Archieven: Verhalen

‘Soms vlogen er wel honderd Engelse bommenwerpers over het vliegveld van Bergen’

Mia, Tishayno en Javier interviewen de 96-jarige Annie Stoop die in Bergen woont. De leerlingen van de Kennemerpoort in Alkmaar zijn goed voorbereid en ook nieuwsgierig. Ze moeten even zoeken naar het adres, maar als ze aankomen staat de deur staat al open. Mevrouw Stoop heeft sapjes in huis gehaald en de kinderen krijgen een koekje uit een trommeltje dat ze kreeg toen de oorlog begon.

Hoe begon de oorlog voor u?
‘We speelden met buurkinderen op de verjaardag van een buurmeisje toen we hoorden dat het oorlog was. Dat voelde heel spannend. Wij hadden destijds mensen te logeren en zij gaven ons die dag een trommeltje met biscuitjes; dat heb ik altijd bewaard.

Vlakbij ons was een militair vliegveld waar Nederlandse piloten de oorlogsvliegtuigen verstopt hadden onder de bomen. Toen de oorlog hier begon in de nacht 10 op 11 mei hoorden we de bommen vallen op het vliegveld; alle vliegtuigen werden gebombardeerd. Boem, boem, boem. De Nederlandse soldaten gaven zich over en vluchtten.’

Hoe was het voor u om naar school te gaan in de oorlog?
‘Alle scholen werden leeggehaald en bezet. Eerst door Nederlandse soldaten en nadat Nederland zich overgaf door Duitse soldaten.

In 1940 ging ik naar de mulo (nu de havo). Tegenover ons stond een klooster, waar we in het souterrain les kregen. Maar later moesten we ook hier weg en gingen we naar school in Oudorp in Alkmaar. Dat was best ver lopen, maar toen ik nog een fiets had ging ik op de fiets. We fietsten langs het vliegveld en vaak vlogen er dan wel honderd Engelse bommenwerpers over. Dat maakte heel veel herrie! We gingen ze tellen. ‘Tommies tellen’ noemden we dat. Soms zagen we de bommen op het vliegveld vallen.’

Woonde u de hele oorlog in Bergen?
‘De Duitse soldaten bouwden een kustverdediging op tussen Noorwegen en Frankrijk en daarom moesten alle mensen die aan de kust woonden, weg. Bijna iedereen moest weg uit Bergen, maar wij mochten blijven omdat mijn vader een eigen winkel had. Het huis naast ons werd een munitiedepot, het lag dus vol met munitie. Dat was best eng… In 1944 moesten ook wij weg uit Bergen omdat het te gevaarlijk werd. We vluchtten naar Amsterdam.’

Hoe was de Bevrijding voor u?
‘Via mensen die stiekem een radio hadden, wisten we dat de geallieerden geland waren en dat de bevrijding dichtbij was.. ‘s Morgens om half acht op 5 mei hingen we de Nederlandse vlag uit als symbool dat we bevrijd waren. Ik doe dat nog altijd. Voor mij heeft het uithangen van de vlag een symbolische betekenis.

Tijdens de Bevrijding verbleven we in Amsterdam. Ik hoorde dat de Canadezen naar de Dam kwamen en dat wilde ik wel meemaken. Met een buurmeisje ging ik met de pont naar de overkant en zo liepen we naar het Damrak. Daar waren duizenden mensen bijeen, die joelden en juichten. Wij stonden vooraan. Iedereen had honger, maar men was ook zo blij! Ineens werd er geschoten. Iedereen vloog weg, de kant van de Kalverstraat op. Ook ik ging rennen…

Op de hoek van de Kalverstraat stond een groot gebouw dat nog vol zat met Duitse soldaten. Die waren zo kwaad dat wij zo blij waren, dat ze lukraak op de mensen waren gaan schieten. Toen ik rende, zag ik vlak voor me een jongeman liggen die door zijn hoofd was geschoten. Ik dacht: je was ondergedoken, je bent de Duitsers ontvlucht en je bent weer vrij en dan word je nog alsnog doodgeschoten.

Ik rende verder en verschool me achter de muur van het paleis, in de hoop uit de schietbeweging te zijn. Mijn buurmeisje was ik kwijtgeraakt in de paniek van de menigte. Ik ben teruggelopen naar huis en verstopte me iedere keer als ik een Duitse tank zag. Alle bevrijdingsfestiviteiten zijn daarna afgelast, totdat alle Duitse soldaten ontwapend waren.’

Archieven: Verhalen

‘De Duitse tanks zakten weg in de modder, zo werd het land onbegaanbaar’

Merel, Lara en Bruce van de Kennemerpoort in Alkmaar gaan naar verzorgingstehuis Westerhout om meneer Hageman te interviewen. Als ze aankomen blijkt hij ziek te zijn, maar gelukkig maakt zijn vrouw tijd vrij om bij ze aan te schuiven in de grote zaal. Mevrouw Hageman maakte de oorlog mee in Nederhorst den Berg. De interviewers vragen honderduit en ze doen het fantastisch.

Waar woonde u tijdens de oorlog?
‘Ik woonde op een boerderij met schapen, koeien, varkens en kippen. Ik had acht broertjes en twee zusjes, ik was de oudste. We sliepen met zijn allen op de zolder, iedereen bij elkaar. Dat voelde heel veilig.

Het kleine dorpje waar we woonden heette Nederhorst den berg en iedereen kende elkaar. Tijdens de oorlog werd een deel van het gebied onder water gezet. Je zag zo het water het land inkomen, maar wij bleven gelukkig droog. Iedereen die in huizen woonden die in het water kwamen te staan, moest natuurlijk weg. Aan andere Nederlanders werd gevraagd om ze op te vangen en in huis te nemen.

Het onder water zetten van polders was een typisch Nederlandse verdediging. Het modderige water dat reikte tot aan je knieën, was een enorme hindernis voor de Duitse soldaten. Hun zware tanks zakten weg in de modder… Zo werd het land onbegaanbaar voor Duitse soldaten, voertuigen en paarden. Ook was het water te ondiep om met boten doorheen te varen. Door het water op deze manier in te zetten, probeerden Nederlandse soldaten ons land te beschermen tegen de vijand.’

Hadden jullie genoeg te eten?
‘Omdat we op een boerderij woonden, hadden we genoeg te eten. Er waren fruitbomen op het erf en we hadden koeien voor melk en varkens en schapen en kippen voor eieren en vlees. Wij leden dus geen honger. Wel was het tijdens de Hongerwinter heel koud. Dan kropen we bij elkaar onder dekens op zolder.

Vond u de oorlog spannend?
‘Ja, het gevoel dat het oorlog was vond ik heel spannend en ook eng, maar wij merkten er eigenlijk als kinderen niet veel van. Wij speelden gewoon buiten op de boerderij met elkaar en hier waren ook geen bombardementen. Het was wel heel eng als het luchtalarm afging, dat maakte iedereen bang dat er iets zou gebeuren… Ook moesten we van onze ouders hard werken op de boerderij. Het vele werk op de boerderij ging in de oorlog natuurlijk gewoon door. Het was ook spannend dat we een radio hadden. Die was verstopt in een hooibaal. We luisterden soms stiekem naar Radio Oranje.’

Archieven: Verhalen

‘Toen ik de soldaten het pad zag oplopen, dook ik onder de tafel’

Bram Kout woont in Sint Pancras en Thiago, Masha, Louis en Nika rijden in opperbest humeur vanaf hun school, de Kennemerpoort in Alkmaar, naar zijn huis. Ze hebben even wat oponthoud omdat de deur van Masha blijft steken achter een hekje en niet meer dicht wil… Druk kletsend en nieuwsgierig lopen ze naar de voordeur, waar meneer Kout ze samen met zijn vrouw verwelkomt. De drankjes en koekjes liggen al klaar…

Hoe was de oorlog voor u?
‘Ik ben geboren in 1940 en toen ik 4 jaar was besefte ik eigenlijk pas dat het oorlog was. De soldaten die hier waren, kwamen uit Oostenrijk en waren best vriendelijk. Ik kon gewoon op de straat spelen en kinderen kregen hier zelfs les van Oostenrijkse soldaten om vliegertjes te maken. Dat werd anders toen de SS-troepen hier kwamen, dat waren soldaten uit Duitsland en die waren veel strenger, zij vervolgden ook mensen.

Er waren dorpsbewoners die in verzet gingen om de Duitse soldaten dwars te zitten. Zoals borden omdraaien en telefoondraden doorknippen. Als zij werden betrapt, werden ze gevangengenomen en geëxecuteerd. Dat was dus erg gevaarlijk.’

Hadden jullie onderduikers in huis?
‘Omdat Duitsland grote verliezen leed en alle jonge mannen het leger in moesten om mee te vechten, was er een tekort aan mensen die in fabrieken en op het land werkten. De Duitse soldaten riepen daarom alle jonge mannen in Nederland op om te komen werken in Duitsland. Dat wilden veel mannen natuurlijk niet. Mijn vader en mijn oom doken onder en verborgen zich onder de vloer.

Als er Duitsers aankwamen, werden we door de andere tuinders gewaarschuwd. Die zagen ze als eerste aankomen en dan ging het als een lopend vuurtje door het dorp. Ik zag de soldaten het pad oplopen met hun ijzerbeslagen laarzen en werd zo bang dat ik onder de tafel dook. Een soldaat riep: ‘Wo sind der manner?’ ‘Als jullie mannen niet te voorschijnkomen, steken we jullie huis in de fik.’ Gelukkig deden ze dat niet. Een soldaat rookte en gooide zijn peuk op het kleed, en toen vertrokken ze. Omdat ik zo angstig was geweest, waren mijn ouders bang dat ik mijn vader nog eens zou verraden. Daarom moest ik vanaf toen bij een razzia naar mijn grootvader toe.’

Kende u mensen die samenwerkten met de Duitsers?
‘In onze omgeving woonden 178 tuinders en best veel van hen sympathiseerden in het begin met de Duitsers omdat een deel van hun teelt naar Duitsland ging en zij voor hun inkomen afhankelijk waren van Duitsland. Pas later ontdekten de tuinders dat de Duitsers ook plannen hadden om mensen op te pakken en naar kampen te brengen. Toen verdween bij velen de sympathie voor de Duitsers.’

Kende u mensen in het verzet?
‘Mijn vader was tuinder en achter de kassen had hij een schuur staan. Toen ze hem vroegen om mensen op te vangen, deed hij dat. In het huisje kwam een gezin met twee jongens. Later begrepen we dat een van deze jongens in het verzet had gezeten

Een verzetsgroep had eens tussen Alkmaar en Heerhugowaard een treinovergang opgeblazen. Op deze spoorlijn reden treinen die vanaf Amsterdam wapens vervoerden voor de Duitse soldaten op Texel. Om dat tegen te gaan, blies het verzet de spoorbrug op. Twee Duitse officieren die kwamen kijken, beloofden een tegenreactie. En die kwam er… Twintig verzetsmensen zijn toen uit de gevangenis gehaald en op deze treinovergang geëxecuteerd als wraak. Dat was vreselijk. Maar daar waar sprake was van verzet, gebeurden soms dit soort dingen.

Later heb ik een van deze verzetsstrijders en zijn dochter nog gesproken. Voor hem waren 4 en 5 mei geen herdenkingen en feestdagen. Hij voelde zich schuldig omdat door het opblazen van de spoorbrug al die mensen waren omgebracht. Ook kwam ik in contact met de dochter van iemand die destijds was geëxecuteerd. Omdat beide dochters rondliepen met vragen heb ik voorgesteld of ze elkaar zouden willen ontmoeten en hun verhaal met elkaar wilden delen. Dat hebben ze gedaan. Ze leerden in het gesprek begrijpen wat ieders rol was en hoe ze tegenover elkaar stonden en waren allebei opgelucht omdat ze er allebei mee hadden gezeten. Dat was heel bijzonder.’

Archieven: Verhalen

‘Na de oorlog werd gezegd dat mijn vader heulde met de moffen’

Mason, Vince, Gijsje en Utku lopen in de stromende regen naar Westerhout, een verzorgingstehuis in Alkmaar, waar ze een bewoner gaan interviewen over zijn herinneringen aan de oorlog. Als ze aankomen bij Westerhout, blijkt dat de bewoner het te aangrijpend vindt om over de oorlog te vertellen. Gelukkig is er Wil Opdam die graag wil meedoen. Meneer Opdam maakte de oorlog in Heiloo mee. De leerlingen van de Kennemerpoort in Alkmaar schuiven wat met tafels in de zaal en medewerkers van het verzorgingstehuis komen koffie en thee brengen, superaardig.

Hoe begon de oorlog voor u?
‘Ik was die dag op bezoek bij familie toen het vliegveld in Bergen werd aangevallen. Geleidelijk aan veranderde het leven. Mijn school werd bezet door Duitse soldaten en ik moest naar andere scholen die verder weg waren. Vaak moesten we ver lopen en als er bommenwerpers aankwamen sprongen we de loopgraven in die overal langs de weg waren gegraven. Heel eng vonden we dat… We waren zo bang dat de bommen ons zouden raken.’

Wat at u in de oorlog?
‘We aten paardenbloemen en pap van gemalen bladeren met gedroogde tabaksbladeren als smaakje. Je kreeg ook bonnen waarmee je eten kon halen, maar dat was niet genoeg, je moest zelf zorgen voor bijvoeding. Een keer per week ging ik naar een boer om melk te halen, dan stond ik met mijn emmertje in een hele lange rij. Soms, als ik eindelijk aan de beurt was, was er geen melk meer…

Mijn pa ging op de fiets helemaal naar Amsterdam om een stukje vlees te halen van een koe die al dagen dood was. Maar wij waren heel blij met dat stukje vlees. Ook stalen we in de oorlog. Als je honger hebt dan ga je dingen doen die je anders niet zou doen, oorlog verandert je waarden en normen. We gingen bijvoorbeeld naar de tuin van de buren en dan ritsten we gauw de spruitjes van de takjes af en renden weer naar huis. Mijn moeder zei wel dat het niet mocht, maar ze begreep het natuurlijk ook. Wij hadden zelf een tuin met appels en perenbomen, dus we hadden wel fruit.’

Hoe kwamen jullie aan kolen en hout om jullie huis te verwarmen in de oorlog?
‘Ik speelde vaak met vriendjes naast de treinbaan oorlogje en soldaatje, dat vond ik een mooi spelletje. Op een dag kwam er een locomotief aan denderen die kolen kwam afzetten op het perron. De treinmachinist, die honger had, minderde vaart en vroeg ons of wij wat te eten hadden in ruil voor wat kolen. Ik rende naar huis om eten te vragen. Mijn moeder bakte op een plaat platte broden van een meelpapje, die noemden we platters, en die ruilde ik voor kolen bij die treinmachinist zodat wij konden koken en het warm konden stoken.

Ook hadden we een kar, zaag en bijl. We gingen dan naar de school waar twijgen groeiden. Daar stond een wacht, maar als die even afgeleid was zaagden we de takken stiekem af, bonden ze bij elkaar en sleepten ze door de straten naar huis.’

Wat deed uw vader?
‘Mijn vader zorgde voor de distributie van eten. Boeren in Heiloo verbouwden aardappelen. Die haalde mijn vader op en sloeg ze op in onze garage. Vanuit de garage werden ze met paard en wagen naar de gaarkeukens vervoerd.

Buurtbewoners wisten dat de aardappelen bij ons lagen opgeslagen en kwamen mijn vader er wel eens om vragen. Meestal gaf hij ze niet omdat hij dan iedereen zou moeten geven. Maar als iemand bijvoorbeeld ziek was, dan gaf mijn vader wel wat. Toch waren er mensen die zeiden: waarom geef je hem wel, maar mij niet…? Hij werd dus een beetje met scheve ogen aangekeken. Ook kwam de staatspolitie af en toe kijken of mijn vader wel alles volgens de regels deed van de bezetter; dat deed mensen ook denken dat hij met de Duitsers samenwerkte. Na de oorlog werd daarom gezegd dat mijn vader heulde met de moffen, dat was wel verdrietig.’

Archieven: Verhalen

‘Ik vond het zo raar dat een witte vrouw zelf haar ramen lapte’

Camilia, Gigi, Hidaya en Rosalie vinden het spannend en tegelijkertijd ook erg leuk om Viola Talloway te interviewen. De leerlingen van de Dongeschool in Amsterdam-Zuid hebben allerlei vragen voorbereid en weten dat ze alles mogen vragen. In de tram nemen ze de vragen nog een keer door. Het aanbellen is al best spannend, het interview helemaal. Maar mevrouw Talloway stelt ze op hun gemak. Ze legt nog even uit dat ze soms streng kijkt, maar dat is omdat ze heel goed wil luisteren naar hun vragen. En dus niet omdat ze boos is!

Hoe was uw jeugd?
‘Ik ben geboren in Paramaribo en heb een heerlijke jeugd gehad. We hadden een erf met veel vruchten aan de boom. Mijn vader en moeder hadden vijf kinderen, ik was de derde. Ik zat op een katholieke school en kon goed leren en mocht daarom zelfs naar de A-groep op de eerste verdieping. Dat was bijzonder want daar gingen eigenlijk lichtere kinderen heen als voorbereiding op de mulo. Bij ons gingen ze ervan uit dat lichte kinderen goed konden leren, donkere kinderen van de arbeiders werden als minder gezien en je moest uitblinken om een goed plekje te krijgen.

Naar onze achternaam Talloway ben ik nu onderzoek aan het doen. Hij komt van mijn moeder en zij heeft hem van haar vader. Wat onze oorspronkelijke achternaam is weten we niet, we kregen in Suriname op een gegeven moment gewoon een achternaam toebedeeld.’

We lazen dat u al vroeg moeder werd, hoe was dat voor u?
‘Een kind hoort geen kind te krijgen. Als puber wil je gewoon met andere vriendinnen dingen doen. Toen ik zwanger was schrok ik heel erg, en was ik een en al verdriet. Ik schaamde me, het was een grote schande. Maar ik wist niet dat dat kon gebeuren want ik had nooit voorlichting gehad.

Omdat ik bang was, hield ik het geheim. Maar mijn moeder merkte wel iets en was telkens boos op me. Ze zei dingen als: ‘Kom hier!’, ‘Ga je haren kammen’, ‘Je gaat niet de deur uit zonder te groeten!’ Op een dag moest ik op de bank zitten en vertellen waarom ik zo veranderd was. En toen moest ik het wel vertellen. Vanaf dat moment waren mijn ouders rustig en werd ik lief behandeld. Kori Kori , troosten troosten, noemen ze het bij ons als je een baby krijgt.

Ik was ook bang voor de bevalling want ik wist niet wat er zou gebeuren. Maar toen mijn zoon geboren was en ik thuiskwam, werd hij als een prins ontvangen. En toen kwam de blijschap! De naam voor mijn zoon heeft zijn opa Albert hem gegeven, Gerrit. Later op school in Nederland vonden de leraren het gek dat hij zo’n oerhollandse naam had en vroegen ze of ze hem Gerry mochten noemen. Sindsdien heet hij Gerry.’

Werd u als gelijke behandeld toen u naar Nederland kwam?
‘Toen ik 19 was kwam ik met mijn jongste kind van 6 weken naar Nederland. In die tijd kwam ‘gelijke behandeling’ niet in me op, dat is meer iets van deze tijd. In Suriname hadden de witte mensen goede banen en bediendes. Ik dacht: die witte mensen kunnen alles. Ik was ook heel benieuwd naar hoe ze in Holland woonden, hoe hun huis er van binnen uitzag. Wie zíjn die mensen? Toen ik hier net was, zag ik een witte vrouw zelf op een trap staan om de ramen te lappen. Wel een uur heb ik staan kijken, zo gek vond ik het dat zij dat zelf deed. In Suriname hadden witte mensen wasvrouwen, strijkvrouwen en ook iemand die de katten of honden verzorgde… Mijn vraag hoe hoe de huizen er hier van binnen uitzagen werd beantwoord toen mijn kinderen vriendjes kregen op school en ik bevriend raakte met hun moeders.’

Heeft u ook gewerkt in Nederland?
‘Mijn zus die al in Nederland was, had tegen mij gezegd dat hier veel werk te vinden was. Zes weken na aankomst had ik een baan als inpakker in een fabriek. Na een tijd heb ik mijn eigen schoonheidssalon geopend. Mijn man en ik waren uit elkaar en ik wilde mijn kinderen goed opvoeden en het juiste voorbeeld geven. Over alles wat ik heb meegemaakt heb ik een boek geschreven zodat mijn kinderen en kleinkinderen en achterkleinkinderen kunnen zien dat dingen niet vanzelf gaan en dat je altijd je best kunt doen om er iets van te maken. Mijn vijf kinderen hebben allemaal iets bereikt en daar ben ik trots op.’

Archieven: Verhalen

‘Die kartonnetjes gingen flapperen’

Fatmata, Mikaela, Sama en Jamy uit groep 8 van basisschool Beppino Sarto in Eindhoven zijn op bezoek bij meneer Piet Eijff in zijn gezellige huis met veel familiefoto’s aan de muur. Meneer Eijff was 11 jaar toen de oorlog begon en kan er veel over vertellen.

Kunt u iets vertellen over het blinderen van de ramen?
‘De ramen moesten verduisterd worden, want de Duitsers mochten ’s nachts niks zien. Je had van dat stevige zwarte papier, dat kon je laten zakken. Sommige ramen werden helemaal afgeplakt. Het moest helemaal donker zijn. Ook je fietslamp werd afgeplakt zodat er maar door een heel klein gaatje licht kwam. Je mocht ’s avonds niet naar buiten, want er was een avondklok, net zoals toen het hier Corona was. Als je toch naar buiten ging, kon je bekeurd of bestraft worden. In de zomer mocht je wel langer buiten blijven, maar als het donker werd, moest je weer naar binnen. Ik vond het jammer dat ik niet naar buiten mocht, want ik houd van sterrenkunde en als al de stadslichten uit zijn, kun je veel beter de sterren zien.’

Hoe heeft u de oorlog beleefd en het Sinterklaasbombardement?
‘Ik ben geboren en opgegroeid in Stratum, aan de rand van de stad Eindhoven. Dit gebied was niet interessant als militair object om te bombarderen. De Philipsfabrieken in het centrum van Eindhoven waren dat wel. Want daar werden onderdelen en zendapparatuur gemaakt voor de Duitsers. Zo werd het centrum van Eindhoven op 6 december 1942 gebombardeerd, waardoor de Demer helemaal in puin lag. Dat heb ik niet persoonlijk meegemaakt, alleen maar gehoord. We moesten thuis wel de ramen en deuren openzetten, in verband met de luchtdruk. Dan bleven de ruiten heel tijdens zo’n bombardement. Persoonlijk heb ik geen akelige dingen ondervonden, maar ging wel kijken als er iets was gebeurd.’

Hebt u ’s nachts wel eens iets gemerkt van de bombardementen?
Op een gegeven moment kwamen er iedere nacht Engelse vliegtuigen over om Duitsland te gaan bombarderen. Wij hoorden ze overkomen en dat geluid stierf langzaam weg. Daarna hoorden we in de verte wat gerommel. Maar we konden de bombardementen ook voelen, want wij hadden in de muur ventilatieroostertjes, waar ook licht doorheen kon komen. En die had mijn vader afgeplakt met een kartonnen rondje en een plakbandje. Op een gegeven moment begonnen die kartonnetjes te flapperen als gevolg van de luchtdruk van die bombardementen. Dan wisten wij dat er in Duitsland de een bombardement aan de gang was.’

Hoe was de bevrijding?
Op een bepaald moment kwamen de geallieerde soldaten onze kant op. De Amerikanen kwamen vanuit het noorden van Eindhoven, die waren daar gedropt op de heide. Wij werden bevrijd door de Engelsen en Canadezen. Die kwamen over land uit het zuiden. Wij stonden op de Aalsterweg te kijken en te juichen voor wat er allemaal langs kwam. Het leuke was dat de Engelsen chocolade en Engelse sigaretten bij zich hadden, die ze aan iedereen uitdeelden.’

Archieven: Verhalen

‘Ze viel zo met haar gezicht in de koeienvla’

Meneer Jan Sprengers heet het groepje leerlingen van basisschool Beppino Sarto uit Eindhoven welkom in zijn pas verbouwde appartement. Zeynep, Yasir, Nick en Chelsey uit groep 8 zijn hier gekomen om meneer Sprengers een interview af te nemen over de Tweede Wereldoorlog. Hoewel meneer Sprengers pas 3 jaar was toen de oorlog begon, heeft hij veel herinneringen aan die tijd.

Ging het luchtalarm wel eens af?’
Ja, als ik op straat aan het spelen was, hoorde ik vaak het luchtalarm. Maar ik hoefde dan niet meteen naar huis te gaan. Als het luchtalarm dichtbij kwam, moest ik bij iemand aanbellen en daar schuilen onder de trap of onder een stevige tafel met vier poten. Niet in een schuilkelder, dat vond mijn vader te gevaarlijk! Zelfs veertig jaar later, toen ik op reis was in oorlogsgebied waar het luchtalarm afging, dook ik meteen onder de tafel. Als er bommen vallen, zijn er twee dingen gevaarlijk; de scherven en de verplaatsing van lucht door de ontploffing. Als er een bom valt in de buurt van een schuilkelder, komt er luchtdruk in de rioolbuizen, waarvan die schuilkelder is gemaakt. Bij het bombardement van 19 september 1944, zijn er op die manier veertig mensen overleden in een schuilkelder in Stratum.’

Wanneer hebt u de hele dag in de dakgoot gezeten?
‘Dat zal ik nooit vergeten. Dat was op 17 september 1944 en het was heel mooi weer. Ik zat in de dakgoot en kon over de velden richting het centrum van Eindhoven kijken. Ik zag ook Best en Son. De lucht zat helemaal vol met zweefvliegtuigen en parachutisten. Er hingen soms ook kisten met spullen aan die parachutes of zelfs jeeps. Dat was heel bijzonder om te zien.’
‘Het bombardement, dat twee dagen later kwam, heb ik van dichtbij meegemaakt. Alle ramen gingen eruit! Toen heb ik de meeste schrik gehad van de hele oorlog.’

Hebt u ook iets grappigs meegemaakt in de oorlog?
We hadden gehoord dat er Engelse soldaten bij het Eindhoven Kanaal waren. Wij woonden daar vlakbij en we gingen met enkele kinderen en ouders uit de straat daarheen. Mijn vader kreeg van de Engelsen een pakje sigaretten en dat was heel bijzonder, want die waren in de oorlog niet te krijgen. Mijn broer heeft dat pakje altijd bewaard. Het Eindhovens Kanaal lag wat hoger en daarnaast had je weilanden. Omdat Eindhoven nog niet helemaal was bevrijd, zaten er ook nog Duitse soldaten in de buurt. Op een gegeven moment werd er door die Duitsers geschoten vanaf de spoorbrug. Iedereen schrok. Een moeder pakte haar twee dochtertjes bij de hand en zij liepen snel die dijk af. Maar die dijk was erg stijl en de moeder viel en ze viel zo met haar gezicht in de koeienvla. En als je zeven bent, vergeet je dat nooit meer!’

Was uw leven anders na de oorlog?
Er waren opvallende dingen. Er was bijvoorbeeld meer licht in de straat, want de verduistering was niet meer nodig en de straatverlichting mocht aan. Er was geen luchtalarm meer en ook geen grote zwermen vliegtuigen. En de mensen waren minder angstig. Maar er was nog steeds niet veel te krijgen en veel dingen nog steeds alleen op de bon. Er was veel verwoest en er was een tekort aan alles. Ook waren er geen fietsbanden, dus die maakten de mensen van hout.’

Archieven: Verhalen

‘Gewone burgers hadden een pan op hun hoofd’

Na een stukje fietsen komen Guus, Fayenne en Güney uit groep 8 van de Beppino Sartoschool in Eindhoven aan bij het appartement van mevrouw Helly van Loon. Zij werd geboren op 1 september 1939 en woonde tijdens de oorlog met haar ouders, oudere broer en drie oudere zussen op de Genestetlaan.

Wat was uw eerste reactie toen de oorlog begon?
‘De eerste keer dat ik ik echt wist dat het oorlog was, was vlak na Sinterklaas. Mijn vader had me aan de hand. We waren aan het wandelen. Op eens was er een enorm lawaai en zag ik misschien wel honderd vliegtuigen. Ze kwamen heel laag aangevlogen. Mijn vader schrok verschikkelijk! Hij pakte me onder zijn arm en rende zo met me naar huis. Toen dacht ik: ‘Dit is oorlog, dit is erg. Mijn vader is bang!’ Als je vader bang is, dan is het net of de bodem onder je uit is.’
‘Het waren Engelse vliegtuigen, die de Phillips fabrieken wilden bombarderen en zij vlogen laag om onder de radar van de Duitsers te blijven. Daarom was het zo angstaanjagend. Ze vlogen over de boomtoppen en toen gingen ze omhoog, anders vlogen ze tegen de kerktoren aan. Toen begonnen ze te bombarderen. Ze hebben zich ook nog vergist, want ze hebben de stad gebombardeerd in plaats van Phillips. De Catharinakerk is toen in brand gevlogen. Het brandde aan alle kanten. Mijn zusjes waren bij de kerk. Zij moesten wegvluchten en helemaal naar Stratum lopen. Onderweg waren er allemaal huilende mensen. Er was geen luchtalarm geweest, daarom was iedereen extra geschrokken.’

Wat is het engste wat u heeft meegemaakt?
‘Ik zat op de kleuterschool in de Akkerstraat en moest samen met mijn buurmeisje Philippine naar huis lopen. Vlakbij ons huis was een veldje en daar waren Duitse vrouwen van het leger aan het exerceren. Op een gegeven moment moesten ze dan hun geweer presenteren. Toen richtten ze met z’n allen hun geweren op ons! Daar schrokken we zo verschikkelijk van. Ik begon te huilen en toen deed ik het in mijn broek. Ik was bang dat mijn moeder boos zou zijn. Maar dat was gelukkig niet zo.’

Waarom deed uw vader een pan op zijn hoofd?
‘We moesten allemaal verduistering aanbrengen. Geen straaltje licht mocht ervan binnenuit naar buiten schijnen, want dan konden de piloten in hun vliegtuigen de huizen zien en wisten ze waar ze moesten bombarderen. Dus het was pikkedonker. Er waren geen straatlantaarns, er was helemaal niks. We haden zwarte schermen, die hadden we voor de ramen gezet, zodat er geen licht doorheen kwam. Ik maakte er vaak een gaatje in, zodat ik erdoor heen kon kijken. Dan zag ik mijn vader en moeder nog in de tuin kletsen met vrienden.’
‘De vaders van de straat die liepen ’s avonds rond om te kijken of het wel goed verduisterd was. Ze hadden geen helm en er werd wel eens geschoten. Dus wat deden ze dan? Ze zetten een pan op hun kop. Dat was je bescherming. Soldaten hadden helmen, maar gewone burgers hadden geen helm, die hadden een pan op hun hoofd.’

Archieven: Verhalen

‘Onze moeder ging op ons liggen om ons te beschermen’

Yamani, Lisa, Lindsey en Yagmur uit groep 8 van Basisschool Beppino Sarto in Eindhoven fietsen naar het appartement van meneer Floris Bomers. Hoewel de kinderen veel energie hebben, kan meneer Bomers, die 86 is, er goed mee omgaan. Al snel komt het interview op gang.

Hoe woonde u tijdens de oorlog?
‘We woonden aan het begin van de oorlog in Amsterdam, maar in 1942 zijn we naar Eindhoven gevlucht. Dat was toen net zover weg als Parijs voor ons nu is, dus we zagen onze familie heel lang niet meer. In Eindhoven kwamen we in de Fuchsiastraat te wonen. Op een bovenwoning en we hadden daar bijna niets, geen WC, geen stromend water. We kookten op een petroleumstel. Elke dag moest ik de toiletemmer wegbrengen een eindje verderop. Mijn moeder schaamde zich daar voor. Ook op school hadden we weinig, er waren geen stoelen en banken meer. Daarom gingen we elke dag naar de speeltuin.’
‘Voor ons duurde de oorlog eigenlijk langer dan tot mei 1945, want ook in de jaren erna hadden we niks. We waren heel arm en hoe we woonden, veranderde pas veel later. Omdat er in de oorlog geen fietsen meer waren, leerde ik pas fietsen toen ik 12 was.’

Waren er veel slachtoffers?
‘Er zijn natuurlijk veel mensen opgepakt en doodgegaan in de oorlog. Soms was er iemand weg, maar we wisten niet altijd precies wat er met iemand was gebeurd. Eigenlijk was iedereen slachtoffer, niet alleen de mensen die werden gevangen en gedood. Heel veel onschuldige mensen hebben geleden. Ook mensen die bij de NSB hadden gezeten waren slachtoffers. Onze overbuurman was lid van de NSB. Zijn dochters werden aan het einde van de oorlog opgepakt, kaalgeschoren en in een kar rondgereden, omdat ze verkering met Duitse soldaten hadden gehad. Dat vond ik verschrikkelijk. Ook zij waren onschuldig. Zoiets mag nooit meer gebeuren!’

Wat vond u het engst?
‘Het engst was het Sinterklaasbombardement. Wij woonden niet ver van waar de bommen vielen. We zijn gevlucht naar een boerderij. We gingen eerst naar het Sint Josephziekenhuis, waar we de eerste nacht bleven. Onderweg daarheen moesten we in de sloot schuilen en onze moeder ging dan op ons liggen om ons te beschermen. Dat geluid van die bommen was verschrikkelijk en je voelde alles trillen. Ik schrik nog steeds heel erg als iemand een vuurwerk afsteekt. Dat gaat nooit meer weg.’

Hoe is het verdergegaan met uw familie na de oorlog?
‘We waren natuurlijk verschrikkelijk blij toen de oorlog af was gelopen. We kregen chocolade van de bevrijders en iedereen huilde en lachte van blijdschap en er was elke avond feest op het plein in onze buurt. Iedereen van ons gezin had het overleefd, maar het ging na de oorlog zeker niet goed. Onze vader kon niet over de oorlog praten en ook werken vond hij moeilijk. Pas nadat hij met pensioen ging, werd het wat beter. Mijn moeder was heel sterk, maar ik kende haar niet zo goed. Ouders gingen in die tijd heel anders met hun kinderen om. Pas toen ik veel later in Amsterdam in de Jordaan ging werken, begon ik mijn moeder een beetje te begrijpen toen ik daar op een bankje zat op de plek waar zij vandaan kwam. Ze was pas 28 toen de oorlog begon. Zo zie je hoe de oorlog op allerlei manieren nog veel langer duurde dan die vijf jaar.’

Archieven: Verhalen

‘Ineens heb je gewoon geen vader meer’

Marwa, Serdar, Thijmen en Dhiyae uit groep 8 van de Beppino Sarto school uit Eindhoven moeten een heel eind fietsen om mevrouw Els Peeters te interviewen. Zij heeft al koekjes en drinken voor hen klaarstaan. Mevrouw Peeters vijf jaar was toen de oorlog begon en woonde op de Binnewiertzstraat.

Hoe kwam u erachter dat de oorlog begon?
‘In de straat kwamen Duitsers. Er kwamen heel veel soldaten. Zij hadden van die laarzen aan, die een heel akelig scherp geluid maken. Net zoals bij tapdansen hadden ze een ijzertje onder hun hak zitten en als je dan met die hakken op de grond komt, geeft dat een heel scherp geluid. Alle mensen in de buurt kwamen kijken. Ik stond daar met mijn moeder. Ik vond dat meteen zo griezelig! Het was zo’n akelig geluid. Ik kroop helemaal bij mijn moeder weg. Ze zongen uit honderden monden: ‘Wir fahren gegen Engeland!’’

Wat deed u tijdens de oorlog?
‘We moesten bij de ramen alles helemaal dicht maken met karton of met planken. ’s Avonds als je op straat liep, mocht je geen straaltje licht zien. Dat heette de verduistering. Je mocht van buiten niet zien, dat er binnen lichten aan waren. Mijn oudste zus en mijn oudste broer liepen door de straten, als burgerwacht, om te kijken waar je wel licht kon zien. Want als de Duitsers dat zouden zien, dan werd je of meegenomen of kreeg je een boete of weet ik wat.’
‘Op een gegeven moment belden ze aan mij een meneer en ze zeiden: ‘Meneer, er is vol licht aan bij u boven!’ Die meneer zei dat dat niet kon. Een uur later belden ze weer aan: ‘Meneer, er is nog steeds licht bij u!’ Toen ze nog eens goed gingen kijken, bleek het dat de maan op de ramen scheen. Daardoor leek het net of er licht van binnen naar buiten kwam. Zo was er ook wel eens wat te lachen.’

Was u bang tijdens de oorlog?
‘Ik was van af het begin al bang. Op sinterklaasdag was ik bij een vriendinnetje, die woonde honderd meter verder. Toen ging het luchtalarm. Ik wilde alleen maar naar huis. Ik wilde bij mijn moeder zijn, dus ik liep de deur uit en ik zag vliegtuigen heel laag vliegen. Daar vielen zulke grote bommen uit. Het centrum van Eindhoven is toen heel erg gebombardeerd. Ik was toen verschrikkelijk bang. Ik wist niet wat er ging gebeuren.’
‘Er waren ook Engelsen, die kwamen overvliegen om in het Ruhrgebied in Duitsland te bombarderen. Soms lag ik ’s nachts in bed, dan hoorde ik de honden blaffen en dan wist ik dat de vliegtuigen zo zouden komen. Mijn moeder zei altijd: ‘Dat is niet erg, die vliegen alleen maar over.’ Maar op het vliegveld hadden de Duitsers hele grote schijnwerpers staan en als een vliegtuig in het licht van die schijnwerper kwam, dan werd het naar beneden geschoten. Soms vond ik het geluid van die vliegtuigen zo verschrikkelijk, dan ging ik weer naar beneden naar mijn ouders en broers en zussen. Dan mocht ik in de kamer zitten tot het voorbij was en werd ik door mijn grote zus naar bed gebracht.’

Is iemand in je familie opgepakt?
‘Op een gegeven ogenblik ging mijn vader naar zijn kantoor, dan moest hij door het centrum van de stad. Daar staat een hele grote kerk, de Catharina kerk. Daar stond een synagoge schuin tegenover, dat is de kerk van de Joden. Mijn vader liep daar voorbij en toen waren ze de kerk aan het kapot maken. Toen zei mijn vader heel venijnig: ‘Die rotmoffen, ze kunnen ook niks heel laten!’ Dat heeft iemand gehoord, die vlak bij hem stond. Hij liep door naar zijn kantoor, maar werd onderschept door twee Duitse soldaten en toen werd hij meegenomen naar het politiebureau. Hij heeft daar zes weken gezeten. Daarna is hij naar het concentratiekamp gebracht in Vught. Daar heeft hij nog drie maanden gevangen gezeten.’
‘Dat was een hele spannende tijd. Want ineens heb je gewoon geen vader meer. Soms liep ik op straat en dan liep er iemand die ongeveer net zo groot was als mijn vader, met een regenjas aan die mijn vader ook had. Dan riep ik: ‘Papa! Papa!’ Maar het was mijn vader niet. Op een gegeven moment als ik zo iemand zag, dan ging ik heel hard lopen, zodat ik hem voorbij liep. Dan kon ik hem in zijn gezicht zien en dan wist ik of het mijn vader was of niet. Het was iedere keer zo’n teleurstelling. Toen, zomaar op de dag, stond hij weer voor de deur.’
‘Mijn dertien jaar oudere zus mocht een keer in de veertien dagen bij het rode kruis een pakket afgeven waar allemaal eten in zat. Mensen in de buurt hielpen om dat pakket samen te stellen en dat ging dan naar Vught. Mijn vader deelde het dan met zijn hele kamer, want er zaten ook mensen uit andere delen van Nederland en die kregen niet zo veel eten als hij. Als mijn vader een pakket kreeg dan was het feest voor acht mensen!’

Wat vond u van de Duitsers?
‘Ik stond met mijn broer op de hoek van de straat en er kwam een Duitse soldaat aan op een motor. Hij stopte en noemde een straat, waar hij naartoe wilde. Mijn broer en ik hebben elkaar alleen maar aangekeken en de ene kant op gewezen, terwijl hij de andere kant op had moeten gaan. Ik was zeven, maar ik wist al wel, die mensen zijn vervelend tegen ons, dus daar moet je vervelend tegen terugdoen. Daarna zijn we zijn hard naar huis gerend.’

Herinnert u zich nog wat van de bevrijding?
‘Vlak voor de bevrijding ging een van mijn broers altijd kijken naar de auto’s van de Duitsers. Hij wilde aardrijkskunde gaan studeren en de Duitsers hadden kaarten van de omgeving. Die gingen de jongens wel eens jatten. Op een zeker moment stond hij in een garage bij een Duitse auto. Voor die garage stonden blikken benzine. Hoe het gebeurd is, weet niemand verder, maar die benzineblikken zijn in de fik gevlogen. Hij heeft dwars door de vlammen moeten lopen. Iemand kwam het bij ons thuis vertellen: ‘Jullie Henk is heel erg verbrand, die wordt dadelijk thuisgebracht.’ Mijn moeder had al een pan melk klaargezet om hem te verzorgen. Hij werd thuisgebracht op een fietskar en zijn benen waren helemaal verbrand. Daar moest een dokter bij komen. Hij zou naar het ziekenhuis moeten en mijn moeder vond dat heel griezelig. Met al die bombardementen, wilde ze liever dat haar kinderen thuis waren. De dokter kende gelukkig een non. Zij kwam iedere dag om de wonden van mijn broer te verzorgen. En dat was een Duitse non. Ik weet nog dat mijn moeder altijd zei: ‘Je moet niet zeggen dat alle Duitsers slecht zijn, want dat is helemaal niet waar!’
‘Bij de bevrijding lag mijn broer nog steeds in bed. Toen is een oudere broer naar de stad gegaan, naar de bevrijders. En die heeft een Amerikaan gevraagd: ‘Kom jij even mee, naar mijn huis.’ Toen bracht mijn broer, die man naar mijn zieke broer en zei hij: ‘Kijk, dit is nu een Amerikaan! Dit is een van onze bevrijders!’

 

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892