Archieven: Verhalen

Tot de melkboer zei :‘breng dat kind maar bij ons’

Cataliyah, Louay, Milan en Jharralaissah  van Basisschool De Botteloef interviewen Anneke Koehof in haar gezellige huis. Zij vertelt het verhaal van haar tante Roos, die tijdens de oorlog en daarna bij Hollandia Kattenburg werkte. Ze heeft daar gezien hoe haar Joodse collega’s werden opgepakt, op 11 november 1942, toen de Grüne Polizei aan de deur stond en 367 Joodse personeelsleden werden weggevoerd. Mevrouw Koehof vertelde ook over haar vader, die niet voor de Duitsers wilde werken en werd opgepakt. Ook hoe ze zelf de oorlog is doorgekomen nadat haar moeder was overleden bij haar geboorte.

Wat gebeurde er op de dag van de razzia?
Mevrouw Koehof leest voor uit het verhaal dat ze over haar tante heeft geschreven;
‘Op die dag, woensdag 11 november 1942, vielen ze ineens binnen. Ik werkte op de gummi-afdeling, daar kwamen ze het eerst. Een vervanger van de eigenlijke directeur, een Verwalter, wilde iets zeggen tegen het personeel, maar hij moest zwijgen.We werden als schapen en bokken gescheiden, de Joden moesten aan de ene kant gaan staan en wij aan de andere. Als eerste werd Rebecca Groenteman eruit gehaald, zij was communistisch en dat wisten die Duitsers  precies. Ik weet zeker dat dát verraderswerk moet zijn geweest en ik weet ook door wie ze zijn verraden. Ze hadden lijsten met namen bij zich en de joodse medewerkers werden een voor een afgeroepen. Het was verschrikkelijk.We hebben uren zo gestaan. Ze kwamen om vier uur in de middag en wij mochten pas om acht  uur ’s avonds weg. We zagen onze joodse collega’s wegvoeren in vrachtauto’s.  Toen we eindelijk weg mochten ben ik  zo snel ik kon naar de Transvaalbuurt gegaan om gezinnen van personeelsleden  te waarschuwen en ik was daar net binnen toen ze gehaald werden door Nederlandse politieambtenaren. Het was na die tijd heel moeilijk om weer naar het werk te gaan, maar we moesten door. Later ben ik cheffin geworden, dat zou nooit gebeurd zijn als de Joodse werknemers niet waren opgehaald; het was een promotie met een rouwrand’.

Wat is er met uw ouders gebeurd tijdens de oorlog?
‘Toen ik ben geboren is mijn moeder doodgegaan, dus ik heb mijn moeder nooit gekend. Mijn vader was ‘werkweigeraar’. Hij wou niet voor de Duitsers werken, dus moest hij onderduiken. Maar hij is verraden. Hij is opgehaald en werd eerst naar kamp Amersfoort gebracht, een heel streng kamp. Daar is hij mishandeld. Vervolgens is hij naar Vught gebracht; ook een gevangenenkamp van de Duitsers. Hij heeft Duitsland, in Essen en Hannover, verplicht moeten werken Er zijn dingen die ik nu pas te weten kom, want weet je, er werd thuis nooit over gesproken, het was te erg om over te praten. Maar mijn vader heeft wel weten te vluchten.’

Hoe is uw vader gevlucht?
‘In Duitsland moesten de mensen op het land werken, of in fabrieken. En er waren dus ook mensen die met bussen werden gehaald en gebracht, van en naar het gevangeniskamp. Er waren ook bussen die naar Nederland teruggingen met Nederlandse arbeiders, die kennelijk ook wel eens naar huis mochten. Het waren bussen met zowel voor- en achterdeuren, dus hij is op een dag door zo’n achterdeur geglipt en is gewoon tussen de mensen in gaan zitten, om op die manier weg te komen. Die bus kwam langs een weg met een hele lange vaart en daar stonden ze hoor, die Duitsers; controle. Oh jee, dat was natuurlijk foute boel hè, want daar zouden ze hem te pakken nemen. Toen is hij uit de bus geglipt en is hij van een dijk af gegaan en is gewoon steeds onder water gegaan. Elke keer als er weer een Duitser over die dijk aankwam zetten, moest hij maken dat hij onder water kwam. En dat is uren zo doorgegaan. Pas toen het ’s avonds heel donker was en de Duitsers weg waren, kon hij uit het water komen. En zo is hij gevlucht. Hij is in het donker helemaal langs de spoorbaan gaan lopen. En zo is hij toch in Nederland aangekomen.’

Wat is er met u gebeurd na uw geboorte?
Ik had even geluk! Ik had je verteld dat mijn moeder was overleden met mijn geboorte. Maar niemand kon een baby erbij hebben. Er was geen geld voor. Mensen hadden geen eten en ze hadden al helemaal geen melk voor een baby. Dus ik ben eerst naar die geweest en naar een tante. Maar ja, die kreeg zelf een kind dus dat kon ook weer niet. En dan weer naar een vriendin van een tante… dus ik ben als baby erg heen en weer gebracht. Tot de melkboer die op de hoek woonde zei :‘breng dat kind maar bij ons’. Zo ben ik bij de melkboer terecht gekomen die in ieder geval melk had; dus ik had het goed. En ongeveer tot mijn derde, vierde jaar heb ik daar gewoond. Tot mijn vader een nieuwe vrouw ontmoette en zij werd mijn tweede moeder.’

 

 

 

Archieven: Verhalen

‘Boven café De Zilveren Spiegel zaten onderduikers verborgen’

Benjamin, Ramses, Olivia en Maryam van de Asvo-school in Amsterdam interviewen Saskia Meijer, die het verhaal van haar familie vertelt. Haar oom, tante en vader woonden in de oorlog op het Kattengat in het centrum van Amsterdam. Zij hadden daar een café waar veel Duitsers kwamen, maar bovenop de zolder zaten Joodse onderduikers verstopt.

Uw oom en tante hadden een café in de oorlog: wat weet u daarvan?
‘Het café was van ome Jan en tante Wies. Zij hadden twee cafés in het centrum van Amsterdam, in de Warmoesstraat en op het Kattengat. Mijn oom en tante woonden boven het café op het Kattengat. Eén van de vrouwen die bediende, was een Oostenrijkse. Zij was al lang voor de oorlog naar Nederland gekomen, maar zij sprak Duits. Omdat zij Duits sprak, kwamen er Duitse soldaten naar het café. Dan konden ze met haar praten. Ik denk dat ze het aan de ene kant heel eng vonden dat er Duitse soldaten in het café kwamen, aan de andere kant was het een goede dekmantel. Mijn oom en tante hadden namelijk onderduikers op zolder. Het is een heel oud pand, een woning uit de 17de eeuw. De Gouden en Zilveren Spiegel heten ze. Mijn oom en tante hadden de Zilveren Spiegel. Je had eerst het café, dan de eerste en tweede verdieping en daarboven had je een hele grote zolder. Daar zaten de onderduikers. Dat was natuurlijk gevaarlijk, maar omdat er zoveel Duitse soldaten beneden zaten, was het ook wel veilig. Ze kwamen dan niet zo snel op het idee om daar te gaan zoeken voor onderduikers. Ik neem aan dat mijn oom en tante wel bang zijn geweest. Het was best wel dapper om onderduikers in huis te nemen.’

Uw familie zat dus in het verzet?
‘Mijn oom en tante hadden in ieder geval contact met mensen uit het verzet. Mijn vader woonde ook bij ome Jan en tante Wies in huis. Hij was jong wees geworden en had vijf zussen die veel ouder waren. Hij wist natuurlijk van die onderduikers af. In de oorlog had je voedselbonnen nodig toen er minder eten kwam. Met die bonnetjes kon je boodschappen doen. Maar mensen die in onderduik zaten, kregen die bonnen niet meer. Maar er moest natuurlijk wel eten gekocht worden. Daar zorgden de mensen van het verzet voor. Soms werd een onderduikadres te gevaarlijk, en dan moesten mensen van de ene plek naar de andere. Dan kon je aangehouden worden. Je moest altijd een persoonsbewijs bij je hebben in de oorlog. Er stond een foto op, een vingerafdruk, stempels, gegevens… Als je Joods was, stond er naast de foto een grote zwarte J. Als jij niet opgepakt wilde worden, had je dus een vervalst persoonsbewijs nodig waar de J niet op stond. Later moest je altijd een Davidster dragen. Het moest echt vastgenaaid worden op je kleding. Zodra je naar buiten ging, moest het te zien zijn. Die sterren betaalde je zelf, die kreeg je niet gratis.

Mijn vader wist dus wel dat mijn oom en tante in het verzet zaten. Mijn vader kennende zal hij ongetwijfeld mee geholpen hebben als er bonnen moesten worden opgehaald of een vervalst persoonsbewijs ergens naartoe gebracht moest worden.’

Wat is er gebeurd met uw neef Piet?
‘Onze familie is niet Joods, dus gelukkig is er bij ons niemand gedeporteerd en gestorven. In de familie is ook niemand naar Duitsland gestuurd om te werken. Maar mijn neef heeft gewoon pech gehad. Hij was de zoon van ome Jan en tante Wies. Zij hadden twee kinderen, Wijntje, genoemd naar oma, en Piet. Piet was een tiener toen de oorlog begon. In de laatste jaren van de oorlog mocht je ‘s avonds niet buiten zijn na 8 uur, maar mijn neef deed dat wel. Hij kwam toen Duitse soldaten tegen en waarschijnlijk rende hij weg. Toen hebben ze hem toen neergeschoten.’

Archieven: Verhalen

‘Het is niet leuk om gediscrimineerd te worden’

Waldy Neijhorst (1950) is geboren op Curaçao. Als hij 13 jaar oud is, verhuist hij met zijn familie terug naar Suriname, het thuisland van zijn vader. Later komt hij naar Nederland om te studeren. Meneer Neijhorst komt de Lidwinaschool in Amsterdam-Oost binnen, hij ziet er sportief uit. Ilyas, Leah, Jaap en Olivia hebben hun vragen paraat.

Welke verschillen zag u tussen Suriname en Nederland?
‘Natuurlijk het weer. In Suriname kende ik ijs alleen van de vrieskast. In Nederland was het heel koud. Die witte vlokken die naar beneden dwarrelen, de sneeuw, was voor mij de eerste keer een wonderbaarlijke ervaring. Ik had alleen niemand om die ervaring mee te delen, dat voelde wel eenzaam. Verder heb je in Suriname chillere werktijden dan in Nederland; in Nederland moet je vroeg op en tot laat doorwerken, terwijl je in Suriname lekker wat later begint en ook een middagdutje doet, ook wel bekend als ‘siesta’.’

Bent u weleens gediscrimineerd?
‘Jazeker. Ik stond eens in de rij bij de bakker waar ik elke woensdag kwam. Er kwam een vrouw achter mij binnen, en die begon te zeggen dat zij eerder was dan ik. Toen ik zei dat dat niet waar was, ging ze hele gemene dingen zeggen, zoals ‘jij kan niet eens lezen’ en andere narigheid. Gelukkig nam de mevrouw van de bakkerij het voor me op. Daar was ik heel blij mee en dankbaar voor, want het is niet leuk om gediscrimineerd te worden. Hoe mensen er ook uit zien, of ze iets totaal anders geloven dan jij, dat maakt niet uit, iedereen hoort respectvol behandeld te worden.’

Hoe heeft basketbal uw leven beïnvloed?
‘Ik was altijd al helemaal weg van basketbal, dat was wat ik het liefste deed. Ik vond het spel leuk, de wedstrijden leuk, en het hielp met vrienden maken. Ik deed ook niet veel anders. Toen ik in Nederland kwam, woonde ik in een heel klein huisje in Haarlem. Dat was best uitdagend, er was niet eens een douche! Ik kreeg wel onkostenvergoeding voor het basketbal spelen en een klein beetje betaald, maar niet veel. Vaak douchte ik bij de club, want dat was gratis. Ik voelde me er thuis.’

Welke koloniale sporen ziet u in uw leven?
‘Ik heb vroeger van mijn vader heel veel pakken slaag gehad. Dat stamt uit zijn koloniale verleden, omdat hij ooit geleerd had dat als je je kinderen wat wilt leren, je dat met harde hand doet. Mijn vader zei weleens dat hij me sloeg omdat hij van me hield. Dat heb ik nooit begrepen. Zelf geloof ik dat slaan nooit goed is. Je moet geduldig zijn en met elkaar praten. Eén van de dingen die ik dan ook zeker wist was: als ik ooit zelf kinderen krijg, ga ik ze absoluut niet slaan. Inmiddels zijn mijn ouders allebei overleden. Wel heb ik nog familie in Suriname. Ik heb kinderen en kleinkinderen, met hen ga ik van de winter na lange tijd weer eens terug.’

Archieven: Verhalen

‘Soms zaten we met z’n achten in de schuilkelder’

Jane Veltman (1936) is geboren in Makasser op Sulawesi, en verhuisde daarna naar nog heel vaak in voormalig Nederlands-Indië vanwege het werk van haar vader. Ze weet zich nog veel van die plekken te herinneren. Aan Roos, Mara, Julian en Luz van de Lidwinaschool in Amsterdam-Oost vertelt ze over haar leven.

Wat vond u ervan dat de oorlog uitbrak?
‘We hoorden op de radio dat de Japanners Indonesië waren binnen gevallen en dat ze steeds dichterbij kwamen. Ik was nog jong, nog maar 5 jaar, dus ik wist niet beter. Ik merkte wel dat mijn ouders bang waren. Buiten de stad werd gevochten en dan ging er een sirene, net zoals hier nu gaat elke eerste maandag van de maand, en moesten we de schuilkelder in.

Mijn moeder nam een blik met koekjes mee dus dat was wel fijn. We lazen daar of speelden met een popje. Soms sliepen we ook in de schuilkelder, er lagen matrassen in. Het was een soort kelder en daar hadden ze aarde en gras bovenop gelegd zodat het van bovenaf op een tuin leek. Soms zaten we met z’n achten in de schuilkelder: mijn ouders, zus en ik, mijn tante en haar twee kinderen en nog een tante. We moesten verduisterende gordijnen hebben zodat het licht van binnen niet van buitenaf te zien was voor de vijand.’

Hoe was het dat uw vader naar een apart kamp moest, en u met uw moeder en zusje naar een ander kamp ging?
‘Dat was heel eng. Mijn vader is eerst opgepakt en naar de gevangenis gebracht in Soerabaja. Tien dagen later zijn wij opgepakt. Er werd gevochten in de straat en ze zeiden dat het voor onze eigen veiligheid was. We werden in een bus en trein gestopt en ergens heen gereden, we wisten niet waar we naartoe gingen. Het was voor m’n moeder enger dan voor ons. De blonde mensen, de echt Hollandse mensen, werden naar een Jappenkamp gestuurd. De mensen van kleur toen nog niet. De Japanners waren in oorlog met Nederland en in het begin waren de meer donkere mensen nog wel veilig.

Maar toen de Indonesiërs vochten tegen de Nederlanders, werden we voor onze veiligheid in een kamp gestopt. Het was niet zo’n kamp als waar de Joden in Europa in werden gezet, maar het voelde wel als een kamp. Mijn vader heeft slechts vijftien dagen in de gevangenis gezeten, maar wilde daar later nooit over vertellen.

Toen wij naar Nederland gingen hadden ze hier ook oorlog gehad, ze zaten niet te wachten op nog meer ellendige verhalen. Iedereen wilde het eigenlijk vergeten. Nu is het 80 jaar geleden en nu vertellen we de verhalen. Nu realiseer ik mij dat ik een van de laatste ben die het nog kan vertellen. Iedereen heeft wel zijn eigen verhaal want overal gebeurde andere dingen.’

Merkte u iets van de koloniale samenleving?
‘Ja, maar je wist niet beter. Nu ik ouder ben ga ik er over nadenken en besef je dat het niet goed was. We hadden een vrouw in de keuken en een vrouw die de was deed en iemand die de tuin deed. Dat waren altijd Indonesische mensen. Indische mensen deden dat werk niet.

Mijn familie is Indisch, dat betekent gemengd Europees en Indonesisch. Europeanen kwamen naar Indonesië om te werken en soms kregen zij een Indonesische vrouw en kinderen; dat zijn Indische mensen. Indonesische mensen zijn uit Indonesië, zij werkten vaak in winkels en in huizen. Indische mensen werkten meestal op kantoor en Hollandse mensen in het bestuur.

Je bent zo geboren dus je wist niet beter. We praatten niet veel met het personeel, zo noemden we ze. Mijn moeder wilde dat niet. We waren natuurlijk wel vriendelijk en beleefd tegen ze.’

Bent u nog terug gegaan naar Indonesië?
‘De oorlog begon toen ik 5 jaar was en we gingen weg toen ik 15 jaar was. We zijn met de boot naar Nederland gegaan. De reis duurde een maand. Ik ben nooit meer terug gegaan. Ik ken het land eigenlijk niet zo goed omdat we in de oorlog nergens naartoe konden, we zaten vast in de stad Soerabaja.

Ik ben ook bijna niet naar de lagere school geweest omdat het toen oorlog was. Ik begon in september met school en in februari vielen de Japanners Indonesië binnen dus toen gingen de scholen dicht. Mijn moeder heeft ons les gegeven. Toen ik naar de middelbare school ging heb ik Bahasa leren spreken, dat was vroeger de taal van Maleisië.’

Archieven: Verhalen

‘Ik had veel plaatjes van Amsterdam gezien en dat leek me wel wat’

Dylaino, Nathalie, Anna en Gwenn verwelkomen Nelson Carrilho in het kunstlokaal van de Lidwinaschool in Amsterdam-Oost. Ze stellen zich aan hem voor en vragen hem daarna van alles over zijn leven. Meneer Carrilho is geboren op Curaçao en verhuisde in 1964 naar Nederland met zijn ouders, broers en zus.

Hoe oud bent u en hoe was het leven op Curaçao?
‘Hahaha, hoe oud ik ben? Hmm, eigenlijk is dat geheim, maar ik ben 71 jaar. Ik groeide op op Curaçao in een warm gezin. Ik had drie broers en een zus. Mijn vader werkte bij de Shell en mijn moeder werkte thuis, dat was normaal in die tijd. Mijn vader kwam uit Suriname, mijn moeder van Barbados. We gingen naar school en kregen goed onderwijs, maar dat ging wel alleen over Nederland. Ik wist van alles over de provincies, maar over ons eigen eiland leerde ik niets. Achteraf best raar. We speelden ontzettend veel buiten, je leefde eigenlijk bijna buiten. Mijn ouders vonden dat we het beste uit onszelf moesten halen, dus moesten we hard studeren en hard werken om de top te behalen. Ook moesten we foutloos Nederlands spreken. We zijn allemaal best goed terechtgekomen.’

Waarom ging u naar Nederland?
‘In 1964 werd mijn vader ontslagen en besloten mijn ouders om naar Nederland te gaan. Ik vond het wel een avontuur: ik had veel plaatjes van Amsterdam gezien en dat leek me wel wat. Ik wist dat het er koud kon zijn. We hadden een winkel in de buurt waar je warme truien kon kopen. Met die aan gingen we in de ijskast zitten om te oefenen. Natuurlijk was de realiteit anders. Jongens, wat vind ik het koud! We hadden wel mazzel, we hadden in ons huis centrale verwarming. Ik heb één keer geschaatst: op van de houten dingetjes, het was geen succes en ik heb uren op de kachel gezeten om weer een beetje warm te worden. Ik heb de kunstacademie gedaan en uiteindelijk ben woon ik alweer jaren in de Jordaan. Heel fijn, het mooiste plekje van Amsterdam.’

Was er toen discriminatie vond u?
‘Ik ben erg goed opgevangen op mijn nieuwe school in Amsterdam Osdorp. Natuurlijk ben je een zwart gezin, daar waren er toen nog niet veel van. Ik heb wel meegemaakt dat toen ik eens net als mijn medeleerlingen ging collecteren voor het Rode Kruis, de deur voor mijn neus dichtging met de mededeling: ik geef niet aan zwarten. Toen ben ik ermee gestopt. Dat kwam best hard binnen. Maar ons gezin was veilig en ik werd door ze gesteund. Ik werd er me bewust van en besloot krachtig op mijn benen te staan om een stem te zijn tegen racisme.’

Hoe doet u dat?
‘Ik ben kunstenaar. Ik maak monumenten tegen racisme. Nu worden bijvoorbeeld in Italië beelden aan de kust gezet om migranten te herdenken. Je gebruikt de kunst eigenlijk om te praten. Ik zeg ermee: het zijn mensen. Ook in Amsterdam staan beelden van mij.’

Archieven: Verhalen

‘Ik was niet van plan om naar Nederland te gaan’

Farah, Madelien, Yassir en Louay ontvangen op hun school, de Lidwinaschool in Amsterdam-Oost, Irving Gill. Ze stellen zich aan hem voor, bieden hem iets te drinken aan en stellen hun eerste vraag.

Mogen we vragen hoe oud u bent en hoe uw leven er in Suriname uitzag?
‘Ik ben bijna 83 jaar geleden in Suriname geboren in de hoofdstad Paramaribo. Ons gezin was erg groot: ik had zeven broers en zeven zusjes. Mijn vader was een Engelsman, hij kwam van Barbados. Mijn overgrootvader was Schots. Mijn ouders leerden elkaar in Suriname kennen.

Onze vader moest echt heel hard werken om iedereen te eten te kunnen geven. En mijn moeder moest ook erg hard werken om iedereen schoon en gevoed te krijgen. Helaas is zij op vrij jonge leeftijd overleden.

Wij gingen allemaal naar school. We hadden zestien vakken en zaten van 8 uur tot 13.00 uur in de banken. Verder leefden we vooral buiten. Dat kan goed in Suriname, want het is daar lekker warm. We speelden enorm veel met de bal en verder met alles wat je vond. Ik had altijd aanspraak en was nooit alleen.’

Waar woonde u in Suriname?
‘We woonden in een soort dorp. Daar waren we niet het enige gezin, er woonden veel meer families. We werden goed in de gaten gehouden. Iedereen was best wel streng. Maar het was wel de mooiste tijd van mijn leven. Je had saamhorigheid, het leek wel of we één grote familie waren. Je hielp elkaar waar nodig.

Het dorp was eigenlijk een vroegere plantage. Of ik iets van de slavernij heb meegekregen? Nou, eigenlijk niet. Er werd thuis niet over gesproken. Ik wist natuurlijk wel dat Suriname een gemengde bevolking heeft: de indianen als oorspronkelijke bewoners en dan de slaven die uit Afrika waren gehaald en later ook de Chinezen, Hindoestanen en Javanen. Maar ik heb van de slavernij weinig meegekregen, alleen van horen zeggen.’

En toen ging u naar Nederland. Waarom en hoe was dat?
‘Ik was niet van plan om naar Nederland te gaan. Ik werkte bij de marine en had het best naar mijn zin. Maar collega’s haalden me over om toch te gaan. Ik moest mijn horizon verbreden.

Dus stapte ik op het vliegtuig naar Amsterdam. Een vriend ving me op in Amsterdam-Noord en ik heb me snel aan Nederland aangepast. Gelukkig werd ik ook snel geaccepteerd. Ik zeg altijd: dit ben ik en dat ben jij. Als het klikt is het goed, zo niet loop je door.

Ik vond het wel ontzettend koud hier. Daar moest ik aan wennen. Toen ik voor het eerst sneeuw zag, dacht ik dat er katoen door de lucht vloog. De vlokjes leken op katoen. Het was droge sneeuw en ik kon het zo oppakken. Ik vond het prachtig en keek mijn ogen uit, totdat mijn baas zei dat ik maar weer eens aan het werk moest gaan.

Ik ben hier getrouwd en heb kinderen. Ik probeer mensen te helpen met het vinden van de weg om hun zaakjes voor elkaar te krijgen. Dat vind ik mooi werk.’

Zijn er verschillen tussen Nederland en Suriname?
‘Ja, natuurlijk. Suriname is al vijf keer zo groot als Nederland. En het klimaat is erg verschillend. Hier heb je seizoenen en in Suriname is er of regen of zon. Jammer was dat onze diploma’s in Nederland niet telden. Dus ik heb hard moeten werken.

Ik ben een aantal keren terug geweest in Suriname, dat was fijn, maar ik mis het toch niet. Ik vind dat je niet op twee paarden moet wedden. Je ben hier, of je bent daar. Niet half-half. Een mens moet zelfstandig keuzes maken: ik vergelijk het wel eens met een stoplicht. De meeste mensen zijn blij met groen en minder blij met rood. Ik word blij van oranje. Daar moet je nadenken en beslissen wat je gaat doen.’

Archieven: Verhalen

‘In Nederland waren we veilig en zagen we voor het eerst sneeuw’

Inge Verhoef (1960) zit al te wachten op Michael, Mette, Ties en Luka. Voor deze leerlingen van de Lidwinaschool in Amsterdam-Oost heeft ze een mooie foto meegenomen, die nu op het tafeltje staat. Op de foto zie je haar als klein meisje met een witte pop. Mevrouw Verhoef komt uit een gemengde familie, Nederlands en Indonesisch. Omdat ze gemengd waren, moesten ze in 1967 vertrekken uit Indonesië. President Soekarno had namelijk na de oorlog gezegd: weg met de onderdrukking en weg met de Nederlanders…

Uw ouders hebben in een Jappenkamp gezeten, hoe was dat?
‘Mijn moeder was toen nog heel jong, ze was 11 jaar. Voor de Jappen moest je buigen. Als je dat niet deed kreeg je stokslagen. Het kon ook zijn dat je buiten moest blijven staan, met een stok in de zon. Dat zag mijn moeder allemaal als jong meisje. Zij moest vooral hard werken, water dragen en wassen. Ze zag veel ellende in het kamp. Veel Indische mensen willen het er niet over hebben, maar willen ook nog steeds geen Japanse spullen kopen. Nadat de bom op Hiroshima was gevallen, zijn de Japanners weggegaan uit Indonesië.’

Hoe zag uw leven in Indonesië er uit?
‘Ik zat op een Nederlandse school en daar spraken we Nederlands, maar op maandagen zongen we het Indonesische volkslied. We hadden een wit uniform en zo wisten de mensen dat wij op die school zaten. Als we in Indonesië waren gebleven, had ik geen toekomst gehad, dan had ik misschien flessen moeten oprapen van straat of eten verkopen. Soms ging er een sirene en dan moesten we onder tafel duiken of ons verstoppen.

In Nederland waren we veilig en zagen we voor het eerst sneeuw. Nederland is heel rijk geworden van de handel in de kruiden uit Indonesië en zo kwamen er veel Nederlanders naar Indonesië. Ik kom voort uit een gemengde familie, Nederlands en Indonesisch. Omdat we gemengd waren, moesten we weg.’

Hoe was het voor u in Nederland?
‘Ik ben in Nederland gepest omdat ik een kleurtje had. Toen wij naar Nederland kwamen, waren er heel weinig donkere mensen. Ik werd uitgescholden en ze zaten aan mijn huid. Ze vroegen dingen als ‘geeft dat af?’ Vlakbij mijn school was een jongensschool, en ook die jongens kwamen naar mij toe om me uit te schelden. Maar ik beet wel van mij af en krabte ze. Later ben ik nog naar die jongens toegegaan en heb ze gevraagd waarom ze mij hebben gepest. Ze wisten niet eens meer wie ik was. Toen heb ik geleerd dat mensen die pesten heel kortzichtig zijn, en heb ik besloten dat het bij mij stopt: ik zal nooit iemand pesten en geef alleen liefde.

Ik had geen vrienden, maar ik kom uit een groot gezin met acht kinderen. Ik zorgde voor mijn broertjes en zusjes. Ik ging met mijn broertjes en zusjes naar het De Mirandabad, en ik hielp ook met koken en boodschappen doen. Het was in die tijd ook moeilijk om vrienden te maken, de meeste kinderen wilde geen donker kind mee naar huis nemen.’

Archieven: Verhalen

‘Mijn ouders lieten op de vuilnisbelt briefjes voor elkaar achter’

Als kind mocht Janneke Roos (1946) niet buitenspelen in Indonesië want dat vonden haar ouders te gevaarlijk. In 1957 kwam ze met haar familie met de boot naar Nederland. Ze vertelt over haar leven aan Trijntje, Benjamin, Quinten en Kaat van de Lidwinaschool in Amsterdam-Oost.

Waar bent u geboren?
‘Ik ben geboren in Tanjung Pinang, Indonesië, vlakbij Singapore. Tijdens de Tweede Wereldoorlog zaten mijn ouders in Japanse concentratiekampen op Sumatra. Zij zaten gescheiden, in mannen- en vrouwenkampen. 3,5 jaar hebben ze in zo’n kamp gezeten, los van elkaar. Eigenlijk mochten ze geen contact hebben, maar dat deden ze wel. Er was een postkantoor tussen de kampen in, maar dat was gewoon de vuilnisbelt. Daar lieten ze kleine briefjes achter, zodat ze met elkaar konden communiceren. In 1946 ben ik geboren, net na de Tweede Wereldoorlog.’

Wat deed uw familie in Indonesië?

‘Na de Tweede Wereldoorlog zijn mijn ouders in Indonesië gebleven. Mijn vader werkte voor Rijkswaterstaat als ingenieur en hij is gevraagd om te blijven omdat het land in puin lag.
Toen ik 2,5 jaar oud was, zijn wij naar Nederland gegaan met verlof. Mijn vader had toen een jaar vakantie. Daarna zijn wij weer teruggegaan naar Indonesië, want mijn vader was gevraagd om een irrigatieproject te bouwen. Toen gingen we naar Tegal. Indonesië was al onafhankelijk geworden, dat gebeurde in 1949. Daarna was alles in Indonesië Indonesisch, terwijl wij daarvoor in het Nederlands les kregen op school.’

Hoe was het leven in Indonesië?
‘
Wij leiden een geprivilegieerd leven, wij hoorden bij de elite. Wij hadden bijvoorbeeld wel
 vier bedienden in huis. Mijn broertje en ik mochten in Indonesië niet echt buiten spelen.
 Het was te gevaarlijk. Verschillende groepen waren tegen elkaar aan het vechten. De nationalisten, de communisten en de islamisten. De nationalisten waren aan de macht, en wilden één groot Indonesië hebben. Andere groepen hadden daar andere ideeën over. Er was continu wel wat. Wij waren als Nederlandse kinderen herkenbaar anders, en wij konden dus gekidnapt en uitgeruild worden. Daarom mochten wij niet buiten spelen.’

Archieven: Verhalen

‘In Suriname hadden we een heel groot erf waar je kon fietsen’

Nellie Bakboord arriveerde in 1965 in Nederland, ze was toen bijna 12 jaar oud. Ze kwam samen met haar moeder, broers en zussen uit Suriname; haar vader was al eerder naar Nederland vertrokken. Ze keek haar ogen uit toen ze op weg waren naar een woning die haar vader had gehuurd. Iedereen woonde hier zo dicht op elkaar… Aan Lilly, Mirla, Anna, Marta en Lucy van de Lidwinaschool in Amsterdam-Oost vertelt ze haar verhaal.

Waarom bent u naar Nederland gekomen?
‘Mijn vader wilde een betere toekomst voor ons, voor zijn kinderen. Vroeger was Suriname een kolonie van Nederland en dan ging je naar Nederland. Naar het moederland, werd dat genoemd.

Ik vond het best moeilijk. Elf jaar was ik. Ik had veel vriendinnen en zwemles, ik was lid van de zwemvereniging. Ik was er niet blij mee dat ik mijn vriendinnen achter moest laten. Wat ik wel spannend vond is dat we naar een kleermaker gingen in Suriname om warme kleren voor Nederland te laten maken. En dat we naar de fotograaf gingen om een foto te laten maken voor ons paspoort. We gingen bij de Albert Cuypmarkt in Amsterdam wonen bij een hospita, daar hadden we twee kamers. Daar hebben we een jaar gewoond, daarna gingen we naar een grotere woning bij de Rai.

Het was als kind heerlijk om in Suriname te leven. We hadden een heel groot erf, waar je kon fietsen en we hadden fruitbomen. We hadden drie honden, die moesten we achterlaten. Er was ook een leguaan die we altijd wegjoegen van de groentes. Het was heel fijn om daar op te groeien.

Nadat ik was afgestudeerd ben ik teruggegaan naar Suriname en heb ik daar nog tien jaar gewoond. Ik had toen al twee kinderen, maar mijn jongste heeft de lagere school daar afgemaakt. Ik vond het belangrijk dat hij dat daar deed want hij kon er veilig spelen. Ik heb er een fijne tijd gehad. Ik verbouwde mijn eigen groenten, dat doet mijn hele familie graag.’

Waren uw voorouders tot slaaf gemaakt?
‘De oma van mijn vader is in slavernij geboren. Haar moeder was tot slaaf gemaakt op een plantage in Nickerie. Mensen waren niet vrij op de plantages, ze waren verplicht om daar te werken. Je kon niet zeggen: ik neem een paar dagen vrij. Je moest werken en als je je werk niet goed deed werd je geslagen. Dus je zorgde ervoor dat je altijd deed wat de plantagehouder zei.

Bedenk altijd, mensen waren niet vrij, dat was niet goed. Je was een bezit van de slavenhouder. Maar als iedereen doet wat de slavenhouder wil dan is de slavenhouder niet altijd een enge man of vrouw. Soms kon er een vorm van vrede zijn met elkaar, dat kreeg je een deel van de opbrengst en kon je je kinderen goed te eten geven.

Nu zijn de plantages in verval geraakt. Wat je ziet is dat de jongeren het weer nieuw leven inblazen. Je kan de plantages nu bezoeken; je leert er de geschiedenis en je krijgt een rondleiding.’

Wat vindt u belangrijk uit de geschiedenis van Suriname?
‘Ik vind het sowieso belangrijk te weten waar alle bevolkingsgroepen in Suriname vandaan komen. Als kind denk je daar niet over na, ik denk dat jullie dat ook niet doen, je zit gewoon samen in dezelfde klas. Nu ik ouder ben en ik kijk naar mijn klassenfoto zie ik Chinese kinderen, Hindoestaanse kinderen, Javaanse, Creoolse, Libanese, Syrische kinderen. Zoveel verschillende bevolkingsgroepen woonden samen in Suriname en we moeten leren van elkaar. Dat leer je pas als je ouder bent, het is het goed om belangstelling te tonen voor elkaar en voor elkaars geschiedenis. Als kind maakt het niet uit, als je samen gaat fietsen doet het er niet toe waar iemand vandaan komt.’

Hebben uw ouders de oorlog meegemaakt?
‘Jazeker, mijn vader heeft voor Nederland meegevochten in Indonesië. Omdat Suriname een Nederlandse kolonie was werd er ook in Suriname gezocht naar jonge mannen die voor Nederland wilden vechten en dat heeft mijn vader gedaan. We werden grootgebracht als Nederlanders dus het was logisch dat we meevochten. We spraken ook Nederlands thuis. Mijn jongste broer heeft een boek geschreven over mijn vader in die tijd. Niet alleen mijn vader maar meer familieleden hebben getekend om te vechten in de oorlog. Gelukkig ken ik zelf geen Surinamers die zijn omgekomen in de oorlog. Surinamers hebben echt een rol gespeeld in de Tweede Wereldoorlog en dat wordt niet altijd genoemd.’

Viert u Ketikoti?
‘Ja, ik vier het zeker, ik vier de vrijheid en de afschaffing van de slavernij. Ik ben al bijna zestig jaar in Nederland. Vroeger werd Ketikoti maar in kleine kring gevierd, nu is dat veel groter. Je kan nu ook op veel plekken in Nederland een gratis heri heri maaltijd halen

Maar eerst wil ik, voordat we vieren, de periode van de slavernij herdenken. Eerst er bij stilstaan wat er is gebeurd, hoe onze voorouders onder barre omstandigheden een weg hebben moeten vinden in het leven. Dat mag niet los gezien worden van elkaar, vertel elkaar wat er is gebeurd en brand een kaarsje voor onze voorouders. En dan de volgende dag een mooie jurk aan, muziek en goed eten.’

Archieven: Verhalen

‘Stiekem speelden mijn broertje en ik in de kampong’

Janneke Roos (1946) is geboren in Indonesië. Kort na haar geboorte ging het gezin naar Nederland, maar het keerde een jaar later weer terug naar Indonesië. Pas in 1957 zouden ze definitief naar Nederland gaan. Aan Lotte, Janina, Theo, Jolan en Ramses van de Lidwinaschool in Amsterdam-Oost vertelt ze haar verhaal.

Hoe was uw jeugd in Indonesië?
‘Ik ben geboren op een eiland dat Tanjung Pinang heet. Dat was net na de Tweede Wereldoorlog. Mijn ouders hebben toen in een jappenkamp op Sumatra gezeten. Na de Tweede Wereldoorlog kwamen mijn ouders niet terug naar Nederland zoals veel andere Nederlanders. Mijn vader was ingenieur en hielp met het opbouwen van de bruggen en wegen die kapot waren. In 1949 werd Indonesië onafhankelijk en mijn vader werd gevraagd om te helpen met irrigatieprojecten, zoals het bouwen van stuwmeren en dijken, dus bleven we. Toen ik elf was, verhuisden we naar Nederland omdat het te gevaarlijk werd voor Nederlanders in Indonesië.

In Indonesië had ik veel vrienden van verschillende achtergronden. Mijn vriendjes en vriendinnetjes waren Chinese en Indonesische kinderen, omdat er niet veel Nederlandse kinderen waren. We woonden in een grote stad met een koel klimaat en veel natuur om ons heen. We hadden een groot huis met een tuin vol dieren en grote bomen waar we in konden klimmen. Vaak speelden we samen in de kampong, een Indonesische buurt. Eigenlijk mochten mijn broertje en ik daar niet spelen omdat het te gevaarlijk was, maar we ontsnapten dan uit het raam en gingen toch. We werden wel in de gaten gehouden door onze huisjongen. Het was een spannende tijd, vooral omdat we altijd op avontuur waren.’

Hoe was de reis naar Nederland?
‘Ik heb drie keer de reis naar Nederland met de boot gemaakt. De eerste keer was ik nog te klein om het me te herinneren. De tweede keer, toen ik iets ouder was, herinner ik me dat we met de boot ‘Willem Ruys’ reisden. Het was als een vakantie, en we stopten in verschillende plaatsen zoals Singapore, Sri Lanka, Egypte, Napels, Gibraltar, South Hampton en uiteindelijk Hoek van Holland. Het was een lange reis van drie weken.’

Wat waren de verschillen tussen uw leven in Indonesië en het leven in Nederland?
‘Op school in Indonesië gingen we naar een speciaal Nederlands schooltje dat voor ons was gebouwd, omdat er geen andere Nederlandse scholen meer waren. Toen we naar Nederland verhuisden, moest ik meteen naar de middelbare school. Dat was een grote verandering en ik vond het in het begin niet leuk omdat ik erg moest wennen aan de nieuwe omgeving en het andere land.

Ons dagelijks leven in Indonesië was heel anders dan in Nederland. We stonden vroeg op, omdat school al om 7 uur ‘s ochtends begon vanwege de warmte. We wasten ons met water uit een cementen bak en aten een stevig ontbijt. Op school gooiden we meteen onze schoenen uit omdat het te warm was om schoenen te dragen. Na school aten we een warme maaltijd, vaak een rijsttafel die onze kokkin Koes maakte. Daarna moesten we een siësta houden, wat mijn broertje en ik niet leuk vonden. We speelden liever buiten met vriendjes uit de buurt. Maar we mochten niet altijd buiten spelen, omdat het gevaarlijk was. Wij konden gekidnapt worden, wij waren als een soort handelswaar. Ondanks die spanning leefden wij een geprivilegieerd leven met veel avonturen in Indonesië.’

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892