Archieven: Verhalen

‘De oorlog was voor mijn ouders nooit echt voorbij; dus ook niet voor mij’

Jeanette Loeb, geboren na de oorlog, heeft de impact van de oorlog altijd gevoeld in haar leven en opvoeding. Tijdens een gesprek met leerlingen van de Twiske School deelt ze haar familiegeschiedenis. Esmée, Nola, Boaz en Jarod luisteren aandachtig naar het verhaal over de reis van haar moeder als 12-jarig meisje van Berlijn naar Amsterdam de ontmoeting van haar ouders in concentratiekamp Theresienstadt en de blijvende invloed van deze oorlogservaringen op haar leven.

Hoe is uw moeder van Berlijn naar Amsterdam gereisd en hoe heeft ze dit ervaren?
‘Mijn moeder is geboren in Berlijn, was twaalf toen ze alleen op de trein werd gezet. Haar moeder mocht niet mee; de Nederlanders weigerden haar een visum. Haar oudere broer was al eerder gevlucht naar Zuid-Afrika en schreef hun dat ze moesten komen. Mijn oma probeerde via Nederland te reizen, maar kreeg geen toestemming. Mijn moeder kreeg wel een visum en een verre oom in Amsterdam zou haar opvangen. Bij de Nederlandse grens nam de Duitse douane haar papieren af. In Amsterdam werd ze door de politie tegengehouden en naar een kindergevangenis gebracht. Haar oom deed er alles aan om haar vrij te krijgen, wat negen maanden duurde. Toen ze eindelijk bij de haven stond, was er geen boot of ticket meer naar Zuid-Afrika. Ze heeft haar moeder nooit meer gezien.’

Hoe hebben je ouders elkaar ontmoet?
Mijn vader was 22 en mijn moeder pas 16 toen ze elkaar leerden kennen in het kamp. Ze moesten werken in de keuken, waar ze eten kookten voor honderden mensen. Veel hadden ze niet, wat aardappels en wat kool. Voor de hele dag kregen ze een klein stukje brood en een kommetje soep. En toch, tussen het werken door, werden ze daar verliefd.
Mijn ouders zaten in een kamp in Tsjechië, in Theresienstadt. Mijn moeder was stateloos. Geen paspoort, geen nationaliteit. En toen kwam het bericht: de volgende dag vertrok een trein naar Auschwitz. Iedereen zonder papieren moest mee. Mijn moeder was pas 18. Niemand kon iets doen.  Tegen de soldaat die met haar sprak zei ze: ‘Ik ga trouwen; met Paul!’  Hij liep weg, kwam terug en zei: ‘Akkoord, je hoeft niet mee.’ Zo zijn ze gered. Ze moesten trouwen, want dat had ze gezegd. En zo zijn mijn ouders getrouwd. In het kamp.’

Hoe zag het leven in het concentratiekamp eruit?
Mijn ouders zaten in een concentratiekamp in Tsjechië. Daar hebben ze elkaar leren kennen. Mijn vader was net afgestudeerd, mijn moeder nog een schoolmeisje en werkten beiden in de keuken. Overleven was het enige dat telde. De dagen waren zwaar en ze moesten zestien uur per dag werken. Op een dag kwam er een trein vol aardappelen – niet voor de gevangenen, maar voor de bewakers. Mijn vader moest helpen lossen en zag een kans. Hij stopte stiekem twee aardappelen in zijn broekspijpen van zijn pofbroek, één voor hem en één voor mijn moeder. Maar toen draaide hij zich om… en daar stond een bewaker. Mijn vader dacht dat het voorbij was. Gelukkig liep de bewaker weg. Later bleek hij ook een gevangene, een Tsjech die tegen de Nazi’s was. Die avond kookten mijn ouders de aardappelen op een klein kacheltje. Een feestmaal in een wereld van honger en uitputting. Overleven was een gevecht; elke dag opnieuw.’

Hoe heeft de oorlog jullie gezin beïnvloed?
‘Pas toen ik in de veertig was, begon ik te begrijpen waarom mijn ouders nooit over hun verleden spraken. Thuis voelde het anders dan bij anderen. Bij de buren was het warm en gezellig, bij ons was het koud. Mijn ouders waren aardig en zorgden goed voor me, maar er waren geen knuffels, geen open gesprekken. Als kind stelde ik geen vragen, maar ik voelde dat er iets was. Ik deed gewoon mijn best om lief te zijn en niet op te vallen.
Toen ik ouder werd, liep mijn leven steeds vast. Mijn opleiding mislukte, mijn huwelijk strandde en ik wist niet waarom. Op advies van anderen ging ik in therapie. Een psycholoog vroeg: ‘Wat betekent het voor je dat je Joods bent?’ Die vraag zette alles in gang.
Mijn ouders hadden de oorlog overleefd, maar keerden terug naar een land waar niets meer voor hen was. Familie was verdwenen, hun huis ingenomen, bezittingen gestolen. Ze vertrouwden niemand meer. Mijn vader vond werk waarbij we steeds moesten verhuizen, uit angst om herkend te worden. Hij zei ooit: ‘Voor ons begon de onderduik pas na de oorlog.’
Hun angst en afstandelijkheid bepaalden hoe ik opgroeide. De oorlog was voor hen nooit echt voorbij, en daardoor ook niet voor mij. En het ergste is: dit gebeurt nog steeds.’

Archieven: Verhalen

‘Ik wilde na mijn opleiding teruggaan’

Mevrouw Yvonne Terborg komt naar de Sint Antoniusschool in het centrum van Amsterdam, waar Zep, Maxime, Sil en Carmen haar opwachtten om haar te interviewen. De leerlingen bieden eerst een kopje thee aan en daarna gaat het interview van start.

Waar ging u naar school?
‘Mijn ouders werkten en woonden in het binnenland van Suriname, dat was echt de jungle. Freek Vonk gaat heel vaak naar Suriname, laatst zag ik een filmpje waarin hij een miereneter redt van een krokodil. Er is nog heel veel natuur daar, dat willen ze beschermen.’
‘In het binnenland had je huizen met daken van bladeren en mensen slapen in hangmatten, dus niet op een bed. Wij hadden wel een redelijk groot huis, maar er was maar een slaapkamer en een woonkamer en we sliepen op een grote mat in de slaapkamer.’
‘In het binnenland was geen school, dus als je leerplichtig was, dan moest je naar de stad. Dat was een dag lang varen. Toen wij 6 of 7 jaar waren, gingen we in de stad bij tantes wonen om naar school te gaan. Ik begon meteen in de tweede klas, want in het binnenland had ik al les gehad van mijn vader en moeder, dus ik was al voorbereid op de school. In de vakanties gingen we naar onze ouders. Het was heel leuk om daar naartoe te gaan, maar het was niet leuk om terug te gaan, we wilden liever bij onze ouders en broertjes zijn.’

Heeft uw familie met slavernij te maken gehad?
‘De stamvader van mijn moeder was een plantage-eigenaar, dus een slavenhouder en die kreeg een zoon met één van de slavinnen, dat was mijn opa, die was dus half wit half zwart. Toen hij werd geboren, was de slavernij net afgeschaft. Voor zover we hebben kunnen uitzoeken, weten we dat mijn vader afstamt van totslaafgemaakten, maar we weten niet precies waar zij vandaan kwamen.’

Hoe vond u het om naar Nederland te gaan?
‘In 1975 kwam ik hiernaartoe, toen was ik 28. Ik ben toen een paar maanden gebleven, maar ik wilde liever naar Suriname, want Suriname is een ontzettend leuk land. Het is lekker weer, iedereen heeft een groot huis met een erf. Maar ik kwam hier, omdat een deel van mijn familie al hier was, en om voor schoonheidspecialiste te studeren, want in Suriname kon dat niet. Omdat Suriname een kolonie van Nederland was, had ik al een Nederlands paspoort en ik sprak de taal.’
‘In Suriname had ik een kapperszaak en dat ging goed. Ik wilde uitbreiden met een schoonheidssalon. En toen kwam ik hier om een opleiding tot schoonheidsspecialist te doen. Dat was in 1981. Toen was het ook echt niet leuk meer in Suriname, omdat de militairen de macht hadden gegrepen. Desi Bouterse heeft toen een aantal mensen, die heel belangrijk waren voor het land, doodgeschoten. Dat waren de decembermoorden. Het was mijn bedoeling om na mijn opleiding terug te gaan, maar door die moorden ben ik hier gebleven. Dat is nu ongeveer 40 jaar geleden, dus ik woon langer hier dan dat ik in Suriname gewoond heb.’

Archieven: Verhalen

‘Ik heb me hier nooit helemaal thuis gevoeld’

Xing Chen, Luca en Simone van de Sint Antoniusschool in Amsterdam-Centrum, interviewen mevrouw Wieneke van Stenis. Mevrouw Van Stenis is naar school gekomen en heeft veel foto’s van haar haar familie bij zich. Er volgt al snel een gezellig gesprek en de kinderen ontdekken dat mevrouw Van Stenis zich nooit helemaal heeft thuis gevoeld in Nederland.

Bij wie bent u opgegroeid?
‘Bij mijn vader en moeder, met een zus en een oudere broer. We zijn allemaal in Indonesië geboren. Bij ons thuis werkten mensen en ik kan me de kok nog heel goed herinneren. Ze haalde de steentjes uit de rijst, dat duurde een half uur. Dat deed ze heel rustig. En ik zat daar naar te kijken. Mijn moeder had die rust niet. Die kokkie, weet ik nog, daar was ik dol op.’
‘Ik heb daar op school een jaar Maleis geleerd, maar op de scholen spraken ze ook Nederlands, want het was een kolonie van Nederland. Mijn vader werkte voor de Nederlandse Handels Maatschappij, dat is nu de ABN AMRO bank. En ze hadden een heleboel bedrijven onder zich. Er werd heel veel geld verdiend door Nederlanders in Indonesië. In het begin vooral met nootmuskaat, maar later nog veel meer.’

Waarom bent u naar Nederland gekomen?
‘Eerst was Indonesië een kolonie van Nederland en toen kwam de oorlog en Japan begon Indonesië in te pikken van de Nederlanders. Omdat er veel olie in de grond zat, daar konden ze geld mee verdienen. Ze zetten de Nederlanders in kampen, maar toen kwam de atoombom en toen vochten de Japanners niet meer en werd iedereen bevrijd. Maar Indonesië zei ”We willen de Nederlanders niet meer, we zijn onafhankelijk”. Dus toen moesten wij naar Nederland.’

Hoe was de reis naar Nederland?
‘Op het schip naar Nederland was het heel leuk. Ik was iets jonger dan jullie. Voor de kinderen hadden ze allemaal spelletjes. Er was een speciale speelkamer op de boot. Toen we over de evenaar gingen werd er feest gevierd. Dan werden we gedoopt. We kregen water over ons heen en dan deden we spelletjes, zoals appels happen en zaklopen. We gingen over het hele schip lopen met vlaggetjes. Dat was een hele leuke reis. Voor maar mijn ouders was het niet zo leuk, maar dat wist ik niet.’

Wat vond u van Nederland?
‘Ik weet het niet zeker, maar ik denk dat ik Nederland helemaal niet leuk vond. Je weet het niet echt als kind, maar je voelt het wel en ik voelde me nooit helemaal thuis. In indonesië was ik geboren en toen ik hier kwam moest ik ineens Nederlands zijn. Ik woon hier wel, ik ben Nederlands, ik spreek Nederlands, maar ik heb me hier nooit helemaal thuis gevoeld. Op school vonden ze mij ook vreemd, die hadden zoiets van “Wat doen die Indiërs hier?” Soms zeiden ze ‘pinda’ tegen mij. Dus ik was verlegen en trok me een beetje terug.’

 

Archieven: Verhalen

‘De moordenaar Bouterse is overleden’

Susannah, Omar en Azzurra lopen vanaf de Sint Antoniusschool in Amsterdam-Centrum naar meneer Romeo Hoost, want hij woont vlakbij. Meneer Hoost heeft Surinaamse frisdrank en koekjes voor de kinderen gehaald. Als iedereen aan tafel zit vertelt hij alles over zijn leven.

Waar bent u geboren?
‘Ik ben in Suriname geboren en ik ben op Curaçao opgegroeid. Het was de tijd dat vele Surinamers naar Curaçao trokken. Daar was Shell gevestigd, de oliemaatschappij. Mijn vader was elektricien en ging bij de Shell werken. Surinamers kregen van de Shell om de vier jaar betaalde vakantie naar Suriname. Mijn moeder mocht eigenlijk niet reizen, want ze was negen maanden zwanger van mij, maar ze heeft de KLM voorgelogen dat ze pas zeven maanden zwanger was. Dus ze ging toch. Ik heb begrepen dat ze om acht uur ’s avonds in Paramaribo aankwamen en ik werd twaalf uur ’s nachts geboren, dus ik ben in Suriname geboren. Na twee maanden ging ik als baby mee terug naar Curaçao.’

Wat was het verschil tussen Curaçao en Suriname?
‘Een groot verschil is dat ze Op Curaçao onderling Papiamento spraken, terwijl Curaçao ook onder Nederland valt. In Suriname praten ze Nederlands. Maar als je naar Nederland komt om de studeren, dan kunnen Surinamers makkelijker aansluiten, omdat ze de taal al beter spreken. Alleen op scholen in Curaçao mocht je geen Papiaments praten, zelfs in de pauze niet. En als je dat toch deed, moest je vijftig keer opschrijven “Ik mag geen Papiamento praten”, “Ik mag geen Papiamento praten”.’
‘Sranantongo is het Surinaams. Tegenwoordig zijn er een heleboel woorden, die in het Nederlands worden gebruikt, bijvoorbeeld feti, maar dat is Surinaams. En duku betekent geld. Een biku is fiets, En Amsterdam noemen ze Damska, Den Haag wordt Aka genoemd en Rotterdam, Por foto.’

Heeft u een trauma gehad?
‘Ja, dat kun je wel zeggen. In 1982 werden er vijftien mensen in Suriname vermoord. Waaronder de voorzitter van de vakbond, waar ik toen voor werkte. Ik was op dat moment in Brussel, op een congres. Daarna ben ik nooit meer teruggegaan. Ik zou eigenlijk teruggaan na twee weken, maar door die situatie was ik gedwongen om in Nederland te blijven, want het was te gevaarlijk geworden. Ik zou best terug willen gaan, maar ik heb gezegd dat ik pas terugga als de moordenaar achter slot en grendel zit. Maar nu is Bouterse, de moordenaar overleden. Toch kan ik nog niet terug, want daar in Suriname, was Bouterse een lieveling van de mensen. Hij is zelfs, nadat hij de moorden heeft gepleegd, nog tot president gekozen. Omdat ik daar kritiek op heb, word ik bedreigd in Suriname, dus ik wil nog steeds niet terug.’

Wanneer ging u weg van Curaçao?
‘In 1975 was de onafhankelijkheid van Suriname en toen ging ik daar weer op vakantie. Ik zei toen: “Als ik binnen twee weken een baan vindt, dan blijf ik in Suriname.” Iedereen lachte me uit, want Suriname betaalde slecht en Curaçao betaalde goed. Met mijn eerste baan in Suriname verdiende ik ook niet zoveel, zelfs de eigenaar van het bedrijf lachte me uit. Maar ik zei: “Ik ben een nationalist. Ik vind dat je het nationalisme met daden moet praktiseren en niet met woorden’

Weet u of iemand in uw familie vroeger totslaafgemaakt was?
‘Mijn oma was de dochter van een slavin. Als we op vakantie waren in Suriname, gingen we bij haar logeren. Een mooie pikzwarte vrouw. En dan vertelde ze de verhalen uit slaventijd, want ze kon zo mooi vertellen. Ze vertelde hoe ze als kind op de plantages moest werken. Ook kinderen moesten werken in de hete zon. Planten, koeien melken en verzorgen. Het was een grote plantage. Maar ze vertelde niet over de straffen, die ze kregen. Men praat daar niet graag over. Na de afschaffing van de slavernij, bleven ze ook op de plantage werken, omdat ze niks anders hadden.’

‘Ik ben trots hoe ze in een paar generaties het leven hebben opgebouwd en wat mijn ouders en grootouders hebben bereikt. Hoe ze in die moeilijke tijd hun kinderen en kleinkinderen zover hebben gebracht om in de ze positie te komen waar we nu zijn.’

Archieven: Verhalen

‘Ik hoop dat ik het slavernijmuseum voor mijn voorouders kan maken’

Paul, Ifesi, Colette en Romaissa van de Sint Antoniusschool in Amsterdam-Centrum interviewen meneer Paul Amoksi. Paul zit al klaar in de docentenkamer op school als de leerlingen binnen komen. Nieuwsgierig gaan ze bij hem aan tafel zitten en starten met de eerste vraag.

Hoe oud was u toen u naar school ging?
‘Met 4 jaar ging ik naar school. Er waren twee dorpjes naast elkaar en het schooltje stond er tussenin. En daar moest ik naartoe lopen. Vanaf mijn zevende ging ik naar het internaat een stuk verderop. Ik vond het niet leuk. Ik was dan twee of drie maanden weg bij mijn ouders. We hadden geen auto’s er waren ook geen wegen voor auto’s. Het was in het bos en als je ergens naartoe wilde, dan moest je met een boot, een korjaal, een soort kano. Toch ben ik, als ik nu kijk, wel heel blij dat ik daar was. Want daar heb ik geleerd wat ik wilde doen. Ik wilde architect worden. Gebouwen ontwerpen.’

Hoe vond u het op het internaat?
‘In het dorpje, waar het internaat was, waren allemaal Nederlandse mensen. Zij kwamen daar vanuit hun geloof om ons te steunen. Op zondag gingen we naar de kerk en daarna waren we vrij. Zaterdag moesten we werken; schoonmaken en planten. Dat was ook leuk, het was een boerderij met koeien en schapen. En doordeweeks gingen we naar school. Om 13:00 uur waren we klaar en dan gingen we volleyballen of voetballen. Bij het internaat stonden grote mango bomen. We plukten de vruchten en in de pauze aten we ze. Er waren ook avocado’s en kokosnoten en watermeloenen en sinaasappels. Het groeide aan de bomen, dus we hoefden er niks voor te betalen.’

Waarom woonden uw ouders langs de rivier?
‘De reden waarom mijn ouders langs de Cottica rivier woonden is, omdat ze vanaf de plantage waar ze werkten het bos in zijn gevlucht. Het enige wat ze wilden, was weg van die plantages, het harde werken en zweepslagen. En die mensen vluchtten heel diep het binnenland van Suriname in, heel diep in het bos. Het tropisch oerwoud is heel dicht en heel donker en er zitten enge beesten, slangen, jaguars en kaaimannen. Het is geen plek om te zijn. Maar ze gingen allemaal langs de rivier wonen, zodat ze konden varen. Die mensen die gevlucht zijn, worden nu Marrons genoemd. Dus die onderdrukking, hebben mijn voorouders niet echt gekend, omdat ze gevlucht zijn en ik ben een nakomeling van die mensen.’

Hoe voelt het als je weet dat je voorouders tot slaafgemaakten waren?
‘Vreemd. Ik weet niet uit welk gebied in Afrika mijn voorouders zijn gekomen. Voor veel mensen geeft dat een probleem. Je bent wel in Suriname, maar je weet dat je eigenlijk in Afrika zou moeten zijn. Dus in dat land waar je nu zit, is eigenlijk niets van jou, want daar kom je oorspronkelijk niet vandaan. Mijn naam Amoksi is een Surinaamse naam. Die naam hebben we dus gekregen, nadat we uit Afrika in Suriname waren aangekomen. Tot slaafgemaakten werden uit Nigeria gehaald, maar ook uit Malie, Senegal. Dus we zijn familie van de Afrikanen. Donkere mensen kwamen allemaal uit Afrika.’

Is dat niet racistisch om te zeggen?
‘Je mag wel zeggen dat iemand donker is, maar mensen zijn meer dan hun huidskleur. Maar als ik de hele dag denk “oe ze gaan me discrimineren omdat mijn huidskleur donker is”, dan blijf ik de hele dag binnen. Als iemand problemen heeft met mijn huidskleur dan is dat zijn of haar probleem.’

Wanneer kwam u naar Nederland?
‘Op mijn 24ste kwam ik naar Nederland. Toen ben ik eerst zeven jaar hier gebleven, met heel veel heimwee. Na zeven jaar ging ik terug om mijn moeder te zien. Ik miste alles, zelfs het eten. Ik ben zelf maar gaan leren Surinaams koken. Roti is zo lekker, dat maak ik zelf, met kouseband. Maar nu gaat het goed en ben ik gewend. En er komt een slavernijmuseum. Omdat ik architect ben, doe ik mee aan de wedstrijd om dat gebouw te mogen maken. In het museum gaan we vertellen over hoe het was om in slavernij te leven. Iedereen moet weten wat er gebeurd is, maar voor de Surinaamse mensen is het anders. Zij moeten verder gaan. Wij zijn kinderen van tot slaafgemaakten, maar wij zijn zelf geen slaven. Onze voorouders waren slachtoffers, maar wij moeten zorgen dat we zelf geen slachtoffers zijn van het hele verhaal. Dus ik ben nu hier, ik ben architect, ik heb die kans. Mijn voorouders hadden die kans niet. En ik hoop nu dat ik dat slavernijmuseum voor mijn voorouders kan maken.’

 

 

 

Archieven: Verhalen

‘Ik werd beschermd opgevoed in een groot huis’

Zaria, Jaiden, Lina en Jiro van de Sint Antoniusschool in Amsterdam-Centrum gaan bij meneer John Rade op bezoek. Meneer Rade heeft veel kunst in zijn huis, die met Nederlands-Indië te maken heeft. Ook heeft hij Indische hapjes klaargezet, zoals spekkoek en emping, een soort bittere chips.

Hoe was het leven van uw ouders in Nederlands-Indië, voordat de oorlog begon?
‘Mijn oma had een paar zussen en die waren allemaal schatrijk. dat kwam door de plantages, die ze altijd in de familie hadden gehad. Mijn vader was architect, die was voor de oorlog met de zus van mijn oma getrouwd, maar daarvan is hij gescheiden. Na de oorlog ontmoette hij mijn moeder en zijn ze getrouwd. Toen ik geboren werd, was mijn vader al 60.’
‘Mijn oma was met een militair getrouwd, dat was dus mijn opa. Hij ging er met het geld vandoor en ging in Zuid-Frankrijk wonen. Mijn oma moest toen met haar kinderen bij één van haar zussen wonen. Die zus was getrouwd met de resident van Bantam. Die woonde in een paleis, dus mijn moeder heeft als kind ook in dat paleis gewoond. Maar toen brak de oorlog uit en moesten mijn moeder en oma in een interneringskamp. Ze hebben drie jaar opgesloten gezeten. Ze moesten elke dag in de brandende zon buiten staan en het was bloedheet. Ze moesten gebogen staan in de richting van Japan. Als je niet goed stond, kreeg je een slag met bamboe en soms werd iemand onthoofd. Het voedsel was heel slecht, veel mensen werden ziek. Mijn oma is overleden in het kamp.’

Wist u als kind wat er was gebeurd?
‘Nee, van die hele moeilijke tijd in Indonesië heb ik niks meegemaakt.  Ik werd zeer beschermd opgevoed in een groot huis met tien slaapkamers. Er waren veel bewakers, maar daar weet ik niks meer van. Later, toen we in Nederland waren, hebben mijn ouders er nooit over verteld. Mijn moeder heeft maar een keer gezegd dat haar familie heel rijk was. Haar overgrootvader was zakenlord, daar was ze trots op. Maar mijn ouders moesten vooruitkijken. De Nederlandse overheid ving ons niet echt goed op, dus ze hadden geen tijd om aan het verleden te denken.’

Waarom zijn jullie naar Nederland verhuisd?
‘In 1945 was Indonesië onafhankelijk van Nederland en mijn vader wilde wel er wel blijven, maar toen kwam Nederland in 1947 met 150-duizend militairen, want Nederland wilde niet dat Indonesië onafhankelijk zou zijn. We moesten vertrekken naar Nederland. Dat betekent dat we alles moesten achterlaten en de bootreis moest je zelf betalen. Dus mensen kregen schulden.’
‘De boot ging langs Egypte, het Suezkanaal, de Middellandse zee over naar Amsterdam. In het Suezkanaal waren bootjes van het rode kruis, die gaven gratis kleding. Mijn vader was architect en had in Indonesië veel huizen in zijn bezit. Hij had die verkocht en het geld omgezet naar goud. Toen we op de boot naar Nederland gingen, verstopte hij dat goud in de wieg van mijn zusje, onder het houten stuk van de wieg. Daardoor kon hij in Nederland een huis kopen.’

Hoe was het voor u in Nederland?
‘We kwamen aan in Nederland en wat mij opviel, was dat Nederlanders niet gastvrij waren. Als je ging spelen met Nederlandse kindertjes en het was etenstijd moest je naar huis. Maar omgekeerd, als ze bij mij waren, dan werd je uitgenodigd om mee te eten. Maar ik heb in Nederland niet echt discriminatie meegemaakt, alleen werd ik wel als pinda poepchinees uitgescholden.’
‘Mijn vader is overleden toen ik 9 was, dus toen zeiden mijn ooms en tantes dat ik me als vader moest gaan opstellen. Want ik had nog jongere broertjes en zusjes. Ik miste wel de genegenheid van mijn moeder, want ze gaf alle aandacht aan die jongere kinderen.’

Archieven: Verhalen

‘Op de boot was het heerlijk’

Eliza, Timur, Sarah en Adriano, leerlingen van de Sint Antoniusschool in Amsterdam-Centrum, gaan met de tram naar meneer Frank van den Berg om hem te interviewen. Meneer Van den Berg ontvangt hen met een brede glimlach. Op de tafel heeft hij al foto’s en boeken uitgestald om tijdens het gesprek te laten zien.

Wat voor werk deed uw vader?
‘Mijn vader was een zendeling en wilde het Christendom naar Nederlandse Indië brengen. Dat was en is een Moslimstaat. Vroeger dachten wij in de westerse wereld dat mensen in andere landen gelukkiger konden worden met ons Christelijk geloof. Ik ben geboren in een ziekenhuis in de buurt van Malang, in Nederlands-Indië. We hebben toen nog negen maanden in een mooi wit huis op Malang gewoond. Mijn vader nam altijd foto’s, maar er zijn niet veel foto’s van mij, want hij is opgepakt toen ik vijf maanden oud was. Hij is in het kamp overleden en ik heb hem nooit meer gezien. Ik was 9 maanden toen ik samen met mijn moeder werd geïnterneerd door de Japanners. Alle Hollanders werden in kampen opgesloten achter prikkeldraad. Dat heeft tweeënhalf jaar geduurd, tot mijn vierde jaar. Doordat ik zo jong was, heb ik aan deze periode geen actieve herinnering, maar mijn moeder heeft er later over verteld.’

Wat vertelde uw moeder?
‘We zaten met drie gezinnen in een kamer op dat kamp en als er een Japanner binnen kwam, moesten de vrouwen diep buigen. Als ze dat niet deden, werden ze geslagen of meegenomen en soms ook vermoord. Maar soms hadden de vrouwen niet snel genoeg in de gaten dat er een Japanner binnen kwam en dan riep ik in het Japans: ‘Kirie!’ Dat betekent ‘buig’. Ik was heel alert.’
‘Toen we uit het kamp waren, zijn we met een grote oceaanstomer terug naar Nederland gekomen. Mijn jongste herinneringen zijn van de boot. Op de boot was het heerlijk. Ik maakte papieren scheepjes die ik kon laten varen in de goot van het overtollig zeewater. Ik heb van de boot later een model gevonden om met papier na te bouwen.’

Hadden jullie veel meegenomen naar Nederland?
‘Toen we in Nederland kwamen, hadden we helemaal niks: zes zilveren lepeltjes en de fotoboeken. In die boeken kon ik zien hoe mijn oudere broers een mooi leven hadden in het huis op Malang met een tuin en paardrijden, zwembaden en een kerstboom van een houten staketsel omwikkeld met bladeren, want dennenbomen hadden we niet. Ik was wel jaloers op dat mooie leven voor de oorlog. Ik ben later wel als toerist terug geweest naar mijn geboorteplaats Malang en heb het huis gezien. Er woonden Chinezen in.’
‘In Nederland aangekomen, kregen we na een paar weken een te kleine woning in Amsterdam -West aan de Hoofdweg. Toen ik tien was, kregen we een grotere woning in Zuid. Ik kreeg een eigen kamer en hoefde geen kamer meer met mijn broer te delen.’
‘Ik had blond haar en blauwe ogen maar op school, in Nederland, werd ik toch vreemd gevonden, omdat ik uit Indië kwam. Ik werd katjang genoemd, wat pinda betekent. Ik vond het niet zo erg. School vond ik niet echt leuk, huiswerk en ik waren geen goeie combinatie. Toch kwam het wel goed, ik heb rechten gestudeerd hier aan de universiteit en ben rechter geweest.’

Archieven: Verhalen

‘Toen mijn moeder mij na de oorlog kwam halen zei ik tegen mijn pleegmoeder, wie is die mevrouw?’

Morris, Jayden, Meyra, Roan en Yfke van de Twiske school, wonen allemaal in Amsterdam noord, waar de vader van Samuel de Leeuw (1941) in de oorlog werkte bij Hollandia Kattenburg; een regenjassenfabriek. Meneer de Leeuw is geboren in het begin van de oorlog. Zijn vader is in 1942 opgepakt omdat hij Joods was en is uiteindelijk vermoord in het concentratiekamp Auschwitz. Hijzelf bleef alleen met zijn moeder achter, totdat meneer de Leeuw in Heerlen bij pleegouders terechtkwam.

 Waar kwam jij terecht in de oorlog?
‘Ik werd ondergebracht bij een gezin in Heerlen, via het verzet. Deze verzetsgroep bracht 270 kinderen in veiligheid en ze hebben het allemaal overleefd. Daar kwam ik bij mijn pleegouders, die zelf geen kinderen hadden. Ze deden daarom net alsof ik hun zoon was. Ik kreeg ook een andere naam: Baukje. Mijn moeder is later zelf ondergedoken in een grote villa in Heiloo, bij een gezin met drie kinderen, waar ze voor gezorgd heeft. De vader was ondergedoken in de kelder van zijn eigen huis! Zijn kinderen wisten van niets.’

Hoe bracht je je tijd door toen je ondergedoken zat?
‘Als ‘eigen kind’ van mijn pleegouders ging ik gewoon naar school. Ook speelde ik veel op de hei en met andere kinderen van de buurt. Mijn pleegvader maakte houten auto’s voor mij.’

Zijn er familieleden of bekenden doodgegaan tijdens de oorlog?
‘Mijn vader, opa en oma zijn vermoord. Mijn moeder kwam uit een gezin met 11 kinderen, dus in totaal zijn er wel 200 familieleden van mij vermoord in de oorlog aan mijn moeder’s kant en vader’s kant. Omdat ik na de oorlog weinig familie had, voelde ik mij altijd anders;  apart.’

Hoe was de Hongerwinter?
‘In Limburg was er geen Hongerwinter, want Limburg was in september 1944 al bevrijd. In het Westen zijn wel veel mensen overleden (20.000). Mensen verbrandden hun deuren in hun kachels voor warmte en aten hun huisdieren op. En er waren gaarkeukens. De gemeenten gingen keukens maken, waar gekookt werd. Dan stonden de mensen in de rij met een pannetje om eten te halen. Als die grote pannen leeg waren, gingen kinderen vaak nog met hun vingers de pan uitschrapen. Of mensen gingen stelen van andere mensen.’

Heb je na de oorlog nog contact gehad met je pleegouders?
‘Ik was 5 jaar toen mijn moeder mij kwam ophalen na de oorlog. Ik zei toen tegen mijn pleegmoeder: ‘Wie is die mevrouw?’ Ik moest erg wennen omdat ik 1 jaar was toen ik bij mijn pleegouders kwam en ik mijn echte moeder niet meer kon herinneren. Mijn moeder nam mij mee naar Amsterdam, maar ik ging ook nog terug naar Limburg totdat ik in Amsterdam en aan mijn moeder gewend was. Ik heb mijn leven lang contact gehouden met mijn pleegouders en ben hun heel dankbaar wat ze voor mij hebben gedaan. Als de Duitsers erachter kwamen dat je onderduikers had, werd je namelijk doodgeschoten of naar een kamp gebracht. Iedere vakantie ben ik teruggegaan naar mijn pleegouders in Limburg. Ook toen ik zelf kinderen kreeg kwam ik er nog.

Was je bij de Bevrijding op de dam?
Ik was niet op de dam, want ik was nog in Limburg. Ik kan mij wel herinneren dat er tanks met Amerikanen door de straten reden en mensen erachteraan renden en blij waren. De Amerikanen deelden chocolade en kauwgom uit. Mensen hadden heel lang niets lekkers gehad.’

Archieven: Verhalen

‘Mijn vader heeft de hele nacht op zijn knieën in het natte gras de aardappels gezocht’

De kinderen gaan met de fiets van de Twiskeschool naar Tuindorp Oostzaan waar Ton Baardwijk woont. Het is heel koud, dus iedereen is blij dat ze er zijn en het binnen lekker warm is. Heel leuk en bijzonder was het bezoek aan de museumwoning om de hoek bij zijn huis!

Wat weet u van de oorlog?
‘Ik ben de middelste van elf kinderen. Ik ben in maart 1945 geboren, midden in de Hongerwinter. Ik heb toen longontsteking gekregen. Mijn moeder was sterk verzwakt en had geen moedermelk. Er was ook nergens melk te verkrijgen. Ik heb toen acht weken lang suikerwater gehad. Dat werd gemaakt van suikerbieten. Zo heeft mijn moeder me erdoorheen gesleept. Pas in juni heb ik voor het eerst melk gekregen, dat was toen poedermelk. Ik herinner me dus eigenlijk zelf niks van die tijd, maar ik weet wel veel over de oorlog, omdat ik veel werk doe voor het Historisch Archief Tuindorp Oostzaan.’

Heeft uw familie een bombardement meegemaakt?
‘Ja, mijn ouders woonden toen op de Fazantenweg. Dat is in de Vogelbuurt en daar zijn ook bommen gevallen. Bij de Fokker fabriek werden vliegtuigen gerepareerd voor de Duitsers. De Amerikanen hebben toen gebombardeerd, maar helaas zijn de bommen op huizen terechtgekomen. De Duitsers hadden op het dak van de fabriek huizen nagemaakt om de kans op een bombardement te verkleinen. Een paar maanden later hebben de Engelsen de fabriek wel gebombardeerd.

Hoe was het voor uw familie in de oorlog?
‘Er was heel weinig eten in de oorlog, je kreeg eten via bonnen, maar heel veel was dat niet. Mijn moeder had zes kinderen in de oorlog, die moesten wel allemaal eten.We hadden ook allemaal stekeltjeshaar tegen de luizen. Het was geen prettige tijd.
Er werd gestookt met een kolenkachel waar ook op gekookt werd. Mijn oom was slager en die kwam een keer thuis met een half varken onder zijn jas. Dat moest stiekem anders konden de Duitsers het varken in beslag nemen. Mijn vader smokkelde aardappels en meel. Een keer had hij een kar met aardappels en zag hij een auto aankomen met  geblindeerde lampen, waardoor je een klein spleetje licht zag. Hij duwde zijn kar naar de zijkant van de weg en toen viel de kar om. Hij heeft de hele nacht op zijn knieën in het natte gras de aardappels gezocht en kwam daarna ziek thuis. Voor de oorlog heeft mijn vader drie jaar op Curaçao gewerkt bij de Shell en daar heeft hij goed verdiend. Hij was koperslager en maakte koperen leidingen voor de raffinaderij. Mijn vader wilde niet terug naar Nederland, maar mijn moeder wilde niet naar Curaçao. Had ze dat wel gedaan, dan hadden ze de oorlog niet meegemaakt.’

Hoe werd de Bevrijding gevierd?
‘Met feesten in de wijk. Daar heb ik nog foto’s van, maar ik was een baby. Wij zijn altijd in Tuindorp blijven wonen. Wij vermaakten ons met spelletjes zoals pinkelen. Dat is speelgoed dat we zelf maakten. Je slaat met een stok tegen een puntig houten blokje. En dan schoot het blokje vooruit. Dat deden we dan van thuis tot aan school. Ook speelden we ‘bok berry’, dan maakte je een piramide van allemaal kinderen. Als er ijs lag gingen we ‘bochelen’, dat is over het ijs lopen, terwijl dat nog niet sterk genoeg was. Het ijs ging dan op en neer. Soms zakte je dan met een voet erdoorheen en kwam je met een natte schoen thuis. Dat vonden mijn ouders niet leuk en leverde een pak slaag op. Niet alleen vanwege de natte schoen, maar het was natuurlijk gevaarlijk als je door het ijs zakte. Ik heb een broertje verloren die in het kanaal is verdronken. Hij was pas 7 jaar. Mensen maakten van hun munten sieraden zoals armbanden en ringetjes. Anders werden het muntgeld door de Duitsers in beslag genomen.’

 

Archieven: Verhalen

‘In het Verzetsmuseum hangt nog altijd een grote foto van mijn opa’

‘Hier zou ik ook wel willen wonen’ zeggen Tyson, Milou, Reeva en Felix uit groep 7 van de Twiskeschool als ze bij het huis van Janny Praamsma aanbellen. Ze verwent de kinderen met wat lekkers. Mevrouw Praamsma heeft zelf de oorlog niet meegemaakt, maar haar ouders wel. Ze vertelt ook over haar ooms; Antoon en Bertus, de twee oudste broers van haar moeder. Ze werkten allebei in de Fokkerfabriek.

Hoe was het voor uw moeder om zoveel broers en zussen te hebben?
Mijn moeder groeide op in Amsterdam-Noord in een groot gezin. Ze was de middelste en had acht broers en zussen. Toen de oorlog net begon was mijn opa het er helemaal niet mee eens. Hij ging eigenlijk meteen al in het verzet. Hij zag de maatregelingen tegen de Joden en dacht; daar ga ik niet aan meewerken! Mijn opa werkte bij de tram, hij was tramconducteur in Amsterdam. Ze wisten toen nog niet precies wat er met Joodse mensen gebeurde. Hij was één van de eerste mensen bij de tram die gingen staken op dinsdagochtend 25 februari 1941. Dat heet nu de Februaristaking. Hij heeft zijn collega’s opgeroepen om hetzelfde te doen. Door het werk neer te leggen dachten alle mensen ineens wat gebeurt er nou de trams rijden allemaal niet.  De stakers zeiden: ‘we doen dit, omdat we willen dat iedereen weet dat wij ertegen zijn dat alle Joodse mensen worden opgepakt’. In het Verzetsmuseum hangt nog altijd een grote foto van mijn opa.
In diezelfde tijd werd mijn oma ziek, ze kreeg borstkanker waaraan ze overleed. Toen moest mijn moeder op haar 15e al voor het hele gezin zorgen. Best zwaar natuurlijk heeft ze niet verder kunnen leren. De oudste kinderen werkten al allemaal namelijk. De twee oudsten; Antoon en Bertus werkten allebei in de Fokkerfabriek in Amsterdam-Noord.

Wat voor werk deden Antoon en Bertus precies bij de Fokkerfabriek?
‘I
n die fabriek in Amsterdam-Noord maakten ze vliegtuigonderdelen. Tijdens de oorlog dachten de Duitsers dat is handig zo’n fabriek, dus ze namen de leiding over.  Bertus en Antoon wilden helemaal niet voor de Duitsers werken. Ze verzamelden een groep van zeven man om zich heen en met z’n negenen hebben ze vliegtuigonderdelen gesaboteerd, expres verkeerd in elkaar gezet. Een klein beetje maar, anders zou het opvallen, maar genoeg om schade aan te richten. Op een gegeven moment hadden de Duitsers in de gaten dat er iets niet goed was. Ze zijn toen naar het huis van mijn moeder gegaan en hebben het hele huis doorzocht op zoek naar aanwijzingen. Ze vonden niks maar ze hebben wel het hele gezin, alle kinderen en dus ook mijn moeder en mijn opa meegenomen en in de gevangenis gegooid. Er was op dat moment toevallig net een buurman die even een pan soep kwam brengen in de keuken. Hij werd ook meegenomen. De twee kleinste kinderen lagen op dat moment beneden in de kelder lagen te slapen. Die werden alleen achter gelaten. Mijn moeder die vond dat vreselijk. Het idee dat haar kleine broertje en zusje een paar dagen helemaal alleen thuis waren. Ze zijn allemaal ondervraagd. Gelukkig werden ze na een paar dagen vrijgelaten, omdat ze niks vonden. Maar Antoon en Bertus hebben een half jaar gevangen gezeten. Uiteindelijk is de hele groep die bij Fokker saboteerde doodgeschoten.  Op 19 november 1942 zijn mijn ooms in Soesterberg gefusilleerd. Antoon was toen 23 jaar en Bertus 21. In de Twiskebuurt in Noord is een verzetsheldenbuurt en daar is een straat vernoemd naar mijn ooms, De A. en B. Wolfswinkelweg. Als ik vroeger bij mijn opa binnenkwam, stonden er altijd foto’s van mijn ooms meteen in het zicht op de kast. Hij was ook vaak verdrietig. Hij had een speciaal fotolijstje gemaakt en daarin had hij de tekst gekerfd; ‘zij vielen opdat wij konden leven’.’

Hoe was het met uw vader in de oorlog?
Toen de oorlog uitbrak, moest mijn vader in het leger een vrachtwagen besturen. Hij had een groot rijbewijs. Hij vervoerde militairen van de ene plek naar de andere en maakte vreselijk dingen mee. Hij heeft alles opgeschreven. Net voor de oorlog trouwde hij met een Joodse vrouw. Ze werkte in een kapperszaak, maar zij is opgepakt en vermoord in een concentratiekamp. Mijn vader is uit verdriet en woede toen in het verzet gegaan. Hij heeft daar allerlei dingen gedaan; illegale kranten verspreid, spullen bezorgd. Hij moest ook onderduiken.  Via-via kwam hij mijn moeder tegen en werden ze verliefd.’

Wist uw vader ook wie zijn eerste vrouw had verraden?
Ik heb gehoord dat er vlak na de oorlog een man naar mijn vader toe gekomen is die zei: ‘ik weet wie je vrouw verraden heeft’. Kom maar mee dan laat ik je zien waar hij woont.’ Ze zijn toen een eind gaan rijden en bleven op een gegeven moment stil staan. Hij deed het handschoenenkastje open waar een revolver inlag. ‘Je hebt nu de kans, zei hij… Maar mijn vader heeft het niet gedaan.’

 

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892