School: De Hasselbraam

‘In het prikkeldraad zat de zoon van de Joodse slager helemaal verstrikt’

Franz, Diederik en Olivia van basisschool de Hasselbraam gaan op bezoek bij Piet Hoppenbrouwers. Meneer Hoppenbrouwers was bijna 6 jaar oud toen de oorlog begon en woonde met zijn ouders op het Stratumseind in Eindhoven. De kinderen luisteren aandachtig naar zijn verhalen die hij als kind heeft opgeschreven en nu, op 91-jarige leeftijd, nog levendig kan navertellen.

Kunt u meer vertellen over die keer toen een Duitse soldaat aanbelde bij uw ouders?
‘Op een nacht, midden onder het luchtalarm, werd er bij ons aangebeld. Mijn vader keek door een spleetje en zag een Duitse soldaat staan, compleet met geweer. Dat was heel gevaarlijk en spannend, maar mijn vader deed toch de deur open. De soldaat kwam binnen, zette netjes zijn geweer in de hoek en vertelde dat hij de oorlog ook niet had gewild. Hij kwam uit de buurt van München en had zelf ook een vrouw en kinderen. Mijn vader gaf hem een zelfgedraaide nepsigaret van tabaksbladeren uit eigen tuin, en mijn moeder gaf hem een kopje nepkoffie. Toen het luchtalarm voorbij was, bedankte hij mijn moeder, groette ons en vertrok weer. Die nacht hebben we niet meer geslapen van de spanning. Het was een positieve ervaring die me leerde dat niet alle Duitsers slecht of gemeen waren.’

Kende u Joodse mensen?

‘Jazeker. Een van de verhalen die ik me herinner, gaat over een jongen van een jaar of 11, de zoon van een Joodse slager. Op een avond na zangles liepen we met een groepje jongens naar huis, vlakbij het kerkhof. Daar hoorden we gekreun. Rond het gastankstation was prikkeldraad gespannen en daar zat die jongen helemaal in verstrikt. Misschien waren het wel jongens van de NSB die dat hadden gedaan. Wij hebben hem er heel voorzichtig uitgehaald, maar hij bloedde aan alle kanten en kon niet meer lopen. Daarop hebben we hem naar zijn huis gebracht. De volgende dag is vermoedelijk de hele familie ondergedoken.

Ik heb jarenlang niet geweten hoe het met hem is afgelopen. Pas een paar jaar geleden ontdekte ik dat hij de oorlog, net als zijn vader en zusje, heeft overleefd. Zijn moeder is helaas vlak voor het einde van de oorlog gestorven van uitputting. Voor haar ligt nu een struikelsteentje in de stad.’

Wat dacht u van de NSB?
‘Ha, dat waren de gasten die voorop liepen met de Duitsers, maar ze waren net zo gemeen. Het waren rotzakken. Een collega van mij op school vertelde dat zijn broer in de oorlog is verraden voor 7 gulden door een NSB’er. Als je een hele Joodse familie verraadde, kreeg je soms wel 50 gulden. Zo gingen die NSB’ers te werk; ze werkten samen met het regime van Hitler. Ze groetten elkaar ook met een opgeheven arm, net als de Duitsers, een groet die ze van de Romeinen hadden overgenomen. Nee, ik neem geen blad voor de mond: dat waren geen goede mensen.’

School: De Hasselbraam

‘Bij de bevrijding waren we verkleed als de prinsesjes Beatrix, Margriet en Irene’

Juul, Mila en Lara wandelen toch een beetje gespannen van basisschool de Hasselbraam in Eindhoven naar de Wilgenhof, waar Pauline Spierings (87) woont. Die spanning blijkt niet nodig te zijn want ze worden allerhartelijkst ontvangen in haar appartement, waar de cake en de chocomel al klaarstaan.

Hoe merkte u dat de oorlog begon?
‘Ik was natuurlijk erg jong, 2 jaar, toen de oorlog begon, maar ik weet er nog best veel van. Dat komt denk ik omdat er heel veel angst was. Angst voor de herrie, angst voor waar we moesten slapen, angst voor wat er ging veranderen, angst voor bommen (V1’s) die overvlogen en waar we voor moesten schuilen onder de struiken. Zo moesten wij slapen in de kelder van het klooster in een schuilkelder.’

Waren er ook soldaten die bij jullie woonden?
‘We hadden twee soldaten die bij ons schuilden. Die woonden op zolder, Tom en Zwartie. Dat vond ik niet zo spannend. Kijk, in mijn boek heb ik nog foto’s van hen tijdens de oorlog. Dat is best bijzonder. Van Tom hebben ik ook nog een foto gekregen na de oorlog toen hij trouwde.’

Hoe voelde u zich toen Vught bevrijd werd?
‘Ook daar weet ik niet heel veel meer van. Ik kan me nog wel herinneren dat er een optocht was en dat wij hebben meegelopen. Wij waren met drie meisjes en we zaten op een boot en waren verkleed als de prinsessen, Beatrix, Irene en Margriet. We hadden speciale jurken aan in de kleuren van de vlag. Ik ben trouwens in dezelfde maand geboren als prinses Beatrix.’

School: De Hasselbraam

‘Op een kaart uit maart 1944 schrijft mijn vader dat hij op transport gaat’

Pip, Mick, Teddie en Krisje van basisschool de Hasselbraam in Eindhoven zijn op bezoek bij Andy Wijzenbeek en zijn vrouw. Ze hebben er ontzettend veel zin in, maar zijn ook een klein beetje zenuwachtig. De kinderen gaan meneer Wijzenbeek interviewen over zijn vader, die verzetsstrijder was in de oorlog. Wat zou hij allemaal over zijn vader kunnen vertellen?

Kunt u iets meer vertellen over uw vader en moeder?
‘Mijn vader Emanuel, ofwel Maan, Wijzenbeek werd geboren in Den Haag in 1909, hij was Joods. In 1932 trouwde hij met mijn moeder Marietje, zij was volgens mijn vader het mooiste meisje van Eindhoven. Mijn moeder was een katholieke vrouw. Omdat dit dus een gemengd huwelijk was, hoefde mijn vader in eerste instantie niet naar een concentratiekamp in Duitsland. Hij werkte als vertegenwoordiger voor Philips en we woonden aan de Heezerweg 229 in Eindhoven. Er waren al twee kinderen in huis en inmiddels was mijn moeder zwanger van een derde kind, dat was ik.

Net voordat de oorlog begon werd mijn vader opgeroepen voor het Nederlandse mobiliteitsleger. In die tijd ontving mijn moeder veel vrolijke brieven van mijn vader. Hij had goed te eten en de mensen om hem heen waren aardig voor hem, die tijd moet fijn voor hem geweest zijn.’

Uw vader zat in het verzet, wat deed hij dan?
‘We hadden twee Joodse kinderen uit Nederland in huis, eentje ervan heette Harrie. Ik was nog niet geboren, dus ik weet hier verder niet zoveel van. Wel weet ik dat mijn vader verzetsstrijder was. Hij hielp mensen met onderduikers in huis aan extra voedselbonnen. Dit was natuurlijk verboden en dus gevaarlijk. Mijn vader is uiteindelijk verraden, we weten niet door wie. Hij is opgepakt door de Duitsers en meegenomen. De ondergedoken kinderen zijn niet ontdekt.

Mijn vader is eerst in verschillende kampen in Nederland geweest. Uiteindelijk is hij gedeporteerd naar Auschwitz en daar vermoord, hij overleed in maart 1944.’

Uw moeder wilde niet veel vertellen, weet u ook waarom?
‘Vanuit Westerbork zijn er brieven, geschreven door mijn vader, meegesmokkeld en bij mijn moeder terechtgekomen. Daarnaast heb ik een kaart uit maart 1944, waarop mijn vader schrijft dat hij op transport gaat maar niet weet waarheen. Deze kaart heeft mijn vader hoogstwaarschijnlijk uit de trein naar Auschwitz gegooid en ook deze is bij mijn moeder beland.

Al deze brieven en kaarten heeft mijn moeder bewaard in een koffertje (snoepblikje). Dit koffertje was het enige wat ons herinnerde aan onze vader. Af en toe kwam het op tafel te staan en lazen wij de brieven en kaarten. Mijn moeder wilde niet veel vertellen over mijn vader omdat ze het verdriet eigenlijk wilde wegstoppen. Ik heb dit zelf ook jaren gedaan. Ik wilde me ook niet verdiepen in de oorlog, ik was een tijd lang vooral boos op de Duitsers.

De kaart die hoogstwaarschijnlijk uit de trein naar Auschwitz gegooid was, liet mijn moeder wel meteen zien toen mijn vrouw kwam kennismaken. Mijn moeder wilde dus wel het een en ander delen, maar vond dit ook heel moeilijk.’

Hoe was het leven na de oorlog?
‘In de brieven aan mijn moeder schreef mijn vader over de baby, een meisje dat Marijke zou moeten gaan heten. Hij schreef dat hij hoopte dat hij terug zou zijn voordat het kindje geboren zou worden. Ik werd in mei 1944 geboren, mijn vader was toen al gestorven.

We hadden in die tijd weinig. Ik speelde met klosjes garen, lege blikjes en lege luciferdoosjes. Toen ik vier maanden oud was, vierden we de bevrijding. Ik droeg een Amerikaans petje en de mensen noemde mij in plaats van Andre (dit was mijn doopnaam) Andy. Dit deden ze vanuit dankbaarheid naar de Amerikanen.

Jarenlang heb ik niet over de oorlog na willen denken en niet over de oorlog willen praten. Sinds kort ben ik me steeds meer gaan verdiepen in het verleden van mijn vader, mijn dochter heeft dit in mij aangewakkerd. Ik ben nu vooral trots op de dapperheid van mijn vader.

Er is inmiddels een struikelsteen voor mijn vader geplaatst bij mijn geboortehuis, mijn vader komt terug in een boek en artikel van omroep Brabant en er is een straat naar hem vernoemd in de verzetsbuurt. Maar het allermooiste is dat mijn kleinzoon vernoemd is naar mijn vader. Mijn moeder wilde graag dat ik onze zoon Maan zou noemen, maar dat wilde ik niet, dat was te pijnlijk. Nu is de wens van mijn moeder toch nog uitgekomen.’

School: De Hasselbraam

‘Opa was kostganger: hij nam de onderduikers in huis en gaf ze te eten’

Tibeau, Doortje en Polina zijn heel benieuwd naar het verhaal van Dre Rennenberg (1936). Hij was 4 jaar toen de oorlog begon en woonde aan de Leostraat in Eindhoven. Meneer Rennenberg (later ambtenaar in Eindhoven) schreef een boek over zijn herinneringen aan deze tijd. De drie leerlingen van basisschool de Hasselbraam willen weten hoe hij zich voelde. Toen de oorlog begon was hij nog erg jong, zegt hij, een gevoel is dan ook niet goed te omschrijven. Maar gedurende de oorlog voelde hij meer en meer angst.

Wat deed uw vader in de oorlog?
‘Mijn opa, oom en mijn vader zaten in het verzet tijdens de oorlog. In het verzet zitten was heel erg gevaarlijk. Ze hielpen Engelsen die de Duitsers wilden vermoorden, met schuilen en overleven. Opa was kostganger: hij nam de onderduikers in huis en gaf ze te eten. Mijn opa zorgde er ook voor dat er op het vliegveld kastjes met lichtgevende verf werden beklad, zodat de Engelsen in het pikkedonker toch zagen dat er een landingsbaan was. Mijn oom sprak heel veel talen en kon dus goed helpen. Iedereen moest zijn radio inleveren, maar opa hield er een verborgen. Daarmee kon hij dan stiekem naar de Engelse radio luisteren.’

Wat gebeurde er met uw opa?
‘Hij is verraden, waarschijnlijk door buurtbewoners, omdat hij naar de Engelse radio luisterde. De Duitsers konden hem toen afluisteren. Ze kwamen naar ons huis en pakten hem op. Hij is naar kamp Vught gebracht, een strafkamp, maar hij kreeg longontsteking. Dokter Jordaan zorgde ervoor dat opa van het kamp naar het ziekenhuis ging en daar mocht blijven. Helaas was hij te ziek en is hij gestorven aan de longontsteking. Opa was heel erg belangrijk in het verzet.’

Wat herinnert u zich van de bevrijding op 18 september 1944?
‘Die dag was ik met mijn vriend Willy oorlogje aan het spelen achter in de tuin. Ik had een vergiet op mijn hoofd, dat was mijn helm. We hoorden ineens allemaal mensen roepen en zagen mensen op de fiets: de Engelsen fietsten door de straat. Grote vrachtwagens kwamen langs en Engelse soldaten deelden chocola uit aan ons. Een donkere man gaf mij een chocolaatje en gaf me een kus op mijn hoofd. Ik had een heel raar maar ook blij gevoel. Ze zetten bijvoorbeeld grote palen neer waar we in mochten klimmen en een peperkoekje konden winnen. En er werd limonade geschonken.

Maar de dag erna, op 19 september, zagen we lichtkogels… De Duitsers bombardeerden toch nog de stad en wij moesten vluchten naar Tivoli. Veel huizen werden verwoest.’

School: De Hasselbraam

‘De volgende dag hoorde ik dat er vijf schoolvriendjes dood waren’

Mimi, Saar, Wout en Cas van basisschool de Hasselbraam gaan op bezoek bij de 92-jarige Bernard van de Moosdijk om hem te interviewen over zijn jeugd in de oorlog. Hij was 12 toen de oorlog eindigde, ongeveer de leeftijd van de leerlingen nu. Dat maakt best veel indruk op ze, ze zijn er even stil van. Als meneer Van de Moosdijk vertelt over zijn vrienden die aan de Biesterweg in Eindhoven zaten tijdens het bombardement, wordt hij heel emotioneel. Wat er toen gebeurde, heeft hem enorm geraakt en verdriet gebracht.

Hoe vond u het toen het eerste luchtalarm afging
‘Als je buiten was, moest je de schuilkelder in, anders kreeg je een bekeuring. Eindhoven had veel schuilkelders in de oorlog. Nestenhutten hadden we ook, een grote hut gemaakt van ijzer waar zand omheen gelegd wordt. Verstoppen thuis mocht ook, onder de trap of in de kelder thuis.’

Woonden er Joden in uw buurt?
‘Wij hadden zelf geen Joden in huis en ook in de buurt waren er geen, behalve bij de buren. Daar waren Joden ondergedoken. Ze moesten altijd binnen blijven, een hel was dat. De Joodse onderduikers betaalden deze mensen voor het onderduiken. Die konden van dat geld eten kopen en kleding. De Joodse onderduikers hebben de oorlog overleefd.’

Kende u mensen die in het verzet zaten?
‘Mijn vader bracht verzetskrantjes rond. Die deed hij tussen de post. Hij had adressen waar hij ze af moest geven. Mijn vader hield ook op een kaart bij hoe de oorlog verliep, dat hoorde hij bij Radio Oranje. De radio hadden we niet ingeleverd, we luisterden stiekem. Mijn zus werkte bij Philips en ze wisten dat wij een radio hadden, dus dat was best gevaarlijk.

Op 4 februari was er staking, de zogenoemde februaristakingen, ook bij Philips. Mensen kwamen massaal uit de fabriek gelopen. Ook mijn zus staakte. Er zijn toen vijf mensen doodgeschoten.

Alle jonge mannen moesten in Duitsland gaan werken. Mijn oudste broer zat in het klooster en als je in het klooster werkte hoefde je niet naar Duitsland. Mijn andere broer moest eigenlijk wel in Duitsland werken. Hij kreeg toen snel een baan in het klooster als boekhouder zodat hij niet weg hoefde.’

Hoe was de bevrijding in september 1944?
‘Iedereen was aan het feesten op de markt, ook op 19 september, de dag na de bevrijding. Ineens was er oranje feestverlichting in de lucht. Dat dachten de mensen… maar het waren lichtkogels. De Amerikanen waarschuwden dat we snel naar huis moesten want het waren lichtkogels. Ik rende naar huis. Ik hoorde overal al bommen vallen.

Alleen de vrouwen waren thuis, ik was de enige jongen, ook mijn vader was er niet. Toen brak de hel los. Er vielen veel veel bommen en er was een enorm lawaai. Er viel een bom in onze tuin. Alle ruiten sprongen uit ons huis… ik was heel bang. We schuilden in de gang. Daarna gingen we naar bed, maar durfden niet boven te slapen. Dus lagen we beneden tegen elkaar aan. Vader kwam midden in de nacht thuis en vertelde aan moeder hoe erg het was onderweg. Veel later kwam mijn broer Eddie ook thuis.

De volgende dag hoorde ik dat er vijf schoolvriendjes dood waren. Er was een bom gevallen op de schuilkelder aan de Biesterweg. Ik was misdienaar bij de begrafenis. Er waren twee grote massagraven voor alle 41 doden.’

 

School: De Hasselbraam

‘Mijn opa zou nog op de laatste trein naar Auschwitz worden gezet’

Cato, Mathis en Carmen ontvangen Sheila Meinhardt bij hen op school, de Hasselbraam in Eindhoven, in de koffiekamer. Er is een gezellig hoekje ingericht voor het interview. Mevrouw Meinhardt (46) heeft drie van haar kunstwerken bij zich en deze worden mooi neergezet. Ze is de kleindochter van Maria Steinbach en Johan Meinhardt. Over hen gaat het interview.

Hoe was de treinreis?
‘Mijn oma, ‘Mami’, werd door de Nederlandse politie en de SS opgepakt aan de Zwaaikom van het Eindhovens Kanaal. Zij woonde in een Sinti-gemeenschap. Haar man, mijn Papu, was al eerder opgepakt om voor de Duitsers te werken in kamp Vught. Nu moesten ook Mami, haar dochtertje Hélène van twee jaar en haar ongeboren kind vertrekken.

Ze werden naar kamp Westerbork gebracht. Mijn oma was verdrietig en bang, ze wist niet wat er met hen zou gebeuren. Na een paar dagen werd Mami met Hélène op de trein naar kamp Auschwitz gezet. De treinreis duurde drie dagen. De SS gebruikte wagons voor dierenvervoer. Deze werden volgepropt met mensen die je niet kent, dicht bij elkaar, warm en donker. Er was nauwelijks eten. Water werd af en toe moet een slang naar binnen gesproeid, dan konden ze een paar druppeltjes opvangen.

Toen ze uiteindelijk In Auschwitz aankwamen, zijn Mami en Hélène van elkaar gescheiden. Hélène heeft nog een tijdje geleefd in het kamp. Ze is op 4 juli vermoord en Joseph is op 23 mei geboren en hij is op 9 juli vermoord. De SS’ers hadden niks aan kinderen en zwakke mensen.’

Heeft uw opa de oorlog overleefd?
‘Ik noem het een wonder dat mijn opa en oma de oorlog hebben overleefd. De SS’ers zeiden in kamp Auschwitz tegen Mami: ‘Je gaat naar kamp Ravensbrück, naar een vrouwenkamp’. Ze werd overgeplaatst en dat heeft haar leven gered. Van de drieduizend mensen die toen zijn vermoord, heeft zij het overleefd.

Ze heeft nog een tijdje gewerkt vanuit kamp Ravensbrück en is na de oorlog teruggezonden met behulp van het Rode Kruis naar Eindhoven. Ze is terug naar de Zwaaikom gegaan en heeft zich herenigd met Papu, mijn opa. Mijn opa zou vanuit kamp Vught nog op de laatste trein naar Auschwitz gezet worden. Maar op het station aangekomen was de laatste trein weg. Anders was hij ook naar Auschwitz gegaan. Hij is toen terug naar kamp Vught gegaan om daar weer te gaan werken. Ze hebben beiden echt geluk gehad.’

Vindt u het lastig om over de oorlog te praten?
‘Mijn Mami heeft er bijna niet over gepraat. Ik denk dat de pijn zo diep zat dat het voor haar heel moeilijk was om erover te praten. Ikzelf vind het eigenlijk juist fijn om het met jullie te delen. Toen ik ontdekte wat er met mijn familie is gebeurd, was ik in schok. Dan denk je: hoe kan dit? Hoe kan zoiets gebeuren? Hoe kunnen mensen zoiets andere mensen aandoen

Ik ben gaan onderzoeken hoe het zat. En toen ik alles wist, ben ik begonnen met erover te praten en te schilderen. Ik voelde vaak verdriet. Maar door erover te praten en te schilderen, ben ik het gaan verwerken. Heel vaak wordt verdriet weggestopt, maar het blijft er. Het zijn innerlijke wonden, het zijn eigenlijk littekens die je van je voorouders meekrijgt. Dat heb ik geschilderd op het werk De innerlijke verwonding van mijn ziel.

School: De Hasselbraam

‘Op de terugweg zei ik tegen mijn vader: ik heb mijn bijl nog!’

Faas, Dirkje en Britt van basisschool de Hasselbraam in Eindhoven zijn op bezoek bij Ruud Nordt (1937). Hij heeft boeken met plaatmaterieel en zijn eigen tekenboekjes klaargelegd om te vertellen hoe het was om als jong kind de oorlog en de Hongerwinter mee te maken, vlakbij de Noord-Hollandse kust.

Hoe oud was u toen de oorlog begon?
‘Ik was 3 jaar, maar daar weet ik niks meer van. Ons gezin bestond uit mijn vader, mijn moeder en ik. Wij woonden in Santpoort tussen IJmuiden en Haarlem in. Mijn vader was onder de 40, dus die moest eigenlijk in Duitsland gaan werken. Maar hij was al heel vroeg kaal en erg mager, waardoor hij veel ouder leek dan-ie was. Zo is hij het werken in Duitsland ontlopen.

In het begin van de oorlog viel het allemaal nog wel mee, maar vanaf dat ik 5 jaar was, werd de oorlog grimmiger. Op een dag liepen mijn vader en ik van Bloemendaal naar huis en zagen daar mensen hakken en zagen, hoewel dat eigenlijk verboden was. Wij hebben toen ook een zaag en een bijl gehaald en gingen meedoen.

Tot er een politieagent kwam met een pistool. Iedereen moest het gereedschap inleveren en zijn Ausweiss laten zien, dat was een soort identiteitskaart. Het zag er niet goed uit voor mijn vader, want zo konden ze zien dat hij nog geen 40 was en moest hij alsnog naar Duitsland. Ik had stiekem de bijl onder mijn jas verstopt. Mijn vader had een witte zakdoek, haalde die uit zijn zak en deed hem heel rustig weer terug in zijn zak, zodat het leek alsof hij zijn Ausweiss al ingeleverd had. Zo kwam hij weer goed weg. Op de terugweg zei mijn vader tegen mij: ‘Ik heb mijn Ausweiss nog’. En ik zei: ‘En ik heb mijn bijl nog!’

Wat gebeurde er nog meer in de oorlog?
Niet ver van ons huis in Santpoort was een vesting en daar lagen dikke bunkers met duikboten. De geallieerden wilden ze bombarderen, maar dat lukte niet. Die duikboten zijn heel gevaarlijk, die gaan onder water en kunnen schepen beschieten.

IJmuiden zelf was helemaal plat gegooid, de huizen waren opgeblazen. De inwoners moesten nu ergens anders wonen. Wij werden gemaand te vertrekken of toe te staan dat mensen in ons huis kwamen wonen. Mijn ouders hebben toen voor het laatste gekozen en ieder gezin had één verdieping. Maar dat was wel lastig, twee gezinnen in één huis.

Om die vesting te verdedigen hadden de Duitsers ruimte nodig om alles te kunnen zien. Dat was het schootsveld. Naarmate de oorlog vorderde, werden de Duitsers steeds benauwder voor de geallieerde troepen. Ze probeerden de vesting goed te verdedigen, dus het schootsveld moest groter. Daarvoor moesten bossen gekapt worden.

Wij kregen de mededeling dat we nu echt ergens anders moesten gaan wonen, want anders konden we beschoten worden. Maar mijn vader zei: ‘Ik ga niet weg, we blijven hier stiekem wonen, illegaal’. Dus wij bleven daar, maar we hadden geen gas en elektriciteit meer. En het water werd ook nog afgesloten. Toen heeft mijn vader aan iemand van de gemeente gevraagd of ze ’s avonds de kraan wilden open draaien, zodat we toch wat water hadden. Dat deden ze. Maar als je naar de wc ging, moest je uitkijken met doortrekken, want anders kwamen ze erachter dat we wel water hadden…’

Hoe was de Hongerwinter?
‘De Hongerwinter was heel erg. Een gedeelte van Nederland was al bevrijd, daar viel Eindhoven ook onder, maar de rest van Nederland was nog bezet door de Duitsers. We woonden inmiddels clandestien, er was bijna niks in de buurt. We hadden niks meer om de kachel goed te stoken en moesten hout zien te verzamelen. Toen ze dat schootsveld wilden vergroten en het bos weg moest, hadden wij voor een tijdje hout.

We woonden in één kamer, de rest van het huis werd niet gebruikt. Daar stond een noodkacheltje met een hele lange platte buis, waar je ook op kon koken. Het was een allesbrander. Omdat er zo weinig eten was, moesten we suikerbieten eten en tulpenbollen. Die maakte mijn vader klaar in een grote pan en noemde het ‘tulpenbollencake’. Het voedde wel, maar was niet echt lekker. Het smaakte naar uien.

We kregen wel eten, maar dat was veel te weinig, zeker voor drie mensen met een opgroeiend kind. We kregen een heel klein broodje en daar moest je een paar dagen mee doen. Als je brood snijdt, komen er altijd kruimeltjes. Daar maakten we bolletjes van. De ene dag kreeg mijn vader zo’n bolletje en de andere dag kreeg ik zo’n bolletje, en dat vonden we heerlijk! Op het einde van de oorlog, mei 1945, kreeg ik hongeroedeem. Dat zie je nu ook bij de kinderen in Gaza. Ik lag op bed en kon niks meer. De bevrijding heb ik in bed meegemaakt. Ik kon niet meedoen met de feesten. Daarna kreeg ik bijvoeding en kregen we voedsel van het leger. Ik kon niet meteen alles eten, want dat kon mijn maag niet verdragen.’

School: De Hasselbraam

‘Er kwamen honderden vliegtuigen overvliegen die alles plat bombardeerden’

Mijs, Moos en Zófi van basisschool de Hasselbraam in Eindhoven mogen op bezoek bij Peter Buddemeijer. Hij was 4 jaar toen de oorlog begon, en is nu bijna 90. Hij vertelt indrukwekkende en emotionele verhalen uit zijn jeugd in de Lijmbeekstraat. Al snel geeft hij aan dat hij na een hersenbloeding extra gevoelig is, zeker bij herinneringen aan de oorlog. De kinderen luisteren aandachtig; het is alsof ze de vliegtuigen zelf horen overvliegen. Op de vraag hoe hij de bevrijding beleefde, begint meneer Buddemeijer te stralen: ‘FAN-TAS-TISCH!’

Hoe was het om Joodse mensen op zolder te hebben?
‘Dat was heel erg spannend. Ik zal jullie hier wat meer over vertellen. Mijn familie bestond uit mijn vader, mijn moeder, mijn broertje en zusje. Ik speelde heel graag samen met mijn broertje, maar we mochten niet buitenspelen tijdens de oorlog want mijn moeder was erg voorzichtig en bang. We mochten wel op de zolder spelen.

Totdat we op een dag merkten dat de deur op slot was. Onze moeder vertelde dat er drie pieten op zolder gingen wonen. Dit moet in november 1943 zijn geweest, rond Sinterklaastijd. Vroeger werden wij thuis bang gemaakt voor piet. Want als je niet zoet was werd je meegenomen in de zak naar Spanje. Dit was een leugentje om bestwil van mijn moeder, anders lag alles op straat, want op onze zolder woonde nu een Joods gezin.

‘s Avonds, wanneer mijn broer en ik in bed lagen, hoorden we gestommel op zolder. Dit vond ik heel spannend en ik dook dan onder mijn dekens. Later bleek ook dat wanneer ik sliep de ‘pieten’ naar beneden kwamen om te eten, want overdag ging de deur van de zolderkamer niet van het slot. Het allerergste van alles was dat we niet meer op onze veilige zolder mochten spelen.

Uiteindelijk heeft mijn vader ervoor gezorgd dat het Joodse gezin bij een boer kon onderduiken. Het gezin heeft de oorlog overleefd. Vorig jaar is de zoon bij mij op bezoek geweest en heeft mij laten weten dat er in Israël een boom is gepland om mijn ouders te bedanken! Dit was een bijzondere ontmoeting.’

Wilt u wat vertellen over het Sinterklaasbombardement?
‘Dat wil ik maar vind dit niet makkelijk om te vertellen. Ik ga terug 6 december 1942, het was Sinterklaas en in de ochtend lagen er pakjes op tafel voor mijn zusje, broertje en mijzelf. Tussen de cadeautjes stonden twee bloempotten, voor de oma’s, zei mijn vader.

Nadat ik mijn cadeautjes aan de buurjongen had laten zien, stapten we op de fiets richting mijn oma. Op de fiets van mijn vader, samen met mijn broertje, ik en twee bloempotten, vertrokken we richting de Hoogstraat. Voor de spoorwegovergang bij de Philipslichttoren moesten we wachten. Er kwamen honderden vliegtuigen laag overvliegen die alles plat bombardeerden. De vliegtuigen vlogen zo laag dat ik de kentekens van de vliegtuigen en silhouetten van de piloten kon zien. Dit was heel erg eng, zo eng dat ik in mijn broek plaste.

We zijn toen gevlucht naar een huisartsenpraktijk. Maar voordat we het wisten stond de voordeur in brand door fosfor. We moesten steeds verder het huis in en uiteindelijk heeft mijn vader eerst mijn broertje en later mij uit het raam laten vallen. En daarna is hij er zelf ook uit geklommen. Snel naar huis, naar mijn moeder en zusje die nog thuis waren. Het was fijn om weer veilig samen te zijn, of ja veilig…’

Hadden jullie genoeg te eten?
‘Vier sneden brood per dag, zei mijn moeder. Ik kon niet mijn buikje rondeten, maar ik heb geen honger hoeven lijden. Iedereen wist dat mijn vader kon slachten, dus werd hij regelmatig gevraagd om in de avond, wanneer het donker was, ergens te gaan slachten. Hij kreeg dan als bedankje wat vlees mee naar huis. Geld kon niet tussen de boterham, maar het vlees wel.

We moesten ook bonkaarten ophalen op het gemeentehuis. Op deze manier werd alles eerlijk verdeeld, wat er nog was natuurlijk. De bonkaarten kon je inzetten voor kolen, groenten, brood, aardappelen, sigaretten, etc. Sommige mensen werden NSB’er omdat ze dan extra bonkaarten konden krijgen en dus geen honger hoefden te lijden. De bonkaarten zijn nog zeven, acht jaar actief geweest na de oorlog.’

 

School: De Hasselbraam

‘In de oorlog gingen we vaak naar vrienden met een villa om te pingpongen’

Filip, Gijs, Lux en Olivia van basisschool de Hasselbraam in Eindhoven zijn op bezoek in Tongelre, in het authentieke huis van de 99-jarige Mimi Dijkman. Zij woont nog helemaal zelfstandig en rijdt zelfs nog auto. Helaas kan ze niet meer zo goed horen, maar uiteindelijk krijgen de kinderen toch de antwoorden op hun vragen.

Wat is het verschil tussen nu en de oorlog?
‘Een enorm groot verschil! Je ging nergens heen, je kon niet uit, dus we moesten zelf gezelligheid maken. Ik had vrienden op de Hoogstraat en die woonden in een grote villa. Mijn vader had een pingpongtafel gekocht, tegenwoordig heet dat tafeltennis, en die tafel mochten we op de zolder van de villa zetten. Wij gingen daar vaak heen om te pingpongen. Na de oorlog zijn we een pingpongclub begonnen. Als het vroor, dan gingen we schaatsen. Ik had het als jong meisje heel gezellig in de oorlog omdat ik die vrienden daar had.’

Hebt u ook wat spannends meegemaakt in de oorlog?
‘Ik had een oudere broer die van de Duitsers naar Duitsland moest om te werken. Maar dat wilde hij niet. Hij dook onder bij mijn oom en tante, die naast ons woonden. Op een gegeven moment kwamen Duitse soldaten aan de deur en zij vroegen naar mijn broer. Toen lieten mijn ouders een brief zien van mijn broer, waarin stond dat hij in Duitsland aan het werk was. En dat geloofden die Duitsers…’

Zijn er ook mensen overleden die u goed kende?
‘Ja, een vriendin van mij is geraakt tijdens het bombardement na de bevrijding. Het zat zo: we waren al bevrijd en gingen de straat op en wij natuurlijk weer naar die villa in de Hoogstraat om daar de bevrijding te vieren. Toen werd er ineens gebombardeerd. We gingen snel weer naar huis en kropen met zijn allen onder de keukentafel want een schuilkelder hadden we niet. Later zijn we de weilanden in gevlucht. En we hebben het overleefd. Maar mijn vriendin uit de Gestelsestraat was geraakt en zij heeft het helaas niet overleefd…’

Hoe hebben jullie de bevrijding gevierd?
‘Toen het zeker was dat de Duitsers weg waren, hebben we een bevrijdingsfeest gevierd in de villa in de Hoogstraat. Daar waren ook Engelse en Amerikaanse soldaten bij aanwezig. Maar het allerleukste was toch het grote bevrijdingsfeest op de Markt in het centrum van Eindhoven. We hadden oranje rokjes aan van papier. Iedereen kwam daar en we gingen dansen, hand-in-hand. Dat was een hele leuke dag in mijn leven!’

School: De Hasselbraam

‘Een buurman zat bij de NSB en liet zijn kinderen door hun tuin marcheren’

Een tikje zenuwachtig lopen Filippa, Valerie, Fenne en Floortje van hun school, de Hasselbraam in Eindhoven, naar verzorgingstehuis Wilgenhof. Daar woont de 89-jarige Joke Hanique die ze gaan interviewen over haar oorlogstijd. Als mevrouw Hanique opendoet, zijn de zenuwen meteen verdwenen. ‘Kom verder, meiden’, zegt ze, ‘ga lekker zitten. Wat willen jullie drinken?’ Na een drankje en een slagroomsoes stellen ze hun eerste vragen

Gingen jullie tijdens de oorlog naar de bioscoop?
‘Voordat ik de vraag zal beantwoorden, wil ik toch even benadrukken dat jullie kinderen vandaag de dag in grote rijkdom leven. Ik bedoel niet materiële rijkdom, maar vooral de vrijheid dat je kan buitenspelen wanneer je maar wilt, en dat er bijvoorbeeld geen honger is.

Tijdens de oorlog waren er helaas geen bioscopen. Geld werd besteed aan de echt noodzakelijke dingen, zoals eten. Ik herinner me wel dat we vlak na de oorlog naar een kleine bioscoop aan de Hertogstraat mochten, maar ik weet niet meer welke film er gedraaid werd. Wat ik me herinner is dat het luchtalarm ging tijdens de film en dat ik en mijn zus hebben gerend naar ons ouderlijk huis aan de Frans Halsstraat. Er vielen ook echt bommen. We zagen dat een meisje ernstig gewond raakte aan haar gezicht.’

Hadden jullie onderduikers in de oorlog?
‘Nee, we hadden geen onderduikers tijdens de oorlog. We hebben na de oorlog wel Engelse soldaten in huis gehad. Die werden bij ons gestationeerd, ze waren erg begaan met het gezin.

Tijdens de oorlog was er niet veel voor handen. Ik herinner me nog goed dat we in de avond vanaf de Frans Halsstraat naar de Fuutlaan liepen. Daar lagen de spoorlijnen, waar onder andere goederentreinen stonden met steenkool. Mijn zus en ik gingen dan als het donker werd met zakken naar die treinen om kooltjes te gaan stelen. De zakken zetten we in een gangetje om ze later met een karretje op te gaan halen. De kooltjes gebruikten we voor de kachel of om op te koken.

We hebben dit best een aantal keer gedaan, totdat een van de bewakers een meisje uit de buurt had betrapt toen ze over het hek was geklommen. De soldaat had een riek naar het meisje gegooid en deze was tot ieders schrik in haar hand beland. Daarna deden we het maar niet meer.’

Schrok u toen u voor het eerst het luchtalarm hoorde?
‘Toen we voor het eerst een luchtalarm hoorden, wisten wij niet echt wat er aan de hand was. Maar mijn ouders wisten dat natuurlijk wel. Om ervoor te zorgen dat de kinderen niet bang zouden worden, waren mijn ouders heel erg rustig en lieten ze niet zien dat ze zelf toch wel een beetje bang waren. Wij hadden geen schuilkelder in huis of in de buurt en we hadden dan ook afgesproken dat we allemaal bij de stevige draagmuur van de keuken zouden staan tot het gevaar geweken was.

Tijdens het luchtalarm had mijn vader altijd de voordeur openstaan voor het geval er mensen over straat zouden lopen die snel een schuilplek moesten vinden. Onze overburen konden hun angst wat minder goed verbergen en zij kwamen vaak door die openstaande deur naar ons huis gerend en bleven dan regelmatig bij ons slapen op matrassen op de grond.’

Waar woonden jullie tijdens de oorlog?
‘We woonden in de Frans Halsstraat in Eindhoven. Er woonden ook vriendinnetjes in de straat waar we wel eens gingen spelen. Later hoorden we dat de vader van deze meisjes een NSB’er was. Hij was lid van de Nationaal Socialistische Partij die samenwerkte met de Duitsers. Zijn kinderen waar we mee speelden, konden hier natuurlijk niets aan doen, maar we moesten regelmatig eerder naar huis omdat de vader het nodig vond om zijn kinderen in de tuin te laten oefenen met marcheren.

In de oorlog hadden we een radio in huis, wat de verboden was. We moesten dan ook erg oppassen dat de NSB-buurman hier niet achter kwam want die liep regelmatig langs de voordeuren om te luisteren of er radio’s in huis waren. Tijdens de bevrijding is hij opgepakt. Ik weet ook nog dat ze op de Tongelresestraat vrouwen en meisjes die in de oorlog met Duitse soldaten een relatie hadden gehad, kaal hebben geschoren zodat iedereen kon zien dat ze samen waren geweest met de Duitsers. Dit vond ik niet leuk om te zien.’

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892