School: De Hasselbraam

‘Honger hebben we hier in Eindhoven gelukkig nooit geleden’

Lola, Linde en Stef wandelen met een doosje chocolade in hun handen naar het huis van Anne van den Broek (1931) in Eindhoven. De leerlingen van de Hasselbraam hebben zich goed voorbereid en hebben er ook zin in om haar te ontmoeten. Ze herinneren elkaar er nog snel even aan om haar met ‘u’ aan te spreken. Bij de receptie vragen ze de weg, en via de lift, een aantal gangen vinden ze haar appartement. Mevrouw van den Broek doet open en heet de kinderen welkom.

Wat veranderde er voor u toen de oorlog begon?
‘Eigenlijk kan ik me er niet veel meer van herinneren… Ja, de bombardementen en vliegtuigen waren hinderlijk, maar gelukkig hebben we nooit honger geleden. Ik was ook niet bang, want ik werd ook helemaal niet bang gemaakt. In het zuiden hebben we weinig meegemaakt, in het noorden was het veel erger.

We aten ook nog gewoon hetzelfde als wat we gewend waren, aardappelen, vlees en groente. Wel allemaal op de bon. Je kon niet zo veel vlees kopen als dat je gewend was. Er was nog geen supermarkt, maar er was wel een buurtwinkel.’

Bent u wel nog naar school geweest toen de oorlog begon?
‘O ja, ik zat op de lagere school en de scholen werden ook bezet, moesten we weer naar een andere school, of een week vrij. Dat hebben we wel meegemaakt. Maar dat vond ik eigenlijk wel leuk, eens een keer een andere school toch?’

Heeft u bombardementen meegemaakt?
‘Ja, zeker, daar heb ik midden in gezeten. Het bombardement van 6 december, daar zaten we midden in! We zaten met het hele gezin klaar om op de fiets van Valkenswaard naar Eindhoven te gaan. We zouden om 16.30 uur bij oma (in Eindhoven) op bezoek gaan. Het alarm hadden we niet gehoord. We stonden klaar voor de overweg, toen ze begonnen te schieten en te bombarderen. Toen zijn we een huis in gevlucht en dat is gelukkig niet geraakt. Dus ja, we hebben het er goed vanaf gebracht.’

School: De Hasselbraam

‘Als het vliegveld ’s nachts werd gebombardeerd, hoefden we niet naar school’

Cas, Mees en Mikki van basisschool de Hasselbraam beginnen een tikje onwennig aan het gesprek met Jan Sprengers, maar dat gaat al snel over. Meneer Sprengers was bijna 3 jaar toen de oorlog begon. Hij praat ogenschijnlijk makkelijk over de oorlog van destijds, en er wordt ook nog gesproken over de oorlogen van nu.

Hoe zag uw gezin eruit?
‘Ik was met mijn vader en moeder en broer, maar die is zes jaar ouder. Wij woonden tijdens de oorlog in Tongelre. Er was toen al een vliegveld in Eindhoven. Als deze ’s nachts werd gebombardeerd, dan hoefden we de dag erna niet naar school. Ik was dus eigenlijk wel blij dat dat vliegveld er was.

Langs het Eindhovens Kanaal was nog helemaal geen bebouwing. Nu had mijn vader gehoord dat daar Canadese soldaten waren en dus gingen wij er samen met mijn tante en nichtjes kijken. Mijn vader kreeg een sigaret van een Canadese soldaat. Dat was voor ons heel bijzonder. Maar vlak daarna werden we beschoten door Duitse soldaten die iets verderop lagen. We renden snel de dijk af om beschutting te zoeken. Mijn tante viel en belandde met haar gezicht in een koeienvlaai. Dat zal ik ook nooit meer vergeten.’

Wat vond u van de NSB?
‘Onze buren waren NSB’ers, maar dat was vooral omdat zij een zoon van 20 jaar hadden. Door NSB’ er te worden, hoefde hun zoon niet naar de werkkampen in Duitsland. We hebben daar verder weinig last van gehad.

Maar het was wel altijd oppassen. Je moest altijd opletten wat je zei. We hebben een paar weken een onderduikster in huis gehad. Ik was toen een jaar of 4, en dat was toch wel gevaarlijk, want als ik als kind daarover zou kletsen met anderen, en de Duitsers zouden er daardoor achter komen, dan kon ik iedereen in gevaar brengen. Dus de onderduikster heeft niet lang in ons huis kunnen zitten.

Toen ik op de kleuterschool zat, kwam er een nieuw jongetje in de klas. Dat was de zoon van de burgemeester van Eindhoven, een NSB’er. Ik wilde niet meer terug naar school, want ik wilde niet naast ‘een stinkende NSB’er’ zitten. Dat had ik anderen over dat jongetje horen zeggen. Daarmee bracht ik mijn moeder in een lastige situatie, want die moest toen gaan uitleggen waarom ik niet meer naar school wilde.’

Heeft u ook mooie herinneringen aan de oorlog?
‘Het mooiste wat ik gezien heb van de oorlog was toch wel de bevrijding, op 18 september 1944. Eindhoven had nog geen hoge gebouwen, alleen een paar kerktorens. En het was prachtig weer, net als nu. Bij Best en Son hing de hele lucht vol met vliegtuigen, gliders en parachutisten. Ik heb de hele dag in de dakgoot gezeten met uitzicht op hele luchtlanding. Dat was echt spectaculair.

En de volgende dag kwam het leger vanuit België via Valkenswaard door Eindhoven getrokken. Dat was ook heel spannend om mee te maken. Dat was ook de eerste keer dat ik Canadese soldaten zag en hoorde praten. Het was opnieuw mooi weer en ik heb met mijn ouders de hele dag langs de Aalsterweg gestaan met vlaggetjes.

Toen we eenmaal thuis waren, hoorden we knallen. Mijn moeder dacht nog dat het vuurwerk zou zijn, maar het bleken fosforbommen van de Duitsers te zijn. Daarmee maakten ze licht en zo konden ze beter zien waar ze moesten bombarderen. Ik ben samen met mijn ouders onder de trap gaan schuilen, want een trap is heel sterk en overleeft bijna altijd een bombardement.’

School: De Hasselbraam

‘Door mijn eigen schuld raakte ik vaak gewond’

Theo en Nina van basisschool de Hasselbraam interviewen de 89-jarige Jan Klercx. Hij was 4 jaar toen de oorlog uitbrak in Eindhoven. Meneer Klercx woonde met zijn vader, moeder, twee broertjes en zes zusjes aan de Zevenbergenstraat, vlakbij Eindhoven Airport.

Wat hoorde u toen de oorlog begon?
‘Het eerste wat wij er van merkten was dat de Duitsers bij ons in colonne door de Bredalaan marcheerden. In het begin begreep ik er nog niet zoveel van, dat kwam pas later toen ik naar de kleuterschool ging. Het vliegveld is verschillende keren gebombardeerd en het is twee keer zelfs heel intensief gebombardeerd. Toen zagen wij vanuit ons huis de bommen in de lucht boven het vliegveld en hoorden we explosies. In de avond zagen we ook de lichtflitsen. Iedereen vluchtten het huis uit en ging achterin de tuin in het schuurtje zitten. Wat eigenlijk vele malen gevaarlijker was dan gewoon in het huis blijven…’

Hoe was school toen het oorlog was?
‘De lagere school heb ik op vier of vijf verschillende plaatsen doorlopen omdat onze school, de Sint-Willibrord, ingenomen was door de Duitsers. Om die reden zaten we vaak op plaatsen waar eigenlijk helemaal geen school zou kunnen zijn. Eens bij een smid achterin de schuur, toen hoorde ik de smid in zijn werkplaats werken. In de Trudostraat ben ik naar de derde en de vierde klas gegaan. Na de oorlog konden wij weer naar onze gewone school. Daar heb ik nog twee jaar op gezeten. Er waren niet zoveel spullen in het klaslokaal. Het enige wat ik mij nog goed herinner is dat ik een leraar had die heel mooi kon voorlezen. En die las voor uit een boek van Sim en Sam. Ik zal nooit weten hoe het afliep want na drie hoofdstukken was het schooljaar voorbij. Hij kon niet iedere week voorlezen, hè…’

Bent u vaak gewond geraakt?
‘Ja, maar niet door oorlogshandelingen. Ik raakte vaak gewond door eigen schuld. Zo ben ik een keer omvergelopen en heb ik mijn rechterarm op twee plaatsen gebroken. En ben ik een keer uit een vrachtwagen gesprongen, waardoor ik mijn beide armen bezeerde. Ik zat met mijn ene arm in het gips en met de andere in het verband. En aan het eind van de oorlog liep ik met mijn buurjongen op een plaats waar we helemaal niet mochten komen. Hij trapte op een waslijn en deze zwaaide omhoog, precies in mijn oog. Gelukkig liepen er veel militairen rond, die hebben mij direct naar de ziekenboeg gebracht.’

Hebben de mensen uit uw familie de oorlog overleefd?
‘Ja, wij waren thuis met negen kinderen. Ik had vier zussen die ouder waren dan ik. En dan een oudere broer, die was tien jaar ouder dan ik. Dus toen de oorlog uitbrak, was hij ongeveer 14 jaar. Die heeft er meer van meegemaakt. Ze hebben hem ook een keer meegenomen en voor het vuurpeloton gezet omdat ze dachten dat hij iets gedaan had wat niet mocht. Tot bleek dat hij dat niet gedaan had en toen kwamen al die jongens weer terug. Allemaal jongens van rond de 18, 19 jaar.

Mijn vader was metselaar. Iedereen die kon werken werd getransporteerd naar Duitsland en werd daar te werk gesteld. Hij kwam gelukkig meteen terug toen de oorlog afgelopen was. Hij is toen vanuit Esse, in Duitsland, te voet terug naar Eindhoven gelopen. En dan had hij ook nog al zijn gereedschap bij zich in een kist, die droeg hij op z’n schouder. Hoe lang hij erover heeft gedaan weet ik niet.’

School: De Hasselbraam

‘Om na de oorlog weer met vrijheid om te gaan, is nog niet zo makkelijk’

Jaap de Kok verwelkomt Eva, Koen en Cooper hartelijk. De kinderen zitten op basisschool de Hasselbraam in Eindhoven en wonen in de buurt van de plek waar meneer De Kok tijdens de oorlog woonde. Hij vertelt dat hij 95 jaar is en pas sinds een jaar een rollator heeft. Eva vraagt hoe meneer De Kok aangesproken wil worden en dat is gewoon als ‘Jaap’. Hij laat ze hun eigen namen opschrijven zodat hij ze niet vergeet.

Hoe kwam u erachter dat het oorlog was?
‘Dat zag ik gebeuren. Eerst kwamen de Nederlanders over de Geldropseweg marcheren en toen sprongen ze allemaal de heg in omdat er een verkenningsvliegtuig van de Duitsers laag over kwam vliegen. Een Duitser vroeg aan mijn moeder om ‘Wasser’ (water) en dit was de eerste keer dat we een buitenlander spraken. De Duitsers vielen op door hun disciplinaire werken. Toen de Amerikanen, Canadezen en Britten kwamen, werd het chaos. Om na de oorlog weer met vrijheid te kunnen omgaan, is nog niet zo makkelijk. In de oorlog ben ik ook mensen kwijtgeraakt, alleen weet ik nu hun namen niet meer. Het is ook moeilijk om daarover te praten.’

Hoe heeft u de oorlog beleefd?
‘We hadden twee onderduikers tijdens de oorlog en ik heb een goede band met ze opgebouwd. De oorlog was ook erg spannend en mijn vader zat in het verzet. Op een gegeven moment kwam een deel van een gevechtsvliegtuig (bommenwerper, red.) brandend naar beneden naast ons huis en dat bleek een extra tank te zijn. Met mijn gekke kop ging ik op zoek naar dat onderdeel. Dit is ook terecht gekomen in een boek van Ed Hermes over oorlogsverhalen. Via hem heb ik een bedankbrief ontvangen van een Canadese familie, omdat ik attributen die ik uit het vliegtuig gehaald heb aan die familie gegeven heb. Ik ben voorzichtig met het delen van deze dingen, want anders word ik dadelijk als held beschouwd en dat was ik helemaal niet.

Het geloof speelde natuurlijk ook een belangrijke rol in de oorlog en ik ben in aanraking gekomen met veel verschillende geloven. Ik heb nog een mooi gezegde van een Aboena van de koptische kerk (hoofd van deze kerk, red.): wij zijn gevlucht en je zult wel weten waarom want hier heb ik vrijheid. Ik mis hem. Hij was heel goed met kinderen. Ze kunnen wel een kerk afbranden, maar wat in de geest zit niet.’

Hoe was de bevrijding voor u?
‘Een echte bevrijding, eindelijk kon ik zeggen wat ik wilde. Met de Duitsers in het land kon je niet zomaar alles zeggen… Toen ik tijdens de bevrijding melk haalde voor mijn zus, zag ik dat het feest was in Eindhoven. Kort daarop liep ik in een mitrailleursnest van de Duitsers. Vervolgens kwamen er granaten over ons huis en gingen we naar de schuilkelder. De zijkanten waren van zand, het plafond van bielsen met daar bovenop gras. De hele buurt zat erin, dat was wel zo gezellig. Ik wilde daar niet in dus ging ik naar buiten en zag bommen heel dichtbij langskomen. Ze geloofden me niet echt totdat ze een paar dagen later de bommen vonden rondom ons huis. Ik heb ook een mitrailleur gestolen, in die tijd hadden wij niet in de gaten hoe gevaarlijk dat was.’

 

School: De Hasselbraam

‘We vonden het prachtig dat deze Amerikaanse soldaat bij ons thuis was’

Els Peeters vertelt aan Olivier, Tomasso, Veerle en Sara van basisschool de Hasselbraam over de oorlog. Zij was als jong meisje (5) bang voor de harde geluiden die deze tijd met zich meebracht, zoals de talloze vliegtuigen die laag overkwamen, de laarzen van de Duitsers en de bommen. De angst die ze in de oorlog heeft ervaren, is in haar latere leven vaker naar boven gekomen.

Wat was het moeilijkste dat u meemaakte in de oorlog?
‘Het was erg moeilijk toen mijn vader door de NSB’ ers was opgepakt en hij een periode in de gevangenis en in kamp Vught zat. Ik was een keer met mijn broer, die een jaar ouder is dan ik, buiten toen er een Duitse soldaat aankwam op een grote motor. Hij vroeg aan ons de weg en zonder dat ik en mijn broer iets tegen elkaar zeiden, wezen we hem tegelijkertijd de verkeerde weg. We hebben toen tegen elkaar gezegd: nu moeten we maken dat we wegkomen, anders zijn we de pineut. Zulke dingen deden we, omdat het voor ons een heel akelige tijd was.’

Heeft u ook eens iets anders brutaals gedaan?
‘In de oorlog moest iedereen zijn radio inleveren, ook mijn familie. We hadden twee radio’s, een grote en een kleine. De kleine verstopten mijn ouders achter de muur op zolder, zodat zij konden blijven luisteren naar Radio Oranje. Ik wist daar als kind niks van, dan kon ik me niet verspreken tegen vriendinnetjes.

De grote radio ging achterop de fiets, die ging ik met mijn broer inleveren. Ik moest hem vasthouden. Toen we aankwamen bij het politiebureau, pakte mijn broer de radio en liet hem op de grond kapot vallen. Hij zei naderhand tegen mij dat als wij de radio niet mochten hebben, hij hem ook niet aan de Duitsers wilde geven. Dat begreep ik wel, maar ik vond het nog steeds ontzettend dapper.’

Wat heeft u geholpen om de moeilijke gebeurtenissen te verwerken?
‘Later kreeg ik tijdens mijn werk als onderwijzeres last van psychische klachten, ik moest mijn werk toen neerleggen. Ik ging in therapie en daarbij was dansen erg belangrijk en helend voor mij. Door de bewegingen tijdens het dansen kwamen herinneringen aan de oorlog naar boven. Daardoor werd mij duidelijk hoe bang ik was geweest. Het dansen hielp erg met de verwerking, ik ben het nog lang blijven doen.’

Wat herinnert u zich van de bevrijding?
‘Over de bevrijding van de stad weet ik niet veel meer. Wat me nog wel goed bijstaat is dat een van mijn broers erg geïnteresseerd was in de gedetailleerde landkaarten die de Duitsers hadden. Hij zag eens in een garage een Duitse jeep staan en ging kijken of daar kaarten lagen. Toen is er iemand langsgelopen en is er brand ontstaan. Mijn broer liep daarbij brandwonden op aan zijn benen en lag wekenlang in bed. Dagelijks kwam er een verpleegster om hem te verzorgen. Hij lag ook nog in bed toen het bevrijdingsdag was. De dag daarna nam mijn oudste broer een Amerikaanse soldaat mee naar huis en bracht hem naar de zieke broer. Ons hele gezin vond het prachtig dat deze soldaat bij ons thuis was en ons snoepjes gaf. Voor mij was dit hét moment van bevrijding.’

School: De Hasselbraam

‘Niemand wist wat de soldaten kwamen doen en hoe lang ze zouden blijven’

Robin, Julièn en Veerle van basischool de Hasselbraam in Eindhoven gaan op bezoek bij Betty van Galen om haar over haar oorlogstijd te interviewen. Zij was nog een meisje toen de oorlog begon, 5 jaar oud. De kinderen gaan wat onwennig bij haar op de bank zitten en beginnen met hun vragenvuur.

Hoe beleefde u het begin van de bezetting?
‘Toen de oorlog begon woonde ik in Lemmer, in Friesland, ik was toen 5 jaar. Ik zag de Duitsers het dorp binnenkomen, over de dijk met paarden en wagens vol spullen. MIjn tante rende de straat in om te kijken, want iedereen wilde zien wat er gebeurde. Niemand wist wat de soldaten kwamen doen en hoe lang ze zouden blijven.

In die tijd stonden er nog bijna geen auto’s in de straat, slechts twee mensen in het dorp hadden er een, dus het was altijd heel stil. Alle huizen in onze straat werden bezet door Duitse soldaten. Alleen mijn huis niet. Mijn vader zorgde namelijk voor de verdeling van de kolen in Friesland. Dat was een belangrijke baan dus wij mochten in ons huis blijven. Ik vond de Duitsers in de straat niet eng. Vaak waren ze aardig en ze lieten zelfs foto’s zien van hun eigen kinderen. Soms gaven ze ons een soort donker zuurdesembrood wat Kuch heette.’

Hoe beleefde u de oorlogsjaren?
‘In Friesland was er geen echte honger. Er woonde veel boeren, dus daar kon altijd wel iets geregeld worden. Mensen uit Amsterdam kwamen vaak met de boot naar Lemmer om eten te zoeken. Soms bleven ze ook bij ons thuis logeren. Er was wel schaarste. Als je bijvoorbeeld koekjes wilde, dan moest je zelf suiker en boter naar de bakker brengen, dan bakte die koekjes voor je. Je kon verder alleen nog iets kopen met bonnen.

Tijdens de bombardementen moesten we schuilen in de kelder, soms zelfs de hele nacht. Ik en mijn zusje vonden dat wel spannend. Onze school werd door de Duitsers gebruik. Daarom kregen we weinig les, op een enkele keer na als we in het parochiehuis mochten.

Het verdrietigste wat tijdens de oorlog is gebeurd, is dat er een klein meisje uit ons dorp is gestorven bij een bombardement. Ze hebben haar toen een mooie witte jurk aangetrokken en opgebaard in de kerk. Dat was de eerste keer dat ik een dode zag.’

Wat vond u van de bevrijding?
‘Toen ik 10 jaar was, kwam de bevrijding. Ik zag eerst de Duitsers vluchten en daarna kwamen de Engelsen en Canadezen. Overal hingen vlaggen. We kregen chocolade en kauwgom van de soldaten, dat had ik nog nooit gehad. Het was een groot feest.

Maar er was ook verdriet. Mijn oom, de broer van mijn moeder, woonde in Eindhoven aan de Biesterweg. Daar waren de mensen al in september 1944 bevrijd. Maar de dag na de bevrijding was er nog een bombardement. Mijn oom schuilde in een schuurtje, dat geraakt werd. Hij is toen overleden, samen met de anderen die ook in dat schuurtje zaten. Het wrange was dat hun huizen onbeschadigd bleven. Pas een half jaar later, bij de bevrijding van Friesland, hoorden we dat hij was overleden.’

School: De Hasselbraam

‘De vader kwam ons een vreselijk verhaal vertellen’

Als Vik, Juul en Odin uit groep 8 van basisschool de Hasselbraam in Eindhoven binnenlopen bij meneer Guus de Kok, staan er al wat schaaltjes met hapjes uit de oorlog voor hen klaar. Zo kunnen ze ook een stukje van de oorlog letterlijk proeven. Meneer De Kok was 5 jaar oud toen de oorlog begon en kan er veel verhalen over vertellen.

Hebben jullie goed gegeten in de oorlog?
‘Ja, wij woonden wel in Eindhoven, maar meer aan de rand op de Geldropseweg. Vroeger stonden daar enkele boerderijen, waar ze koeien en varkens hielden. In oktober was het slachtmaand en dan werden er varkens geslacht. En die hingen ze dan aan een ladder. Mijn vriendje was een boerenzoon en als ik daar ging spelen, kreeg ik een pakketje vlees mee en ook reuzel. Reuzel is gesmolten vet van het varken. Wij smeerden dat op brood in plaats van boter. Als je reuzel smelt, dan krijg je kaantjes en daar kon je lekker op knabbelen, want wij hadden geen zoute pinda’s. Mijn moeder was slagersdochter en die wist wel raad met die verschillende onderdelen van een dier. Van de varkenskop maakte ze zult, dat ligt hier ook op tafel. Proef maar eens! Soms vermengden wij de reuzel met stroop en dat smeerden we ook op brood. Zult eet ik nog steeds. Als er geen vlees was, kocht mijn moeder wel eens stokvis, dat is gedroogde kabeljauw. Die liet zij weken in water en die aten we dan met boterjus en aardappelen als warm eten.’

Wat is er eigenlijk gebeurd met de aardappelboer?
Wij hadden thuis een groot gezin met zes kinderen en we hebben ook nog een tijdje een onderduiker gehad. Dat was een student rechten, die niet in de Arbeitseinsatz wilde. Dus wij hadden veel eten nodig. En vooral veel aardappels, omdat er weinig vlees beschikbaar was. In Geldrop had je de bakker, de slager en de aardappelboer. De zonen van de aardappelboer kwamen met een paard en wagen iedere week bij ons aardappels brengen. Op een gegeven moment kwamen ze niet meer. Wij wisten niet wat er aan de hand was. Maar toen kwam de vader ons een vreselijk verhaal vertellen. Zijn dochter had verkering met een Duitse sergeant. Maar haar broers haatten de Duitsers zo erg dat ze die sergeant hebben vermoord. Alle vier de broers zijn toen gearresteerd. De twee oudsten, die het gedaan hadden, zijn geëxecuteerd. De andere twee zoons zijn uiteindelijk vrijgelaten.’

Kunt u het verhaal vertellen over de Duitsers en de mop van de papegaai?
Bij onze buren kwamen regelmatig Duitse soldaten op bezoek, want ze hadden daar twee leuke dochters. De Duitse dienstplichtige soldaten waren ook maar gewone jongens, die in het Duitse leger moesten om in de oorlog te vechten. En ze misten natuurlijk ook hun familie en vrienden. Daarom zochten ze hier de gezelligheid van het familieleven op. Op een dag was mijn broer Frans ook bij de buren, toen de Duitse soldaten er waren. Eén van de Duitse soldaten vroeg aan Frans of hij een mooie mop kende. ‘Ja’, zei Frans, ‘die ken ik wel’ en hij begint te vertellen: ‘Een vrouw heeft een papegaai. Dan komt er een Duitse officier bij haar op bezoek en de papegaai zegt: ‘Hitler is dood, Hitler is dood’. Dat vindt die officier niet leuk en hij zegt tegen die vrouw:’Als hij dat volgende keer weer zegt, draai ik zijn nek om’. De vrouw moet huilen en juist komt de pastoor voorbij. Die zegt tegen haar:’Weet je wat? Ik heb ook een papegaai, laten we ruilen van papegaai.’ Zo gezegd, zo gedaan. Dan komt de Duitse officier weer op bezoek bij die vrouw en hij zegt tegen de papegaai:’Zeg het nog eens!’ Maar de papegaai zegt niks. En de officier zegt:’Durf je nog een keer te zeggen ‘Hitler is dood?’ en de papegaai zegt:’Laat ons danken’. De Duitse soldaat, waaraan Frans deze mop vertelde, moest er heel erg om lachen. Maar de buren hadden doodsangsten uitgestaan, dat de mop niet goed zou vallen bij de Duitse soldaten.’

School: De Hasselbraam

‘Het was net een spookverhaal’

Als Lily, Nanna, Ties en Jesse uit groep 8 van de Hasselbraam in Eindhoven komen aangefietst, staat mevrouw Joke van der Vliet al in de deuropening om hen enthousiast te ontvangen. Je zou niet zeggen dat de gastvouw al bijna 100 jaar oud is. Als de kinderen binnen zijn in haar gezellige huisje, kan het interview beginnen.

Hoe begon de oorlog voor u en hoe kwam u aan spullen?
‘Mijn vader stond ’s morgens aan ons bed en hij zei: ’Het is geen leuke morgen, want we zijn in oorlog. Vannacht is de oorlog begonnen. En nu gaat jullie leven helemaal veranderen.’ We kregen een andere regering en iedereen, die anti-Duits was, werd opgepakt. Op die dag zelf was het heel gek. Er reden oorlogswagentjes, helemaal dichtgemaakt met ijzer. Het was net een spookverhaal, echt waar! Je moest er heel erg aan wennen. Ik wilde weten hoe het met mijn vriendinnen ging en zocht ze op. We liepen samen richting de stad. We durfden niet ver en daar zag je ze aankomen, met motortjes, met wagentjes. Het was doodeng. We gingen maar weer gauw naar huis.’
‘In de oorlog kon je moeilijk aan spullen komen. Je had bonnen nodig voor brood, maar ook voor kleding en schoenen. Maar vaak waren er helemaal geen schoenen in de winkel en dan kon je nog niks met die bonnen. Af en toe kwam er een lading schoenen uit Amerika. Dan hing er een briefje op de winkelruit ‘Er zijn schoenen binnengekomen’. Dan ging ik snel kijken. Maar helaas, de maten waren allemaal te klein voor mij. Toen had ik nog niks! Maar er waren wel goede instanties, zoals Het Rode Kruis, die de mensen hielpen met spullen.”

Was er bij u wel eens luchtalarm? En was u bang?
Ja zeker. Als het luchtalarm afging, gingen wij allemaal samen schuilen in de kast onder de trap in de gang. “Wij”, dat waren mijn vader, moeder, mijn drie zussen, mijn broertje en ik. Als het luchtalarm afgelopen was, dachten wij : ’Hè hè, wij hebben het weer gehaald.’ En dan kwam je buiten en dan zag je dat er een huis ingestort was. We waren ook vaak bang, omdat je niet wist wie je kon vertrouwen. Er was in de buurt een gezin verraden omdat zij Joodse onderduikers in huis hadden.’

Heeft u kunnen hockeyen in de oorlog?
Jazeker, maar we moesten alles zelf regelen. We hockeyden met jongens en meisjes door elkaar van verschillende leeftijden. Als we gingen hockeyen, spraken we af dat steeds één van ons op de uitkijk ging staan, voor het geval de Grüne Polizei langskwam. Die waren op zoek naar jongens en jonge mannen voor het Duitse leger en dat wilden wij niet! Als de Grüne Polizei eraan kwam, sloegen we alarm en dan konden de jongens snel via een achteruitgang verdwijnen.’

Kreeg u een brief van de koningin van Engeland?
Ja, inderdaad heb ik een brief gekregen van de koningin van Engeland. Ik weet ook niet waarom, misschien omdat ik lid was van het Jeugd Rode Kruis. In die brief stond een verzoek om naar Engeland te komen, om daar Nederlandse kinderen op te vangen, die moesten bijkomen van de oorlog. Mijn vader liet me niet graag gaan, maar mijn moeder zei: ‘Ze heeft een goed stel hersens en het Rode Kruis zal haar wel helpen en ik denk dat ze moet gaan.’ Zo ging ik op de boot naar Engeland. De boot werd begeleid door mijnenvegers, want de Noordzee lag vol met mijnen. Wel spannend, maar ik besefte dat toen niet. In Engeland kregen we nieuwe kleding, schoenen en regenjassen. We werden daar in een vakantiepark ondergebracht. In ieder huisje zat een groep kinderen met twee begeleidsters. Vier jaar heb ik daar gewerkt en ik was er heel gelukkig. Ook ik kon daar de oorlog een beetje vergeten. Na vier jaar kreeg ik bericht, dat mijn moeder ernstig ziek was en toen ben ik weer teruggegaan.’

School: De Hasselbraam

‘Mijn dappere, krachtige mami’

Hamit, Roosmarijn en Mats uit groep 8 van basisschool De Hasselbraam in Eindhoven mogen mevrouw Sheila Meinhardt interviewen in een lokaal op hun eigen school. Mevrouw Meinhardt heeft schilderijen en boeken meegenomen om haar verhaal te kunnen illustreren. Ze vertelt het verhaal van haar oma, haar mami.

Wat zijn Roma en Sinti en waarom werden ze opgepakt?
Veel mensen denken dat dit hetzelfde volk is, met eenzelfde cultuur. De Roma en de Sinti hebben een gezamenlijk land van herkomst; India. Vanuit daar zijn ze gaan rondtrekken, we weten niet echt waarom. De Roma zijn naar de Balkan getrokken. De Sinti zijn naar Europa getrokken. Ze hebben van veel verschillende talen iets meegenomen. De Sinti zijn meer de muzikanten. Mami, mijn oma, was van de Sinti-kant. Mami is geboren in Heerlen in 1920. Tijdens de WOII woonden ze op woonwagenkamp de Zwaaikom in Eindhoven. Op 16 mei 1944 werden de woonwagenbewoners opgepakt. De Sinti werden, net als de Joden, gediscrimineerd en racistisch behandeld, omdat ze een andere afkomst hadden. Maar over de vervolging van de Sinti is veel minder bekend en daarom vind ik het zo belangrijk erover te vertellen. Want als niemand dit vertelt vergeet iedereen de gruwelijkheden die ons volk heeft meegemaakt.’
‘Op 16 mei 1944 is Mami opgepakt samen met familieleden. Ze was zwanger en haar dochtertje Hélene was 1 jaar.  Ze werden heel vroeg in de ochtend opgeschrikt en wisten niet wat er gebeurde. Ze wisten niet waar ze naartoe werden gebracht. Kunnen jullie je voorstellen hoe angstig dit moet zijn geweest? Daar denk ik vaak aan; hoe zou kleine Helena zich hebben gevoeld?’

Hoe is het in Auschwitz geweest voor uw oma en hoe heeft ze het overleefd?
‘Via een doorgangskamp in Westerbork zijn ze weggevoerd naar Auschwitz. Ze hebben drie dagen een verschrikkelijke reis meegemaakt, zonder eten of drinken. In Auschwitz zijn haar kinderen, inmiddels was Josef ook geboren, van haar weggerukt en vermoord. Daarna vonden de nazi’s haar nog ‘goed genoeg’ en stuurde haar naar het werkkamp. Daar moesten ze zwaar werk doen, zoals stenen sjouwen. De angst blijft altijd bij je, zo durfde mijn Mami nooit meer in een trein.’
‘Door de overplaatsing naar het werkkamp heeft Mami de massamoord op 3000 Roma en Sinti overleefd. Door de kracht, die ze had, heeft ze kunnen doorgaan en volhouden tot in mei 1945 de Amerikanen Auschwitz bevrijdden. Ik weet nog een verhaal dat Mami was flauwgevallen en dat een Amerikaan haar bij heeft gebracht met een ui. Na de oorlog is ze teruggegaan naar de Zwaaikom in Eindhoven, waar ze haar man Johan Meinhardt weer heeft gevonden. Hij had een zware tijd gehad in kamp Vught.’

Hoe ging het verder na de oorlog?
Bij terugkomst begon eigenlijk pas het verdriet. Mami kwam terug zonder haar twee kinderen. Ook zonder andere familieleden. Het hele kamp was afgebroken, bezittingen vernield of verbrand. Alles moest opnieuw worden opgebouwd. Maria en Johan zijn ondanks al het verdriet doorgegaan en hebben samen nog elf kinderen gekregen, waaronder Tata, mijn papa. De Sinti hebben een hechte gemeenschap, waarbij het fijn is samen met de familie te zijn en te eten. Er werd vroeger niet gesproken over de wonden, die de oorlog had achtergelaten. Ik weet dat mijn Mami weleens helemaal alleen in een weideveld ging liggen en dan alles eruit schreeuwde. Ik heb zelf vaak pijn en verdriet gevoeld en nooit goed gesnapt waar dat vandaan kwam. Nu begrijp ik dat dit het verdriet is van de generaties voor mij, van mijn Mami. Dit noemen ze transgenerationeel trauma; een trauma wat doorwerkt. Wanneer ik me zo verdrietig of bang voel, ga ik schilderen. Niet met een plan, maar vanuit mijn hart. Er komen dan vaak dingen vanuit de oorlog op het doek. Maar ook bijvoorbeeld een schilderij van kleine Josef, als hij niet was vermoord. Ik wil heel graag het verhaal levend houden en traumawonden helen. Ik denk elke dag aan mijn oma en hoe het zou zijn geweest als Hélene en Josef nog hadden geleefd. Ik vind het heel belangrijk dat dat discriminatie en racisme stopt. Dat haat op basis van achtergrond nooit meer mag voorkomen. Dat ieder mens gelijk is en evenveel waard.’

 

 

School: De Hasselbraam

‘Ik kreeg nergens antwoord op’

Saar, Levi, Isis en Sebas uit groep 8 van basisschool De Hasselbraam in Eindhoven gaan op bezoek bij meneer Rolf Loewenstein. Ze worden verwelkomd met limonade en een stroopwafel. Meneer Hasselbraam heeft veel te vertellen; over Hitler, de Eerste Wereldoorlog, over waardevermindering van geld en over de jodenvervolging.  De kinderen hebben zich goed voorbereid op het interview.

Hoe bent u in Eindhoven terecht gekomen?
‘Ik ben geboren in Duitsland. Al lang voordat de oorlog begon, zijn mijn Joodse ouders gevlucht uit Duitsland. Ze hadden daar een schoenenwinkel. Er was veel onvrede onder de mensen en Hitler zei dat alles wat niet goed ging de schuld was van de Joden. De mensen geloofden dat. Op een dag werden ramen van onze winkel ingegooid en leuzen zoals: ‘Niet van Joden kopen’ op de gevel geklad. Mijn vader deed aangifte bij de politie, maar werd weggestuurd. De politie wilde hem niet helpen, omdat hij een Jood was. Iedereen was bang om Joden te helpen. Bang om naar een strafkamp gestuurd te worden.’
Toen zijn we met zijn allen naar Eindhoven gevlucht. Mijn vader en moeder en mijn opa en oma, mijn boer Helmut en ik.  Mijn ouders begonnen toen weer een schoenenwinkel. Midden in de stad op de Demer. Toen kwam de oorlog.  In de oorlog zijn op de Demer bommen gevallen en onze hele winkel was vernield. Het werd ook steeds gevaarlijker voor Joodse mensen. Ze mochten ook niks meer. Niet meer werken, niet meer in de parken komen.  Uiteindelijk zijn we moeten onderduiken.’

Waar zijn jullie toen ondergedoken?
‘We zijn gevlucht en ondergedoken bij een boer. Die had op het land van die hooimijten staan.  Ik weet niet of jullie dat kennen? De boer liet gras drogen op het weiland. Op een hoge stapel.  Als het droog was werd het hooi, voedsel voor de dieren. Mijn vader, moeder en mijn broertje Helmut en ik mochten van de boer niet in de boerderij schuilen. Dat vond hij te gevaarlijk.  We moesten met het hele gezin buiten in die hooiberg slapen. In die berg hooi hebben we een gat gemaakt en daar hebben mijn opa en oma, mijn vader en moeder en ik en mijn broer geslapen. Maar vroeger waren de winters veel kouder dan nu en schijnbaar hebben ik en mijn broer gehuild. Wij hadden het in de winter koud natuurlijk. De boer zei: ‘De kinderen moeten hier weg. Die kunnen hier niet blijven. Dat is te gevaarlijk als ze zoveel huilen.’ Maar wij waren nog baby’s, ik was 2 of 3 jaar en mijn broer was 6 jaar. En toen hebben ze gezorgd dat wij ergens anders onder konden duiken. Bij vreemde mensen. Mijn broer en ik zijn met een mevrouw meegegaan. Die vrouw heeft mijn broer verkocht voor zeven gulden vijftig aan de Duisters. Mijn boer is naar Auschwitz gebracht en dezelfde dag vermoord. Ik heb geluk gehad dat ik bij hele goede mensen in Apeldoorn in huis ben gekomen. De hele oorlog door.  Ik heb een hele mooi tijd gehad daar. Ik herinner me vooral de kinderen van het gezin. Het meisje bracht me achter op haar rug naar boven als ik naar bed moest. Ik had een andere naam gekregen, zodat ik niet gevonden kon worden door de Duitsers. Ze noemden me Wimpie. Ik wist niet wat er met mijn boer was gebeurd.’

Kunt u iets vertellen over uw moeder?
‘Mijn moeder heette Hilda. Na de oorlog kwam ze me ophalen in Amersfoort. Ze kwam met een militaire wagen. Ik herkende haar niet meer.  Ik zag een vrouw met heel lang zwart haar. Ik moest met haar mee en heb alleen maar gehuild in die militaire vrachtwagen. Ik was bang voor haar. Dat moet ook wel heel moeilijk voor haar geweest zijn. Haar enige zoon die ze terugvond huilde alleen maar.’
Mijn moeder begon toen weer een kleine schoenenzaak in een noodwinkeltje op de Demer.
Ik denk dat mijn moeder nog zeker vijf jaar gedacht heeft dat mijn vader nog terug zou komen. Ze had helemaal geen geld. Ik moest dus gaan werken toen ik 15 jaar was. Eigenlijk had ik liever willen studeren maar dat kon niet.’
Als ik iets aan mijn moeder vroeg over mijn broertje of mijn vader zei ze alleen maar: ‘Dat weet ik niet’. Ik kreeg nergens antwoord op. Ook als ik iets over mijn vader vroeg, bijvoorbeeld of het een lieve man was kreeg ik geen antwoord. Alleen maar: ‘Dat weet ik niet’. Mijn moeder was een hele stille vrouw. Erg vriendelijk en opgewekt was ze niet. Ik heb haar nog nooit zien lachen. Mijn opa en oma woonde ook bij ons in huis. Er werd helemaal niet gepraat en gelachen bij ons thuis. Als ik te laat thuiskwam, werd ik geslagen met een bezemsteel. Ik had een heel onvriendelijke moeder. Misschien was ze getraumatiseerd door de oorlog.’

Bent u nog iets te weten gekomen over uw Vader?
Na de oorlog ben ik zelf uit gaan zoeken wat er gebeurd is met mijn vader. Onder andere door naar het Rode Kruis te schrijven. Ik heb er jaren over gedaan om het uit te zoeken en ben nog steeds niet zeker over het verhaal. Naar alle waarschijnlijkheid is er een Engels vliegtuig door de Duitsers bij Maarheeze uit de lucht geschoten. De ‘Moffen’ zijn op de boerderij gaan zoeken naar de Engelse piloot van het vliegtuig. Naar alle waarschijnlijkheid hebben ze mijn vader toen meegenomen, omdat ze dachten dat hij de Engelse piloot was. Toen zijn ze erachter gekomen dat hij Joods was. Hij is gedeporteerd en nooit meer teruggekomen. Ik heb mijn vader niet gekend en kan hem me ook niet herinneren.’

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892