Archieven: Verhalen

‘Je deelt in Suriname meer, je helpt elkaar meer’

Op de Lidwinaschool in Amsterdam versiert Roy Carter het kunstlokaal met een Surinaamse vlag en een Ketikoti tafellaken. Bas, Mabel, Otto en Dahlak worden zo gelijk in stijl ontvangen. Roy Carter werd in 1958 geboren in Suriname. Op zijn veertiende kwam hij naar Nederland op vakantie met zijn ouders. Nederland beviel goed en de familie besloot om te blijven. Hij vond het in Nederland anders dan in Suriname. Sommigen dingen vindt hij beter in Suriname, andere dingen vindt hij beter in Nederland.

Hoe vond u het vroeger in Suriname?
‘Toen ik in Suriname opgroeide vond ik het fantastisch. Ik heb het als kind altijd erg goed gehad. Mijn vader en moeder hadden een goede baan. Mijn grootvaders hadden ook goede banen. Mijn grootmoeder bracht mij naar de markt. Als mijn grootvader op donderdag uit zijn werk kwam, nam hij snoep voor mij mee. Je had veel natuur, veel dieren. Vooral veel duiven, konijnen en zangvogels. Ik maakte hutten in de bomen. Ik speelde veel, we hadden geen internet of telefoons. Ik heb een hele mooie jeugd gehad. In Suriname is het warm en zijn de mensen blijer. Mensen moeten hard werken, soms zorgt één baan niet voor genoeg geld. Dan helpen de kinderen ook mee. Toen ik elf was hielp ik mijn moeder al met koken, wassen, schoonmaken en de boodschappen. Je moet daar gewoon meehelpen. Je deelt in Suriname ook meer, je helpt elkaar meer. Als je iets over hebt, dan deel je het. Omdat we het zo goed hebben hier in Nederland, delen we minder. Als mensen het moeilijk hebben, delen ze meer. Denk daar maar eens over na.’

Waarom bent u met uw familie naar Nederland gekomen?
‘Mijn vader was hoofdcommissaris bij de politie. Vroeger was er een regeling voor Nederlandse ambtenaren in Curaçao en Suriname, dat ze, als ze 25 jaar in dienst waren, zestien maanden in Europa mochten verblijven. En dan mocht je je gezin meenemen. Dus toen mijn vader 25 jaar in dienst was, gingen mijn ouders naar Nederland op vakantie. En na een maand vroeg hij of wij ook kwamen. We zouden eerst alleen op vakantie blijven. Maar toen vroeg onze familie waarom we terug zouden komen want mijn vader kon in Nederland heel makkelijk werk krijgen via een uitzendbureau. Wij konden direct op school, want in Suriname was de school ook in het Nederlands. Maar wij zijn niet naar Nederland gekomen omdat we dachten dat het hier beter was. Wij deden het vooral omdat onze familie vroeg waarom we niet in Nederland wilden blijven. We konden via een vriend van mijn vader op de Prins Hendrikkade wonen, in een pand van het Leger des Heils. Ik en mijn zussen gingen gelijk op school, en mijn ouders vonden ook een baan. Maar het was niet gepland dat we zouden blijven, dus al mijn spullen waren nog in Suriname.’

Zou u terug willen naar Suriname?
‘Ik ben twee jaar geleden weer naar Suriname gegaan. Als ik volgend jaar met pensioen ga, dan ga ik ook weer een half jaar naar Suriname. Maar het probleem is dat alles vanuit hier zo bereikbaar is – ik kan elk moment naar Parijs of Rome. In Suriname moet je het geld hebben en dan zit je ook nog met eindeloos veel papieren en een visum. In Suriname zijn er veel beperkingen als je wil reizen. Ik ben gewend te doen wat ik wil, maar dat kan daar niet altijd. In Nederland heb je het toch wel makkelijker. Maar als ik in Suriname ben, kan ik ook genieten. Men leeft makkelijker, men feest meer en leeft meer. En iedereen is blijer. Mensen kijken ook meer naar elkaar om. In Suriname voel ik mij gelijk weer Surinamer. In Nederland zijn veel regels, afspraak is afspraak. Maar als ik weer op Schiphol ben, vind ik het ook wel weer leuk. Waar je woont, dat is wie je bent.’

Archieven: Verhalen

‘Mijn moeder was een trotse vrouw en die wilde niet buigen’

Ab Alexandre werd geboren in 1942, tijdens de Tweede Wereldoorlog, in een krijgsgevangenkamp op Midden-Java. Inmiddels woont hij al ruim 70 jaar in Nederland. Vandaag komt hij speciaal voor Floor, Neme, Nina en Moos van de Lidwanaschool uit Purmerend naar Amsterdam gereisd. Hij heeft een stoffen tasje bij zich met zelfgemaakte tekeningen, van internet geprinte afbeeldingen en een heel bijzonder, oud pannetje van zijn vader.

Hoe was het in het kamp?
‘Zelf was ik een baby in die tijd, dus ik heb er geen herinneringen van. Wel heb ik veel verhalen gehoord van mijn zussen, het ging er niet zo leuk aan toe. Iedereen in het kamp moest het Japanse volkslied kennen en meezingen en buigen voor de vlag. Héél diep buigen, want de keizer was almachtig en werd gezien als een soort God. Mijn moeder was een trotse vrouw en die wilde niet buigen. Toen kreeg ze een flink pak slaag, terwijl ze mij als baby in haar armen had. Daar heb ik later een tekening van gemaakt.’

Ziet u uw broers en zussen nog?
‘Vijf van mijn zeven broers en zussen zijn overleden. Ik heb alleen nog twee zussen, van 86 en 87 jaar. Het gaat niet zo goed met ze maar helaas kan ik niet veel doen omdat ze in Florida wonen. Net als veel mensen die uit Nederlands-Indië vluchtten, vonden mijn zussen het maar koud in Nederland. Daarom zijn ze naar Amerika verhuisd, waar ze nog steeds wonen. We bellen regelmatig. Vroeger, toen mijn vader in 1952 naar Indonesië moest om daar te werken, en we wilden zijn stem horen, moesten we naar het postkantoor in Amsterdam om een plaatje voor hem in te spreken. Dat plaatje werd opgestuurd en twee weken later kon hij dat beluisteren. Dan hoorde hij ons dus. Vervolgens stuurde hij dan weer wat terug en weer een paar weken later konden we hem horen. Daar ging dus een maand overheen. Terwijl ik nu met een mobiele telefoon mijn zussen in Amerika kan bellen, en dan kan ik ze met video-bellen ook nog zien!’

Hoe heten uw ouders?
‘Mijn moeder heette Clara en mijn vader Charles. Toen ik een aantal jaar geleden mijn zussen ging helpen de garage op te ruimen, vond ik iets heel bijzonders: dit pannetje, waar mijn vader uit gegeten had in de tijd dat hij als slaaf in de kampen werkte. Mijn vaders heeft zijn voorletters en ook achternaam er in gegraveerd, met een spijkertje, samen met alle data en plaatsen van waar hij in die drie jaar tijd is geweest. Daardoor weten we toch een heleboel. Ik zag dat pannetje en zei direct tegen m’n zusters: deze is lang genoeg bij jullie geweest, nu gaat-ie met mij mee. Zo komt zijn verhaal via dit pannetje bij jullie.’

Heeft u zelf kinderen?
‘Ja, ik heb een vrouw, Sally, en twee kinderen: een jongen en een meisje. Eigenlijk moet ik zeggen: een man en een vrouw, want ze zijn al lang volwassen. Ik heb zelfs een kleinzoon. Hij werd met zes maanden geboren, veel te vroeg. Hij lag dan ook een lange tijd in een couveuse en we vonden het allemaal erg spannend. Hij zag eruit als een kleine larf… Maar als je hem nu ziet: het is een hartstikke gezonde, vijftien jaar oude jongen. Daar ben ik ontzettend blij mee.’

Archieven: Verhalen

‘Op school was ik het enige gekleurde meisje’

Beau, Sophia, Eef, Goof en Julie van de Lidwinaschool in Amsterdam-Oost ontmoeten Henna Charry (1961) die is geboren in Paramaribo. Na een voorstelrondje en kopjes thee gaat het interview van start.

Hoe was uw leven in Suriname?
‘Ik woonde in Paramaribo met drie zussen en een broer. Mijn moeder woonde al in Nederland toen ik op 8-jarige leeftijd naar Nederland kwam. Ik was blij dat ik mijn moeder weer zag. Ik kwam met het vliegtuig en eigenlijk wist ik niet waar ik naartoe zou gaan. Op 5 december landde ik op Schiphol en het was echt heel koud. Ik was wel een beetje in shock, want ik had vrijwel geen voorbereiding gehad. Maar toch had ik geen heimwee. Ik zeg vaak: ik ben in Suriname geboren, maar in Nederland getogen.’

En het leven in Nederland?
‘Ik was natuurlijk klein, maar ondanks dat ik goed Nederland sprak, werd ik teruggezet in groep 4. Dat vond ik helemaal niet leuk. Op school was ik het enige gekleurde meisje. Ik werd gepest. Ik denk dat dat ook kwam omdat mensen jaloers waren en misschien waren de pesters eigenlijk erg onzeker. Het pesten heb ik wel kunnen ombuigen in iets positiefs. Ik geloof in mijn eigen kracht. Toen ik hier kwam was er eigenlijk een tekort aan woonruimte. We sliepen ook in de woonkamer, maar toch was het een zeer gastvrij huishouden. Iedereen kon even aankomen. Ook zonder afspraak. En er was dan ook zeker genoeg eten!

Dat is voor mij enorm belangrijk. Door eten leer je mensen en hun cultuur kennen. Het draagt bij aan de integratie. Ik heb zelf een catering gehad en ben erg van de fusion keuken. Dat wil zeggen dat je van allerlei culturen iets in je gerecht doet en zo een nieuw gerecht maakt. In het begin in Nederland waren er helemaal geen Surinaamse groentes, dus gaf je een Surinaamse draai aan de Hollandse pot. Die vind ik trouwens ook heerlijk. Mijn favoriete eten? Hm misschien wel Grieks. Nu je het zegt, ik denk dat ik vanavond lekker Grieks ga eten!’

Wat voor werk doet u?
‘Eigenlijk ben ik een ondernemer. Dat zat er al jong in. Toen ik 9 jaar oud was, begon ik auto’s in de straat te wassen voor een knaak. Dat is een bijnaam voor 2 gulden 50. Toen ik 11 jaar was, nam ik een krantenwijk en op 13-jarige leeftijd blufte ik dat ik 15 was en kwam zo bij de Blokker te werken. Op die leeftijd leerde ik ook typen en steno en toen ik 18 was werkte ik als secretaresse bij de ABN. Je kunt natuurlijk wel bluffen over van alles om een baantje te krijgen, maar je moet het dan ook wel waarmaken. En dat lukte. Nu werk ik als coach en begeleid ik mensen en vertel over voeding en ontspanning. Ik houd me bezig met de Trans Atlantische Slavernij en maak kunst. Ik ben dus druk bezig!’

Is Ketikoti belangrijk voor u?
‘Men ziet het als een feestdag, maar ik zie dat niet helemaal zo. Natuurlijk is de slavernij op 1 juli 1863 afgeschaft. Het is een gedenkwaardige dag, maar de mensen waren eigenlijk nog steeds niet vrij. De eigenaren leden verlies en daarom moesten de voormalige tot slaaf gemaakten nog jaren werken om dat verlies goed te maken. Mijn betovergrootmoeder werd als slaaf geboren, mijn zoon is nu de vierde generatie na de afschaffing van de slavernij. Je moet niet vergeten dat je voorouders in je eigen DNA zitten. Het is daarom goed om iets van je eigen verleden te weten. Wat de toekomst zal brengen is een ontdekkingstocht.

Ik ga Ketikoti als feestdag zien waarop we ons allemaal bewust worden en kennis hebben van het gedeelde verleden.’

Archieven: Verhalen

‘Ik heb geen spijt dat ik ooit de stap in het vliegtuig heb gewaagd’

Met een kop thee maken Saar, Jack, Sam en Ali van de Lidwinaschool in Amsterdam-Oost kennis met George Candelaria. Hij heeft foto’s, krantenknipsels en een boekje meegenomen. Meneer Candelaria (1947) is geboren op Curaçao.

Hoe was het leven op Curaçao?
‘We hadden een groot gezin: we waren met vijf jongens en negen meisjes. Het huis had een heel groot terrein, daar hielden we veel dieren. Ook een aantal honden. Die waren er niet voor de gezelligheid, maar zij moesten ervoor zorgen dat het terrein goed bewaakt werd. Ik speelde daar en verzorgde de dieren. Natuurlijk ging ik ook naar school. Het is er erg warm, dus we zaten daar van 7.30 uur tot ongeveer 12.00 uur. We hadden ook op zaterdag lessen. Ik leerde veel talen: Spaans, Frans, Nederlands en Engels. Papiaments werd eigenlijk niet op school geleerd, maar we spraken het wel. Mijn vader had een waterbedrijf. Hij had een tankwagen met schoon water en dat verkocht hij in wijken waar geen waterleiding was.’

Waarom ging u naar Nederland?
‘Ik was de eerste en uiteindelijk ook de enige van ons gezin die naar Nederland ging. Je moet weten dat in de jaren 60 het economisch niet erg goed ging op Curaçao. Er was veel werkloosheid. In Nederland was er juist veel werk en er waren bedrijven die adverteerden in een krant. Dat zag ik en ik heb bij Fokker gesolliciteerd. Na een medische en psychologische test en de handtekening van mijn ouders was ik aangenomen. Ik ging naar Nederland en niet alleen. We waren met een groep van zo’n dertig jongens die allemaal op het vliegtuig stapten en na een overstap in New York kwamen we in september 1966 op Schiphol aan. Het zag er wel een beetje anders uit dan nu.’

Hoe was het leven in Nederland?
‘Ik had eigenlijk geen last van heimwee. Natuurlijk miste ik mijn hele familie, maar de groep jongens was een soort familie voor mij. We kwamen in Zandvoort terecht en dat was vooral in de zomermaanden erg leuk. In de winter was er wel erg weinig te beleven, maar dan gingen we naar Amsterdam. Ik heb nog steeds contact met een aantal van hen. Ik heb zeven jaar bij Fokker gewerkt, daarna een jaar bij het UWV en uiteindelijk ruim dertig jaar bij de KLM. In 1969 ben ik getrouwd en ik heb een zoon en een dochter. Na mijn pensioen deed ik vrijwilligerswerk bij verschillende ziekenhuizen. Ik werk graag in de tuin, fietsen vind ik leuk en de BBQ super… Kippetjes klaarmaken voor de kleinkinderen. Helaas is mijn vrouw overleden, daardoor ben ik nu wat minder actief. Eigenlijk heb ik me vrij snel aangepast aan het nieuwe leven in Nederland.’

Wat zijn de grootste verschillen tussen Curaçao en Nederland?
‘Natuurlijk het weer. Op Curaçao hebben we eigenlijk maar twee seizoenen, droog of nat. Het is er lekker warm en er staat altijd een windje. Toen ik in Nederland aankwam had ik nog niet in de gaten dat het hier heel koud kon worden. We kwamen aan op een schitterend zonnige dag. Maar later ontdekte ik de sneeuw en het ijs. Sneeuw vond ik mooi, maar schaatsen heb ik nooit gedaan. Eén van mijn maten heeft het geprobeerd, maar toen hij de oefenstoel losliet is hij zo gevallen dat hij gehecht moest worden. Dus mij niet gezien!

Wat eten betreft, ook op Curaçao aten we best veel aardappelen, vlees en groentes. Maar dat werd wel op een hele andere manier gekruid. In Nederland gebruikte men alleen peper en zout en vrijwel niets anders. Wij aten ook best veel rijst.

Ik ben een aantal keer terug geweest en vond het fijn om mijn familie te zien, maar ik heb geen spijt dat ik ooit de stap in het vliegtuig heb gewaagd.’

Archieven: Verhalen

‘Familie stond al te zwaaien toen we bij IJmuiden aankwamen’

John Hoogwoud (1957) is geboren in Suriname. Over zijn jeugd en zijn komst naar Nederland vertelt hij aan Leah, Rafan, Mina, Mick en Naud van de Lidwinaschool in Amsterdam-Oost.

Hoe het was om in Suriname te wonen?
‘Ik heb daar een hele prettige jeugd gehad. Het was lekker om naar school te gaan, en ook om thuis te komen, te spelen. School begon daar al om 7 uur ‘s morgens. Je moest er wel vroeg op staan. Maar de zon gaat ook op om zes uur, dag en nacht zijn daar altijd even lang. En het hele jaar door is het gemiddeld 27 graden Celsius.

‘s Middags kon het even heel hard regenen, een tropisch regenbui, en daarna was het weer een beetje afgekoeld. Om 1 uur in de middag kwam je thuis en dan aten we vaak warm. Daarna gingen we rusten want het was zo warm dat je weinig kon. Veel oude mensen gaan dan op een schommelstoel zitten, even rustig aan doen. En wij gingen vaak zwemmen, of naar buiten, vissen, andere dingen doen, spelen. Ik had een onbezorgde jeugd.

Ik zat op een school waar ook flink wat Nederlandse docenten waren. De hele cultuur was gericht op Nederland. Op school leerden we Nederlands en leerden we ook over de Nederlandse geschiedenis. Er was weinig aandacht voor de Surinaamse geschiedenis en aardrijkskunde.’

Waarom ging u naar Nederland?
‘We gingen in 1972 naar Nederland omdat mijn jongste broertje Wim geopereerd moest worden. Toen besloot mijn vader: dan gaan we met het hele gezin. Daar had hij heel lang voor gespaard. De bedoeling was om na een jaar weer terug te gaan, maar het is niet gebeurd. Drie jaar nadat we in Nederland kwamen, werd Suriname onafhankelijk.

De reis naar Nederland over water was leuk. Eerst wilde ik helemaal niet, ik ben zelfs nog weggelopen. Ik was 14 jaar en had vriendjes en vriendinnetjes en moest plotseling weg.

We gingen met de ‘Oranje Nassau’, en het was de laatste keer dat deze boot vanuit Suriname naar Nederland voer. Hij deed er heel lang over, wel een maand, omdat hij veel havens aandeed. Maar het was niet zo’n heel groot schip zoals je die tegenwoordig hebt, dus toen het drie dagen lang stormde, ging hij flink op en neer. We zagen haaien zwemmen, en die sterrennacht… Als je zo op de oceaan zit en je kijkt naar boven, dan zie je echt al die sterren.’

Hoe was uw aankomst in Nederland?
‘Best wel spannend… We kwamen binnen over het Noordhollandsch Kanaal bij IJmuiden, bij het strand. Daar stond familie al te zwaaien. En vanuit daar gingen we naar Amsterdam. Ik zat in de grote auto van mijn oom en we reden over het Leidseplein. Ik zag neon reclame, dat maakte allemaal heel veel indruk, al die grote gebouwen. Je mocht toen nog met de auto over het Leidseplein rijden. Het was in augustus, dus ik moest ook heel snel naar school. Niet lang daarna begon de eerste sneeuw te vallen, dat was wel eventjes zeer indrukwekkend.’

Moest u erg wennen op school?
‘Ik was zo nieuwsgierig en zo onder de indruk van alles, dat ik er gewoon in meeging. Wat me wel opviel was dat ik het enige zwarte jongetje was op de middelbare school. En dat ik al meteen een paar niveaus lager werd geplaatst. Dat kwam ook omdat ik bijvoorbeeld geen Duits had gehad in Suriname

Ik ging naar een Mavo en toen moest ik het nog allemaal afmaken. Ik kwam heel makkelijk mee, ook qua taal en kennis was dat totaal geen punt. Ik voelde me niet anders. En ik had ook heel snel vriendjes en vriendinnetjes.’

Archieven: Verhalen

‘Ik was pas geboren dus ik was bij mijn moeder in het vrouwenkamp’

Ab Alexandre werd geboren in 1942, tijdens de Tweede Wereldoorlog, in een krijgsgevangenkamp op Midden-Java. Inmiddels woont hij al ruim 70 jaar in Nederland. Vandaag komt hij speciaal voor Luke, Fae, Vera, Jacopo, Jay van de Lidwanaschool vanuit Purmerend naar Amsterdam-Oost. Hij heeft een stoffen tasje bij zich met zelfgemaakte tekeningen, van internet geprinte afbeeldingen en een heel bijzonder, oud pannetje van zijn vader.

Hoe was de oorlog voor uw ouders?
‘Mijn ouders spraken niet over wat ze hadden meegemaakt. Mijn moeder en zussen zaten in een vrouwenkamp, terwijl mijn vader in een mannenkamp zat. Ik was pas geboren dus ik was bij mijn moeder in het vrouwenkamp. Mijn vader wist helemaal niet dat hij een zoon gekregen had, want toen was de oorlog al uitgebroken en moest hij aan het werk voor het Japanse leger. Hij werd van kamp naar kamp gestuurd om daar heel zwaar werk te verrichten, zoals het aanleggen van een spoorlijn waar de Japanners olie over wilden vervoeren. Mijn vader wist niet of mijn moeder nog leefde en mijn moeder wist ook niets van hem. Toen ik drie jaar was, kwam er ineens een vreemde man aan de deur, een soldaat in mijn ogen, en dat bleek mijn vader te zijn, die ik toen voor het eerst ontmoette.’

Wat was het ergste aan de oorlog?
‘Zelf was ik nog te klein om me er echt iets van te herinneren, maar wat mijn zussen het ergst vonden was de honger. In het vrouwenkamp waar zij zaten was een beetje pap, en verder moest je zelf wat regelen, maar eigenlijk was er niks. Mensen bakten weleens ratten, die gevangen werden in de rijstvelden. Een vies idee misschien, maar deze ratten waren heel schoon omdat ze in de schone rijstvelden liepen. Ik heb later zelf ook wel eens rat gegeten en het is best lekker, smaakt een beetje naar kip!
Toen een oude vriend eens bij mijn vader op bezoek was en ze samen in de woonkamer zaten, heb ik mijn oor tegen de deur gelegd en toen hoorde ik me vader aan die vriend vragen: ‘Heb jij ook al die lichaamsdelen moeten begraven?’ Dat vond ik wel erg heftig. Mijn vader heeft erg geleden, dat weet ik wel. Maar zowel mijn vader als mijn moeder hebben nooit over de oorlog en wat er in die tijd gebeurd is, willen praten.’

Hoe was het op de boot naar Nederland?
‘De bootreis duurde een maand, dat is een lange tijd. Het was geen leuk snoepreisje. Het was een hele spannende onderneming. Terwijl we op de boot zaten, zagen we het land waar we geboren waren steeds verder verdwijnen. En ondertussen hadden we geen idee wat ons te wachten stond. Gelukkig deden we erg veel spelletjes op de boot. Mijn lievelingsspelletje was: samen met een vriendje onze benen aan elkaar knopen en dan samen hinkelen.’

Waarom was u bang voor de sneeuw in Nederland?
‘Ik had nog nooit sneeuw gezien. Het enige dat ik kende was ijs, want in ons thuisland gebruikten mensen enorme blokken ijs om hun voedsel goed te houden. Die blokken waren een soort koelkast. Toen er mensen over sneeuw in Nederland spraken en ik zei dat ik dat nog nooit had gezien, zei iemand dat sneeuw een beetje op ijs lijkt. Ik kende alleen die enorme blokken ijs, dus ik was bang dat die enorme blokken op m’n hoofd zouden vallen… Gelukkig zag ik al snel dat sneeuw best wel mee valt.’

Archieven: Verhalen

‘Mijn foto heeft tot aan hun dood boven het bed van mijn onderduik-ouders gehangen’

Jarti Notohadinegoro woont midden in het centrum van Amsterdam, dus Robin, Otis en Tygo van de Twiskeschool maken een hele reis vanaf Noord, om haar bijzondere verhaal te horen.  Ondanks dat de Duitsers hebben geprobeerd haar familie uit te moorden, heeft ze nu een hele grote familie. Jarti’s moeder,100 jaar oud; heeft zeven kinderen en een hele stoet klein- en achterkleinkinderen. Jarti is 80 jaar en de oudste dochter. Haar kleinkinderen noemen haar gangster-oma en zo ziet ze er ook een beetje uit met haar Nike air schoenen en Star Wars hoody.

 Waarom zijn je opa en oma van Antwerpen naar Amsterdam verhuisd?
‘Dat is een hele goede vraag. Ze heetten Stijntje Brilleman-Vos en Mozes Brilleman. Ze werkten allebei bij een diamantenfabriek in Amsterdam. Ze slepen diamanten. Mijn oma was daar zo goed in dat de baas van de fabriek haar vaak meenam naar Antwerpen, het centrum van de diamanten handel. Toen ze daar steeds vaker heen moest besloot ze daar te gaan wonen. Mijn moeder Celine is daar toen ook geboren. Vlak voor de oorlog zijn ze teruggekeerd naar Amsterdam. In de oorlog kregen ze een sper in hun persoonsbewijs, dat betekende dat ze zich niet hoefden te melden bij de Hollandsche Schouwburg, omdat het werk in de diamantfabriek zo nuttig was voor de Duitsers. Na twee jaar werden ze toch opgepakt tijdens een razzia.’

Hoe ging die razzia eigenlijk?
‘Dat was heel dramatisch want het was precies op de verjaardag van mijn moeder op 11 februari 1943. Mijn grootouders woonden met mijn moeder bij het Waterlooplein. Er kwamen vrachtauto’s aanrijden met Duitsers en ook Nederlandse politieagenten en die bestormden het huis. En dan vroegen ze naar persoonsbewijzen. Er was één gelukje, want mijn moeder is per ongeluk niet geregistreerd, dus ze wisten niet dat zij daar ook woonde. Toen die Duitsers naar boven renden zei mijn grootvader tegen mijn moeder; ‘ga nu naar het dak en verstop je daar net zo lang totdat het weer veilig is.’ Gelukkig hadden ze dat al wel vaker geoefend. Mijn moeder heeft toen de hele nacht in de kou op het dak in de dakgoot gezeten.  Zo is zo ontsnapt. Ze was toen al zwanger van mij.’

Hoe is het verder met hen gegaan?
‘Ze zijn naar Westerbork gebracht en daar zijn ze van elkaar gescheiden en hebben elkaar nooit meer gezien. Stijntje is daarna op de trein gezet naar Bergen Belsen. Dat is het concentratiekamp waar Anne Frank ook zat. Ze mocht in de wasserette gaan werken, daardoor heeft ze het overleefd. Ze kreeg niet alleen iedere dag fatsoenlijk te eten, maar ze mochten ook in bad wat natuurlijk heel bijzonder was in die tijd. Toen het einde van de oorlog naderde zijn op een gegeven moment alle Joden die nog in het kamp waren door de nazi’s in treinen gezet en die treinen reden nergens heen. Op een dag stond de trein stil en kwam een Zweedse man van het rode kruis de trein binnen. Mensen ophalen die voor Philips gewerkt hadden. Mijn grootmoeder stak impulsief haar hand omhoog; het was een leugentje om bestwil. Na drie maanden in Zweden te zijn aangesterkt, vloog ze in 1945 weer terug naar Amsterdam. Mijn moeder en mijn grootmoeder vonden elkaar weer terug; ze is bij ons in het gezin gekomen. Ze is 103 jaar oud geworden.’

Hoe is het met u afgelopen?
‘Later verhuisde ik naar de familie Haak. Zij woonden op het Hoeksewaardplein 29. Daar heb ik drieënhalf jaar gewoond. Ik was dol op die familie. Ze waren zo ongelofelijk lief en goed voor me. Na de oorlog ben ik ze helaas kwijtgeraakt.Toen ik weer bij mijn moeder ging wonen, kende ik haar eigenlijk helemaal niet. Ik heb noch met mijn moeder noch met mijn grootmoeder, een hele hechte band gehad.
Pas in 1967 ben ik gaan zoeken naar mijn onderduikouders. Ik wist niet dat er nog een derde kind geboren was nadat ik weg was. Hij heette Ruud. Via hem liep het contact. Hij zei me altijd; ‘mijn bestaan dank ik aan jou, want als jij er niet was geweest hadden mijn ouders nooit op hun 45e besloten om nog een kindje te krijgen’. Mijn foto heeft tot aan hun dood boven het bed van mijn onderduikouders gehangen. Ruud is helaas overleden. We hebben altijd contact gehouden. Nu mail ik nog altijd met zijn zus Lien van 92 jaar.’

Archieven: Verhalen

‘Ik heb als baby in een kinderwagen, bovenop wapens gelegen’

 Ruben, Sharrelyn en Yaryna van Basisschool  het Zaanplein interviewen Pim Blank. Meneer Blank vertelt over zijn ouders die de oorlog mee hebben gemaakt. Hij is in 1943 geboren en heeft geen actieve herinneringen aan de oorlog. Yaryna vertelde dat ze eigenlijk ook een oorlogsverleden heeft. Zij is in Oekraïne geboren en woont nu sinds haar vierde in Nederland. De verhalen van Oorlog in mijn Buurt gaan soms over lang geleden, maar kunnen ook met de leerlingen zelf te maken hebben.

Wat kunt u over uw familie vertellen?
‘Ik ben in 1934 geboren. Mijn moeder was Joods en mijn vader is met mijn moeder getrouwd. Dit deed hij omdat hij verliefd was op haar, maar ook om haar te redden.  Joodse mensen werden steeds vaker opgepakt en weggevoerd. Toen ze bij het stadhuis waren zei de ambtenaar dat dit niet verstandig was. Mijn opa is in de oorlog opgepakt en naar Westerbork gebracht. Hij heeft in Westerbork nog een brief geschreven aan mijn vader en ook aan zijn andere kinderen. Die brief die heb ik nog. Die is geschreven op 17 februari 1943. Ik was toen net 6 weken oud. Hij vroeg ook of mijn vader eten en een broek wilde brengen. Vier dagen later is hij vermoord in Auschwitz. Mijn moeder is dus Joods, maar ze heeft ook in het verzet gezeten. Ze droeg een Jodenster en heeft met mij in de kinderwagen de verzetskrant Trouw rondgebracht. Ze smokkelde ook wapens. Ik heb als baby in een kinderwagen bovenop wapens gelegen.’

Zijn er gevaarlijke momenten geweest?
‘We hadden twee onderduikers in huis. Dat waren twee Amsterdamse jongens uit het verzet, die verraden waren en op de vlucht waren. Jammer genoeg zijn ze bij ons ook weer verraden en opgepakt en neergeschoten. Mijn vader had weer geluk, ze waren op dat moment niet thuis.
Mijn vader zat ook in het verzet en heeft hele gevaarlijke dingen gedaan. Ontzettend dapper waren allebei mijn ouders en ik ben heel trots op ze. Hij heeft wapens gesmokkeld en hij vertelde altijd aan mij dat hij ook veel geluk heeft gehad. Tijdens zo’n gevaarlijke smokkeltocht stonden Duitsers de mensen te controleren. Hij liep samen met een vriend en dacht dat ze gepakt zouden worden, maar er waren andere mensen die zich verdacht gedroegen en de Duitsers renden achter die mensen aan.’

Hoe was de tijd na de oorlog?
‘Na de oorlog was mijn moeder nog steeds bang dat het opnieuw zou gebeuren, dus ik ben niet Joods opgevoed. Mijn ouders wilden niet meer dat we tot een bepaalde groep zouden horen. We zijn opgevoed als wereldburger en wilden niet bezig zijn met mensen in hokjes stoppen.’

 

 

Archieven: Verhalen

‘Mijn pleegouders zorgden erg goed voor mij’

Liam, Sena, Beria, Ened en Sirinyo van Basisschool het Zaanplein interviewen Samuel de Leeuw. Meneer De Leeuw laat tijdens het interview van alles zien, foto’s van hem als klein jongetje op de heide met een schaapje, een valse identiteitskaart van zijn moeder, bonkaarten, brieven die zijn moeder kreeg van de pleegouders over zijn eerste woordjes, brieven van Stichting Oorlogspleegkinderen. De kinderen lezen om beurten de brieven voor.

Waar woonde u in de oorlog?
‘Ik ben geboren in de Van Woustraat, vlakbij de Albert Cuyp. Mijn ouders waren Joods. Zij werkten allebei in de Hollandia Kattenburgfabriek in Noord. In 1942 is daar een inval geweest door de Duitsers. Mijn moeder was thuis bij mij, ik was nog een baby, maar mijn vader is meegenomen en naar een gevangenis bij Scheveningen gebracht. Vandaar ging hij naar Westerbork en na een week of twee is hij naar Auschwitz gestuurd en werd hij vermoord. In Amsterdam werd het te gevaarlijk en de broer van mijn moeder zei: ‘nu moet je Samuel laten onderduiken’. Dat werd een adres ver weg in Limburg, in Heerlen.’

Kunt u zich nog iets herinneren van uw pleegouders?
‘Ik was natuurlijk nog maar een heel klein jongetje, maar ik herinner me nog waar we woonden: aan de heide waar schaapjes waren en waar ik cowboy of Indiaantje kon spelen. Er was een grote, lange tuin. Mijn pleegouders zorgden erg goed voor mij. Mijn pleegvader was mijnwerker en had heel grote handen, maar hij was erg aardig. Ze hadden zeven keer een miskraam gehad en hadden geen kinderen. Dus ze waren erg blij dat ze voor mij konden zorgen.’

Waren uw pleegouders rijk?
‘Nee, zeker niet, ze waren arm. De mijnbouw was slecht betaald. Je kon in de oorlog ook niet zomaar naar de winkel gaan. Mijn pleegouders kregen bonkaarten van het verzet omdat ze mij als onderduiker hadden, hiermee kon je ook suiker, bloem of schoenen halen. We hadden ook een tuin met groenten en aardappels, zo konden we goed eten. Ik heb geen honger gehad. En omdat wij in Heerlen al in ‘44 zijn bevrijd hebben wij de Hongerwinter ook niet meegemaakt.’

Kunt u iets meer vertellen hoe dat ging, dat uw moeder u weer vond?
‘Mijn moeder spoorde via Stichting Oorlogspleegkinderen op waar ik was, ze kreeg van het militair gezag een pasje om te reizen. Er waren geen treinen en veel wegen lagen in puin, maar al liftend kwam ze in de avond in Heerlen, toen ik al sliep. En dit weet ik nog heel goed hoor, de volgende ochtend vroeg ik aan mijn pleegmoeder: ‘wie is die mevrouw?’ ‘Dat is je echte moeder.’ ‘Nee, u bent mijn echte moeder!’ zei ik. Na een paar dagen gingen we samen terug naar Amsterdam, in een vrachtauto. Maar ik ben in die periode nog vaak teruggegaan om even tot rust te komen.’

Heeft u na de oorlog ook nog contact gehouden met uw pleegouders?
‘Jazeker! Ik heb ze altijd in ere gehouden. Ook toen ik zelf trouwde en kinderen kreeg zijn we vaak teruggegaan. Mijn kinderen zeiden dan ‘opa en oma’ tegen ze en dat vond ik mooi. Toen mijn pleegvader overleed, heb ik mijn pleegmoeder naar een Amsterdams verpleeghuis kunnen halen, zodat we haar vaker konden zien. Ik hoop dat jullie van mijn verhaal mogen leren dat het belangrijk is om mensen niet te veroordelen om huidskleur of achtergrond. Dat is zo belangrijk. En dat je beseft hoe zwaar vluchtelingen het kunnen hebben.’

 

 

Archieven: Verhalen

‘Toen had ik de hele dag het gevoel van ‘yes’ ik heb een fiets gered’

Jerovence, Lina E, Lina L, Djansu, Zakaria Van Basisschool Zaanplein worden hartelijk ontvangen met thee en koekjes bij Corrie van Dreunen. Zij is geboren in 1935 in Amsterdam en was vijf toen de oorlog begon. Mevrouw van Dreunen had een Joods buurmeisje en aan de overkant woonde een NSB’er. Haar vader heeft tijdens de oorlog in een strafkamp gezeten in Amersfoort.

Hoe vonden uw ouders dat het oorlog was?
‘Er valt niet zoveel over te vinden. Het was oorlog. Niemand vond dat leuk. Mijn moeder vertelde zo min mogelijk vervelende dingen aan ons. Mijn vader zat op een gegeven moment in een kamp Amersfoort. Hij was opgepakt en wij wisten niet waar hij was. Maar we hadden een huis met twee kleine slaapkamers. Toen zei mijn moeder tegen mijn zus. ‘Kom jij gezellig bij mij in bed liggen. Dan slapen we met z’n drieën.’  Ze deed dat omdat zij bang was dat als er wat zou gebeuren… dat er bommen zouden vallen. Dat zij niet bij ons kon komen. Dus zij wilde haar kinderen zo dicht mogelijk bijdragen. Maar dat vertelde ze niet. Ze deed net alsof het alleen maar voor de gezelligheid was. Zo was mijn moeder.’

Hoe was de Hongerwinter in Amsterdam?
‘Amsterdam was natuurlijk één van de slechtste plaatsen waar je kon wonen. En Rotterdam natuurlijk, want daar zijn bombardementen geweest. Ik heb het geluk gehad dat mijn moeder vijf keer naar Zwolle is gegaan om voedsel te halen. Van Amsterdam tot Zwolle was het één lange rij mensen met kinderwagens, handkarren, fietsen. Je moest de IJssel over en daar kon je nog wel bij boeren voedsel krijgen. En mijn moeder heeft dat een keer of vijf gedaan op de fiets. En terug ging ze vaak lopend met de fiets aan de hand. Omdat de fiets zwaar beladen was met eten. En dat zijn natuurlijk vreselijke tochten geweest. Want ze moest ook slapen onderweg. En er was een spertijd van acht uur. Dan mocht je na acht uur niet meer op straat. Dus je moest wel zorgen dat je voor acht uur een onderduikadres had. En dat was soms best wel lastig. Maar ze kwam iedere keer weer met wat eten terug.’

Hoe is uw vader ontsnapt uit Amersfoort?
‘Op een gegeven moment werden alle mensen uit kamp Amersfoort in een trein gezet. Net buiten Amersfoort stopte de trein ergens in een weiland en bleef daar anderhalve dag staan. De mensen kregen niks, geen eten, geen drinken. En toen kwam er een verpleegster voorbijrijden van het Rode kruis. Ze hielden de vrouw aan. ‘Wij zitten hier al anderhalve dag, we hebben niks te eten en te drinken. Een paar uur later kwamen ze van het rode kruis met pap. De mensen moesten allemaal uit de trein. Mijn vader heeft eerst een bord pap gegeten. En toen dacht hij bij zichzelf, wat doe ik hier? Hij kroop onder de trein door en langs de achterkant gelopen. Maar aan het eind van de trein zaten wat Duitse officieren. Ze waren dronken en hielden hem aan. Mijn vader dacht; nou word ik doodgeschoten. Maar ze lieten hem lopen. Hij is bij het eerste het beste huis dat hij tegenkwam aangeklopt. Nu hebben veel mensen een kaal hoofd, maar toen niet, dus hij viel op. Hij heeft een pet gekregen en zo is hij gevlucht naar huis.’

Kende uw Joodse mensen?
‘Er was avondklok. Voor de Joden was dat acht uur. Mijn buurmeisjes en ik speelde op straat. Mijn buurmeisjes moesten om acht uur binnen zijn. Niemand zag dat zij Joodse meisjes waren. En normaal gesproken had niemand dat in de gaten. Maar precies aan de overkant woonden een NSB’er. Hij was een hele slechte NSB’er. Hij heeft na de oorlog twintig jaar gevangenisstraf gekregen. En precies als het acht uur was, deed hij de deur open, ging hij in de deuropening staan en dan stuurde hij de meisjes naar boven. Dat zijn herinneringen die ik niet meer vergeet.’

Wat is u nog meer bijgebleven?
‘De Duitsers wilden de fietsen hebben van de Nederlanders. Ze zetten een vrachtwagen neer in de straat en iedereen die voorbijkwam op een fiets, moest zijn fiets inleveren. Als wij dat als kinderen zagen, hielden we mensen tegen en zeiden we dat er een fietsen-razzia aan de gang was en dat ze moesten omrijden. En wij zijn een keer met een groepje kinderen voor een fiets van een man staan om de fiets te redden. En een grote jongen reed de fiets een huis binnen. En de Duitsers reden door. Toen had ik de hele dag het gevoel van ‘yes’ ik heb een fiets gered.’

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892