Archieven: Verhalen

‘Het engste was dat er 20 meter van mijn bed een vliegtuig neerstortte’

Wel zes leerlingen van de Willem-Alexanderschool in Bergen gaan Jaap Staadegaard interviewen. Dat vindt hij geen probleem. Na wat geharrewar over wie er zal beginnen en welke vragen er gesteld gaan worden, schuiven de interviewers bij hem aan. Meneer Staadegaard heeft plattegronden bij zich van waar hij woonde en waar een vliegtuig pal naast zijn huis neerstortte. Dante, Eline, Alec, Viggo, Bodhi, Cas en Lucas zijn er klaar voor.

Hoe was het begin van de oorlog?
‘Dat was heel eng. ‘s Nachts werden we wakker van de bombardementen op het vliegveld in Bergen. We schrokken van laag overvliegende vliegtuigen en luchtdoelgeschiet en we zagen vanuit het raam een lucht vol donkere wolken van de bombardementen.

Ik had zeven broers en zussen. Mijn broers waren ouder dan ik, ik was zeven jaar toen de oorlog begon. Zij waren bang om opgepakt te worden om te moeten gaan werken in Duitsland. Daarom doken ze bij ons thuis onder. Mijn ouders hadden achter en voor ons huis schuilplaatsen gemaakt, zoals een deel van de boerderij dat gesloopt was en waar een kelder onder was die wel kon worden gebruikt.

Mijn vader was boer en werkte bij de nonnen, daar zorgde hij voor de koeien. Thuis hadden we ook koeien dus we hadden altijd genoeg melk en ruilden dat ook voor andere dingen.’

Wat was het engste dat u meemaakte?
‘Het engste was dat er 20 meter van mijn bed een vliegtuig neerstortte. De vliegtuigen vlogen laag over ons huis heen en deze stortte pal naast ons neer, precies tussen vier woningen. Er zaten zes piloten in, van wie er drie dood waren. Twee kwamen er bij ons aan de voordeur en vroegen of we ze konden helpen. Mijn moeder durfde ze niet binnen te laten omdat ze bang was. Later kwamen de Duitse soldaten ze ophalen en werden ze opgepakt.’

Heeft u wel eens beschietingen meegemaakt?
‘Treinen waren vaak het doelwit van geallieerde vliegtuigen. De tram Bello (tussen Alkmaar en Bergen aan Zee) werd op een keer beschoten door een jachtvliegtuig, terwijl mijn vader en ik bieten aan het uitdunnen waren naast de trambaan. We zochten dekking om niet geraakt te worden.’

Zijn er mensen in uw omgeving opgepakt?
‘Ik had een overbuurjongen die ouder was dan ik en die samen met een vriend zorgde voor wapens voor mensen die ondergedoken waren of in het verzet zaten. Op een keer kwamen ze met z’n tweeën aanrijden op de motor. Het was een strenge winter met veel sneeuw. Wij wilden sneeuwballen naar ze gooien, toen ze riepen: ‘Wegwezen, niet gooien, de moffen zitten achter ons aan!’ Een stukje verderop zijn die twee opgepakt en een van hen is doodgeschoten. De ander heeft een jaar in de gevangenis gezeten omdat hij wapens had.’

Kende u NSB’ers?
‘Ik had een oom die NSB’er was en een zoon had die een belangrijke militair was bij de Duitsers. Mijn vader was heel bang voor hen en wij probeerden ze te ontwijken. In mijn klas zat ook een jongen, Frits de Groots, van wie de ouders NSB’ er waren. Mijn ouders waarschuwden ons: ‘Denk erom, je moet niet hem omgaan!’

Omdat we geen kranten hadden, kwamen de Engelsen met een vliegtuig folders met nieuws rondstrooien. Ik dacht: weet je wat, ik neem wat folders mee naar school en geef ze aan mijn vriendjes. Maar Frits de Groots vertelde het aan zijn vader en toen kwam er een hoge militair bij ons op school en moesten wij mee naar de Eeuwigelaan, naar de Ortz-commandant, en werden we streng toegesproken. Hij kon ons niet gevangennemen, daarvoor waren we te jong, maar voor straf moesten wij konijnenstammen zoeken voor zijn konijnen. Mijn vader en met name mijn moeder was doodsbang dat wij razzia’s kregen om te kijken of er nog meer folders waren, dus mijn moeder heeft alles verbrand.’

Hoe was de Hongerwinter?
‘Er kwamen allemaal mensen uit de grote steden, zoals Amsterdam en Alkmaar, met oude kinderwagens langs de boerderijen om te vragen om eten. Ook bij ons vroegen ze of we eten voor ze hadden, dus we hebben wel mensen geholpen.

Mensen kregen voedselbonnen, maar dat was niet genoeg. We hadden ook geen graan en konden geen brood bakken. Wij gingen daarom aren zoeken. De aren sloegen we dan kapot zodat er graan uitkwam en dat maalden we dan weer in de koffiemachine tot meel. We kregen ook bonnen voor klompen. Schoenen waren er niet, dus we liepen op klompen. Naar school was het een half uur lopen op die klompen… daar kreeg je blaren van.’

Archieven: Verhalen

‘In ons kleine huisje zaten zes mensen ondergedoken’

Zoey, Mika en Vincent gaan Gerrit Sijpheer interviewen, Milan is helaas ziek. Meneer Sijpheer komt de school al binnenlopen als ze net het interview willen voorbereiden. Hij is vroeg! Nadat Zoey een kopje koffie voor hem heeft gemaakt en ze het interview alsnog kort hebben voorbereid kan het beginnen. De leerlingen van de Willem-Alexanderschool in Bergen hebben veel vragen en meneer Sijpheer vertelt graag.

De interviewers zijn eerder langs geweest op de plek waar de verzetskrant De Waarheid werd gedrukt en waar een gezin woonde met onderduikers. Meneer Sijpheer vertelt dat dat zijn huis was. ‘Het jongetje dat bij een meisje in bed lag, dat was ik…’

Met hoeveel mensen woonde u in dat huis tijdens de oorlog?
‘Bij ons in ons kleine huisje zaten zes mensen ondergedoken, daarom was het wat vol en moesten wij in een eenpersoonsbed met zijn tweeën slapen. Hannie van Amerongen heette het eerste Joodse meisje dat onderdook bij mijn ouders; zij werd mijn grote zus. Ik was toen pas 3 jaar maar toch weet ik nog best veel.’

Deden uw ouders gevaarlijke dingen in de oorlog?
‘Onderduikers opvangen was natuurlijk iets wat niet mocht en gevaarlijk. Maar ook werd in de kelder bij mijn ouders de verzetskrant de Waarheid gedrukt. In onze kelder stond een stencilmachine; dan moest je een voorbeeld maken en vervolgens werd dat met de hand gedraaid en afgedrukt. Eens per week werd deze krant gemaakt en verspreid. Wanneer Duitsers erachter kwamen dat je onderduikers in huis had of een krant drukte, werd je gevangengenomen…

‘Mijn ouders zaten in het verzet omdat ze van mening waren dat je mensen die uit een andere cultuur komen niet op die manier kunt behandelen, zoals het uitsluiten, vervolgen, wegsturen, in concentratiekampen zetten en vermoorden van Joden. Ze deden het uit principe, tegen het systeem dat de Duitsers hanteerden: het nazisme. Anderen zijn niet minder of meer dan jij. Bordjes met ‘Verboden voor Joden’ stonden overal in Bergen; dat was heel gek.’

Wat zijn uw ervaringen met de Duitse soldaten in Bergen?
‘Begin 1945 kwam er een grote Duitse soldaat naar mij toe lopen met een groot geweer dat boven zijn hoofd uitstak. Ik ging heel snel lopen richting huis omdat ik had geleerd: voor Duitsers moet je oppassen. Ik liep snel naar huis en die soldaat liep achter me aan naar de achterdeur. De deur was op slot natuurlijk. Er zaten zes Joden ondergedoken! Ik bonkte met mijn kont tegen de deur aan en op het moment dat mijn moeder de deur opende, kwam de Duitse soldaat de hoek omlopen. ‘Heb je honger?’, vroeg hij. Ik had altijd trek. En ik kreeg een dikke dubbele boterham met een dikke plak kaas. Ik pakte dat uit zijn handen en zei: ‘Dank je wel, rotmof!’ Ineens barstte de soldaat in huilen uit en vertelde hij mijn moeder dat hij de vorige dag te horen had gekregen dat zijn dorpje in Duitsland was platgebombardeerd en zijn familie was omgekomen en dat hij ook een jongetje had gehad als ik. Mijn moeder, de verzetsvrouw met zes onderduikers achter de deur, troostte de Duitse soldaat. Op dat moment, ook al was ik 3 jaar, besefte ik de waanzin van dat wat oorlog is.’

Hoe was het om te leven met al die Joodse onderduikers in huis?
De onderduikkinderen werden mijn familie en zijn altijd familie gebleven. Hannie ontfermde zich over mij in die tijd en is nog steeds mijn grote zus, ze is nu 92 jaar. David was een Joodse tiener, hij had het best moeilijk omdat hij niet buiten mocht komen. D was te gevaarlijk. Mijn vader was goochelaar en leerde David goochelen en jongleren; dan gaf hij een voorstelling tussen de schuifdeuren. Na de oorlog heeft David daar zijn beroep van gemaakt, hij werd een beroemd jongleur. David was eigenlijk ook een grote broer van me. Zijn voorstellingen waren onze feestjes.

Hannie was ook Joods en had pikzwart haar. Maar mijn moeder behandelde haar haar met waterstofperoxide en dan kreeg Hanna knalrood haar. Zo kon ze gewoon naar buiten omdat ze er niet meer Joods uitzag. In december 1944 hebben we de bij ons ondergedoken meneer Citroen als Sinterklaas verkleed, op een paard gezet en door het dorp laten rijden. Alle Duitsers in het dorp bogen voor Sinterklaas, wat een lol…

De meeste onderduikers hebben het overleefd bij ons, maar één familie is teruggegaan naar Amsterdam en daar zijn ze opgepakt en naar een concentratiekamp gebracht.’

Hoe was het contact tussen uw ouders en de Duitse soldaten?
‘Mijn vader had veel contact met de Duitsers omdat hij bij het gemeentelijke elektriciteitsbedrijf werkte. Dat was de reden dat hij in Bergen mocht blijven wonen. Hij was onmisbaar omdat hij moest zorgen voor de elektravoorziening in Bergen, en het vliegveld heel veel elektra gebruikte. Daarom had hij ook veel contact met de Duitse commandant.’

Heeft u nog een boodschap voor ons?
‘Het feit dat mensen onderscheid gaan maken tussen mensen is gek; want mensen zijn gewoon mensen. Maar ook nu gebeurt dat nog. Ook bepaalde kinderen worden gepest omdat ze er anders uit zien of een andere kleur hebben.

Op het moment dat je onderscheid gaat maken is dat gevaarlijk. De Duitsers vonden in die tijd dat zij zelf beter waren, een oppermachtig volk. Terwijl ze natuurlijk gewoon mens zijn, zoals de Duitse soldaat die mijn moeder troostte. Op zo’n moment kom je weer in de menselijke verhoudingen terecht, dat alle mensen gelijk zijn.

We zijn één wereld, één volk en dat zijn wij met z’n allen.’

Archieven: Verhalen

‘Gelukkig mochten wij bij lieve familie van ons in Alkmaar wonen’

Ans Beerden was vergeten dat Philou, Maxim en Kaatje van de Willem-Alexanderschool in Bergen zouden langskomen. Maar ze zijn alsnog welkom en mogen lekker op de bank komen zitten. Mevrouw Beerden neemt ertegenover plaats en dan kan het interview beginnen. De kinderen zijn goed voorbereid en hebben er veel zin in, en mevrouw Beerden vindt het vooral heel gezellig dat ze er zijn!

Hoe was het voor u tijdens de oorlog als kind?
‘Ik ging naar school en speelde vaak buiten. Ook moest ik dikwijls mijn vader helpen om boodschapjes weg te brengen. Wij hadden een levensmiddelenzaak, met spullen als suiker en boter. Dan ging ik eventjes met de fiets bij de mensen thuis iets langsbrengen.

De oorlog voelde heel naar. Ik dacht: waarom doen ze dat nou? Je moet nooit oorlog voeren met elkaar. Dat is nergens goed voor. Vaak begrijpen mensen elkaar verkeerd, begrijpen ze niet wat de ander bedoelt.’

Moesten jullie uit Bergen vertrekken?
‘Ja, de soldaten namen hun intrek in onze huizen. Je moest maar zien waar je heen kon. Veel mensen hadden geen familie vlakbij. Voor hen was geregeld dat ze naar Amersfoort konden, maar dat was ver weg van Bergen.

Gelukkig hadden wij lieve familie in Alkmaar en daar mochten we op zolder wonen. Veel mensen hielpen elkaar in de oorlog. Het was allemaal niet zo makkelijk dus familie die je hielp was heel belangrijk. Vriendinnen zag ik daardoor wel veel minder. Veel van hen gingen naar Amersfoort of naar familie. Het is heel naar als je ineens weg moet.’

Wat deed uw vader in de oorlog?
‘Mijn vader had een kruidenierswinkel. Toen we uit Bergen weg moesten, hadden we de winkel dus ook niet meer. Maar er was een slager vlakbij ons in Alkmaar die werd opgepakt en toen konden we zijn winkel gebruiken als kruidenierswinkel. Zo hadden we in de oorlog ook geen honger.’

Wat vond u van de Duitse soldaten?
‘De Duitse soldaten in Bergen waren geen slechte mensen. Ze moesten gewoon doen wat de regering bepaalde. Sommigen waren heel aardig en hadden eigenlijk geen zin de oorlog, dat merkte je.’

Hadden jullie onderduikers?
‘Mijn broer van 17 werd opgeroepen om in Duitsland te werken. Toen hij terugkwam met verlof, wilde hij niet meer terug maar Duitsland. Het was daar ook heel gevaarlijk met alle bombardementen van de Engelsen. Daarom dook hij bij ons thuis onder. Dat was moeilijk voor hem, want hij mocht niet meer naar buiten, niet voor het raam komen. En als we een razzia zagen aankomen – dat konden we via spiegeltjes bij de ramen zien – verstopte hij zich in een diepe kast.’

Hoe was de bevrijding voor u?
‘Dat was geweldig! We konden weer alles zeggen wat we wilden, dat was een heel bijzonder gevoel. De Duitsers zeiden niet meer wat je moest doen. Iedereen juichte en was blij. Buren kwamen bij elkaar, heel Nederland was opgelucht.’

Archieven: Verhalen

‘We zagen dat ze op het vliegveld van Bergen alles lieten ontploffen’

Annie Stoop doet de deur open. Viggo, Bodhi, Cas en Lucas stellen zich netjes voor en doen zelfs de schoenen uit omdat het zulk slecht weer is. De leerlingen van de Willem-Alexanderschool in Bergen gaan zitten in de woonkamer. Mevrouw Stoop zegt benieuwd te zijn naar de vragen die ze hebben, en biedt ze een glas sap aan met een biscuitje uit een bijzonder trommeltje. Dit trommeltje komt namelijk nog uit de oorlog. Mevrouw Stoop begint dan te vertellen over deze periode. Ze was 10 jaar toen de oorlog begon.

Hoe was het in Bergen aan het begin van de oorlog?
‘Alle jongens moesten in dienst en niemand kon meer naar school; de grote vakantie duurde op die manier wel heel lang! Wij woonden op de Loudelsweg, tegenover de Roland Holstschool. Wij hadden ook een zomerhuis en daar verbleven mensen toen de oorlog uitbrak. Van hen kreeg mijn moeder dit trommeltje met koekjes. Ik liep met het trommeltje en liet het natuurlijk vallen! Alle koekjes gebroken… Dit trommeltje staat voor mij symbool voor het begin van de oorlog.’

Hoe begon de oorlog voor u?
‘s Nacht hoorden we ineens bomen vallen op het vliegveld. Mijn vader zei: ‘En nu is het oorlog’. De hele oorlog gingen de bombardementen door. Ik zat op de lagere school toen de oorlog begon en later ging ik naar de mulo in Alkmaar. Iedere dag moest ik helemaal op de fiets, langs het vliegveld, en dan zagen we vliegtuigen overkomen. Op school zagen we dan vaak de bommen op het vliegveld vallen. Maar ‘s middags fietste ik toch weer langs dat vliegveld naar huis. Nu denk ik: dat we dat durfden… Maar het leven gaat gewoon door, ook in een oorlog.’

Was er genoeg te eten?
‘In het begin was er nog wel genoeg te eten maar dat werd minder en minder. Alles ging op de bon. Hier in Bergen had je een distributiekantoor naast De Pilaren, waar ze voedselbonnen uitdeelden. Je kreeg een bonnenkaart per persoon. Met een bonnetje kon je bijvoorbeeld boter kopen, of eens per week een brood en wat vlees. Maar het was geen luxe.’

Iedereen moest weg uit Bergen, maar jullie mochten blijven. Waarom?
‘Alleen de mensen die noodzakelijk waren, zoals bakkers en slagers, mochten blijven. Alle scholen, huizen en het vliegveld kwamen vol met Duitsers. Wij mochten blijven omdat mijn vader timmerman was en een eigen zaak had. De bakker bakte dus met name voor de Duitse soldaten; ik zag hem geregeld met heerlijke gebakjes naar de Duitsers gaan, maar wij kregen amper brood. In de vreselijk koude winter kwamen ze ook met grote wagens met kolen voor de Duitsers. Sommige kooltjes vielen eraf en bleven liggen op de straat. Als ze dan wegwaren, raapte mijn moeder de kooltjes op. Een keer kwam er meteen zo’n Duitse soldaat op haar af, die zei dat we hun kooltjes stalen.’

Uiteindelijk moesten jullie ook weg. Hoe was dat?
‘Op een dag kwam er iemand bij ons langs die zei: jullie moeten weggaan want vanavond gaan ze bommen gooien. En jullie wonen naast een munitiedepot. Toen zijn we met zijn drieën en buren op de fiets naar Krabbedam gegaan. Mijn moeder kon niet fietsen en zat bij de buurman voorop. De volgende dag zagen we dat ze op het vliegveld alles lieten ontploffen, het was een enorm lawaai! Dat was de dag dat de geallieerden landden: D-Day.

Daarna moesten we allemaal weg uit Bergen. Maar waar moest iedereen naartoe? Je moest je huis achterlaten en de sleutel geven aan de Duitse soldaten en maar zien hoe je een dak boven je hoofd kreeg. Wij zijn toen in Amsterdam-Noord terechtgekomen bij familie. Maar stel je voor dat je geen familie had?

Wat voedsel betreft was het verschrikkelijk slecht in Amsterdam. Mijn moeder was niet zo sterk en mijn vader kon het geestelijk niet verwerken dat hij zijn huis uit moest en zijn zaak op moest geven. Daarom ging ik, als 15-jarige, regelmatig mee met een oom van mij op de fiets met allemaal geplakte banden naar Bovenkarspel. Dan probeerden we spullen die we hadden te ruilen voor eten. Dat was wel 60 km fietsen…

Op de terugweg reden we een keer door Hoorn langs vroegere buren. Het was heel koud. De buren vonden dat ik daar moest blijven slapen omdat het weer te slecht was. Mijn oom reed door en al het eten dat hij op zijn bakfiets had, hebben de Duitse soldaten toen gestolen van hem. We hadden dus uiteindelijk niets. De volgende dag ging ik zelf terug naar Amsterdam. Ik hield zo van witlof en toen zag ik langs de weg allemaal kisten witlof staan. Ik vroeg aan de tuinder of ik een pondje witlof mocht. Ik heb centjes, zei ik. Maar ik kreeg het niet; hij wilde geen geld, hij wilde alleen ruilen.

Het was verschrikkelijk koud en was er geen hout om te stoken. Achter ons huis was een heel groot bos en mensen gingen daar dan stiekem allemaal bomen omhakken. Mijn vader zaagde die bomen in stukken, zo verdiende hij er nog wat mee.’

Wat ging u doen bij de bevrijding?
‘De Canadezen, onze bevrijders, zouden komen naar de Dam, dus ik ben met een buurmeisje daarheen gegaan; dat wilden we weleens zien! Wij stonden voor het paleis op de Dam, het was heel erg druk, toen ineens Duitse soldaten vanuit een gebouw boven ons begonnen te schieten op de mensen. Een jongen voor mij werd dwars door zijn hoofd geschoten, verschrikkelijk. Dan ben je eindelijk vrij en word je alsnog gedood.’

Archieven: Verhalen

‘alles was vreemd, want ik kwam uit een tropenland, Curaçao’

Salma, Ishpreet, Birgül en Kadir  van de Open Scholengemeenschap Bijlmer hebben Noraly Beyer geïnterviewd. Ze is geboren in 1946 in Willemstad, Curaçao. Mevrouw Beyer was het enige meisje in een gezin van zes kinderen en heeft Surinaamse ouders. Op haar elfde verhuisde ze naar Nederland, deed later de PABO. Met haar toenmalige man vertrokken ze in 1970 naar Suriname. Daar begon haar journalistieke loopbaan bij de Surinaamse staatstelevisie. Na de Decembermoorden in 1982 kwam ze terug naar Nederland en ging werken bij de Wereldomroep. Ook presenteerde ze van 1985 tot 2009 het NOS Journaal.

Hoe ervaarde u het om naar school te gaan in Nederland?
Mijn ouders komen uit Suriname, maar ze zijn ooit naar Curaçao gegaan. Daar zijn ze getrouwd en daar hebben ze zes kinderen gekregen. Toen ik elf jaar was is mijn vader overleden. Mijn moeder moest in haar eentje de opvoeding van zes kinderen doen en dat was nogal veel voor haar. Ze moest ook blijven werken, wat heel uitzonderlijk was in die tijd voor een vrouw. Men vond dat een getrouwde vrouw thuis moest blijven en de kinderen moest opvoeden. Maar mijn moeder was heel vooruitstrevend en ze bleef gewoon werken.  Toen heeft ze dus drie kinderen naar Nederland gestuurd, naar een kostschool. Zo ben ik hier terechtgekomen in Roermond in het zuiden van Nederland. Het was een middelbare school en alles was vreemd, want ik kwam uit een tropenland, Curaçao.’

Heeft u zich gediscrimineerd gevoeld?
Er waren destijds vrij weinig donkergekleurde mensen in mijn omgeving, maar als kind had ik daar niet echt last van. Ik werd wel nageroepen, omdat mijn uiterlijk ‘nieuw’ was, iets wat mensen niet kenden. Dat is eigenlijk heel menselijk; als jij iemand ziet met één oog of zo kijk je ook even, zo van: zie ik het goed? Dan ben je niet direct een racist en je bent niet aan het discrimineren. Ik vond dat de mensen heel nieuwsgierig waren, maar ik was ook heel nieuwsgierig naar hen, want ik kende die mensen eigenlijk niet, dus voor mij was het ook heel nieuw.’

Heeft u kritiek gehad binnen de journalistiek als eerste donkere vrouw?
‘Er was ook al een zwarte vrouw voor mij. Ze heet Eugènie Herlaar en kwam uit Curaçao en zij was eigenlijk de eerste vrouw en verslaggeefster die het nieuws heeft gelezen. Ik praat nu over de jaren ‘50/’60, toen is ook de televisie gesticht in Nederland. Niemand was ermee bezig dat ze donker van kleur was, maar wel dat ze een vrouw was. Dat was nieuw en ongehoord. Men vond dat het een mannenbaan was en niks voor vrouwen. Een vrouw die zelfstandig de straat op ging om mensen te interviewen, dat vond men heel revolutionair. Toen ik mijn werk begon, waren mensen vergeten dat Eugènie ook bruin was, maar ze hadden wel onthouden dat zij de eerste vrouw was die het nieuws las. Er was best veel commentaar, omdat ik zwart was. Veel mensen met vooroordelen vonden dat ik niet goed Nederlands zou kunnen spreken.’

 

Archieven: Verhalen

‘1943 werd het jaar van tranen’

Frits Rijnenberg ontvangt leerlingen Fien, Marit, Lie en Roman van het Rudolf Steiner College in Haarlem bij hem thuis. Hij woont in woongroep ‘Lieflijk Indië’ dat hij mede heeft opgericht. Ze worden verwelkomd met spekkoek en veel hartelijkheid. Meneer Rijnenberg is in 1931 geboren in Jakarta. Zijn vader was Indisch en zijn moeder Indonesische. Hij heeft twee oudere broers en drie zusjes. Meneer Rijnenberg blijkt een hele goede verteller en neemt de leerlingen mee langs zijn boeiende en soms verdrietige levensverhaal.

Hoe begon de oorlog voor u?
‘Ik was 11 jaar toen de Japanners in 1942 ons land bezetten. Een jaar later was ik nog de enige man in huis. De Japanners wilden iedereen die maar iets met Nederland te maken had in een kamp opsluiten. Mijn oudste broer zat bij de Marine en was al snel door de Japanners opgepakt. Hij moest werken aan de Birma Spoorlijn. Mijn tweede broer moest een jongenskamp in, omdat hij Indisch was én ouder dan 15 jaar. Ik was toen onder de 15 jaar, dus ik hoefde nog niet het kamp in. In 1943 overleed mijn vader. Dat werd het jaar van tranen. Het voelde alsof ik alleen op de wereld was. Ik moest voor mijn moeder en drie zusjes zorgen. Mijn moeder, een schat van een vrouw, was Indonesische en wist niet zoveel van de Westerse gewoontes.
Vóór de oorlog gaf mijn Indische vader ons een Westerse opvoeding. Hij vond het belangrijk dat wij het hele pakket kregen, dus mijn broers en ik gingen naar een katholieke basisschool. Hier kregen we naast de normale basisschool bij de Katholieke Jongeren Organisatie ook muziek, schaken en bridgen. Bij de padvinderij leerde je overleven in de natuur en koken. Ik had een hele goede band met mijn broers.

Wat gebeurde er met u en uw gezin na de Japanse bezetting?
‘Na het einde van de oorlog in 1945 begon de vrijheidsstrijd. Indonesië wilde onafhankelijk worden. Ik was nog steeds de enige man in huis. De Indonesische vrijheidsstrijders gingen van huis tot huis. Veel Nederlanders en Indische Nederlanders zijn in die tijd vermoord of gemarteld. We waren erg bang. Mijn vrienden schoten te hulp. Ze zeiden dat we binnen moesten blijven en gaven mij een pistool om het gezin te kunnen beschermen. Ik heb het pistool gelukkig niet hoeven te gebruiken, maar ik had iemand gedood als het nodig was geweest. Ik was inmiddels 15 jaar.’

Hoe waren de omstandigheden in die tijd?
‘We woonden in die tijd in Bandung en konden heel moeilijk aan eten komen. Wij woonden in het noorden van de stad. Alle winkels en markten zaten in het zuiden, maar daar zaten de vrijheidsstrijders. Mijn goede vriend Harry Sibbalt ging soms via sluiproutes toch eten voor ons halen. Op een dag wilde hij weer gaan, maar we wisten via berichtgeving dat het op die bewuste dag te gevaarlijk zou zijn. We hebben Harry gesmeekt om niet te gaan. Hij ging toch en is nooit meer teruggekomen. Hij is op gruwelijke wijze gedood. Vorig jaar ontdekte ik per toeval waar hij begraven ligt. Ik heb zijn graf in Indonesië bezocht. Dat was heel emotioneel. Ik praatte met hem alsof hij nog leefde.’

Wat was er met uw broers gebeurd?
‘Gelukkig kwamen mijn twee broers weer terug uit de kampen. Mijn oudste broer zagen we pas in 1946 weer in Bandung. Na 1947 moesten mijn broers en ik in militaire dienst, vechten tegen de Indonesische vrijheidsstrijders. Mijn oudste broer zat bij de Koninklijke Marine, mijn andere broer bij de Luchtmacht en toen ben ik, om het compleet te maken, bij de Landmacht gegaan.’

Hoe was de tijd na de onafhankelijkheid voor u?
‘Indonesië werd in 1949 onafhankelijk. Vanaf toen ging de nieuwe Indonesische regering iedereen met een Nederlandse link steeds meer buitensluiten en boycotten. Het werd steeds meer ‘eigen land en volk eerst’. Ik werkte bij een Duits ingenieursbedrijf, dus ik werd nog een beetje met rust gelaten. In de jaren zestig werd de sfeer en houding tegen de Indische gemeenschap zo vijandig dat mijn vrouw en ik besloten om toch het land te verlaten. De spanning was te hoog opgelopen. We verlieten huis en haard. In Nederland woonden we kleiner, we hadden onze dierbaren moeten achterlaten, er waren minder jobs, het was minder groen, maar toch waren we opgelucht. We hadden eindelijk rust.’

Hoe vond en vindt u het in Nederland?
‘Ik heb veel moeilijke periodes meegemaakt, maar ik ben niet getraumatiseerd of verbitterd. Ik heb er goed mee om kunnen gaan. Nu woon ik in Lieflijk Indië. Deze Indische woongroep is een afspiegeling van wie er vroeger in Nederlands-Indië woonde. Het is net als toen een mengelmoes. Er wonen mensen uit allerlei landen. Wij als Indische gemeenschap kunnen niet meer terug naar ons vaderland Indonesië, onze wortels, maar we kunnen wel de wortels hierheen halen, naar Haarlem. Daarom hebben we Lieflijk Indië opgericht. De palmbomen in onze gemeenschappelijke tuin bloeien door onze warmte. Ik ben er heel gelukkig mee dat ik in Lieflijk Indië woon.’

 

 

Archieven: Verhalen

‘We wilden weer een gevoel van vrijheid hebben’

De spekkoek staat klaar in het gezellige huis van de 92-jarige Frits Rijnenberg. Hij woont in ‘Lieflijk Indië’, een Indische woongroep die hij mede heeft opgericht. De Haarlemse leerlingen Nadine, Dean, Veerle en Noor van het vlakbij gelegen Rudolf Steiner College krijgen een warm welkom en meneer Rijnenberg vertelt, voordat het interview begint, over de spekkoek. Dit staat er niet zomaar. In Indonesië wordt dit bij allerlei gelegenheden op tafel gezet uit dankbaarheid, maar ook vanuit het geloof dat dit helpt om de gelegenheid te laten slagen. Dit ritueel komt van de inheemse bevolking van Indonesië en Indische Nederlanders hebben het overgenomen, want zoals meneer Rijnenberg zegt: ‘De dag is niet vanzelfsprekend. Elke dag is een geschenk van boven en daar moeten we dankbaar voor zijn.’

Meneer Rijnenberg werd geboren in Jakarta. Hij heeft twee oudere broers en drie zussen. Zijn vader was een Indische Nederlander en zijn moeder was Indonesische. Hij woonde later in Buitenzorg en in Bandung. In 1963 vertrok Frits met zijn gezin naar Nederland.

 Hoe was uw schooltijd in Indonesië?
‘In Buitenzorg ging ik naar een katholieke school. Hier zat ook een padvinderij bij waar we leerden te overleven en koken. Tijdens de Japanse bezetting mochten we niet naar school. Een jaar lang gingen we toch stiekem naar geheime lessen van een onderwijzeres. Mijn moeder wilde dat ik dit deed om niet te veel achterstand op te lopen. In 1945 was de oorlog voorbij en heb ik mijn achterstand ingehaald in een ‘herstelschool’. Hier kon ik alle gemiste jaren inhalen.’

Hoe zag uw woonomgeving eruit?
‘Tot 1942 leefden we in vrede in Buitenzorg. Daar was de omgeving prachtig. Het was een kleine stad. In 1943 verhuisden we naar Bandung, een grote bergstad. Bandung was in tweeën gedeeld. Het noorden had prachtige villa’s met grote tuinen. In het zuiden waren minder woningen, maar alleen voornamelijk theaters, winkels en industrie.’

Hoe was het om op te groeien in een koloniale samenleving?
‘Wij wisten niet beter dan dat Nederlands-Indië bij Nederland hoorde en dat wij Nederlanders waren. Het woord ‘kolonie’ zei ons niks. Mijn vlag is rood, wit, blauw. Mijn volkslied is het Wilhelmus waarvan we twee coupletten uit ons hoofd moesten leren. En we hadden toen ook dezelfde koningin. Het leven was helemaal Nederlands. Het eten was wel heel anders. We aten Indisch, vooral rijsttafelgerechten. Eén keer per week aten we Nederlands. Verder is Indonesië een enorm groot land met veel bloemen, planten en dieren. Het weer is prachtig. Het was een paradijselijk leven.’

Hoe was de relatie met uw ouders?
‘Ik had een goede band met mijn ouders. Mijn vader leerde mij van alles over de geschiedenis en nam mij mee naar zijn werk in Batavia. Zo heette Jakarta vroeger. We waren inmiddels verhuisd naar Buitenzorg. Mijn vader overleed in 1943. Ik was toen twaalf jaar en het was al oorlog met Japan. Ik verloor mijn vader in een periode waarin een jongen zijn vader het hardst nodig heeft. Mijn vader heeft mij de intellectuele bagage en westerse opvoeding meegegeven. Mijn moeder heeft mij de geestelijke bagage meegegeven: de omgang met mensen en je eigen instelling.’

Hoe ging het met uw familie tijdens de bezetting door Japan?
‘Mijn oudste broer was al gelijk in 1942 opgepakt door de Japanners, omdat hij militair bij de Marine was. Hij moest werken in een werkkamp. Mijn tweede broer moest een jongenskamp in, omdat hij boven de 15 jaar was. De jongens werden als werkkracht gebruikt. Ik was tijdens de bezetting onder de 15 jaar, dus ik hoefde nog niet het kamp in. Mijn moeder en zussen ook niet. Ik was dus de enige man thuis. Dat voelde als een grote verantwoordelijkheid.’

Waarom ging u naar Nederland en hoe was die overgang voor u?
‘Nederlands-Indië was een paradijs op aarde, we hadden het zo goed. Maar tijdens de vrijheidsstrijd daarna kwam er zoveel ellende met bloederigheid en veel slachtoffers. Toen kwam er een vervolging op de Nederlanders en Indische Nederlanders. Wij werden niet meer gewaardeerd. Er werd jacht op ons gemaakt en er werden mensen vermoord. We waren ontheemd, daardoor gingen we naar Nederland. Net als heel veel anderen. We hadden geen geboorteland en geen vaderland meer. Nederland werd ons nieuwe vaderland.
Het belangrijkste was dat we onze rust terug hadden. We voelden ons eindelijk vredig. Er was geen conflict en er was gerechtigheid. In Indonesië werkte ik voor een Duits ingenieursbedrijf, een goede job. Ik ging regelmatig naar Duitsland en was ook in Nederland geweest, dus ik kende het hier al. We zijn zo lang mogelijk in Indonesië gebleven, maar uiteindelijk wilden mijn vrouw en ik met de kinderen toch weg. We wilden weer een gevoel van vrijheid hebben.’

 

 

 

Archieven: Verhalen

‘De mensen hier waren wel anders, dat was wel een groot verschil met Suriname’

Faye, Noah, Martin en Zoey van het Vox College/ Metropolis lyceum  in Amsterdam-Noord interviewen Orelia Blinker. Ze is 87 jaar en is en geboren in Suriname. Het interview is op school. De leerlingen vinden het interessant en leuk om haar verhaal te horen. Hoe de kindertijd van mevrouw Blinker was, zo heel anders dan die van hen.

Hoe was uw jeugd in Suriname?
‘Mijn familie en ik woonden op een rijstplantage. Daar verbouwden we rijst en bij het zware oogsten kwamen mensen helpen, die met rijst werden betaald. Op die manier had iedereen genoeg eten voor het hele jaar. We speelden veel buiten als kind. Met mijn broers en zussen waren we al een soort clan en er waren veel kinderen om mee te spelen. Ieder kind speelde constant buiten en dat vond ik  echt de leukste tijd van mijn leven op de plantage. Ook kwamen soms mijn neven en nichten langs en die logeerden dan bij ons; dat was ook altijd heel leuk. Ik had geen huisdieren, maar er was een hele grote vis in de rivier, die altijd kwam als ik etensresten ging weggooien in het water. Ik klopte eerst lepels af tegen een boom en die reusachtige vis kwam elke keer terug als ik eten ging weggooien,  dat was zo grappig.
Toen ik wat ouder werd, ging ik in de stad bij mijn nicht wonen  om te studeren.’

Hoe bent u naar Nederland gekomen?
‘Mijn (ex)man was al naar Nederland vertrokken en ik ging hem achterna en vertrok later ook naar Nederland. Het was een lange reis naar Nederland met de boot. Het duurde twee weken op de boot met heel veel Surinamers die allemaal naar Nederland vertrokken. We gingen over de golf van Biskaje (dichtbij Portugal), daar werd ik heel erg zeeziek van; de hele tijd schommelde die boot heen en weer. Dat was zeker geen fijne ervaring, maar toen we uiteindelijk dichter bij Nederland kwamen,  was het wel leuk.’

Hoe was uw leven in Nederland, was dat anders dan in Suriname?
‘Nederland was anders, maar wij wisten al hoe het was in Nederland, dus daar schrok je niet van. Eerst woonde ik in Amsterdam-Oost, maar nu in Noord. Nederland was veel kouder dan Suriname en de schooltijden en andere dagelijks leven dingen waren anders. Je leven hier was compleet anders. Je moest je kind naar school brengen, je huis schoonmaken en koken. De Nederlands cultuur was anders, maar tegelijkertijd waren we er ook bekend mee, want we leerden veel over Nederland. Ook leerde je op school over de geschiedenis van Nederland. De mensen hier waren wel anders, dat was wel een groot verschil met Suriname.’

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Archieven: Verhalen

‘We zaten in de achterbak van een vrachtwagen met achttien andere mensen’

Oscar, Lois en Marte van basisschool Het Wespennest  interviewen Janki Davi. Ze is 65 jaar oud en heeft drie kinderen. Ze groeide op als Hindoestaanse in Afghanistan. Mevrouw Davi moest als jonge moeder vluchten uit haar land in oorlog. Ze belandde met haar man kleine kinderen in een opvangcentrum in Amsterdam-Oost. Ze sprak geen woord Nederlands en wist niets van dit land. ‘Het was een moeilijke tijd.’ De leerlingen vinden het heel bijzonder om haar verhaal te horen.

Hoe was het leven in Afghanistan?
We waren een minderheid want de meeste mensen in Afghanistan zijn Moslim. Wij zijn Hindoestaans. Ik groeide op met drie broers en twee zussen. Ik mocht als meisje niet naar school. Dat betekende ook dat ik heel veel binnen zat. Als het huishouden gedaan was, dan mocht ik leuke dingen doen. Ik ging breien of handwerken. Dat waren mijn hobby’s.
We woonden in een groot huis, maar het leven was heel anders dan nu. We sliepen met alle kinderen in één slaapkamer en dat was niet stom, maar juist gezellig. In die tijd hadden we geen telefoons, geen schermpjes en ook geen televisie. We hadden niet eens banken om op te zitten. We zaten met de hele familie thuis op de grond op kleden en matrassen.We maakten zelf heerlijke maaltijden. Ons brood was heel anders dan het brood uit de winkel. Veel lekkerder. Het was wel veel werk, al dat koken. Maar met drie vrouwen ging dat best.’

Waarom kwam u naar Nederland?
‘Toen ik 21 jaar was ben ik getrouwd. We kregen twee kinderen. Er brak oorlog uit in Afghanistan tussen de Taliban en de Moedjahedien. Ook wij Hindoestanen liepen gevaar. We moesten vluchten. We zaten in de achterbak van een vrachtwagen met achttien andere mensen. Iedereen zat heel dicht op elkaar en moest stil zijn. Mijn kinderen moesten onderweg huilen, maar ze moesten dus óók stil zijn. Het was allemaal heel stiekem. Niemand mocht het weten. Ik weet niet meer hoe lang we hebben gereden. Uren en uren en uren. Uiteindelijk kwamen we in Amsterdam in een opvangcentrum. We sliepen op stapelbedden en we kenden niemand. We konden niet bellen met familie, want we hadden geen telefoon. Het was ook heel spannend, want er was daar natuurlijk oorlog. En ik wist niet hoe het met mijn familie was. Het was een moeilijke tijd.’

Hoe werd u hier ontvangen?
‘Ik wist eigenlijk niks van Nederland toen ik hier kwam. Maar het viel niet tegen. Ik houd van Nederland, ik vind het een heel mooi land. Ik wil ook niet terug in de tijd kijken, maar juist naar de toekomst. Ik ben in Afghanistan niet naar school gegaan, maar dat heb ik in Nederland wel gedaan. Ik heb vier jaar op school gezeten en heb hier leren lezen en schrijven. Daarna ging ik werken bij een kinderopvang. Dat heb ik heel lang gedaan en de kinderen waren dol op mij. Met veel plezier deed ik mijn werk en ook heb ik daar altijd gekookt. De kinderen vonden mijn eten heel lekker en ouders vroegen zelfs om de recepten. Ik hou van kinderen; vind kinderen lief. Inmiddels zijn mijn eigen kinderen volwassen en ben ik oma van twee kleinkinderen. Ik woon in Amsterdam-Noord en in Afghanistan ben ik nooit meer geweest. Maar nu ben ik gelukkig. Ik heb me altijd thuis gevoeld in Nederland.’

 

 

Archieven: Verhalen

‘We bleven onze eigen cultuur ook trouw’

In Basischool Het Wespennest zitten Dorian, Luna, Sabir en Birgit klaar om Sakina Ouarrich te verwelkomen. Ze hebben vragen voor het interview voorbereid. Op de kaart kijken ze waar Marokko ligt, waar mevrouw Ouarrich vandaan komt. Ze zien dat het best ver van Nederland ligt. Er ontstaan meteen nieuwe vragen. Sabir herkent veel dingen omdat zijn moeder en grootouders ook uit Marokko komen.

Waar bent u precies opgegroeid?
‘Ik ben geboren in een klein dorpje in Marokko in het Noorden. Het ligt vlakbij Nador en heet Afra. Er waren weinig inwoners, het was een heel arm dorp en wij woonden daar zonder onze vader. Mijn vader werd naar Nederland gehaald om te werken en mijn moeder moest voor zeven kinderen zorgen. Ik was de jongste van de meiden en had drie oudere zussen. In die tijd ging je pas vanaf je zesde naar school. Ik heb daar één jaar op school gezeten, maar je kreeg heel veel te doen; Frans, rekenen, taal. Ik vond het heel erg leuk om naar school te gaan. Je groeit op met je familie en iedereen woonde vlakbij elkaar. Ik miste mijn vader natuurlijk wel, maar ik was ook vaak bij mijn ooms. Zo heb ik een hele prettige jeugd gehad. Het was echt fijn om de hele familie zo dichtbij te hebben.’

Hoe was de reis naar Nederland?
‘Het ergste vond ik om mijn hond achter te laten. We hebben eigenlijk twee keer gereisd. De eerste keer waren we al onze papieren vergeten, dus ging het feestje niet door. We zouden via Tanger reizen, maar bij familie kwamen we erachter dat we de overtocht niet konden doen. We gingen terug, hebben alles in orde gemaakt en zijn toen via de Straat van Gibraltar naar Spanje gegaan. We namen een nachtboot en de volgende dag kwamen we aan in Spanje. Het voelde voor mij als een wereldreis, omdat ik uit dat kleine dorpje kwam. Over een grote weg rijden in een auto was al een avontuur voor me. Ik heb tijdens de reis dingen gezien die ik nog nooit had gezien.’

Hoe was het na aankomst in Nederland en kon u snel wennen?
‘Op mijn achtste ben ik naar Nederland gekomen. Mijn vader miste ons heel erg en het zou beter voor ons zijn om hier op te groeien. We kwamen in Amersfoort te wonen en dat was heel fijn. Naast ons woonde een meisje, die even oud als ik was. Ik kwam veel bij haar thuis en kreeg daar pannenkoeken te eten. Als ze bij ons kwam, kreeg ze couscous. Het was een buurt waar bijna geen migranten woonden. In mijn klas zat nog één ander meisje, die ook uit Marokko kwam. Ik kreeg in het eerste jaar extra Nederlandse les van een Nederlandse moeder en heb het daarom heel snel geleerd. We vierden gewoon onze feestdagen en deelden veel met de buren. Zo vierden we ook Sinterklaas en mocht ook mijn schoentje zetten, omdat iedereen op school dat deed. We bleven onze eigen cultuur ook trouw. Het Offerfeest en Suikerfeest zijn onze feestdagen en dat deel ik ook weer met al onze buren. Ik geef mijn kinderen mee, dat ze zijn wie ze zijn en ze hoeven zich niet anders voor te doen. Ik ben blij dat ik in Amsterdam woon waar zoveel culturen door elkaar wonen. Ik geniet daar heel erg van.’

Wat bent u later gaan doen?
‘Ik heb Marketing en Management gestudeerd aan de Hogeschool van Amsterdam en kreeg een baan in Utrecht. In 2005 verhuisde ik naar Amsterdam.’

 

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892