u naar een schuilkelder?
‘In het begin van de oorlog hadden we nog geen schuilkelder. Als we dan wilden schuilen voor het schieten, gingen we de kelder in. Later kwam er wel een schuilkelder van metalen koepels in de buurt om ons te beschermen tijdens de bombardementen. Daar gingen we dan naartoe als we een sirene hoorden. We waren met veel katholieken dus gingen we vaak bidden. Gelukkig duurden de bombardementen nooit heel lang, dus ik heb er nooit hoeven slapen. Maar ja, het kwam wel voor dat je ook moest poepen als je daar was. Dat is natuurlijk niet fijn met al die mensen om je heen. Als er weer een andere sirene ging, wisten we dat het veilig was en dat we weer naar huis mochten.’

Had u tijdens de oorlog huisdieren?
‘Mijn vader was een vogelliefhebber. Het voer kostte natuurlijk geld en dan kan je dat maar beter goed besteden. Voor de eieren zijn we daarom overgestapt op kippen. Vanwege zijn werk mocht mijn vader nog fietsen. Hij had ergens een lammetje kunnen kopen, maar dat moest ook eten. Ik maakte iedere dag een touw aan het schaap vast en liep dan over straat langs de bermen zodat het gras kon eten. Ik moest dan goed uitkijken dat niemand ons zag, want anders werd het schaap in beslag genomen. Later kregen we een varken dat aardappelschillen at. Aan het einde van de oorlog hebben we hem geslacht.’

Wat vond u van het Bevrijdingsfeest?
‘Het Bevrijdingsfeest was op 18 september en dat was geweldig! Een paar dagen daarvoor hoorden we veel schoten in België. Het geluid kwam steeds dichterbij. Op een gegeven moment waren er heel veel vliegtuigen en daar vielen allemaal dingen uit. Het bleken parachutisten en motoren te zijn van de Amerikanen die ons kwamen helpen. We gingen naar de markt en zagen voor het eerst een parachutist. Elke Amerikaan werd omhelsd door de meisjes. Iedereen op de markt was blij om elkaar te zien en mensen gingen dansen. Maar er was geen eten, drinken of muziek dus het was ook niet een feest zoals we dat nu kennen. Achteraf was het natuurlijk helemaal geen feest. Opeens zagen we mooie oranje ballen in de lucht. Het was een soort vuurwerk. Toen was het feest snel voorbij en moesten we wegwezen want dat bleken Duitse bommen te zijn. Gelukkig waren wij net op thuis, maar een paar schoolvriendjes van mij zijn toen naar een schuilkelder op de Biesterweg gevlucht die niet zo goed was. Doordat er vlakbij een bom viel is er heel veel zand opgewaaid en over die schuilkelder gekomen waardoor ze allemaal gestikt zijn. Dat was heel verdrietig.’

Hoe was het na de oorlog?
‘Het heeft nog wel een jaar of vijf geduurd voordat alles weer een beetje normaal was. Er was natuurlijk weinig geld en er was veel kapot. Je kon bijvoorbeeld maar eens in de twee jaar nieuwe schoenen kopen. Dus tussendoor werden die opgelapt. Maar steeds meer mensen gingen ook op klompen lopen. Die waren veel goedkoper. Ik had naar de middelbare school ook klompen aan.

Er braken ook veel ziektes uit, die soms ook heel besmettelijk waren. Die mensen moesten dan allemaal bij elkaar gezet worden om verdere verspreiding te voorkomen. Hier werd ook onze school voor gebruikt. Omdat wij toch les moesten krijgen, gingen wij naar het stadswandelpark. En dat was natuurlijk veel leuker. We wilden eigenlijk niet meer terug naar school.’

Aan het einde van het gesprek kijkt meneer Van de Moosdijk de kinderen aan, steekt zijn vuist in de lucht en zegt: ‘Nu allemaal: wij willen geen oorlog, wij willen geen oorlog, wij willen geen oorlog… Laten we het hopen.’

School: De Hasselbraam

‘Wij wisten van niks, Lex en Edo waren ineens weg’

Om de hoek van het huis waar de 86-jarige Wim Coolen als kind woonde, staat de oude katholieke basisschool waarin hij beschutting vond tijdens het bombardement op Eindhoven. De gevel, het plein, de trap en de kelder brengen hem terug naar zijn kindertijd. Inmiddels woont in deze voormalige school een gezin, en aan de keukentafel praten Jip, Ties, Nena en Alicia van OBS De Hasselbraam met meneer Coolen over de tijd van toen.

Hoe reageerde u toen u hoorde dat het oorlog was?
‘Ik was 3 jaar toen de oorlog begon en groeide op in oorlog, ik maakte het gewoon mee. Er veranderde kleine dingen. We moesten bijvoorbeeld betalen met bonnen in de winkel, maar dat was gewoon zo. Alleen in de nacht… dan hoorden we bommen. We kropen dan allemaal bij pa en ma in bed. Maar dat was in de ochtend weer over.

Mijn eerste echte herinnering aan de oorlog was het inleveren van onze radio. Niemand mocht meer luisteren naar de Nederlandse radio. De deuren van de gymnastiekzaal stonden open en de radio’s stonden er stapels hoog. Ik zie mijn vader nog lopen met onze radio in de bolderkar, hij moest hem in die gymzaal neerzetten. En ik herinner me het marcheren, het marcheren van Duitse soldaten en NSB’ers door onze straten.’

Wat voelde u toen u het luchtalarm afging?
‘Het luchtalarm was in de Nutsschool in de Ploegstraat, hier om de hoek. Op het Edenplein waren de schuilkelders. De mensen van Phillips kwamen dan met de platte kar met paard ervoor om daar te schuilen. Het waren er maar een paar, te weinig voor iedereen. Als we op school waren moesten we naar de speelplaats, maar meestal gebeurde het ’s nachts. Eigenlijk gebeurde er niet zoveel als het alarm afging, we moesten gewoon naar buiten. We keken dan wel naar boven, naar de vliegtuigen. Dat waren de Tommy’s, zo noemden we de Engelse en Amerikaanse soldaten.

Er waren ook echte bombardementen. We wisten dat de Duitsers het vliegveld gingen bombarderen, daarom kwam mijn oom bij ons. Ik kon de toren van de kerk zien, in een keer zag ik daar oranje bollen. Ik riep mijn oom en hij zei dat dat bommen waren. We zijn snel het gangetje ingevlucht en kort daarna viel er een bom voor de deur. We zaten nog steeds in dat gangetje, inmiddels met een hele groep. Toen zijn we naar de school gevlucht. Het raam van de school was nooit helemaal dicht en er stond een trapje zodat men daar kon schuilen. Toen zijn we naar binnen gegaan en in de kelder gaan schuilen. Door het raampje konden we zien dat het huis hierachter in brand stond. De volgende morgen werden we wakker in ons eigen huis, samen op één kamer. De hele voorgevel was verwoest.’

Waar woonde u tijdens de oorlog?
‘Ik woonde aan het verlengde van de schooltuin. Mijn vader heeft het schoolhoofd gevraagd of hij de tuin mocht huren. Hij heeft er toen tabaksplanten gezet. Er waren namelijk geen sigaretten verkrijgbaar. Ze brachten de gedroogde bladeren naar het sigarettenfabriekje. Een tabaksplantage in de schooltuin…’

Speelde u nog veel met vrienden tijdens de oorlog?
‘Ah, daar heb ik foto’s van! Maar ná de oorlog werd het anders. We konden toen niet meer spelen rond de school. Eerst werden in deze school NSB’ers opgesloten en de jeeps werden hier geparkeerd. Op het Edenplein werden de grote voertuigen gerepareerd, daar hingen we rond. Rooie Sid, de Engelse soldaat daar, was onze vriend. Hij repareerde ons speelgoed.

Hier is nog een speciale foto, kijk de foto van het tentje. Daar zitten ook twee Joodse jongetjes in. Lex en Edo, zij woonden in de Staringstraat. Op een zeker moment kwamen ze niet meer op school. Ze zijn samen met achttien andere Nederlandse kinderen door de Duitsers gebruikt voor medische experimenten. Na de oorlog wilden de Duitsers niet dat dit aan het licht kwam en toen hebben ze de jongens opgehangen. Nu is er in Eindhoven het Lex en Edo Hornemannplantsoen. Wij wisten van niks, ze waren ineens weg. Nu liggen er in de Staringstraat nog struikelstenen voor deze jongens.’

School: De Hasselbraam

‘Een dag na de bevrijding is ons huis afgebrand’

Bar, Isabel, Matteo en Rocco zitten op basisschool De Hasselbraam in Eindhoven. De school staat heel dichtbij het verzorgingshuis waar Paul van der Grinten samen met zijn vrouw woont. Hij is opgegroeid in de wijk Stratum, in de Hertogstraat. Ze gaan bij hem langs om hem te interviewen over zijn oorlogstijd. De kinderen krijgen meteen iets lekkers van zijn vrouw en daarna gaan ze rondom hem zitten en begint hij uitgebreid te vertellen.

Hoe zag uw leven eruit voor de oorlog?
‘Ik was zes jaar toen de oorlog uitbrak en ging naar de lagere school in de Jan Smitslaan in Eindhoven. Ik heb van gebouw naar gebouw gehobbeld. Het was oorlog dus we konden niet zoveel. We gingen ook niet op vakantie, dat was in die tijd niet. Ik ben één keer een dag op reis geweest naar Amsterdam met de trein. We zijn naar Artis geweest en ik heb in een tram gezeten. Dat was mijn vakantie. Je mocht alleen luisteren naar Radio Oranje. Bijna iedereen in Eindhoven had een radiootje van Philips. De stem van ‘Strijdend Nederland’. Soms hoorde je de koningin, zij hield dan een toespraak. Honger heb ik nooit gehad want we hadden een bakkerij thuis. Er werd ook veel geruild in de oorlog. Alles was op de bon. Iedereen kreeg een grote kaart met bonnen, omdat er schaarste was. Je kon hiermee zakdoeken, lakens, eten en brood kopen. Zo zorgden ze dat iedereen evenveel kreeg. Ik had ook een bon om snoep te kopen.

Dit merkte ik van het leven in oorlog: je bent niet meer vrij, je kunt niet meer weg en je weet ook niet wat er gebeurt.’

Woonden er ook NSB’ers in uw straat?
‘Ja, na de de oorlog werden ze opgepakt. Er kwam een grote auto voorrijden. Als eerste kwam er een hele grote radio naar buiten, die werd meegenomen, en daarna kwamen de vader, de moeder en hun dochter. De vader wilde achter op de bank gaan zitten, maar dat mocht niet. Het radiotoestel werd op de achterbank gezet en in het aanhangwagentje mocht de familie gaan zitten. Zo gingen ze naar een gevangenis toe.

Ook Joden en Belgen woonden in onze straat. De Belgen waren blijven hangen na de Eerste Wereldoorlog. De NSB’ers bepaalden met de Duitsers dat die Joden gevangengezet moesten worden. Ze werden naar vernietigingskampen gebracht. Daardoor waren er overal huizen leeg komen te staan. En die werden dus opgevuld door Duitsers. Twee huizen bij ons vandaan woonden ook Duitsers. De spullen van de Joodse mensen stonden daar gewoon nog in en die werden gebruikt door de Duitsers. En ook later na de oorlog door ons. Wij kregen een soort schadekaart waarmee we meubels konden uitkiezen, want wij hadden niets meer na de brand. Zo werden die spullen allemaal hergebruikt.’

Hoe reageerde u toen de Duitsers binnenvielen?
‘Ik was zes jaar dus ik weet daar niet heel veel meer van. Je hoort allerlei verhalen van je ouders en je buren. Ik zag soldaten op straat en je wist dat zij de vijand waren. We luisterden naar de radio en lazen de krant. Televisie bestond toen nog niet. We hoorden van mensen om ons heen dat we bezet waren en dat het oorlog was. En je hoorde van tijd tot tijd het luchtalarm. Dan moesten we meteen de schuilkelder in, want dan werd er een aanval verwacht. Binnen 10 minuten waren de vliegtuigen dan vanaf Scheveningen in Eindhoven. Helaas heb ik niet veel foto’s meer van de bakkerij, want die zijn allemaal verbrand. Op 19 september 1944, een dag na de bevrijding, is er een bombardement geweest en is de bakkerij en ons huis helemaal afgebrand. Onder onze bakkerij was een grote kelder waar we met onze buren zaten. Er konden 52 mensen in die kelder. Het was ook wel gezellig, omdat je daar met een heleboel mensen in zat.’

Waren er ook leuke dingen aan de oorlog?
‘Nou ja, leuk vond ik vooral de bevrijding: dat die Amerikanen binnenkwamen. Wij stonden te dansen en te springen. En mijn eerste Engelse woordjes heb ik daar geleerd: chocolates for mama and cigarettes for papa. Die soldaten hadden overal in hun pakken chocolade en sigaretten zitten en die deelden ze dan uit. Wij hadden helemaal niets, dus daar was ik erg blij mee. En ik had ook de gewone lol die we altijd hadden: met vriendjes spelen. Ik leefde in een hele kleine wereld met alleen de buurt om mij heen.’

School: De Hasselbraam

‘Super Lies!’

Lies Vogels-Staal woonde in de oorlog in de kazerne, vlakbij de Hasselbraam in Eindhoven waar Pom, Willemijn, Sam en Ferry op school zitten. Ze was destijds elf jaar, ongeveer even oud als de vier kinderen nu zijn. Die kunnen zich daarom helemaal inleven in hoe het voor mevrouw Vogels geweest moest zijn toen de oorlog uitbrak. Na afloop van het interview bedenken de kinderen zelf een titel voor hun interview, ‘Super Lies!’. Voor hen is ze een ‘super vrouw’ want met haar 94 jaar is ze fit, scherp, grappig en bovenal optimistisch, hoewel ze in haar leven zoveel heeft meegemaakt.

Hoe merkte u dat de oorlog begon?
‘Voordat de oorlog begon had ik een leven zonder zorgen, ik zat op de school die toentertijd op de locatie van de Wilgenhof was. We hadden voldoende te eten en woonden in een van de particuliere huizen behorend bij de kazerne aan de Tuinstraat omdat mijn vader marechaussee was. De Duitse soldaten marcheerden over de Sint Jorislaan, je kon ze duidelijk horen aankomen. Na hun komst hebben ze ook de kazerne bezet, ze waren heel dichtbij. Ik zag mijn vader weggaan en wist als kind in die tijd niet wat er ging gebeuren, dat werd je niet verteld. Mijn vader vertrok met de andere marechaussees via België naar Frankrijk en kwam uiteindelijk in Engeland terecht. Ze wisten in Engeland niet dat Nederland bezet was.’

Hoe vond u het dat uw vader weg was?
‘Niet leuk. We kregen summier bericht, wisten niet waar hij was. Pas eind 1940 hoorden we dat hij op 10 juni was overgestoken naar Engeland uit veiligheid. Omdat mijn vader weg was moesten wij verhuizen. Zo ging dat, het huis was van de marechaussee. We konden een huis krijgen in het Witte Dorp. Deze woningen waren net gebouwd, maar er woonden veel Duitse militairen. Daarom wilde mijn moeder er niet wonen. We zijn toen verhuisd naar de Treurenburgstraat 7 in het Villapark. Ik had daar geen vriendinnen in de buurt en we moesten onze mooie grote tuin achterlaten. Mijn vader is vier jaar weggeweest, toen hij terugkwam herkende hij ons bijna niet meer.’

Hoe was het Sinterklaas-bombardement en het bombardement na de bevrijding?
‘Het luchtalarm ging en dan moest je binnen blijven, maar we hoorden wel wat er allemaal gebeurde. In de kazerne had mijn vader de mestput helemaal schoongemaakt voor het geval er een bombardement kwam. De put was van beton en daar zouden we in kunnen gaan schuilen. Maar we woonden daar niet meer tijdens het Sinterklaas-bombardement. Ik heb alleen na de bevrijding hoeven schuilen, tijdens het bombardement van de Duitsers op 19 september 1944. Ik was niet thuis, ik was feest aan het vieren! We wilden naar huis gaan maar mochten niet terug. We dachten dat het vuurwerk voor de bevrijding was omdat de bommen oranje waren. Tijdens deze bombardementen heb ik in de Sperwerlaan bij iemand in de kelder geschuild. Mijn moeder was bezorgd omdat ze niet wist waar ik was.’

Hoe was de bevrijding voor u?
‘Het mooiste wat ik ooit meegemaakt heb. Ik ben de hele dag in de stad geweest toen de Engelsen binnen liepen. Met rijen dik stonden we in Eindhoven. En ’s avonds kwam het bombardement en was alles kapot. Ik had een verjaardagalbum gekregen in januari 1944, in die tijd was het de gewoonte om op je verjaardag handtekeningen te vragen. Op de dag van de bevrijding van Eindhoven had ik het boekje bij me en heb ik aan verschillende militairen handtekeningen gevraagd.

Later toen ik ouder was, had mijn schoonzoon restaurant De Waterkers op de Geldropseweg en ieder jaar kwamen twee veteranen bij hem eten. Toen ze er weer eens waren, ben ik op mijn fiets gestapt en naar het restaurant gegaan met mijn album, geen idee waarom ik dat had meegenomen. Een van de veteranen heette Babe. Ik bleek de handtekeningen van militairen uit zijn groep te hebben in mijn album. In 2000 ben ik naar een reünie van deze veteranen in de Verenigde Staten geweest. Daar waren ook Tom Hanks en Steven Spielberg, ze waren bezig met de serie Band of Brothers. Het is nu te zien op Netflix. Jullie moeten er zeker naar kijken!’

School: De Hasselbraam

‘We liepen helemaal naar Strijp om naar school te gaan’

Met een lijst vol vragen, spiekbriefjes, een bedankje, goeie zin en vol verwachting lopen Tygo, Maya, Lynn en Ties van hun school De Hasselbraam in Eindhoven naar Den Biest, waar Cor Sprengers woont. Ze moeten even zoeken naar de ingang van de juiste galerij. Boven worden ze hartelijk ontvangen. Meneer Sprengers blijkt een prachtige én uitvoerige verteller te zijn. ‘Het was wel moeilijk om de volgorde van vragen aan te houden, want soms liepen de verhalen door elkaar’, reageren de kinderen naderhand. Toch zijn ze tevreden.

Hoe was het leven voor de oorlog?
‘Dat was heel anders dan tegenwoordig. Zo fijn. Geen telefoons, dus we konden echt met elkaar praten. Ik ben op 3-jarige leeftijd bij Philips begonnen, op de Philips kleuterschool. Daar was het heel gezellig. Dat veranderde in 1939. Ik was ruim 5 jaar toen de oorlog uitbrak.

Toen moest mijn vader ineens weg. Alle oud-militairen die na februari 1904 geboren waren, moesten weer in militaire dienst, daar hoorde mijn vader bij. Mijn vader stapte daarom op de trein naar Rotterdam.

Een dag nadat de oorlog uitbrak in Nederland gingen mijn moeder, ik en mijn broer naar Zeist. Daar was iemand 12,5 jaar getrouwd en dat gingen we vieren. Toen was het in de nacht ineens oorlog. Alle bruggen waren opgeblazen. Wij konden niet naar huis. We hebben nog een maand of twee, drie op school gezeten in Zeist. Later is mijn vader ook naar Zeist gekomen. Met de trein en dan met bootjes over de rivieren. Dat was een heel ander leven.’

Met wie woonde u op de Iepenlaan?
‘Vader, moeder, mijn broer en ik. En in 1943 kwamen daar twee mensen bij. Dat waren onderduikers. Een neef kwam omdat hij gezocht werd in Rotterdam. Hij had papieren vervalst voor de ondergrondse. En er woonde bij ons een mevrouw, dat was een Jodin. Het was het laatste jaar van de oorlog. Ons was verteld dat we een logee kregen: de 62-jarige tante Mientje, mijn moeder heette ook Mien, dus dat was makkelijk. Ze bleef aanvankelijk veertien dagen bij ons en toen was ze een week weg. Toen ze terugkwam hadden we pas door dat er iets aan de hand was. Tante Mientje had haar eigen stoel. Ze zat altijd in een hoekje van de huiskamer zodat ze moeilijk te zien was. Als er iemand achteromkwam, dan liep ze meteen de trap op naar boven. Het is wel voorgekomen dat ze op de trap een uur stil zat, omdat de treden zo kraakten. Maar het is allemaal goed gegaan. Iemand had haar natuurlijk kunnen horen. Zo zijn we de laatste jaren van onze bezetting doorgekomen.’

Wat is het ergste wat u heeft meegemaakt in de oorlog?
‘Dat gebeurde op 6 december 1942. Toen zaten mijn broer en ik op de zondagsschool in de Lijnbeekstraat. Dat was aan de andere kant van het spoor, tegenover PSV-terrein. We waren net aan het zingen over ruisende wolken en toen kwam er echt ruis aan: een bombardement. Wij stonden in de gang met allemaal kinderen. De muren gingen heen en weer, stof kwam naar beneden. Er waren drie aanvalsgolven van de Engelsen, die Philips bombardeerden omdat ze bij de fabriek voor de Duitsers producten moesten maken. We zijn naar huis gelopen en kwamen we onze vader tegen, en samen doorgelopen. Overal was brand. Toen ik thuiskwam, was er weer een aanval. Dat was wel heel erg. We moesten daarna naar een broer van mijn vader, die woonde in Tongeren. ’s Morgens vroeg liepen we dan helemaal naar Strijp om naar school te gaan.’

Wat deed u toen u bevrijd was?
‘Toen we vrij waren, ‘s avonds rond een uur of zes, is mijn moeder met tante Mientje in het donker een blokje om gegaan. In de oorlog mocht je in het donker niet meer buiten. Of je moest een Ausweis (ID-kaart) hebben. Maar dan was je niet goed, want dan was je van de verkeerde partij. Nadat we op 19 september bevrijd waren, stak tante Mientje haar hoofd uit het raam en wenste de buurvrouw goedemorgen. Dat ging ineens door de buurt… Tante Mientje kon eindelijk naar buiten. Later die dag stond mijn moeder heel erg te huilen in de keuken, echt heel erg. Iemand had gezegd: ‘De Van Sprengers zullen er wel heel rijk van geworden zijn’. Terwijl we de onderduik echt uit medemenselijkheid deden.’

School: De Hasselbraam

‘Eigenlijk was het ook na de bevrijding nog een nare tijd’

Aniek, Chan, Olivier en Saar van OBS De Hasselbraam in Eindhoven gaan op bezoek bij Betsie van der Vleut. De kinderen krijgen tijdens het interview een lekkere eierkoek. Mevrouw Van der Vleut was acht jaar toen de oorlog begon en woonde met haar ouders en vijf broers en zusjes aan de Hastelweg in Eindhoven. Ze maakte verschillende bombardementen mee, zoals de beschieting een dag na de bevrijding.

Hoe merkte u dat het oorlog was?
‘Het luchtalarm ging vaak af voor al die vliegtuigen die overkwamen. Thuis was er een schuilkelder gemaakt, vaak sliepen we in de kelder. Mijn vader had die zelf gemaakt. Op Biesterdwarsweg zijn twee families omgekomen door een bom die de opening van de schuilkelder raakte. De mensen hadden geen schijn van kans door de luchtdruk van de bom. Het hele woonblok was weggebombardeerd, er staan nu nieuwe huizen. Ook de Trudokerk en de Catharinakerk werden getroffen.’

Hoe kwam u aan eten tijdens de oorlog?
‘We hadden distributiebonnen voor suiker, koffie en aardappelen. Deze werden wel vaak verkocht op de zwarte markt, maar dat was eigenlijk niet zo netjes. Er was ook een gaarkeuken in de oorlog. Wij hadden zelf groenten en vlees want mijn vader was boer dus die wist precies hoe hij eten in de tuin kon verbouwen. We hamsterden voor de winter en zo hadden we altijd eten. Sommige boeren waren niet zo eerlijk. Er was veel zwarte handel waar ze beter van werden omdat veel mensen honger hadden. Andere mensen verdienden aan de distributiebonnen.

We hadden twee varkens maar we mochten er maar een hebben. Op een dag kregen we controle van de politie, maar gelukkig was de politieagent die in de kelder ging kijken erg aardig en zei dat hij niets had gevonden.’

Hoe was het feest toen de oorlog voorbij was?
‘Iedereen was heel blij bij de bevrijding. Mensen zwaaiden met vlaggen en zongen koningsgezinde liedjes. Toch was het niet zo vrolijk want de Duitsers zaten nog overal in de omgeving dus het bleef gevaarlijk. Het bedrijf Philips had mitrailleurs op het dak staan en die hoorden we schieten. Toen wisten we dat het niet goed was. De Duitsers schoten twee lichtkogels af. De mensen die op straat waren, dachten dat het vuurwerk was. Onmiddellijk na dit bombardement zijn we midden in de nacht gevlucht, door de korenvelden naar Veldhoven. Dat was erg gevaarlijk, maar uiteindelijk hebben Engelse soldaten ons naar oma gebracht. Eigenlijk was het ook na de bevrijding nog een nare tijd want toen besefte iedereen pas wat er echt was gebeurd en dat veel mensen niet meer terugkeerden naar huis.’

Wat gaat u nooit meer vergeten van de oorlog?
‘Een vliegtuig werd uit de lucht geschoten door mitrailleurs die bij Philips op het dak stonden. De piloot kwam met zijn vliegtuig over ons huis aan de Hastelweg en ging steeds lager vliegen. Ik kon de jonge piloot goed zien en ik zag de doodsangst in zijn ogen. Hij kon er niet uit springen want hij vloog te laag om de parachute te openen. Ik dacht dat-ie op ons huis zou landen. Uiteindelijk is hij ergens in Strijp in het kanaal terecht gekomen. Het is me altijd bijgebleven.’

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892