Erfgoeddrager: Julian

‘Stel je voor dat mijn broertje toch thuis was gebleven’

Angie en Julian (Léon is helaas ziek deze dag) zijn goed voorbereid als ze – tien minuten te laat door een gemiste afslag – aankomen bij Co de Bruijn in Velp. Ze worden vriendelijk ontvangen door meneer De Bruijn en zijn vrouw. Over de oorlog zegt hij: ‘Als kind vind je het allemaal een avontuur en kun je toch nog vaak lol maken. Maar af en toe was het toch best angstig.’

Woonde u graag in de wijk Sahara?
‘Het was tot september 1944 fijn wonen daar. Ik ben geboren in Steenwijk en in 1942 – ik was toen 7 jaar – verhuisden we naar de Ericalaan in Wageningen. Voor een kind een prachtige wijk om te wonen met heel veel plekken om te spelen. We hebben dan ook genoeg kattenkwaad uitgehaald. Mijn broer en ik klommen graag in de bomen. Een keer zaten we in een boom en onder ons waren twee mannen op het bankje gaan zitten. Hun petten lagen naast hen en wij probeerden eikels erin te gooien. We raakten vooral hun hoofd. Ze werden boos en probeerden ons met hun wandelstokken  uit de boom te slaan. Gelukkig zaten wij te hoog, maar we durfden pas weer naar beneden toen ze weg waren.’

Hadden jullie ook onderduikers?
‘Ja, op de boerderij in Voorthuizen, waar we tijdens de evacuatie acht maanden zaten, waren onderduikers. Vooral jongens van een jaar of achttien, negentien, die niet naar Duitsland wilden om te werken. Ben herinner ik me nog heel goed. Op een avond vloog een lichtkogel van een vliegtuig – bedoeld voor de piloot om te kunnen zien waar hij was, -op het dak van de schuur waar we met z’n allen sliepen. Het dak begon te branden. Ben kwam uit zijn schuilplaats en heeft kunnen voorkomen dat de schuur helemaal in brand vloog. Dat was trouwens op mijn verjaardag.
Wij kinderen mochten niet weten waar Ben zat. Na de oorlog hoorden we dat hij tussen de kippenschuur en de varkens zat, met een heel groot schot met konijnenhokken ervoor. Wij gaven dagelijks de konijnen eten en wisten niet dat Ben daarachter zat. Hij bleek ook geen normale onderduiker; hij was een radiotelegrafist en kreeg berichten uit Engeland binnen. Hij heeft ons trouwens ook van ons geloof in Sinterklaas afgeholpen. Mijn vader deed zijn best dat te vieren. In 1944 kwamen Sinterklaas en Zwarte Piet zelfs op bezoek! Toen wij liedjes zongen en de Piet op het orgel meespeelde, herkende ik Ben aan zijn stem en spel.’

Wat gebeurde er in september 1944?
‘Zondag 17 september was een hele zonnige dag. Mijn vader ging met mijn broer naar de Bevrijdingskerk aan de Ritzema Bosweg. Mijn twee andere broers en ik bleven bij moeder thuis. Het was heel onrustig op straat; ze wilde ons graag bij zich hebben. Maar ja, het was hartstikke mooi weer en wij wilden graag naar buiten, kastanjes rapen bij de mooie kastanjeboom op de kruising van de Westbergweg en de Generaal Foulkesweg. We mochten toch gaan. Ons jongste broertje van vier wilde ook graag mee. Ik kreeg de opdracht goed op hem te passen. Terwijl we, samen met een buurjongen, aan de boom stonden te schudden, hadden we niet in de gaten dat er bommen vielen. De scherven vlogen door de lucht. Kinderen riepen: “Dekken! Dekken in de goot!” Toen gingen we allemaal plat; niemand werd geraakt. De wijk is bij dat bombardement wel flink geraakt.  Er waren brandende huizen, omgevallen bomen. Mijn vader en broer kwamen snel terug van de kerk. Mijn moeder heeft het bombardement niet overleefd. Stel je voor als mijn broertje van vier toch thuis was gebleven. Hij wordt morgen tachtig jaar.’

Erfgoeddrager: Julian

‘Och die arme jongens, zei mijn moeder’

Olle, Nine, Dide en Julian van de Matthieu Wiegmanschool gaan op bezoek bij Leen de Rover, die acht jaar was toen de oorlog begon. Hij woonde toen aan de Oosterweg 35 in Bergen. Een jaar na de oorlog werd de familie geëvacueerd.

Wat weet u nog van de oorlog?
‘Ik was acht, een kind dus nog. Je zag de Duitsers met wapens over straat lopen. Dat herinner ik me nog goed. En ook dat we in 1941 geëvacueerd werden, naar Heiloo. Daar gingen we minder vaak naar school. We waren vaak rondom het huis aan het spelen. Later kwam er een noodschool. Ik weet nog dat we de vliegtuigen over zagen komen. Overdag de Engelsen, ’s avonds de Amerikanen. Vanuit IJmuiden gingen ze schieten en daar was ik bij met mijn moeder. Toen een keer eentje geraakt werd, zei mijn moeder: “Och die arme jongens”. Er waren er twee uitgesprongen; de rest is waarschijnlijk overleden. Natuurlijk was dat eng, maar het stond best wel ver van ons af.’

Heeft u mensen verloren tijdens de oorlog?
‘Ik gelukkig niet. Wel is de oom van mijn vrouw omgekomen in de oorlog. Neergeschoten, vlak voor het was afgelopen. Na de oorlog hebben ze nog het tafeltje gevonden dat hij in de gevangenis bij zich had. Hij tekende graag en ook onder het tafeltje had hij een klein tafereeltje getekend; een huis met een tuin erbij. Mijn oudere broers zijn gelukkig veilig thuis gekomen.’

Wat deed u na de oorlog
‘Toen hingen de vlaggen natuurlijk uit. Als tieners deden we soms levensgevaarlijke dingen. We maakten bommetjes van kruidstaafjes uit de granaten die er nog lagen. Die bommetjes schoten we op de koeien. Kwajongenswerk natuurlijk. Van onze ouders moesten we ‘sorry’ zeggen tegen ome Willem, de boer. Ook gingen we fikkie stoken in de bunkers ’s nachts. Kwamen we pas in de ochtend weer thuis.’

       

Erfgoeddrager: Julian

‘Midden in de nacht kwamen de Duitsers bij ons thuis’

Gijs, Guusje, Julian en Lotte van Het Wespennest gaan op de fiets naar Floradorp, naar het huis van Riet de Groot aan het Duindoornplein. Ze woont al 50 jaar op nummer 14, maar in de oorlog woonde ze op nummer 10. Het is een mooi afgeschermd hofje en de kinderen parkeren hun fietsen tegen een paar bomen aan de kant van de weg. Mevrouw De Groot komt al naar buiten om ze te begroeten en vol verwachting gaan ze haar kleine, maar knusse woning binnen. Iedereen voelt zich meteen welkom. Er staan al pakjes drinken op tafel, en een schaaltje met snoep en rozijnen.


Had u in die tijd veel vrienden?

‘Ik woon mijn hele leven al op het Duindoornplein. De huizen waren niet zo groot, maar de mensen hadden veel kinderen. Ik had dus veel vriendjes en vriendinnetjes. Als het luchtalarm afging, vonden we dat allemaal heel eng. We mochten niet buiten blijven. Waren we op zo’n moment in het zwembad, dan moesten we er allemaal uit en de schuilkelder in. En speelden we hier op het plein, dan moesten we allemaal naar binnen. De kinderen van wie de ouders aan het werk waren, gingen naar de buren toe. Iedereen lette goed op elkaar. Het luchtalarm ging vaak af omdat de vliegtuigfabriek van Fokker in Noord was. De fabrieken waren gecamoufleerd. Over de hangar met vliegtuigen werden netten gespannen, met huisjes van stro en watten erop, zodat het leek alsof het een woonwijk was. Doordat niet duidelijk was waar de Fokkerfabriek precies stond, is in 1943 de buurt rond de fabriek gebombardeerd.’

Heeft u onderduikers gehad?
‘We hebben één onderduiker gehad. Op nummer 8 woonde een NSB’er, een landverrader, en die heeft ons verraden. Midden in de nacht kwamen de Duitsers bij ons thuis, maar we hadden een vluchtroute bedacht. De onderduiker sliep in het kamertje aan de achterkant, en hij kon dus over het platje en via het schoolplein hierachter vluchten. Mijn zus, die 5 jaar ouder is dan ik, ging snel in zijn bed liggen, en toen de Duitsers boven kwamen, zagen ze mijn zus in dat bed liggen. Omdat ze toch wel door hadden dat er een onderduiker was geweest, werd mijn vader meegenomen. Maar ze konden het niet bewijzen dus mijn vader werd twee dagen later weer vrijgelaten.’

Ging u gewoon naar school?
‘Ik zat op een christelijke school en tijdens de oorlog ging het er eigenlijk best wel normaal aan toe. We hadden alleen wel altijd honger. In de Hongerwinter van 1944 was het heel erg. De meester had soms een paar extra bonnen voor de gaarkeuken, voor kinderen die heel weinig eten hadden zoals wij. Wij gingen dan altijd heel netjes zitten, met onze armen over elkaar, omdat we die bonnen natuurlijk heel graag wilden hebben. En als je er eentje kreeg, mocht je naar de gaarkeuken. Daar kon je eten halen in een kannetje. Dat eten was eigenlijk helemaal niet lekker, maar het was heel fijn omdat we heel erg honger hadden.’

Erfgoeddrager: Julian

‘Kinderen riepen ‘moffenjong’ en ‘hoerenjong’ naar me’

Op een zonovergoten woensdagochtend fietsen Xavier, Julian, Tess en Jasmin van basisschool Et Buut in Zaandam naar de (aanleun)woning van Siem Meijn. De ontvangst is hartelijk en gastvrij; voor de kinderen zijn er pakjes chocomel (Sinterklaas is bijna in het land), maar er wordt ook met alle liefde koffie en thee gezet. En er is taart voor iedereen. Aan de muur hangen mooie foto’s van zijn kleinkinderen en op de gang prachtige spreuken over het opa- en oma-zijn. Het is meteen duidelijk: hier woont een hele trotse opa. Siem Meijn werd kort na de oorlog geboren en kwam er later achter dat zijn vader niet zijn biologische vader was.

Hoe was de oorlog voor uw moeder?
‘Mijn moeder is tijdens de oorlog, in oktober 1944, meegegaan met de Duitsers. Als 18-jarig meisje kreeg ze verkering met een Duitser. Op 7 mei 1945, dus na de bevrijding, kwam ze in de middag terug, op de verjaardag van mijn tante. De verjaardag werd gevierd op het Noordeinde in Oostzaan. Die dag verschenen er 120 mensen op het erf. In Oostzaan zeggen we dan: ‘Ze kwamen de worf op’. Ze kwamen voor mijn moeder. Twee mensen stapten naar voren. Omdat mijn moeder met de Duitsers was gegaan, moest ze worden kaalgeschoren. Daarna zouden ze teer over haar hoofd gooien. Teer gaat bijna niet meer van je af. Zo moest ze boeten voor haar verkering met een Duitser. Mijn opa is toen naar buiten gegaan. Hij had een ‘skietmasker’ bij zich, dat vroeger werd gebruikt om een koe te doden. Uiteindelijk heeft hij met die twee mensen afgesproken dat mijn moeder een half jaar niet naar buiten zou gaan. Deed ze dat wel, dan zou ze alsnog worden kaalgeschoren.’

Hoe groeide u op zo kort na de oorlog?
‘Met mijn moeder, mijn pleegvader, drie zussen en een broer woonde ik op het Noordeinde. Toen ik jong was, wist ik trouwens nog niet dat hij mijn pleegvader was. Mijn zusjes en broer werden altijd voorgetrokken. Op school moest ik van mijn pleegvader op mijn rapport voor ‘vlijt en gedrag’ een goed hebben, de rest mocht een 6 zijn. Met kerst kreeg ik als 7-jarig jongetje toch een 6 voor ‘vlijt en gedrag’. Mijn moeder kon alleen maar tegen me schelden, dat ga ik hier niet herhalen. Ze zei dat ik maar moest wachten totdat mijn pleegvader thuis kwam. Voor straf moest ik alle rekentafels uit mijn hoofd leren. Daar stond ik, in de hoek, met mijn handen op mijn rug alle tafels uit de 1e en 2e klas op te zeggen. De volgende dag ging mijn moeder mee naar school. Ik zie nog voor me dat de juf begon te rennen toen ze mijn moeder zag, met mijn moeder er achteraan. Ik weet nog altijd niet wat ze toen heeft gedaan, maar van de Noorderschool vertrok ik daarna naar de Kerkbuurtschool. Ik werd veel gepest, kinderen riepen ‘moffenjong’ en ‘hoerenjong’ naar me. Ik snapte dat als kind nooit.’

Wanneer wist u wie uw echte vader was?
‘Toen ik 18 jaar was ben ik daarachter gekomen. Mijn moeder vertelde nooit iets over het verleden, tot ze ineens vanuit het niets riep: ‘Je vader komt uit de rimboe, daar bedoelde ze het Twiske mee, en dit is hem!’ Hij bleek helemaal geen Duitser te zijn. Op een vel papier zag ik zijn naam staan: Dirk Siebons. Meer zei ze niet, daar moest ik het mee doen. Oostzaan is een dorp, iedereen praat alles door. Zo kwam ik toch veel te weten. In het dorp riepen ze ook naar me ‘en de groeten aan je echte vaar (vader)’. Die woorden dreunen nog steeds in mijn hoofd door. Mijn tantes hebben me later ook veel verteld. Ik heb uiteindelijk de andere kinderen van mijn biologische vader leren kennen. Daar ben ik erg blij om, ook al is het nooit een echte ‘broer-zus’ band geworden. Mijn opa was mijn alles, ik ben als kind ontzettend veel bij hem geweest. Ik heb er diepe bewondering voor hoe hij voor mijn moeder is opgekomen. Dat je weet dat je dochter met de Duitsers ging en dat je je leven waagde toen die 120 mensen voor de deur stonden om haar kaal te scheren. Nog altijd word ik ermee geconfronteerd wat mijn moeder in de oorlog heeft gedaan. Toen ik 59 jaar was, kwam ik bij een cursus iemand tegen die me zei: ‘Ik weet nog dat we bij je moeder voor de deur stonden’. Dan ben je 59 jaar en word je nog steeds gepest omdat je moeder met de Duitsers heeft gevreeën. Ik ben zelfs door de burgemeester gepest. Het pesten is nu eindelijk opgehouden, bijna iedereen van die tijd is dood. Er woont nog één persoon van vroeger in de Lishof, het zorgcentrum in Oostzaan. Ik heb daar 6 jaar geleden eens geholpen. Opeens hoorde ik daar een vrouwenstem en ik wist het meteen weer. Ik herkende haar stem. Die stem van ‘doe de groeten aan je vaar’. Ondanks dat ik geen oorlogskind was, ben ik het wel altijd gebleven.’

Naschrift
Na het interview heeft Siem er nog een fotoboek bij gepakt, omdat de kinderen hem om een foto van zijn moeder vragen. Hij dacht één foto van haar te hebben van toen ze 18 jaar was. Als de kinderen door het fotoboek bladeren, blijkt Siem toch veel meer foto’s van zijn moeder te hebben. Hij is bijna verbaasd. Aandachtig worden alle foto’s bekeken, het gezin van toen, de gebruiken van destijds. Onder een schoolfoto staat: Simon van der Ham, de achternaam van zijn pleegvader. Siem heeft lang niet geweten dat hij Meijn heette. In het fotoboek zit ook een envelop. Hij weet niet meer wat daarin zit. De kinderen mogen het openmaken. Het blijkt de ‘akte van inlijving’ te zijn; de verplichte keuring voor de dienstplicht als gevolg van de geboortegolf. Siem is later leraar geworden en laat trots foto’s zien van zijn klassen. Hij werkte in Den Helder en gaf werktuigkunde. Als laatste bewonderen we de foto’s van zijn kleinkinderen. Hoe kan het ook anders; deze man die zo ontzettend veel om zijn eigen opa gaf, is nu zelf een enorm liefdevolle opa geworden.

     

Erfgoeddrager: Julian

‘We schuilden in de badkamer, de meest veilige plek in huis’

Henny Vrouwes was 4 jaar oud toen de oorlog begon. Daarom  weet ze er niet heel veel meer van. Maar ze weet Ivy, Eve, Julian en Tika van de Olympiaschool nog wel te vertellen hoe haar vader een piano voor haar kocht en over de rood-wit-blauwe jurkjes die zij en haar vriendinnetjes droegen tijdens de bevrijding.


Hoe wist u dat de oorlog begonnen was?
Ik speelde op straat, en mijn moeder riep plotseling uit het raam: ‘Henny, kom naar boven!’. Verder wist ik natuurlijk niks, maar toen was de oorlog dus begonnen. Als het luchtalarm afging, hoorde ik dat thuis en op straat. Dan moest ik naar binnen. We gingen dan in de badkamer gaan staan, want dat was de meest veilige plek in het huis.

Had u hobby’s in de oorlog?
Toen ik op de kleuterschool zat, speelde ik altijd op een pianootje. De leraren hebben toen tegen mijn ouders gezegd: ‘U moet uw kind op muziekles doen, want ze heeft talent’. Mijn vader heeft toen met sigaretten die hij gesmokkeld had, met worsten die boven bij ons op zolder hingen en met een beetje geld een piano voor mij gekocht. Daarna ben ik meteen op pianoles gegaan. Tot mijn achttiende heb ik pianoles gehad.

Wat weet u nog van de bevrijding?
Ik weet nog dat we met onze school in rode, blauwe en witte jurkjes in het Olympisch Stadion het Bevrijdingsfeest gingen vieren. Toen Nederland bevrijd was ging iedereen juichen en de vlag uithangen. Alle kinderen uit de buurt speelden spelletjes op straat: zaklopen, tollen, balspelletjes. Hier in de buurt kwamen met de Bevrijding voedselpakketten uit de lucht vallen. Kinderen en volwassenen holden daar dan heen om die broden op te halen. Ook weet ik nog dat in deze buurt de Canadezen zaten, en die hielden erg van kauwgum. Die kauwgum spuugden ze uit op straat. Wij hadden als kind natuurlijk niet veel snoep. Ik weet nog dat ik met mijn vriendinnetjes de kauwgum van de straat oppakte, een beetje afveegde en in onze eigen mond stopte.

Erfgoeddrager: Julian

‘Die nacht op de boot plaste ik in mijn broek van angst’

Een beetje zenuwachtig zitten Jula, Christian en Julian achterin de auto. Ze zijn op weg van Amsterdam-Noord naar Osdorp, om Riki Simonis te interviewen over haar oorlogstijd in de Van der Pekbuurt. Zou het wel goed gaan? Mevrouw Simonis wacht hen al op met cola en koekjes. Ze woont in een ruime, lichte hoekflat. Het interview gaat gelukkig erg goed en de kinderen vinden na afloop dat ze veel te weten zijn gekomen.

Heeft u wel eens een bombardement meegemaakt?
‘Voordat wij naar Noord verhuisden, ben ik een keer met mijn moeder en mijn zus een dagje naar Noord gegaan. Dat was op een zondag. Mijn vader ging niet mee omdat hij wilde vissen. We gingen al even kijken in de Elzenstraat waar we zouden komen wonen, en daarna wandelden we door het Vliegenbos. Net toen wij daar waren, begonnen de geallieerden die buurt te bombarderen. Ik hoorde knallen, sirenes en mensen schreeuwen… het was heel eng.’

Kwamen er vaak Duitsers naar Noord?
‘In november 1943 was er een razzia op de Kamperfoelieweg. Veel mannen zijn toen meegenomen om in Duitsland te gaan werken. Naar aanleiding van die razzia hebben de mannen die in onze huizenblokken aan de Elzenstraat woonden, ouder waren dan 40 jaar en dus niet mee hoefden naar Duitsland, een ordedienst ingesteld bij de pont. Want de Duitsers kwamen altijd naar Noord via de pont. En als er Duitsers op de pont stonden, fietste diegene die de wacht hield snel naar onze buurt toe en riep hard: ‘Arie, Arie’. Dat betekende de A van attentie… ‘opletten, Duitsers op de pont’. En als de Duitsers om 8 uur naar huis gingen, riepen die mannen ‘Hein, Hein’. En dat betekende ‘huis’ . Het alarmsysteem werkte heel goed. Ook mijn vader deed mee. Dat hebben ze maandenlang zo gedaan.’

Tijdens de oorlog moest u een tijdje naar Groningen om aan te sterken. Hoe vond u dat?
‘Omdat ik naar familie ging die ik goed kende, vond ik dát niet zo heel erg. Op de dag van mijn vertrek, op 21 maart 1945, waren mijn ouders er toevallig niet. Ze waren net een paar dagen op voedseltocht in Wieringenmeer. Dus toen ze weer thuiskwamen, was hun jongste dochter gevlogen… Ik moest me rond 4 uur melden bij een boot aan De Ruijterkade. Mijn broer bracht me er naartoe. Wat ik heel erg vond, was dat ik helemaal in mijn eentje met de nachtboot moest. Met allemaal vreemde kinderen en mensen voeren we naar Lemmer. En ik weet nog dat ik die nacht in mijn broek plaste van angst, terwijl ik toen al 14 jaar was. Zo bang was ik.’

    

Erfgoeddrager: Julian

‘Mijn moeder vermoedde dat de sigarenman niet te vertrouwen was. Hij begon op ons te letten. Toen zijn we vertrokken.’

Judith is vier jaar oud, als de oorlog begint. Zij woont met haar broertje, zusje en ouders in de Haagse Begoniastraat. Haar moeder is joods, haar vader niet. In het jaar 1942 verlaat het gezin de Bloemenbuurt om hun intrek te nemen in de Stuyvesantstraat in het Bezuidenhout.

Was u tijdens de oorlog in gevaar, omdat u joods was?
Mijn moeder was joods en mijn broertje, zusje en ik ook. Maar mijn vader was niet-joods. Hij werkte bij Gemeentewerken en op een gegeven moment moesten alle werknemers zich bij hun baas melden, om aan te geven of ze Arisch waren of niet. Voor mijn vader iets kon zeggen, zei de baas: ‘Ik wist het wel, dat jij een joodje was’. Mijn vader antwoordde: ‘Nou nee eigenlijk niet, maar mijn vrouw wel.’ Waarop de baas zei, dat ze dat maar achterwege moesten laten. Zo zijn we met het hele gezin als niet-joods geregistreerd. Later werd de jodenster ingevoerd. Mijn vader vroeg daar advies over aan zijn baas. Die zei: ‘Je hebt A gezegd, dan moet je ook B zeggen.’ Daarom droegen wij geen ster. Wij hielden ons voor onze eigen veiligheid aan geen enkele anti-joodse maatregel. Dat zou alleen maar raar overkomen. Ik hoefde dus ook niet naar de speciale joodse school, waar andere joodse kinderen wel naartoe moesten.

Waarom zijn jullie verhuisd van de Bloemenbuurt naar de Stuyvesantstraat?
Mijn moeder dacht dat we in gevaar waren. Wij woonden als ‘niet-joods gezin’ in de Begoniastraat. Onze familieleden waren wel geregistreerd als joods. Zij moesten daarom wel allemaal een jodenster dragen. Iedere keer als wij familiebezoek ontvingen, zagen de buren onze familieleden met sterren. Mijn moeder vermoedde dat de sigarenman aan de overkant niet helemaal te vertrouwen was. Hij begon op ons te letten. Toen zijn we vertrokken.
We woonden tot de winter van 1945 in de Stuyvesantstraat. We moesten daar plotsklaps ons huis verlaten, omdat de melkboer van de overkant aan mijn moeder vroeg: ‘Hebben jullie soms een joods onderduikkindje?’ Ik had donkerder en krullender haar dan de overige gezinsleden. Er bestaan stereotypen over hoe een jood eruit ziet. Die kloppen niet, maar ik voldeed wel meer aan dat beeld dan de rest van het gezin. Het was te gevaarlijk om te blijven. We zijn naar boerenfamilie van vaderskant gegaan, in het oosten van Nederland.

Heeft u familieleden verloren door de oorlog?
Ja. En dan denk ik vooral aan mijn neefje en nichtje, de kinderen van de broer en schoonzus van mijn moeder. Met hen speelde ik veel als kind. We waren dol op elkaar. Zij woonden in de Ellekomstraat in Den Haag. We waren vaak bij elkaar over de vloer. Op een dag, tijdens de oorlog, liepen we naar de Ellekomstraat om bij ze langs te gaan. Maar we vonden een verlaten huis. Ze waren er niet meer, ze waren op transport gezet. Pas na de oorlog lazen we in de krant wat er met ze was gebeurd. We vonden ze op de lange lijsten met namen, die het Rode Kruis in de krant plaatste van Hollandse joden die niet meer terug zouden komen.

Erfgoeddrager: Julian

‘Met de bijl in de hand en de borst vooruit naar het Flevopark’

Onze namen zijn Anouar, Julian en Faris. Wij gingen op bezoek bij Roel Walraven en zijn vrouw. Het was een aangrijpend bezoek, waarbij we vooral onder de indruk waren over wat meneer en mevrouw Walraven mee maakten tijdens de Hongerwinter. Ze konden niks lekkers eten en hun familie moest soms wel anderhalve week fietsen voor een paar aardappelen. Ondanks de zware onderwerpen was het wel heel gezellig. We kregen tijdens het gesprek een heerlijke appeltaart van mevrouw Walraven, wat tegelijkertijd wel een beetje gek was omdat we het ondertussen over de Hongerwinter hadden. Aan het einde kregen we nog een boekje mee van Meneer Walraven over zijn belevenissen in de oorlog. Die ligt nu in de bibliotheek van onze school.

 

Hebben jullie in het verzet gezeten tegen de Duitsers?
“Nou, ik was ongeveer even oud als jullie. Een jaar of 11, 12 toen de oorlog begon. Dat was nog een beetje jong om actief in het verzet te gaan. Maar dat betekent niet dat wij niets deden. Ik ging op mijn 12e bijvoorbeeld naar de ambachtenschool. De Duitsers wilden op een gegeven moment alle gereedschappen die wij daar hadden innemen omdat zij die nodig hadden, maar die hebben wij toen verstopt in de kelder. Een ander voorbeeld is mijn vader. Hij moest duikboten repareren voor de Duitsers, maar dat deed hij op zo’n manier dat iedere keer als ze de zee in gingen er al snel weer een klein mankement was waardoor het opnieuw gerepareerd moest worden. Ook zijn er vrienden en kennissen van mij geweest met Duitse voorouders die een brief kregen met een oproep om zich te melden bij het Duitse leger. Dat weigerden ze. Ook een vorm van verzet. Dus op die manier deden we zonder echt te vechten wel dingen om de Duitsers te dwarsbomen.”

 

Waren jullie boos op de koningin omdat ze gevlucht was?
De koningin was inderdaad naar Engeland gevlucht. In het begin dachten mensen daar verschillend over, maar op den duur was niemand er boos over. Ze sprak op de Engelse radio. Radio, televisie, dat was er allemaal niet. Maar we luisterden stiekem naar de Engelse radio. En er was toen met Oud en Nieuw een traditie om met middernacht de straat op te gaan en met potten en pannen veel kabaal te maken. Maar er waren twee tijden toen. De ene was de Duitse tijd en de andere de Engelse, de Greenwich tijd. Nu, toen het volgens de Duitse tijd middernacht was bleef het doodstil op straat. Maar op de Engelse tijd kwamen mensen hun huizen uit en maakten enorm lawaai. “Leve de koningin!” riepen ze dan. Of wij daar als communisten ook aan mee deden? Nee, nee, ik denk niet dat wij “Leve de koningin” riepen, wij waren niet zo koningsgezind, maar we maakten kabaal met de andere mensen. Dat was ook een vorm van verzet, weet je?

 

Wat is het smerigste dat je tijdens de oorlog heeft gegeten?
“Bloembollen zijn zo smerig,” zegt meneer Walraven. “Ze branden in je keel, ontzettend vies,” beaamt mevrouw Walraven. “En tijdens die laatste koude winter lagen de mensen dood op straat, ze zakten gewoon neer. Ik kan me herinneren, maar dat kan niet waar zijn, dat mensen enorme benen kregen,” vertelt ze. “Nee, dat klopt,” antwoordt haar man. “Als je hongeroedeem hebt zwellen je benen op. Mijn moeder had hongeroedeem en haar benen waren heel groot. En mensen die doodgingen werden naar de kerk op de Dam gebracht. Daar lagen ze allemaal door elkaar, zonder kisten. Omdat de kerk een gekoelde plek was. Maar weet je wat gek is? Wanneer je een kind was, was die oorlog vooral spannend, vooral in het begin. We moesten in het Flevopark bomen gaan hakken voor de kachel. Nou, kun je je voorstellen? Als je twaalf, dertien bent en met een bijl over straat mag lopen? Dat vonden we prachtig, we gingen met de borst vooruit! En wanneer er minder eten is, zorgen ouders ervoor dat de kinderen te eten hebben, dus je merkt minder snel iets van de oorlog als kind.” Mevrouw Walraven is het ermee eens: “Ja, weet je wat nou zo gek is? Ik heb nooit het idee gehad dat ik een onveilige of onaangename jeugd heb gehad. Toen mijn moeder tijdens de Hongerwinter op de fiets naar Overijssel ging om eten te zoeken maar niet meer terug kon komen omdat de IJssel afgesloten werd, was onze vader nog thuis. Hij zat bij ons ondergedoken omdat hij dienstplichtig was.”

 

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892