Erfgoeddrager: Julian

‘Mijn moeder vermoedde dat de sigarenman niet te vertrouwen was. Hij begon op ons te letten. Toen zijn we vertrokken.’

Judith is vier jaar oud, als de oorlog begint. Zij woont met haar broertje, zusje en ouders in de Haagse Begoniastraat. Haar moeder is joods, haar vader niet. In het jaar 1942 verlaat het gezin de Bloemenbuurt om hun intrek te nemen in de Stuyvesantstraat in het Bezuidenhout.

Was u tijdens de oorlog in gevaar, omdat u joods was?
Mijn moeder was joods en mijn broertje, zusje en ik ook. Maar mijn vader was niet-joods. Hij werkte bij Gemeentewerken en op een gegeven moment moesten alle werknemers zich bij hun baas melden, om aan te geven of ze Arisch waren of niet. Voor mijn vader iets kon zeggen, zei de baas: ‘Ik wist het wel, dat jij een joodje was’. Mijn vader antwoordde: ‘Nou nee eigenlijk niet, maar mijn vrouw wel.’ Waarop de baas zei, dat ze dat maar achterwege moesten laten. Zo zijn we met het hele gezin als niet-joods geregistreerd. Later werd de jodenster ingevoerd. Mijn vader vroeg daar advies over aan zijn baas. Die zei: ‘Je hebt A gezegd, dan moet je ook B zeggen.’ Daarom droegen wij geen ster. Wij hielden ons voor onze eigen veiligheid aan geen enkele anti-joodse maatregel. Dat zou alleen maar raar overkomen. Ik hoefde dus ook niet naar de speciale joodse school, waar andere joodse kinderen wel naartoe moesten.

Waarom zijn jullie verhuisd van de Bloemenbuurt naar de Stuyvesantstraat?
Mijn moeder dacht dat we in gevaar waren. Wij woonden als ‘niet-joods gezin’ in de Begoniastraat. Onze familieleden waren wel geregistreerd als joods. Zij moesten daarom wel allemaal een jodenster dragen. Iedere keer als wij familiebezoek ontvingen, zagen de buren onze familieleden met sterren. Mijn moeder vermoedde dat de sigarenman aan de overkant niet helemaal te vertrouwen was. Hij begon op ons te letten. Toen zijn we vertrokken.
We woonden tot de winter van 1945 in de Stuyvesantstraat. We moesten daar plotsklaps ons huis verlaten, omdat de melkboer van de overkant aan mijn moeder vroeg: ‘Hebben jullie soms een joods onderduikkindje?’ Ik had donkerder en krullender haar dan de overige gezinsleden. Er bestaan stereotypen over hoe een jood eruit ziet. Die kloppen niet, maar ik voldeed wel meer aan dat beeld dan de rest van het gezin. Het was te gevaarlijk om te blijven. We zijn naar boerenfamilie van vaderskant gegaan, in het oosten van Nederland.

Heeft u familieleden verloren door de oorlog?
Ja. En dan denk ik vooral aan mijn neefje en nichtje, de kinderen van de broer en schoonzus van mijn moeder. Met hen speelde ik veel als kind. We waren dol op elkaar. Zij woonden in de Ellekomstraat in Den Haag. We waren vaak bij elkaar over de vloer. Op een dag, tijdens de oorlog, liepen we naar de Ellekomstraat om bij ze langs te gaan. Maar we vonden een verlaten huis. Ze waren er niet meer, ze waren op transport gezet. Pas na de oorlog lazen we in de krant wat er met ze was gebeurd. We vonden ze op de lange lijsten met namen, die het Rode Kruis in de krant plaatste van Hollandse joden die niet meer terug zouden komen.

Erfgoeddrager: Julian

‘Met de bijl in de hand en de borst vooruit naar het Flevopark’

Onze namen zijn Anouar, Julian en Faris. Wij gingen op bezoek bij Roel Walraven en zijn vrouw. Het was een aangrijpend bezoek, waarbij we vooral onder de indruk waren over wat meneer en mevrouw Walraven mee maakten tijdens de Hongerwinter. Ze konden niks lekkers eten en hun familie moest soms wel anderhalve week fietsen voor een paar aardappelen. Ondanks de zware onderwerpen was het wel heel gezellig. We kregen tijdens het gesprek een heerlijke appeltaart van mevrouw Walraven, wat tegelijkertijd wel een beetje gek was omdat we het ondertussen over de Hongerwinter hadden. Aan het einde kregen we nog een boekje mee van Meneer Walraven over zijn belevenissen in de oorlog. Die ligt nu in de bibliotheek van onze school.

 

Hebben jullie in het verzet gezeten tegen de Duitsers?
“Nou, ik was ongeveer even oud als jullie. Een jaar of 11, 12 toen de oorlog begon. Dat was nog een beetje jong om actief in het verzet te gaan. Maar dat betekent niet dat wij niets deden. Ik ging op mijn 12e bijvoorbeeld naar de ambachtenschool. De Duitsers wilden op een gegeven moment alle gereedschappen die wij daar hadden innemen omdat zij die nodig hadden, maar die hebben wij toen verstopt in de kelder. Een ander voorbeeld is mijn vader. Hij moest duikboten repareren voor de Duitsers, maar dat deed hij op zo’n manier dat iedere keer als ze de zee in gingen er al snel weer een klein mankement was waardoor het opnieuw gerepareerd moest worden. Ook zijn er vrienden en kennissen van mij geweest met Duitse voorouders die een brief kregen met een oproep om zich te melden bij het Duitse leger. Dat weigerden ze. Ook een vorm van verzet. Dus op die manier deden we zonder echt te vechten wel dingen om de Duitsers te dwarsbomen.”

 

Waren jullie boos op de koningin omdat ze gevlucht was?
De koningin was inderdaad naar Engeland gevlucht. In het begin dachten mensen daar verschillend over, maar op den duur was niemand er boos over. Ze sprak op de Engelse radio. Radio, televisie, dat was er allemaal niet. Maar we luisterden stiekem naar de Engelse radio. En er was toen met Oud en Nieuw een traditie om met middernacht de straat op te gaan en met potten en pannen veel kabaal te maken. Maar er waren twee tijden toen. De ene was de Duitse tijd en de andere de Engelse, de Greenwich tijd. Nu, toen het volgens de Duitse tijd middernacht was bleef het doodstil op straat. Maar op de Engelse tijd kwamen mensen hun huizen uit en maakten enorm lawaai. “Leve de koningin!” riepen ze dan. Of wij daar als communisten ook aan mee deden? Nee, nee, ik denk niet dat wij “Leve de koningin” riepen, wij waren niet zo koningsgezind, maar we maakten kabaal met de andere mensen. Dat was ook een vorm van verzet, weet je?

 

Wat is het smerigste dat je tijdens de oorlog heeft gegeten?
“Bloembollen zijn zo smerig,” zegt meneer Walraven. “Ze branden in je keel, ontzettend vies,” beaamt mevrouw Walraven. “En tijdens die laatste koude winter lagen de mensen dood op straat, ze zakten gewoon neer. Ik kan me herinneren, maar dat kan niet waar zijn, dat mensen enorme benen kregen,” vertelt ze. “Nee, dat klopt,” antwoordt haar man. “Als je hongeroedeem hebt zwellen je benen op. Mijn moeder had hongeroedeem en haar benen waren heel groot. En mensen die doodgingen werden naar de kerk op de Dam gebracht. Daar lagen ze allemaal door elkaar, zonder kisten. Omdat de kerk een gekoelde plek was. Maar weet je wat gek is? Wanneer je een kind was, was die oorlog vooral spannend, vooral in het begin. We moesten in het Flevopark bomen gaan hakken voor de kachel. Nou, kun je je voorstellen? Als je twaalf, dertien bent en met een bijl over straat mag lopen? Dat vonden we prachtig, we gingen met de borst vooruit! En wanneer er minder eten is, zorgen ouders ervoor dat de kinderen te eten hebben, dus je merkt minder snel iets van de oorlog als kind.” Mevrouw Walraven is het ermee eens: “Ja, weet je wat nou zo gek is? Ik heb nooit het idee gehad dat ik een onveilige of onaangename jeugd heb gehad. Toen mijn moeder tijdens de Hongerwinter op de fiets naar Overijssel ging om eten te zoeken maar niet meer terug kon komen omdat de IJssel afgesloten werd, was onze vader nog thuis. Hij zat bij ons ondergedoken omdat hij dienstplichtig was.”