Archieven: Verhalen

‘Hier was werk te vinden’

Noera, Israe, Ben en Kid uit groep 8 van de Admiraal de Ruyterschool in Amsterdam West ontvangen mevrouw Farida Oualih op hun school. Mevrouw Oualih is in 1975 met haar man naar Nederland gekomen. Op haar zestiende is ze getrouwd in Marokko. Daarna kwam ze naar Nederland. Gelukkig had ze al wat familie hier.

Hoe was het leven in Marokko?
‘Prachtig, echt waar. In alle landen is het prachtig. Waar ik wil leven, vind ik het mooi. Van veel culturen weet ik iets. Als ik mocht kiezen waar ik zou wonen, dan zou het in Marokko zijn. Ik heb op een boerderij gewoond, niet in de stad. Daar was maar één school. Geen taxi’s, geen bussen, geen auto’s. Ik had graag willen studeren, maar omdat er op school alleen maar jongens zaten, moest ik van school af van mijn vader. Ik mocht niet verder studeren. Ik had graag journalist willen worden. Ik vind het heel jammer dat dat niet kon.’

Waarom wilt u niet meer naar Marokko?
‘Mijn kinderen zijn hier geboren en opgegroeid. Ik ben inmiddels ook oma van zes kleinkinderen. Ik kan niet terug naar Marokko. Maar als ik wil, kan ik er wel heen. Ik mis mijn ouders wel. Toen mijn vader vorig jaar overleed, was ik heel verdrietig. Maar waar mijn kinderen wonen, dat is het belangrijkst voor mij. Ik mocht niet studeren en ik heb daarom tegen mijn kinderen gezegd dat ze goed hun best moeten doen. Mijn dochter is lerares en mijn drie zoons zijn ook allemaal goed terecht gekomen.’

Waarom hebben jullie voor Nederland gekozen?
‘Vroeger mocht je overal heen, zonder visa, zonder paspoort. Nu is dat moeilijker. We konden voor veel landen kiezen, maar kozen voor Nederland. Hier was werk te vinden. Mijn man heeft lang in een garage voor auto’s gewerkt. Wij woonden toen aan de Apollolaan,in Amsterdam-Zuid. Toen de kinderen klein waren, heb ik altijd op school meegeholpen. Mijn zoon werkt nu in het Krasnapolski hotel en daar heb ik ook vier jaar lang schoon gemaakt. Ik heb veel familie die hier woont, mijn vader is hier ook geweest. Maar hij vond het hier niet leuk en ging weer snel terug naar Marokko.  Veel mensen vinden het leuk hier en blijven daarom. Ik heb veel familie in Marokko, maar ook in Nederland. Nu ook met mijn kinderen erbij hebben we een grote familie.’

Wat doet u in uw dagelijks leven?
‘Een beetje in het huis rommelen, mijn man helpen. Hij is al wat ouder en ziek. Vroeger naaide ik wel kleding. Maar vroeger mocht je ook niet met mannen samen wat doen. Sporten bijvoorbeeld. Ik praat graag veel. Nu doe ik alleen in huis kleine dingetjes. Ik lees veel, de Koran bijvoorbeeld. Maar ook andere boeken. Ik kan niet heel goed Nederlands praten, want ik zit veel alleen in huis. Ik vind het soms een beetje moeilijk om te praten, ook omdat ik last heb van mijn oren, ik kan niet goed horen. Ik heb gelukkig wel veel contact met mensen uit mijn buurt. Ik praat veel met mijn buren en daardoor ken ik ook allerlei soorten eten. Nederlands eten maak ik ook wel eens, met mijn buurvrouw bijvoorbeeld.’

 

 

Archieven: Verhalen

‘Laat geen plaats voor discriminatie in je hart’

Sarah, Pep, Jet en Fien uit groep 8 van de Admiraal de Ruyterschool in Amsterdam West wachten op meneer Abdeslam Mimouni. Sarah is zijn kleindochter. Het is best speciaal dat ze haar opa gaat interviewen. Hij kwam in 1971 vanuit het Marokkaanse Al Hoceima via Corsica en Frankrijk naar Nederland. Vijfendertig jaar werkte hij hier in een melkfabriek. Abdeslam voelt zich Amsterdammer en daarna pas Nederlander.

Hoe leefde u in Marokko?
Ik ben de jongste uit een gezin van zeven kinderen; voor mij kwamen twee zussen en vier broers. We gingen vaak naar zee, want die was dichtbij. Elke dag vis eten en lekker in de natuur. Omdat ik uit een arm gezin kom, moest ik op mijn twaalfde naar een internaat. Dat lot trof kinderen uit arme gezinnen in die tijd nu eenmaal. Daar kreeg ik ook eten en drinken. Vanuit daar heb ik de middelbare school doorlopen. Ik had echt zin om te studeren en haalde goede cijfers. Ik kreeg uitstel van dienstplicht. Ga eerst maar studeren, zeiden ze. Het jaar erop kreeg ik bericht dat ik toch het leger in moest. Via iemand die ik kende in Frankrijk kreeg ik een arbeidscontract om daar te werken.

Wat dacht u toen u voor het eerst naar Nederland kwam?
Nederlanders zijn open en er valt goed met ze te praten. Mijn woonsituatie was in het begin niet optimaal en ik had ook geen vrienden in het pension waar ik woonde. Er was een man die me altijd stoorde. Iemand waarschuwde me ook voor die man. ‘Hij wil je in de gracht gooien’, zei hij. ‘Let op met wie je loopt!’ Ik moest kiezen met wie ik omging. Toen nam ik de beslissing om naar Amsterdam te gaan. Ik kwam in de Marnixstraat te wonen. Naast me woonde een Egyptenaar. Die wist wel een baantje voor me. De volgende dag kon ik beginnen in de melkfabriek naast de Albert Cuypstraat. Het was daar altijd heel druk op straat. De fabriek moest op zeker moment sluiten, omdat de omwonenden hun de wijk niet geschikt vonden voor industrie. De fabriek verhuisde naar Oost. Tot we daar ook weg moesten en de fabriek naar Hilversum verkaste. In totaal heb ik vijfendertig jaar bij die melkfabriek gewerkt. Toen ik daar ontslagen werd, moest ik nog vier jaar tot mijn pensioen. De uitkeringsinstantie zei dat ik dan maar als vrijwilliger aan de slag moest.’

Vindt u Nederland leuker of Marokko?
‘Het land waar je geboren bent, zit in je hart. Van dat land hou je. Als het moeilijk is om daar te leven, zoek je een andere plek. Dat gebeurde bij mij. Het was leuk in Marokko. Ik heb er mijn studie afgemaakt. Maar als je in Marokko jong bent en je hoopt iets te bereiken, dan is dat lastig, dus zocht ik een andere plek. Frankrijk en Nederland in mijn geval. Ik ging hard werken. Een keer per jaar ging ik naar Marokko. In het begin leefde ik celibatair. Ik kon pas trouwen als ik een groter huis had. Ik vroeg mijn aanstaande bruid of ze mij naar Nederland wilde volgen. Ik wilde haar niet achterlaten en in mijn eentje in Amsterdam wonen. Dat is geen leven. Gelukkig wilde ze dat. In 1972 zijn we getrouwd en al snel kwamen er kinderen en werd ons huis te klein. Waar mijn kinderen geboren zijn, is mijn land en dat is Nederland. Maar ik hou ook van Marokko. Inmiddels leef ik langer in Nederland dan in Marokko.’

Heeft u ooit te maken gehad met discriminatie?
‘Discriminatie is overal. Je moet ermee leren leven. Ik kom van Afrika naar Amsterdam. Mijn kinderen zijn Amsterdammers. We moeten samen zien te leven, als Amsterdammers, Nederlanders. Of ik nou uit Afrika kom of niet, dat maakt niets uit. In mijn hart ben ik Amsterdammer, Nederlander. Iedereen die hier woont heeft een huis en kinderen. En iedereen heeft zijn rechten en plichten. Discriminatie mogen we nooit toestaan. We moeten hier rust voor ons hart vinden om in vrede te leven. We zijn elkaars gelijken. Overal zijn slechte en goede mensen. Ik zag ooit door ons keukenraam een buurvrouw allemaal rommel in de tuin gooien. Ik zei er wat van tegen haar. Ze zei dat we terug naar ons land moesten. Ze spuwde een lading haat over me heen. Mijn vrouw zei dat ik het raam dicht moest doen. Toen ik dat deed zag ik andere buren kijken waar dat geluid vandaag kwam. Twee dagen later wilden buren mijn handtekening. De buurvrouw die met spullen smeet, was niet alleen lastig voor ons maar voor de hele buurt. Zij moest daar weg. De goede mensen overwonnen. Mijn advies is om geen plaats voor discriminatie te laten in je hart. Laten we ons tegen de haat wapenen en het geluk vooropstellen. Als je gelukkig en tevreden bent, wordt het leven veel gemakkelijker. Maar je moet eerst wel hard werken en studeren. Dat staat voorop!’

Archieven: Verhalen

‘Onderaan die dijk leerde mijn vader verzetsstrijders schieten’

Tex, Femke, Maria en Noa lopen gezellig met zijn allen van het Mozaïek in Broek op Langedijk naar Wil Balder (88). Zij was ook al de vertelster in de klas, maar de kinderen willen nog veel meer weten over hoe het was dat haar vader een verzetsstrijder was en over de koffertjes in de gang…

Hoe wist u dat de oorlog begon?
‘Mijn vader zat in het leger en werd in 1940 naar Terschelling gestuurd om mee te helpen met de verdediging. Hij liet ons overkomen in april, en in mei brak de oorlog uit toen wij daar verbleven. We wilden naar huis in Broek op Langedijk, maar dat was te gevaarlijk. Pas toen Nederland zich overgaf durfden we over de Afsluitdijk naar huis. Ik zag dat alles was stuk gebombardeerd op de dijk. Toen besefte ik dat oorlog gevaarlijk was.’

Uw vader zat in het verzet; hoe was dat voor u?
‘Hij was vaak ‘s avonds weg, dan was hij zogenaamd naar oma of tante. Ze vertelden ons natuurlijk niet dat hij een verzetsgroep probeerde samen te stellen. Dat was te gevaarlijk.

Wij verhuisden naar Broek op Langedijk en woonden aan een dijk en onderaan die dijk leerde mijn vader verzetsstrijders schieten. Ze kenden alleen de theorie, maar het was ook nodig om te oefenen in de praktijk. Dat mochten we natuurlijk niet weten, maar ik heb het wel af en toe gezien. We wisten dat als we daar over zouden praten ons huis in brand zou worden gestoken en mijn vader zou worden meegenomen, dus ik vond dat best heel eng.’

Hadden jullie onderduikers in huis?
‘Nee, ik denk niet dat mijn vader het waagde om onderduikers in huis te hebben omdat hij zelf al gevaarlijke dingen deed. Ik herinner me wel dat op een dag Duitse soldaten huiszoeking kwamen doen naar wapens en munitie. Dat was eng.

Als kind voelde je de angst. We wisten ook dat we gevaar liepen, ook al werd ons niets verteld. Mijn moeder had ons allemaal een koffertje gegeven. Die van mij was blauw. Daarin mochten we de dingen doen die we mee wilden nemen als ons huis in brand zou worden gestoken of wanneer we zouden moeten vluchten. Ze stonden de hele oorlog klaar in de gang…’

Hoe was de bevrijding voor jullie?
‘Mijn vader had een ketel en in die ketel had hij de radio verstopt. Hij hoorde via de radio dat Nederland bevrijd was. Wij hadden een hele hoge schoorsteen en mijn vader nam de vlag en klom door de schoorsteen omhoog, zo eng vond ik dat… En helemaal bovenop zette hij de Nederlandse vlag. Dat vergeet ik nooit meer.’

Archieven: Verhalen

‘Met de trekschuit gingen we naar opa en oma, dat bleek ons uitstapje’

Jano en Anne-Sophie zijn heel goed voorbereid op het interview en hebben er veel zin in. Met de auto komen ze aan bij Titia de Vries (1936). Ze woont in Heerhugowaard en ze is blij dat ze er zijn. De twee leerlingen van het Mozaïek in Broek op Langedijk gedragen zich als echte interviewers en stellen haar allerlei kritische vragen.

Waar heeft u de oorlog doorgebracht?
‘Wij woonden in Haarlem toen de oorlog uitbrak. Maar omdat mijn vader in het verzet zat, zijn we een periode heel veel verhuisd omdat de Duitsers hem zochten. Ook bracht hij ons op andere locaties onder omdat we daar veiliger zouden zijn. Omdat ik nog te klein was, vertelden mijn ouders mij niets. Ik mocht ook niets vragen. Maar aan mijn zusje die ouder was vertelde mijn moeder alles; mijn zusje was haar klankbord. Dat was voor mijn zusje heel zwaar en zij heeft dat altijd meegedragen in haar leven.

Ik herinner me dat als de Duitse soldaten kwamen voor een huiszoeking, mijn vader onderdook achter een plank achter de trap. Mij vertelden ze dan dat hij ergens anders naartoe was. Maar goed ook, als ik dat had geweten had ik hem onbewust zeker verraden… Ook verbleef mijn vader, hoorde ik later, vaak bij een gezin dat bij de NSB zat; daar voelde hij zich veilig. Zij wisten natuurlijk niet dat hij in het verzet zat.’

Welke gebeurtenissen hebben indruk op u gemaakt?
‘Het heftigste was dat er een bom achter in onze tuin viel. Ik stond boven voor het raam en zag het gebeuren. Aarde en zand spatte alle kanten op. Ik ben nog nooit zo bang geweest. Ik ben nog steeds bang als ik vliegtuigen hoor overvliegen.

Op een dag liep ik aan het handje met mijn moeder naar de stad. Toen we een brug over wilden gaan, gingen net de bomen dicht. Er stonden Duitse soldaten die iedereen tegenhielden. Ineens riepen ze: ‘Alle vrouwen en kinderen naar de andere kant!’ Mijn moeder zette het op een rennen en sleepte me achter zich aan om zo snel mogelijk naar de andere kant te komen. Ik hoorde schoten achter me. ‘Niet omkijken!’, schreeuwde ze. Maar dat deed ik toch en ik zag dat alle mannen werden doodgeschoten. Het was verschrikkelijk en heel eng maar ik was te klein om te begrijpen wat er gebeurde.’

Heeft u ook iets leuks meegemaakt in de oorlog?
‘In de oorlog heb ik één leuk uitstapje gehad. Mijn moeder zei eens: ‘We gaan een dagje uit naar de Amsterdamse poort!’ En we gingen daarheen met een schip dat werd voortgetrokken door allemaal mannen langs de kant. Op een gegeven moment stopten we en zag ik een speeltuin. Ik rende ernaartoe maar mijn vader greep mij aan mijn haren en waarschuwde me dat dat niet kon. ‘Hier blijven en mond houden’, zei hij. Met de trekschuit gingen we verder naar opa en oma; dat bleek ons uitstapje. Het was heel leuk. Toen we bij oma en opa waren, was op een gegeven moment iedereen verdwenen. Maar toen ik uit het raam keek, zag ik ze zwarte steenkooltjes zoeken tussen de rails. Daar kon je mee koken. Wij kregen ook een zak mee naar huis.’

Hoe was de Hongerwinter voor u?
‘Dat was heel zwaar; we hadden zo weinig te eten en waren heel mager. Mijn moeder ging soms naar Gelderland met haar zus om dingen te ruilen voor eten en ik bleef bij opa en oma. Dan kwamen ze terug met tulpenbollen; zo vies was dat. Mijn moeder maakte dat dan klaar op een blikje met kooltjes erin. Na de oorlog kregen mijn zus en ik speciale bijvoeding omdat we veel te mager waren.’

Hoe was het moment dat u hoorde dat jullie bevrijd waren?
‘Mijn vader nam ons die dag mee aan de hand naar het stadhuis in Haarlem. Daar op het plein stonden we hand in hand toen de burgemeester ons vertelde dat de oorlog voorbij was.’

Heeft u nog een advies voor ons?
‘Volg altijd je eigen lijntje, maak je eigen keuzes, en volg niet de anderen. Wanneer ik op reis ga met een groep zeg ik altijd tegen de reisleider: ‘Ik hou u heel goed in de gaten, maar ik ga mijn eigen weg’. Dan leer je wat er in de wereld en onder de mensen zelf speelt.

Mijn moeder schreef tijdens de Tweede Wereldoorlog een heel mooi gedicht en daarmee wil ik eindigen…’

Nee, nooit meer oorlog

In een kamer zit een moeder

met een foto op haar schoot

van haar kleine lieve jongen

wreed gedreven in de dood.

In de vreemde neer geschoten

en vertrapt op het veld van eer

Smekend vragen moeders ogen

nooit, nee nooit geen oorlog meer.

Als eens alle, alle moeders

om hun kinderen gingen staan

en als dan door het licht der waarheid

alle ogen open gaan

als de doden zouden fluisteren

’t is genoeg, de wapens neer

dan zou heel de wereld juichen

nooit, nee nooit geen oorlog meer.

Archieven: Verhalen

‘Mijn vader kon de Duitser met de handgranaat nog net tegenhouden’

Nel Beemsterboer woont vlakbij de school van Bram en Jace, het Mozaïek in Broek op Langedijk. Toch moeten ze even zoeken waar het precies is. Mevrouw Beemsterboer komt achterom de deur opendoen en als iedereen geïnstalleerd is, barsten de interviewers los met hun vragen. Haar vader had een café in de oorlog, en dat vinden de kinderen wel interessant.

Weet u nog hoe de oorlog voor u begon?
‘We zagen dat de Duitsers schoten op het vliegveld in Bergen; dat konden we zo zien vanaf hier en dat was het begin van de oorlog in deze regio. We woonden in Broek op Langedijk. Mijn vader had een trio, een grote schuit waarmee hij groenten vervoerde. Toen de oorlog uitbrak kon dat niet meer omdat de Duitse soldaten op de schuiten schoten. We zijn toen naar Oterleek gegaan, en daar is mijn vader een cafeetje begonnen.

We woonden in het cafeetje en mijn vader had goede contacten met de bierbrouwerij en andere handelaren zodat hij voldoende voorraad had. Ook Duitse soldaten kwamen op de fiets naar ons en dronken koffie bij ons. Dat waren hele aardige, gewone jongens van 28 jaar. Op zo’n moment had je er geen erg in dat zij oorlog voerden met ons.’

Kende u NSB’ers?
‘Ja, we kenden een NSB’er die slager was en voor vlees kon zorgen. Als er gebrek was bij ons dan gingen we naar die man. Hij was wel voor de Duitsers, maar hielp ook andere Nederlanders met eten.’

Hebben jullie een razzia meegemaakt?
‘Omdat we een toneel hadden in het café, met daaronder een grote holle ruimte, dacht een dronken Duitse soldaat in ons cafeetje dat daar mensen ondergedoken zaten. Hij had de handgranaat al in zijn hand om hem daaronder te gooien, maar mijn vader kon hem nog net op tijd tegenhouden. Dat was best eng…’

Hoe ging u naar school?
‘Wij gingen lopend naar school; dat was een heel eind. We waren alert op overvliegende vliegtuigen. Wanneer die eraan kwamen doken we de slootkant in. Ik was altijd bang dat er bommen zouden vallen.’

Is er in uw buurt geschoten door de Duitse soldaten?
‘Iedereen moest zijn ramen verduisteren en als je dat niet deed schoten Duitse soldaten je ramen kapot. Mijn buurjongen werd geraakt toen de Duitsers hun ramen kapotschoten en kwam in het ziekenhuis terecht, zo erg…’

Archieven: Verhalen

‘In de fabriek van mijn vader zaten wel vijfentwintig onderduikers’

Marc Driessen woont in een ruim appartement in het centrum van Bergen. Als Lex, Femke en Jolijn aankomen bij zijn huis, verwelkomt meneer Driessen de leerlingen van de Mozaïek in Broek op Langedijk hartelijk en staat de taart al klaar. Het lijkt wel een feestje…

Wat deed uw vader tijdens de oorlog?
‘Mijn vader had een conservenfabriek vlakbij het station van Alkmaar. Zomers stopten ze allemaal groenten in blik zodat je als het winter was ook groenten kon eten. In de oorlog wilde mijn vader niet voor de Duitsers werken. Hij maakte daarom alle apparatuur in de fabriek gereed om te kunnen koken voor de mensen in de regio. Dat noemden ze de centrale keuken. Ze maakten soep van suikerbieten, bloembollen en aardappelen. In grote aluminiumcontainers werd de soep warm gehouden en vervoerd. In de fabriek werd voor heel Alkmaar gekookt en de scholen en kerken waren de uitdeelplekken.’

Hadden jullie onderduikers?
‘In de grote fabriek waren veel afdelingen die niet gebruikt werden en daar zaten wel vijfentwintig onderduikers. Allemaal jonge mannen die eigenlijk naar Duitsland moesten om als dwangarbeider te werken. In de fabriek hadden we een oproepsysteem met kastjes aan het plafond; daarop konden ze via codes zien als de Duitsers huiszoeking kwamen doen. Code 134 betekende dat de Duitsers kwamen. Iedereen racete dan naar een verstopplaats. De fabriek was zo groot dat de Duitsers ze nooit konden vinden. Ze hadden natuurlijk wel een vermoeden en om ons te pesten gooiden ze ons iedere keer weer uit ons huis. Uiteindelijk zijn we in de fabriek gaan wonen want daar konden ze ons niet uitgooien. Ze durfden mijn vader ook niet te arresteren omdat er dan geen eten meer was.

In de fabriek was ook een kleine elektriciteitscentrale. Mensen uit het verzet die het niet eens waren met de Duitsers en contacten hadden met Engeland via een radioverbinding, laadden bij ons de batterijen op zodat ze stroom hadden. De opgeladen accu’s werden vervoerd in kinderwagens; de baby lag dan op de accu.

Een keer had mijn vader de batterijen onder zijn bed staan om op te laden, toen er iemand op het bed ging zitten en er kortsluiting ontstond. Het bed vloog in de fik…’

Had u genoeg eten en spullen in de oorlog?
‘Wij hadden een schildpad, Jantje heette die, konijnen en twee varkens om later op te eten. Het vervelende was dat altijd de helft van het vlees voor de Duitsers was. We hadden ook een koe. Die stond bij een boer en daar haalden we dan melk.

We hadden alleen nauwelijks schoenen. Ik zat op de Adelbertusschool en liep de hele stad door op weg naar school. Toen mijn leren schoenen helemaal stuk waren, kreeg ik klompen met een leren sokje of liep ik op houten kleppers met linnen bandjes.’

Archieven: Verhalen

‘Een soldaat keek door het wc-raampje recht in het gezicht van mijn vader’

Als Sofie, Elize en Jasper aankomen in de wijk in Alkmaar waar Joop Martensen woont, is het erg druk. Fotografen, cameramensen… de Postcodekanjer is daar gevallen en 22 mensen vieren feest! Maar de leerlingen van het Mozaïek in Broek op Langedijk lopen door naar het huisje van meneer Martensen, die hartelijk de deur opendoet; hij is blij dat ze er zijn.

Hoe begon de oorlog voor u?
‘Eigenlijk vond ik dat prachtig… Door de straten marcheerden allemaal soldaten en ze zongen. Ik vond het heel mooi en marcheerde en zong met ze mee.

Haalde u kattenkwaad uit tijdens de oorlog?
‘Ik pikte eten omdat er bijna geen eten meer was voor ons gezin. Ook spijbelde ik van school. Maar school was wel verplicht dus als de Duitse soldaten je zagen, dan werd je gepakt en naar je klas gebracht. Dus als ik een Duitser zag dook ik in de slootkant en bleef daar liggen totdat ze weer voorbij waren.

Op een dag reed er een wagen met gebakken brood door de straat, dat rook zo lekker… Ik liep erachteraan. De wagen stopte bij de school en bracht het brood naar binnen, maar de chauffeur deed de deur niet goed dicht. Ik glipte naar binnen. In de lokalen zaten allemaal Duitsers, die hadden de school gevorderd. Ik verstopte me in het toilet en spiekte waar de broden lagen. Ik ontdekte dat ze in klas 1 lagen en ik heb toen een brood gestolen. Mijn moeder was heel kwaad omdat het zo gevaarlijk was wat ik had gedaan.’

Heeft u ook andere gevaarlijke dingen gedaan?
‘In de remise in Alkmaar stonden allemaal locomotieven om nieuwe kolen in te laden en daar zag ik achter het hek een hele hoop vetkolen liggen. Ik klom over het hek met een jutezak en gooide hem brok voor brok vol met kolen. Toen de zak helemaal vol was draaide ik me om en stond ik ineens oog in oog met een spoorkees. Hij werkte voor de Duitsers. ‘Wat ben jij aan het doen?’, vroeg hij. En ik zei: ‘Ik ben kolen aan het verzamelen voor mijn moeder en zusje zodat we iets kunnen koken en het warmer hebben.’ Gelukkig besloot hij mij te helpen. Ik mocht achterop de fiets met mijn jutezak en hij bracht me via allerlei stegen naar huis. Mijn moeder was woedend. ‘Wat denk je wel, dat doen we niet meer!’, riep ze. Later besefte ik dat de spoorkees iets heel gevaarlijks had gedaan door mij te helpen. Als de Duitse soldaten hem betrapt hadden, hadden ze hem doodgeschoten.’

Wat deed uw vader in de oorlog?
‘Alle jonge mannen in Duitsland moesten in dienst; als ze dat weigerden kregen ze de doodstraf. Dus vochten ze in de oorlog. Daarom verplichtten de Duitsers jonge mannen uit Nederland om in Duitsland te gaan werken als dwangarbeider. Velen wilden dat niet en doken onder.

Ook mijn vader dook onder. Maar hij werd gesnapt toen hij naar de wc ging. Toevallig keek een soldaat door het wc-raampje recht in het gezicht van mijn vader… Ze pakten hem op, samen met de andere jongens die daar zaten ondergedoken. Ik zag ze de straat uitlopen en ik bleef zo lang mogelijk achter ze aanlopen. Mijn vader kwam in een kamp terecht dicht bij de Poolse grens. Hij moest 12 uur per dag werken in een munitiefabriek.

In Duitsland werden veel stadjes en fabrieken platgebombardeerd door de geallieerden, ook waar mijn vader zat. De Duitsers moesten vluchten en mijn vader is toen lopend van de grens van Polen naar Alkmaar gegaan. Toen hij thuiskwam herkende ik hem niet meer en was ik bang voor hem. Hij had een lange baard, lang haar en hij stonk verschrikkelijk. Hij heeft twee weken in bed gelegen om bij te komen en hij heeft er nooit over gesproken.’

Archieven: Verhalen

‘Ik voer als zesjarige met een boot onderduikers de weilanden in’

Jeroen, Tim, Evie en Thijs lopen naar het huisje van Henk Balder (83) dat ligt in het oude deel van Broek op Langedijk, heel pittoresk! Meneer Balder staat al voor het huis op ons te wachten en hij en zijn vrouw ontvangen de leerlingen van het Mozaïek in Broek op Langedijk heel vriendelijk. Vroeger liep hier geen straat, vertelt hij, maar was alles water. Ze deden alles met de boot.

Wat merkte u van de oorlog op school?
‘Tijdens de oorlog zat ik op de Van Arkelschool, waar jullie nu op zitten. Wanneer de sirenes afgingen moesten we zo snel mogelijk uit de banken en tegen de muur aan gaan staan.

Hoe was de Hongerwinter voor u?
‘Wij hadden het in de oorlog nog best goed. We hadden een varken in een hok en dat besloten we te slachten; het spek werd gerookt en dat hingen we op zolder zodat we een hele poos vlees hadden. Maar in de grote steden hadden ze het heel slecht; er was bijna niets meer. Uit Amsterdam en Rotterdam kwamen ze aan de deur voor eten en mijn ouders gaven altijd iets mee. Nog heel lang na de oorlog kwamen mensen bij ons op bezoek omdat ze zo dankbaar waren voor het eten dat wij ze gaven tijdens de oorlog.’

Verzetten jullie je ook wel tegen de Duitsers?
‘Overal zaten jongemannen ondergedoken die niet in Duitsland wilden gaan werken. Wanneer er een razzia plaatsvond en Duitse soldaten eraan kwamen om huiszoeking te doen, werden we gewaarschuwd en voer ik als zesjarige met een boot onderduikers de weilanden in, uit het zicht van de Duitsers. Wanneer we dan een witte vlag uit het raam zagen wapperen in de verte, wisten we dat de kust weer veilig was en keerden we terug.

Naast de bakkerij was een garage waar de Duitse soldaten paarden hadden neergezet. De paarden verveelden zich. Wij gooiden dan steentjes tegen de achterkant van hun poten zodat ze onrustig werden, om de Duitsers te pesten.

Mijn vader had een motorschuitje waar je alleen mee mocht varen in de oorlog als je vracht vervoerde. Maar mijn vader gooide een juten zak over de motor zodat je het geluid niet hoorde en ging varen; je bedacht van alles om de Duitsers dwars te zitten.

De Duitse soldaten hadden het bollengebouw gevorderd. Ze hadden daar allemaal auto’s ingezet. Het verzet heeft toen de strobalen die daarin lagen in de fik gestoken en alle auto s brandden af. Dat was hun manier om de Duitsers dwars te zitten. De Duitsers waren heel erg boos en zochten naar schuldigen maar vonden uiteindelijk niemand.

Achter ons huis was een nest van een wilde eend met twaalf eieren. Mijn vader ging kijken of de eieren goed waren toen net ook Duitse soldaten de eieren eruit wilden halen. Mijn vader ging verschrikkelijk te keer tegen de soldaten en ze dropen af. Dat vond ik moedig van hem.’

Wat vond u heel heftig tijdens de oorlog?
‘Regelmatig gingen Duitsers met een trein met spullen naar Den Helder. Het verzet heeft op een dag die trein laten springen bij Sint Pancras. De Duitsers zochten de daders maar konden ze niet vinden. Uiteindelijk hebben ze tien mannen uit de gevangenis gehaald en naar die plek gebracht. Ze zijn daar allemaal doodgeschoten. Terwijl die mensen daar niets mee te maken hadden. Dat moest gezien worden als een soort waarschuwing. Er staat nog een herdenkingsteken in Sint Pancras op die plek.’

Archieven: Verhalen

‘Alle scholen waren bezet, dus ja dan ging je maar peren pikken’

Gijs, Wes, Maud en Iris gaan naar Nieuwe Niedorp bij de Wieringermeer om Co Munster (88) te interviewen. Ze zijn benieuwd naar zijn verhaal. Als de leerlingen van de Mozaïek in Broek in Langedijk aankomen, kunnen ze het adres niet vinden. De GPS zegt dat ze er zijn, maar het huis staat er niet… Gelukkig vinden ze het met een beetje hulp uiteindelijk toch. Cor Munster woont in een heel ruim en licht huis, en vertelt graag zijn verhaal.

Wat deed uw vader in de oorlog?
‘Mijn vader had een tuinbouwbedrijf en was naast tuinder ook slager. We hadden dus groenten, maar ook varkens, koeien en kippen. We aten veel varkensvlees en omdat je daar pukkels van kreeg slikten we biergisttabletten om dat te voorkomen.

Wij waren met vijftien kinderen thuis en mijn ouders hadden genoeg te eten om ons allemaal te voeden. Omdat wij veel eten hadden, brachten wij, als er een dier geslacht werd, vlees langs de mensen die bijna niets hadden. Soms werd je gezien door de Duitse soldaten en pakten ze alles van je af, we maakten dan dat we wegkwamen! Ook kwamen er mensen uit de steden, zoals Amsterdam en Rotterdam, bij ons langs en gaven wij hen uien, rode bieten en kool. Want daar hadden ze echt honger.’

Hadden jullie onderduikers?
‘We hadden acht jongens die onder de grond bij ons achter zaten ondergedoken. Dat waren jongens die opgeroepen waren om in Duitsland te gaan werken omdat ze daar zelf te weinig arbeidskrachten waren vanwege de oorlog. Ze hadden geen zin om naar Duitsland te gaan. We hadden speciaal voor hen een ruimte gegraven onder de grond van stro en aarde. Heel mooi! Ze verbleven daar vrijwel continue omdat je niet wist wanneer de Duitse soldaten huiszoeking deden. Wij brachten ze eten en drinken en het was leuk om met ze te praten.’

Bent u een keer opgepakt door de Duitse soldaten?
‘We haalden vaak kattenkwaad uit omdat er verder niet veel te doen was. Alle scholen waren bezet dus, ja dan ging je maar peren en appels pikken bijvoorbeeld. Op een keer werden we gesnapt door Duitse soldaten en moesten we in een kar onder een zeil liggen. Daar lag je en reed je dan…. We reden langzaam de heuvel op en ik maakt het zeil een beetje los zodat we eruit konden rollen. We rolden eruit langs de slootkant en landden in het gras…Wat nu? Gelukkig kwam er een motorrijder langs, bij wie we achterop mochten en die ons naar huis bracht. Wat waren onze ouders blij!’

Wat is het heftigste wat u heeft meegemaakt?
‘De Duitsers dreigden meerdere malen de Wieringermeer onder water te zetten aan het einde van de oorlog uit angst voor luchtlandingen van de geallieerden in het westen van Nederland. Ze bliezen uiteindelijk op 17 april 1945 op twee plaatsen de Wieringermeerdijk op en het gebied stroomde vol water. De bewoners vluchtten weg en wij vluchtten naar Hoogwoud. Al onze huishoudspullen lagen op onze paard en wagen en wij, vijftien kinderen, moesten wel 12 km lopen.

Ook onderduikers en verzetsmensen vluchtten het gebied uit. Toen we bij de rand van de Wieringermeer aankwamen werden we opgewacht door Duitse soldaten. Zij waren op zoek naar onderduikers en verzetsmensen. Ze schoten op mensen die verdacht waren en de verzetsleider A.C. de Graaf is die dag op de vlucht, door de Duitse soldaten neergeschoten. De straat waar het gebeurde is, naar hem vernoemd.’

Archieven: Verhalen

‘De 17-jarige Wochem kon niet tegen onrecht en pleegde verzet’

Puk, Sebastiaan, Mijntje en Nathan gaan met de auto naar Bram Kout, die in een heerlijk huis in Sint Pancras woont. Hij en zijn vrouw verwelkomen de leerlingen van het Mozaïek in Broek op Langedijk hartelijk. Meneer Kout was vroeger directeur van een school en hij vertelt graag, helder en uitgebreid. De kinderen vinden het heel interessant en stellen hem allerlei vragen. Meneer Kout was nog jong toen de oorlog begon, pas drie maanden oud.

Hadden jullie onderduikers in huis?
‘Omdat er een tekort aan mankracht was in Duitsland werden jonge mannen in Nederland opgeroepen om in Duitsland te gaan werken. Veel jongens hadden daar geen zin in en doken onder. Mijn zwager en oom zaten daarom bij ons ondergedoken. Wanneer er een razzia was, verstopten zij zich achter de bedstee. De tuinders hierachter op de akkers zagen de Duitsers vanuit Alkmaar aankomen en waarschuwden voor een razzia door een kloet met een laken omhoog te houden. Dan wisten alle jongemannen dat ze zich moesten verstoppen.

Ik herinner me dat ik onder de tafel zat en de Duitse soldaten het huis binnenvielen. Over de tafel hing een kleed, waardoor ze me niet konden zien. Ze ramden op de deur, denderden naar binnen en riepen: ‘Wo sind die Männer?’ (‘waar zijn de mannen’). Heel angstig voelde ik me. Ik zag drie paar Duitse laarzen en een van hen gooide een peuk op de grond. Mijn opa zei: ‘Loop maar naar boven naar de bedden’, maar ze gingen niet verder zoeken. Dat liep goed af voor ons. Mijn moeder huilde en de baby die zij droeg was ook van streek.

Het was heel spannend om onderduikers te hebben. Ze zaten eigenlijk opgesloten in huis. Je wist nooit of je ze buiten kon laten en je wist vaak ook niet of jouw buren te vertrouwen waren. Er waren altijd mensen die stiekem samenspanden met de Duitsers en er was dan ook een bepaald wantrouwen tegen mensen in het algemeen in die tijd.’

Hebben jullie nog meer mensen opgevangen?
‘Tienduizend mensen moesten uit hun huis weg vanwege de Atlantic Wall die gebouwd werd ter verdediging van de kustlijn. Er kwam daarom een verzoek om mensen op te vangen, ook aan alle tuinders hier omdat zij veel ruimte hadden. Mijn vader had een schuur beschikbaar en wij hebben het gezin Van Wijk toen in huis gekregen.’

Hoe keken de mensen in Broek op Langedijk naar de Duitsers?
‘In dit dorp waren best veel mensen die positief stonden tegenover de Duitsers omdat ze producten aan Duitsland leverden. Dus de tuinders vonden het niet zo erg dat de Duitsers hier kwamen, zolang er geen erge dingen gebeurden. Maar toen doordrong wat er gebeurde met de Joodse bevolking, dat de Duitsers bewust een bevolkingsgroep wilde uitroeien om het Duitse ras te zuiveren, wilden ze geen lid meer zijn van de NSB.’

Kent u mensen die in het verzet zaten?
‘Een 17-jarige tuinderszoon, Wochem, kon niet tegen onrecht. Daarom pleegde hij verzetsdaden, zoals richtingborden omdraaien en telefoonkabels doorknippen. Iemand heeft hem toen verraden. Hij is opgepakt en moest mee naar het politiebureau. Wochem was zo vreselijk kwaad dat hij de Duitse officier een klap gaf! Daarop werd hij gevangengenomen en naar een Berlijnse gevangenis gebracht. Hij verbleef daar onder verschrikkelijke omstandigheden, maar wist te ontsnappen en naar Nederland te komen. Terug in Nederland pakte hij zijn verzetsdaden weer op en wederom werd hij opgepakt en dit keer in Duitsland in een kamp gezet. Opnieuw wist hij te ontsnappen en naar Nederland te komen. Besef dat hij onderweg nergens kon schuilen of vragen om eten. Toen hij uiteindelijk bij het huis van zijn ouders aankwam, was hij volledig verwilderd. Zijn moeder schrok zich wild.’

Hoe kwamen jullie aan eten in die tijd?
‘Omdat er heel weinig was, moest het eten eerlijk worden verdeeld. Daarom kreeg iedereen voedselbonnen, maar ook bonnen voor kleding en bijvoorbeeld zeep. Iedereen kreeg ook een stamkaart met een nummer en in de krant werd dan vermeld wie er op welke dag bonnen in mocht leveren. Maar mensen die zaten ondergedoken, kregen natuurlijk geen bonnen. Daarom stalen mensen uit het verzet bonnen uit postkantoren en het gemeentehuis. Dat was gevaarlijk werk.

Zelfs de burgemeester hier speelde het spel mee! Hij liet zich vastbinden op een stoel, zogenaamd door ‘overvallers’ die de bonnen die daar lagen meenamen. Toen de medewerkers de volgende ochtend kwamen, troffen ze de burgemeester vastgebonden aan en sloegen alarm bij de Duitsers. Iedereen speelde het spel mee zodat de Duitsers werkelijk dachten dat de burgemeester was overvallen. Vervolgens werden die bonnen op verschillende dagen op verschillende plekken ingewisseld zodat ze niet doorhadden dat je dubbele bonnen had.’

Wat is het heftigste dat hier in deze omgeving is gebeurd?
‘Op een dag hebben verzetsstrijders de brug bij de spoorlijn op geblazen. Deze brug werd door het verzet opgeblazen om de Duitse soldaten tegen te houden die overstaken naar Texel met voorraden munitie en wapens. De Duitsers waren vervolgens zo boos dat ze twintig mensen uit de gevangenis haalden en doodschoten op diezelfde plek. Echt verschrikkelijk… In Sint Pancras is op die locatie een herdenkingsteken met namen van de slachtoffers geplaatst.’

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892