Archieven: Verhalen

‘Voor onderduiken betaalden we 5 gulden per dag’

Rene de Vries (1933) was zeven jaar oud toen de oorlog begon en woonde destijds in Groningen. Met zijn Joodse familie heeft hij op verschillende plekken ondergedoken gezeten. Aiya, Dennis, Ricardo, Dilano en Shary-Ann van het Eemstdelta College in Appingedam zijn onder de indruk van zijn verhaal.

Hoe kwam u aan het onderduikadres?
‘Mijn moeder kreeg een bericht van een vriendin, iemand die werkte in een schoenenwinkel aan de Herenstraat. Er waren twee mensen die wilden helpen, die onderduikers wilden onderbrengen. Ze beloofden ons te helpen, maar ze wilden er ook beter van worden, dat was de realiteit in die tijd. Het ging om geld, eerlijk gezegd.

Voor onderduiken betaalden we 5 gulden per dag, wat enorm veel geld was destijds. Voor veel mensen was het onmogelijk om dat te betalen, en sommigen hielden het misschien niet lang vol.

Mijn moeder ging voorzichtig akkoord, maar was ook bang voor de consequenties als we ontdekt zouden worden. Gelukkig kwamen de Duitsers er niet achter en het adres bleek betrouwbaar. Zo begon onze reis door de oorlog, naar het eerste onderduikadres in Stroobos, een klein dorp op de grens van Groningen, Drenthe, en Friesland.’

Wat zijn uw ervaringen tijdens het onderduiken?
‘Het was een periode van stilte en angst. We moesten zo stil mogelijk zijn, fluisteren, om niet gehoord te worden door de mensen beneden. Het voelde alsof je vast zat tussen vier muren, een constante dreiging van ontdekking. Ik herinner me dat ik ‘s nachts moest plassen, maar dat ik het geluid van het plassen vreesde. We moesten plassen tegen de rand van de wc-pot, anders zou het teveel geluid maken. We hadden trucs om stil te blijven: we moesten fluisteren en zo weinig mogelijk bewegen.

De nachten waren het moeilijkst. Soms, als ik omdraaide in bed, merkte ik dat mijn hoofd aan het voeteneind lag en mijn voeten aan het hoofdeind. Ik raakte in paniek, niet in staat om me te bewegen in het donker. Het was benauwd, verstikkend, en ik kon niet ademhalen. Die angst was voortdurend aanwezig. Ik leerde te overleven met angst en ongemak.

Mijn broer en ik leerden zelf kleren maken, want we konden geen nieuwe kopen. Mijn moeder spinde de wol en breidde truien, zo maakten we kleding van schapenwol. Het was hard werken, maar het hield ons warm en veilig.’

Hoe ging het na de oorlog met u?

‘De bevrijding was vreugdevol, maar ook vol pijn. We konden weer naar buiten, maar de herinneringen bleven. Het was moeilijk om door te gaan zonder mijn vader, die is vermoord in Westerbork. Mijn moeder en ik moesten verder zonder hem, leren leven zonder zijn bescherming en steun. Het gaf me een ander perspectief op het leven, op vaderschap en wat het betekent om een gezin te leiden.

De oorlog heeft me gevormd, maar het heeft me ook geleerd veerkrachtig te zijn. Ik heb geleerd om door te gaan, ondanks de pijn en het verlies. Nu, meer dan ooit, besef ik dat het belangrijk is om deze verhalen door te geven. Het is onze verantwoordelijkheid om de geschiedenis te bewaren, zodat we nooit vergeten wat er is gebeurd en waarom we nooit mogen vergeten.’

Archieven: Verhalen

‘De onderduikers gingen samen met mijn vader op het land werken’

De 95-jarige Trui Buining was 10 jaar toen de oorlog begon. Ze woonde destijds op een boerderij in Tjuchem. Op de boerderij zaten ook onderduikers, vertelt ze aan Ricardo en Dilano. De leerlingen van het Eemsdelta College in Appingedam stellen haar allerlei vragen over die tijd.

Had u honger in de oorlog?
‘Mijn vader was boer. Omdat we ook vee hadden, was er genoeg te eten voor ons. We moesten wel voorzichtig zijn want we moesten aan de Duitsers doorgeven hoeveel dieren we hadden, dus hoeveel kippen, varkens en koeien. De Duitsers mochten niet zien dat er iets miste. We verbouwden ook groente, zoals bieten, koolrapen en aardappelen, maar al onze producten moesten we aan de Duitsers geven.

Op een keer kwamen de Duitsers bij ons langs en wilden onze eieren meenemen.
Omdat we Duits moesten leren op school, kon ik het een beetje spreken en zei ik in het Duits tegen de militair: die mag je niet meenemen, die zijn voor de Führer. Toen schrokken ze en lieten de eieren liggen. Ik heb wel flink gejokt, maar dat was om onze eieren te kunnen behouden.

We hadden ook onderduikers in huis. Zij moesten natuurlijk ook eten dus het was heel spannend. De onderduikers gingen samen met mijn vader op het land werken. We groeven ons eigen turf op, want je kreeg ook geen brandstof meer. De turf was voor de kachel. Mijn zusje en ik moesten de turf opstapelen en op een rijtje leggen, en als het droog was omkeren zodat de onderkant eveneens kon drogen. De turf gebruikten we ook om te kunnen koken.’

Wat was het spannendste in de oorlog?
‘Wij woonden in een polder, tussen een afwateringskanaal en het Eemskanaal. In de laatste twee jaar van de oorlog lieten de Duitsers de polder helemaal vanaf Groningen onderwater lopen. Onze boomgaard stond een meter onderwater. Mijn vader had een klein roeibootje gehuurd, waarmee we naar school konden roeien. Ik was nogal sterk en kon samen met mijn zusje heen en weer roeien. Ik wist precies waar de sloten lagen en met de roeispaan kon ik voelen of ik nog over de sloot voer.

Op een dag was het erg mistig, je kon niks zien, en ons bootje was weg… Mijn zusje begon te huilen. Ik zei haar dat ze op de dijk moest gaan zitten en moest wachten tot ik terug was. Ik heb toen een ander bootje gehaald en daar ben ik samen met mijn zusje mee naar huis geroeid. Ik moest goed oppassen dat ik niet in de mist verdwaalde.

Ik ben nog eens heel bang geweest… Ik was in het veld bezig met de paarden toen ik een geluid hoorde boven mijn hoofd. Ik keek omhoog en zag dat er een luchtgevecht gaande was: twee vliegtuigen die elkaar beschoten. Dit overleef ik niet, dacht ik. Ik was ver weg van de boerderij en de paarden werden onrustig. Ik heb ze uit het tuig gehaald en ze laten lopen. Zelf rende ik over de landerijen en sprong ik over de sloten naar huis, zo bang was ik dat ik zou worden neergeschoten.’

Wat heeft u gedaan toen de oorlog voorbij was?

‘Toen we op 5 mei opstonden, werd er gezegd: trek je mooie kleren aan. Maar het werd helaas geen feestje want we hoorden overal knallen. We stonden voor onze boerderij en zagen dat de brug van Steendam werd opgeblazen. Die vloog wel 200 meter de lucht in… Als ik erover praat, zie ik nog die bloedende luchten voor me.

De oorlog was een nare tijd. We hebben vijf jaar opgesloten gezeten en moesten in de avond om 8 uur thuis zijn. Ik heb daardoor geen mooie jeugd gehad. Ik had geen uitjes, geen schoolreisjes, geen contact met andere meisjes in het dorp. Kan je je voorstellen dat je in een de klas zit met mensen die je kunnen verraden? Het was nergens veilig, vooral voor Joden niet.’

 

Archieven: Verhalen

‘Met oma op de kar zijn we onder granaatvuur gevlucht naar Wirdum’

Adam Voetman (1928) was 12 jaar toen de oorlog begon en woonde met zijn ouders en zus in Appingedam. Aan Jordy, Kiandro en Kirsten vertelt hij zijn verhaal. De leerlingen van het Eemsdelta College in Appingedam luisteren aandachtig.

Waar was u toen de oorlog uitbrak?
‘Dat was 10 mei 1940, toen was ik bij een tante in Wirdum. We luisterden naar de radio en hoorden dat de Duitsers Nederland waren binnengevallen. De oudste zoon van mijn tante was militair in Haarlem, en daar werd op dat moment gebombardeerd. Mijn tante raakte helemaal van de kaart. Ik ben toen op de fiets naar huis in Appingedam gegaan. Ik was nog jong, 12 jaar.’

Was u ook bang in de oorlog?
‘In de oorlog woonde ik met mijn zus en mijn ouders aan de Prins Hendrikstraat.
Door het nieuws dat de Duitsers Nederland waren binnengevallen, was ik heel bang geworden. Ik was zo bang dat ik op mijn fiets steeds achterom keek of er Duitsers aankwamen. Ik dacht: straks komen er Duitse soldaten achter mij aan, maar die waren er toen nog niet.

In oorlogstijd mocht je geen radio hebben, maar mijn vader had onze radio stiekem in de kast staan en we luisterden naar de Engelse zender. Wij hoorden: Geachte luisteraars, ons land zal nooit een Duitse provincie worden, hier Radio Oranje.

Ik was ook bang voor mijnen. Zo is mij bijgebleven dat veel wegen waren voorzien van mijnen. Het was gevaarlijk want als je niet goed liep dan konden ze ontploffen. De mijnen lagen als een dambord, als vierkanten verspreid. Ik heb een keer gezien dat een tank op een mijn was gelopen en daardoor helemaal was verwoest.’

Heeft u moeten vluchten?
‘Bij de bevrijding moesten wij evacueren. De Canadezen in Appingedam werden beschoten door de Duitsers vanuit Nansum, dat ligt vlakbij Appingedam, en vanuit Fiemel, dat ligt bij Termunten, en vanuit Borkum, een eiland voor de Duitse kust.
Toen Appingedam zo onder vuur kwam te liggen, zei het gemeentebestuur dat alle bewoners de stad moesten verlaten.

Mijn opa en oma woonden destijds bij ons. Mijn oma liep niet meer zo goed, ze waren ook al in de tachtig. Gelukkig had een buurman een handkar achter zijn huis staan. Ik heb toen de handkar gepakt en met oma op de kar zijn we, samen met een tante en haar drie kleinkinderen, onder granaatvuur gevlucht naar Wirdum.

We moesten 6 kilometer lopen naar het huis van mijn tante in Wirdum, dat duurde ongeveer een uur. We hoorden dat er werd geschoten en gebombardeerd. We dachten dat het er veiliger was, tot ook Wirdum werd beschoten vanuit de hoge toren in Farmsum. Bij die beschieting zijn veertig Canadese militairen gesneuveld, dat heb ik allemaal gezien.

Moet je nagaan, die soldaten waren helemaal van Canada naar Normandië gekomen en toen naar ons in Wirdum, waar ze alsnog sneuvelden. We zijn gaan kijken bij de begrafenis van de militairen. Ik weet nog dat er doedelzak werd gespeeld.’

Archieven: Verhalen

‘Dat gebrul kan ik nog steeds horen’

Sophia, Jesper, Caitlyn en Thijs van basisschool De Romte in Tytsjerk bezoeken meneer Rinse Rinsma (87). Hij was drie jaar toen de oorlog begon. Hij heeft de eerste jaren van de oorlog niet bewust meegemaakt. Hij had een broertje en een zusje en woonde aan het begin van de oorlog in Gorredijk. In 1943 verhuisde het gezin naar Nieuw-Schoonebeek  naar een huis met een grote schuur.

Bent u bang geweest in de oorlog?
‘In het begin niet, toen was ik te jong om het te beseffen. In 1943 verhuisden we naar Nieuw-Schoonebeek aan de Duitse grens. Daar weet ik nog vrij veel van. We liepen naar school, een vriendje en ik. Ik was een jaar of zes. Het was kilometers ver, want het was een lang dorp. We liepen onder een grijze lucht van vliegtuigen, het waren Engelse en Amerikaanse vliegtuigen die onderweg waren naar Duitsland. Het gebrul van de vliegtuigen kan ik nog steeds horen. Dat is een geluid dat je nooit meer vergeet.’
‘Wat ik ook nog weet, is dat we op een gegeven moment het gierende geluid van een vliegtuig hoorden, dat scheerde vlak over het dak van ons huis. Bij de overburen, bij boer Nanning, kwam het zo’n vijftig meter achter zijn huis in de grond terecht. De Engelse piloot was er met de schietstoel uitgekomen en die zat bij ons in de boom. De Duitsers stonden onder de boom met hun geweren in de aanslag om hem te arresteren, dat was wel beangstigend.’
‘Na de oorlog heb ik wel nachtmerries gehad van vliegtuigen die overkwamen. Ik hoorde dan het geluid van die vliegtuigen weer en in die dromen viel ik dan altijd uit een vliegtuig. Gelukkig landde ik dan altijd wel zacht in een berg hooi.’

Heeft u ook last gehad van de hongerwinter?
‘Wij hebben niet echt honger gehad, we woonden tussen de boeren. Die boeren slachtten soms stiekem een dier en brachten dat bij ons. Want ze dachten dat de Duitsers vast geen inval bij ons zouden doen, omdat er een Duitse kapitein bij ons in huis woonde.  Dan brachten ze ’s nachts de geslachte varkens bij ons achterom en daar kreeg onze mem dan ook wat van. Ik weet nog dat wij daar als kinderen kleine worstjes van kregen, heerlijk! De Duitse kapitein is er gelukkig nooit achter gekomen, want die ging altijd door de voordeur.’
‘Wat ik me verder nog herinner, is dat vrouwen uit het Westen met lege kinderwagens naar de boeren bij ons in de buurt gingen, ze probeerden aan eten te komen. Ze kwamen helemaal lopend naar ons, in het Oosten. Ze waren soms wel dagen onderweg. Ze ruilden dan sieraden voor boter of meel. Als ze dan weer terug naar huis liepen werd het eten soms door de Duitsers afgepakt, omdat de Duitsers dat nodig hadden. Dat was zo gemeen.’

Zijn er ook mensen omgekomen die u kent?
‘De vader van mijn vrouw was, net als mijn vader, ook politieagent. Van de Duitsers kreeg hij opdracht om mensen op te pakken voor de Arbeitseinsatz, om in Duitsland te gaan werken. Maar de avond en nacht tevoren waarschuwde hij de mensen dat er een razzia zou komen en dat is hem fataal geworden. In september 1944 is hij verraden. Hij werd opgepakt in Veenwouden en is naar het Talmahûs gebracht. Daar mocht mijn schoonmoeder nog een pakje met brood brengen. Wat mijn vrouw altijd zei: ‘Hij reed toen in een auto voor ons huis langs met de handen op de rug gebonden.’ Dat kon zij niet zien, maar hij kon alleen maar met zijn hoofd knikken. Hij werd naar het Huis van Bewaring in Leeuwarden gebracht. Mijn schoonmoeder ging er elke dag op de fiets, vanuit Veenwouden, naar toe om hem te zien, maar ze werd niet binnengelaten. Toen op een dag, en dat is zo gemeen, zeiden ze tegen haar: ‘U mag wel doorlopen’. Maar toen was de cel leeg. Haar man was toen onderweg naar St. Nicolaasga. Als vergelding voor omgekomen Duitse soldaten in Friesland werden vier gevangenen, waaronder de vader van mijn vrouw, naar St. Nicolaasga gebracht en daar gefusilleerd. Hij kwam thuis in een kist met een watje in het oog. Dat is mijn vrouw altijd bijgebleven. Ze was toen net zes jaar. Mijn vrouw wilde er perse later niet naar toe, naar het huis van bewaren De Blokhuispoort, de herinnering was te heftig voor haar.’

 

 

 

Archieven: Verhalen

‘Mijn vriendjes en ik marcheerden met de Duitse soldaten mee’

Tessa, Naud en Christian van OS de Romte in Tytsjerke interviewen meneer Piet Postma, die de oorlog in Sumar meemaakte, maar al weer lange tijd in Tytsjerk woont. Hij was twee jaar oud toen de oorlog begon. Piet woonde in een boerderij (stjelpke) met zijn ouders, vier zusjes en twee broers. Hij was de op één na jongste. Soms hadden ze vee, zes koeien bijvoorbeeld, maar dan ook weer een poosje niet.

Was het spannend in de oorlog?
‘Dat viel wel een beetje mee. Wel hebben we drie keer achter elkaar Duitsers in huis gehad; inkwartiering noemden ze dat. Dat was dan een peloton van ongeveer dertig soldaten. Die sliepen in de schuur. Maar ze waren allemaal heel aardig. Ik kreeg wel eens een snoepje van één van deze soldaten. Er was ook een oudere soldaat bij, die noemden ze papa. Hij dronk wel eens een kopje thee bij ons in de kamer. Hij was aardig, hij wilde helemaal niet vechten.’

‘Soms marcheerden er Duitse soldaten door de straat en zongen ze soldatenliedjes. Ik liep daar dmet mijn vriendjes achteraan en wij zongen de liedjes mee. Ook al kenden wij helemaal geen Duits. Wij hadden dan een pan op ons hoofd als helm en droegen een eigengemaakt geweer. De soldaten vonden dat wel prima, ze waren wel vriendelijk naar de kinderen toe.’

Wat aten jullie in de oorlog?
‘Wij hebben nooit honger gehad in de oorlog. Hier in het dorp hadden we wel genoeg te eten. We hadden een klein tuintje, mijn vader verbouwde zelf groente. We hadden ook worteltjes. Ik weet nog dat die Duitse soldaten dat zagen en die trokken de wortels uit de tuin en aten ze op. Dat vond mijn moeder niet zo leuk. Dus die zei tegen de commandant: ‘uw soldaten eten mijn wortels op.’ Nou, die heeft zijn mannen even toegesproken en toen mochten de soldaten absoluut niet meer in onze groentetuin komen.’

‘Verder was er een boer in Sumar en die wilde geen melk leveren aan de soldaten. Dat was Freerk Weima, hij woonde tegenover de school. Eén van zijn kinderen zat bij mij in de klas. Hij wilde dus geen melk geven. Hij deed mee aan de melkstaking en hij gooide de melk in de sloot. Daar werden die Duitsers zo kwaad om, toen hebben ze hem doodgeschoten. Dat was op 4 mei 1943, hij was 36 jaar. Er is in Sumar een monument van een omgekeerde melkbus dat hier nog aan herinnert.’

Wat is u het meest bijgebleven aan de oorlog?
‘Mijn vader slachtte wel eens stiekem een schaap in de oorlog. Want de mensen wilden wel graag een stukje vlees. Maar als je door een Duitse soldaat op de fiets aangehouden werd en je had vlees bij je, dan werd je misschien wel opgepakt. Mijn vader was wel handig; hij had dan vlees in kranten gewikkeld met een zak eromheen en dat had hij achterop de fiets. En daar moest ik dan op zitten, bovenop dat pakketje met vlees. Als er kinderen bij waren, werd je niet zo snel aangehouden. De Duitse soldaten waren namelijk wel aardig tegen kinderen. Dus ik moest van mijn vader verplicht achterop die fiets zitten.’

‘Verder kan ik me de bevrijding nog heel goed herinneren, ik was toen al wat ouder. Ik weet nog dat er muziek was, ik zag toen voor het eerst een grammofoon en ik dacht: ‘Wat is dát voor ding?’ En er was een weiland waar de mensen witte kleding droegen met een oranje sjerp over hun borst. Wat ik verder nog weet van de bevrijding is dat er een Duitse soldaat achtergebleven was, hij had zich verstopt in een huis. De andere Duitse soldaten waren al weg. Toen hebben ze hem gevonden en moest hij op de tank van de Canadezen gaan staan en zijn ring afdoen. Dat vond ik best wel erg om te zien, ik zie dat nog voor me. Maar dat gebeurde toen.’

 

 

Archieven: Verhalen

‘Mijn vriendje Albert en ik hebben ons op de wc opgesloten’

Meneer Oeds Venema is een jaar oud als de oorlog begint en hij weet van de beginjaren van de oorlog niet zo veel. Zijn herinneringen beginnen als hij ongeveer vijf jaar oud is. Hij is enig kind en woont dan met zijn ouders in een boerderij op de Lytse Geast in Tytsjerk. Adriana, Niels en Roan van basisschool De Romte in Tytsjerk interviewen meneer Venema.

Had u last van de hongerwinter?
‘Nee, want we hadden zelf een boerderij. Dus we hadden wel melk en onze vader maakte zelf turf. Andere mensen hadden wel honger. Er kwamen wel mensen met de trein uit Leeuwarden en die haalden dan melk bij de boeren. Dat hadden ze nodig voor hun kinderen. Want alles was op de bon, zoals brood en suiker. Vooral in de steden hadden ze daar last van. Meneer Roelofsen uit Leeuwarden kwam met de trein van vijf uur, dat noemden we dan de melktrein. Hij kwam bij ons melk halen voor zijn zoons van 12 en 14. De vriendschap is altijd gebleven.’

Waren er ook Duitsers in Tytsjerk?
‘Ik weet nog dat er Duitse soldaten voorbij marcheerden, een man of veertig. Die kwamen van Bergum en gingen via Zwartewegsend door naar Leeuwarden. Die hadden van die kistjes aan met ijzeren hakken eronder. Op de stenen klonk dat heel hard, dat was een hels kabaal. Mijn maat Albert, hij was net als ik 5 jaar, en ik lagen dan achter de heg naar de soldaten te kijken. Dat vonden we heel indrukwekkend.’
‘Een paar dagen later kwam er weer een bataljon voorbij met Duitse soldaten. Deze keer met gasmaskers op. Ik denk voor een oefening. Dat leek heel eng. Albert en ik waren zo bang dat we naar de wc zijn gevlucht, daar hebben we onszelf opgesloten. We waren nog heel jong en dat leek zo verschrikkelijk. Dat vergeet ik nooit weer.’

Heeft u ook spannende dingen meegemaakt in de oorlog?
‘Ik was met m’n vader, m’n oom Wietse en met m’n neef achter de kerk riet aan het snijden. Het was februari of maart. We zouden om een uur of twee, drie naar huis gaan, want de koeien moesten weer gemolken worden. De goederentrein van Leeuwarden naar Groningen kwam voorbij en er kwam een Engelse straaljager aan en die begon de trein te beschieten, want misschien zat er wel oorlogsmateriaal van de Duitsers in de trein. Hij vloog weg en kwam weer terug om de trein opnieuw te beschieten. De trein bleef gewoon doorrijden. M’n vader zei: ‘platliggen in de greppel!’ Dat was wel heel spannend om mee te maken als klein jongetje.’

‘Wat ook wel spannend was, was dat mijn vader in de oorlog moest werken voor de Duitsers, in Drenthe. Dat was voor de arbeidsdienst. De boerenarbeider paste dan op onze boerderij. De jonge mannen liepen echt gevaar om naar Duitsland te worden gestuurd om daar bijvoorbeeld in de wapenfabrieken te werken. En die werden vaak gebombardeerd. Mijn vader was 44, dus die dacht dat hij te oud was om naar Duitsland te worden gestuurd. Ook onze buurman en nog een paar mannen uit het dorp moesten greppels graven in Drenthe waar de geallieerde voertuigen dan in vast moesten komen te zitten. Er was daar een Duitse soldaat die zei dat ze extra hard moesten werken als de officieren van de Wehrmacht kwamen kijken. Hij wilde namelijk niet naar het front worden gestuurd, hij wilde helemaal niet vechten.’

 

Archieven: Verhalen

‘Als jong baasje ging ik snel op de fiets de onderduikers waarschuwen’

Jeldau, Anniek, Vince en Wietze van basisschool De Romte in Tytsjerk bezoeke meneer Oebele Leistra (95). In de oorlog woonde meneer Leistra op de Súderein in Tytsjerk, dichtbij het tankstation. Hij woonde er met zijn ouders, zijn oudere broer en zijn broertje en zusje. Meneer Leistra was 11 jaar toen de oorlog begon.

Heeft u ook Duitsers gezien in de oorlog?
‘Ja, goede Duitsers ook. Naast ons huis verbleef een poosje een groep Duitsers. Op een dag kwam er een Duitse soldaat bij ons thuis en hij ging op zijn knieën bij mijn zusje zitten. Hij vertelde dat hij een zoontje van twee had, ongeveer net zo oud als mijn zusje, en dat hij hem nog nooit gezien had. Hij keek verdrietig. Hij wilde liever thuis zijn dan oorlog voeren.’
‘Ook kwam er eens een Duitse soldaat samen met een SS’er bij ons in de timmerfabriek in Burgum, daar werkte ik toen als jongen. Hij richtte zijn geweer op ons en schreeuwde iets, ik weet niet wat precies. Later die dag kwam de Duitse soldaat terug, hij was alleen. Hij vroeg ons om vergeving. Hij zei dat hij niet anders kon, omdat de SS’er erbij was.’

Wat deed u in de oorlog?
‘Ik was 11 toen de oorlog begon, ongeveer jullie leeftijd nu. Ik kwam net van de basisschool en ik kon bij de timmerfabriek van Harm de Boer in Burgum aan het werk. Maar er was bijna geen hout, dus maakten we kinderspeelgoed en sierradendoosjes. Dat was mijn plekje in de oorlog. Mijn baas, dat wist ik eerst niet, zat bij de ondergrondse, bij het verzet. Als jong baasje kon ik gaan en staan waar ik wilde, de Duitsers hadden het niet gemunt op jongens van mijn leeftijd. En als er een razzia door de SS’ers kwam,  kreeg mijn baas een seintje. Want er zat iemand bij de SS’ers op kantoor in Glinstra State met een dubbelrol. Ik ging dan snel op de fiets naar Eastermar om de onderduikers te waarschuwen. Dan fietste ik terug en kwam op de terugweg de overvalwagen van de Duitsers tegen en dacht bij mezelf: ‘ha, jullie zijn mooi te laat.’
‘Aan het eind van de oorlog was er geen hout meer voor speelgoed. We zetten dan in de timmerfabriek vaak nieuwe zolen onder de klompen, want de zolen raakten versleten. Ik bracht de klompen weer terug in een grote zak achterop de fiets. Onderin die zak met klompen zaten ook wel eens blaadjes, van die illegale. En soms ook wel eens revolver. Die moest ik dan bij een timmerman in De Westereen brengen, die zat ook in het verzet. Dat deed ik als een jongen van ongeveer 14 jaar in de oorlog. Mijn ouders wisten van niks, anders mocht ik natuurlijk nooit weer naar de timmerfabriek. Ik heb het ze pas na de oorlog verteld.’

Heeft u ook angst gekend in de oorlog?
‘In het begin dacht ik: ‘De Duitsers moesten eens weten wat ik allemaal doe.’ Dan was ik ook wel een beetje bang. Op het laatst wende het wel om er op uit te gaan om mensen te waarschuwen en werd het steeds makkelijker. Ik deed altijd een ander jasje aan of ik had een alpinomuts of een pet op, zodat de Duitsers mij niet zouden herkennen.’
‘Eén keer ben ik trouwens wel heel bang geweest. Ik ging toen met paard en wagen naar Leeuwarden en moest langs een Duitse controle. Het was bij een muur. Onder die wagen zat een geheim vakje waar spek in zat verborgen. Maar we hadden ook nog een varkenskop en die paste daar niet in. Die hadden we daarom onder het hooi op de wagen verstopt. Een Duitse soldaat prikte bij die controle met zijn geweer in het hooi, maar hij stak net naast de varkenskop, dus die hebben ze niet gevonden. Anders hadden ze me opgepakt en had ik hier misschien niet meer gezeten. Ik lustte later nog wel een stukje spek, maar ik wilde nooit meer iets van een varkenskop eten.’

 

Archieven: Verhalen

‘Mijn vader verstopte zich in het luik met een zak aardappelen er bovenop.’

Jesper, Rayan, Iris en Elin van basisschool De Romte in Tytsjerk gaat bij meneer Henk van der Laan (91) op bezoek. Hij was 7 jaar toen de oorlog begon. Hij had een ouder en een jonger zusje en woonde in Leeuwarden, dichtbij de Wijbrand de Geeststraat.

Hoe was het leven in de oorlog?
‘In het begin van de oorlog was er in het noorden van Nederland nog niet heel veel aan de hand. We hadden voldoende te eten en we gingen gewoon naar school. De laatste periode van de oorlog konden we niet naar school, want daar zaten Duitsers in. Er waren toen veel Duitsers in de stad en soms werd je staande gehouden: ‘Halt, Ausweis!’ Dan moest je je persoonsbewijs laten zien. Ook werd het eten schaarser tegen het einde van de oorlog. Met name in de steden. We hadden mensen uit Tiel, die bij ons logeerden, omdat het in het zuiden van Nederland veel erger was. Eerst kwamen er twee mannen, toen een paar kinderen. Ze waren helemaal vermagerd en knapten bij ons weer op.’
‘Verder hadden we thuis niet een wc, zoals we nu kennen. De wc was een houten schuurtje dat achter het huis stond. We liepen dan buitenom. Je behoefte deed je in de ton. Op een avond, het was al donker, zat mijn vader op de wc, op de ton dus. Ineens kwamen er twee politieagenten over de schutting geklommen, mijn vader schrok zich wild. Ze zeiden: ‘Nu weten we eindelijk waar dat licht vandaan komt.’ In de oorlog moest het ’s avonds namelijk overal donker zijn, de gordijnen moesten dicht, er mocht geen kiertje door schijnen. Anders konden de geallieerde vliegtuigen zien waar ze waren. Wij hadden een nieuw zolderraam en we waren helemaal vergeten dat af te plakken. Er scheen zo een rechte straal omhoog en de politie was al een tijd op zoek naar het huis waar die lichtstraal vandaan kwam. Gelukkig was het goede politie en kwamen ze mijn vader alleen waarschuwen. Maar hij schrok wel enorm toen hij op het tonnetje zat.’

Waren er ook razzia’s bij u in de straat?
‘Jazeker, dan kwamen de Duitsers binnen en zochten ze naar mannen vanaf 18 jaar. Die werden meegenomen door de Duitsers om te werken in Duitsland. Soms stonden ze ineens midden in de nacht naast je bed, dat heb ik wel eens meegemaakt. Maar ik was pas 10 jaar, dus ik kon niet opgepakt worden, maar mijn vader wel. Mijn vader verstopte zich in het luik in de vloer en er werd een zak aardappelen bovenop gelegd, zodat het luik niet zichtbaar was. Gelukkig hebben de Duitsers dit nooit geweten en hebben ze mijn vader nooit gevonden. Mijn moeder was altijd heel alert als er werd aangeklopt, want er woonden twee NSB’ers bij ons in de buurt. Dan deed ze snel mijn vaders koffiekopje weg, anders zouden ze er alsnog achter kunnen komen dat mijn vader thuis was.’
‘Ik weet nog dat mijn vader een poosje ondergedoken zat op een boerderij. Op een avond kwam er een man bij ons aan de deur, hij kwam binnen. Het bleek mijn vader te zijn, hij had een baard laten staan, ik herkende hem niet eens. Hij kwam even langs om te kijken hoe het met ons was.’

Heeft u bombardementen meegemaakt?
‘Tijdens de laatste periode van de oorlog werd vliegveld Leeuwarden gebombardeerd. Als het luchtalarm ging, moesten we op school in rijen gaan staan en tegen de muur aanzitten. Dat was veiliger. Gelukkig kwamen de bommen niet op onze school, maar ik was wel bang dat dat zou gebeuren.’
‘Er is wel een bombardement in onze straat geweest. Hierbij kwamen zeven mensen om, waarvan een leraar van onze school. We weten nog steeds niet wie de bommen geworpen heeft, maar het verhaal ging dat niet de Duitsers, maar de Nederlanders deze bommen hebben geworpen. Er was namelijk in onze straat een kazerne met huizen eromheen. Deze kazerne en de huizen waren in beslag genomen door de Duitsers. Dit was hun kwartier, waar ze een kantoor hadden en ze sliepen er ook. Het verhaal gaat dat de Nederlanders dit kwartier wilden bombarderen, maar de overkant van de straat geraakt hebben, waardoor de juist de burgers in de straat hebben geraakt in plaats van de Duitsers.’

 

 

 

Archieven: Verhalen

‘Ik vond het heel erg om te zien hoe mijn neven werden afgevoerd’

Jeen, Sido en Doortje van basischool De Romte uit Tytsjerk gaan bij meneer Goos Postma op bezoek om hem te interviewen. In de oorlog woonde meneer Postma in een boerderij op de Súderein in Tytsjerk, samen met zijn ouders en drie oudere broers. Hij was twee jaar toen de oorlog begon.

Heeft u ook spannende dingen beleefd in de oorlog?
‘Ik ben van 1938, dus ik heb het begin van de oorlog niet bewust meegemaakt. Maar ik kan me zeker nog wel spannende momenten herinneren. Op een nacht is er een Engels of Canadees vliegtuig rakelings over onze boerderij gegaan. Die was neergeschoten door de Duitsers. Verderop in een poel is het vliegtuig neergestort, dat was wel eng. Mijn ouders gingen ernaartoe, maar het vliegtuig was al weggezakt. Een koe van ons is wel geraakt door een stuk blik van dat vliegtuig, zijn buik was helemaal open. Ik zie haar nog staan bij ons achter, ze moesten haar afmaken.’

‘Een andere keer waren we ook wel erg bang. Er was een bataljon van zo’n twaalf Duitse soldaten. Ze stopten aan de overkant van de straat, daar was een brede berm. Het was rond etenstijd, ze gingen zitten en wat eten. Als kinderen wilden we daarbij kijken. Ze hadden brood bij zich. Onze buurman had een hond en die liep ook langs die soldaten en de hond pakte ineens een brood. Eén van die Duitsers pakte toen zijn geweer om op de hond te schieten, maar die kon net op tijd bij ons achter het huis komen, dus hij heeft hem gelukkig niet geraakt. Maar het was wel even spannend.’

Heeft u geheime dingen gedaan in de oorlog?
‘Nee, ik was nog heel jong. Maar we hebben wel eens stiekem een varken geslacht bij ons thuis. Dat mocht toen niet. De Duitsers wilden dat al het vee geregistreerd werd en je mocht zeker niet dieren slachten zonder toestemming. Mijn heit had dan van de twaalf biggetjes stiekem maar elf geregistreerd en die twaalfde hield hij wat apart en die werd na een poosje geslacht. Het was november, de slachtmaand. Mijn mem bereidde dat vlees dan en dan kwam het spek op zolder te hangen. De rook van de kachel ging door het spekhok en dan werd het spek gerookt. En als het helemaal gaar was, dan mochten wij er een stukje van hebben. Dat was zó lekker. Maar het was wel gevaarlijk, je kon ervoor opgepakt worden. Later in de oorlog hadden we stiekem een radio. Dat mocht natuurlijk ook niet van de Duitsers.’

Heeft u wel eens een razzia meegemaakt?
‘Er woonden bij ons op de buurt allemaal Postma’s, dat was allemaal familie. Mijn oom had vier zoons, dat waren mijn neven dus. In die tijd werden jonge mannen opgepakt om in Duitsland te gaan werken. En daarom hadden mijn neven een hol gemaakt in de hooischuur en daar konden ze zich dan in verstoppen. Op een keer kwamen er Duitsers aan de deur en mijn oudste drie neven hadden zich verborgen in het hooi, de jongste niet, want die was te jong om in Duitsland te gaan werken. Maar de Duitsers hebben mijn jongste neef toen geschopt en geslagen, want ze wilden dat hij vertelde waar zijn broers waren. Hij schreeuwde het uit en uiteindelijk heeft hij verteld dat zijn broers in het hooi zaten. Toen zijn de jongens afgevoerd. Dat vond ik echt heel erg, dat was heel spannend allemaal.’

‘Eerst kwam er één neef terug. Je herkende hem bijna niet, hij was zo vermagerd. Zijn hoed bleef niet meer op zijn hoofd zitten, maar zakte helemaal over zijn oren. Hij had in een Duits kamp gewerkt. De Duitsers hadden de gevangenen op een schip in Emden gezet om naar de Oostzee te brengen om het daar te laten zinken. Dat was het verhaal tenminste. Uiteindelijk kwamen alle drie neven terug gelukkig, maar niet tegelijk.’

 

 

 

Archieven: Verhalen

‘Ik was een baby en heb mijn heit nooit gekend’

Myrthe, Andries en Fenna van basisschool De Romte in Tytsjerk reizen naar Bakkeveen, een half uur met de auto van hun school. Ze bezoeken mevrouw Anneke van der Schaaf-Santema (85). Zij was een jaar toen de oorlog begon en woonde op een boerderij op de Lytse Geast in Tytsjerk. Het interview is in de ochtend, maar ze krijgen chips van mevrouw Van der Schaaf en haar man.

Wat is er in de oorlog met uw heit gebeurd?
‘Het was in de begindagen van de oorlog, mei 1940. In Friesland zaten de Duitsers al, Noord-Holland was nog vrij. De Nederlandse militairen verdedigden de afsluitdijk en de Friese kust om te voorkomen dat de Duitsers over de afsluitdijk verder konden trekken naar Noord-Holland. Mijn heit vocht bij de Wonsstelling. De stelling bestond uit met hout en modder gemaakte versterkingen, die ook wel molshopen werden genoemd. Er waren geen kuilen en loopgraven en de grote bulten waren goed zichtbaar voor de Duitsers. De Nederlandse militairen hadden weinig bescherming en waren een makkelijk doelwit. Het is daar dat mijn heit werd neergeschoten. Hij is toen naar het ziekenhuis van Alkmaar gebracht, daar heeft hij nog een paar dagen geleefd. Mijn mem is daar nog één keer bij hem geweest, maar het was een hele reis om daar te komen, omdat de Duitsers net ons land bezet hadden. Mijn heit, Pier Santema, is op 1 juni 1940 overleden. Hij was nog maar 30 jaar. Ik was een baby van 1 jaar en heb hem nooit gekend.’

Wat weet u nog van uw heit?
‘Eigenlijk weet ik heel weinig van mijn heit. Er werd vroeger bijna niet over gepraat. Ik heb alleen foto’s van hem. Ik weet niet eens hoe zijn stem klonk of hoe hij was. Hoe het verder is gegaan met de begrafenis en zo, weet ik niet. We waren nog zo verschrikkelijk klein. Ik was 1 jaar, bijna anderhalf jaar, toen hij overleed. Mijn broertje was een half jaar oud en mijn grote broer was drie. Mijn mem had het ook erg druk; drie kleine kinderen en een grote boerderij. Gelukkig hadden we wel boerenhulp, maar er moest nog steeds veel gebeuren.’
‘Mijn heit zijn naam staat op het oorlogsmonument bij Kornwerderzand. Elk jaar gaan we naar de herdenking, die begint daar al om 18.00 uur in plaats van 20.00 uur. Er worden dan kransen gelegd. Dat is een erg belangrijk moment voor mij. Het is toch daar waar mijn vader heeft gevochten voor Nederland. Het graf van mijn heit was eerst in Tytsjerk en is later verplaatst naar het Militair Ereveld Grebbeberg in Rhenen. Zijn botjes kwamen in een kistje.’
‘We hebben na het overlijden van mijn heit nog negen jaar op de boerderij gewoond. Mijn mem werd toen ziek en kon niet meer beter worden. Ze is op een Sinterklaasavond overleden, ik was tien jaar. Ik heb toen een kleedje voor haar geborduurd. Dat kwam in de kist. Onze mem wilde graag dat mijn broertjes en ik bij elkaar bleven en daarom gingen we met z’n drieën naar het weeshuis. Het Old Burger Weeshuis in Leeuwarden. Voordat we daarnaartoe gingen was er nog ‘boelguod’ (boelgoed) waarbij al ons vee en de inboedel werd verkocht.’

Hoe was het in het weeshuis?
‘We zaten in een mooi, groot herenhuis. Het was een heel rijk weeshuis, ze hadden wel vijftien boerderijen. Mevrouw Van Harinxma thoe Slooten zat in het bestuur, ze was van adel. Wel heel aardige mensen. Eens per jaar was er een groot feest van het bestuur en hun gevolg. Dan was er een groot diner en mochten wij bij de tafels langs om te kijken hoe mooi het was. We hadden het er goed. Twee of drie keer per jaar kwam de tandarts. Ook de huisarts kwam regelmatig langs voor onderzoek. Er was een naaiwinkel en een keukenmeid. En we hadden er een ‘vader’ en een ‘moeder’, die hadden daar de leiding.  Moeder was een erg leuke vrouw, ze was heel lief. We sliepen met zo’n vijf meisjes op een kamer. Het was anders dan bij ons thuis in het gezin, maar ik heb het er wel fijn gehad. Mijn oudere broer Rienk moest er wel erg wennen, want hij wilde graag de boerderij overnemen en dat kon nu niet meer. Op zondagmiddag gingen we altijd naar mijn pake en beppe in Goutum, ze waren voogd over ons. Het waren de ouders van mijn mem.’

 

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892