Archieven: Verhalen

‘De buurman mocht je ook een pak slaag geven’

Ayam, Mandy, Mustafa en Sinem van het Mundus college in Amsterdam Nieuw-West interviewen meneer Sonny Caster. Meneer Caster kwam alleen met het vliegtuig van Aruba naar Nederland. De leerlingen vinden dat heel knap. Hij heeft veel foto’s bij zich en ook een stamboom van zijn familie.

Waar zijn uw ouders geboren?
Mijn ouders zijn in Suriname geboren, maar mijn vader is naar Aruba gegaan, omdat er in Suriname geen werk was. Toen hij een keer op vakantie ging naar Suriname heeft hij mijn moeder ontmoet. Later zijn ze samen op Aruba gaan wonen, getrouwd en hebben vijf kinderen gekregen. Een van die kinderen ben ik.’

Hoe was uw jeugd op Aruba?
‘Toen ik klein was op Aruba, spraken we heel vaak met onze ouders over Suriname. En we werden ook vaak naar een tante of een oom gestuurd, meestal om wat eten te brengen, en dan bleef je daar weer zitten en dan gingen ze met je praten. Ze namen altijd veel tijd om met kinderen te praten en hen uit te leggen hoe de familie in elkaar zit. Ik vond het altijd heel leuk om al die oude verhalen te horen van iedereen. En dan kreeg ik natuurlijk snoep mee als ik weer terug naar huis ging.’

Wat heeft u overgenomen van de Surinaamse cultuur?
‘Het eten en drinken vind ik lekker uit de Surinaamse cultuur, wij werken veel met kip en rijst. Je kunt het vergelijken met de Turkse en Marokkaanse cultuur.’
‘Toen ik naar Nederland kwam, kon ik kiezen: ik kon naar een internaat, een soort studentenhotel of ik kon naar een Nederlands gezin. Ik dacht: ‘Als ik in Nederlands gezin kom, dan leer ik de cultuur veel sneller en veel beter, omdat je gewoon het dagelijks leven van Nederlanders meemaakt.’ Dus ik koos voor een Nederlands gezin en zo ben ik ook in aanraking gekomen met de Nederlands keuken. Veel aardappelen en groenten en niet zoveel vlees in die tijd, maar het was goed. Ik vind het Nederlands eten best lekker.’

Wat zijn de verschillen tussen Surinaamse, de Arubaanse en de Nederlands cultuur?
‘Surinamers en ook Arubanen zijn enorm op familie gericht en Surinaamse kinderen worden zeer beleefd en respectvol opgevoed. In Nederland, toen ik hier kwam, vond ik dat het minder was. Wat me echt opviel was dat kinderen hier ‘jij’ zeggen tegen hun ouders, dat is bij ons absoluut niet. Bij ons zeg je ‘U’. Ook in Suriname, in de buurt waar je woont, noem je iedereen oom en tante. De hele buurt is familie. En toen ik klein was en ik iets verkeerd had gedaan, dan kreeg ik een pak slaag. Ik werd met de riem, hand of met een mattenklopper geslagen. Ook als de buurman zag dat je iets verkeerd had gedaan, dan mocht die je ook een pak slaag geven. Als je vader hoort dat dat is gebeurd, dan heb je de familie te schande gezet. Dus dan moest je je echt schamen. In Nederland is dat allemaal heel anders.’

Heeft uw familie een slavernij-verleden?
‘Ja, van mijn moeders kant heb ik een stamboom gemaakt. In Den Haag heb je een archief, waar je alles kunt opzoeken. Mijn zoektocht gaat terug naar 1803. Ik heb een voormoeder die uit Senegal komt en haar zus ook. Zij waren tot slaaf gemaakten en later hun kinderen waren ook.’

 

 

 

 

 

 

 

Archieven: Verhalen

‘Als baby ging ik mee naar Curaçao’

Milkias, Vadym en Imran van het Munduscollege in Amsterdam Nieuw-West interviewen meneer Romeo Hoost. Romeo komt naar school en heeft veel boeken bij zich om te laten zien. Een boek over Bouterse, maar ook ‘Wij slaven van Suriname’ van Anton de Kom. Meneer Hoost heeft veel meegemaakt, de leerlingen zijn onder de indruk van zijn verhaal.

Wanneer en waar bent u geboren?
‘Ik ben geboren op 16 september 1946. Dus ik ben nu 78 jaar. Ik ben in Suriname geboren. Het was de tijd dat vele Surinamers naar Curaçao trokken. Daar was Shell gevestigd, de oliemaatschappij. Dat bedrijf betaalde goed. Mijn vader was elektricien en verhuisde vanuit Suriname naar Curaçao om bij de Shell te werken. Surinamers kregen van de Shell om de vier jaar betaalde vakantie naar Suriname. Mijn moeder mocht eigenlijk niet reizen, want ze was negen maanden zwanger van mij, maar ze heeft de KLM voorgelogen dat ze pas zeven maanden zwanger was. Ik heb begrepen dat ze om acht uur ’s avonds aankwamen in Paramaribo en ik werd om middennacht geboren. Ik ben dus in Suriname geboren. Na twee maanden ging ik als baby mee terug naar Curaçao.’

Hoe was Curaçao?
‘Het was en het is een mooi eiland. Op Curaçao heb ik wel apartheid leren kennen. Want de Nederlanders, die er voor de Shell werkten, hadden aparte compounds. Dat waren dorpen, die helemaal omgeven waren met muren, en je kwam er niet zomaar binnen als lokale bewoner. Dus daar heb ik apartheid leren kennen, daar woonden Nederlanders van dekoloniale heerser in aparte dorpen.’

Wanneer ging u weg uit Curacao?
‘In 1975 was de onafhankelijkheid van Suriname en toen ging ik daar weer op vakantie. Ik zei toen: “Als ik binnen twee weken een baan vindt, dan blijf ik in Suriname.” Iedereen lachte me uit, want Suriname betaalde slecht en Curaçao betaalde goed. Met mijn eerste baan in Suriname verdiende ik ook niet zoveel, zelfs de eigenaar van het bedrijf lachte me uit. Maar ik zei: ‘Ik ben een nationalist, en ik vind dat je het nationalisme niet praktiseert met woorden, maar met daden.’
‘Eind november 1982 kwam ik naar Brussel voor een congres, ik was voorzitter van de vakbond. Na twee weken zou ik weer teruggaan, maar toen vonden er een moordpartij plaats, door deze man Delano Boutersen, waarbij 15 mensen werden gedood. Toen werd mij geadviseerd om niet terug te gaan naar Suriname. Het was hartje winter, december en er werd mij geadviseerd om een winterjas te kopen, maar ik vond dat ik die niet hoefde, want ik zou toch binnenkort weer teruggaan. Dat is nu 42 jaar geworden. Voilà. Vanaf dat moment ben ik hier in Nederland blijven wonen en heb uiteindelijk toch een winterjas gekocht. Toen ik definitief moest blijven, heb ik mijn vrouw en haar moeder laten halen.’

Kent u iemand in uw familie, die vroeger slaaf was?
’Ja, mijn directe grootmoeder, de moeder van mijn moeder, was een rechtstreekse afstammeling van een slavin en een slaaf. En ze was echt zwart, maar ik vond haar altijd mooi. Als we op vakantie kwamen in Suriname, gingen we een week bij haar logeren. En dan vertelde ze ons verhalen uit haar jeugd, die ze heeft meegemaakt als een slavenkind.’

Gaat u nog wel eens naar Suriname of Curaçao nu
‘Ik heb gezworen dat zolang Bouterse niet achter slot en grendel zit, ga ik niet naar Suriname. Niet dat ik bang was van hem, maar ik vind iemand die crimineel is, die mensen heeft vermoord, achter slot de grendel hoort. Hij is wel veroordeeld, is daarna ondergedoken en is vorig jaar december overleden in zijn schuilplaats. Ik ben een grote tegenstander van Bouterse. Ik heb het principe gesteld. Ik ga niet naar Suriname, zolang hij niet achter de gesloten grenzen zit. Hij is nu overleden. Ik had overwogen om te gaan, maar ik word bedreigd en dus heb ik besloten er niet meer heen te gaan.’

 

 

 

Archieven: Verhalen

‘Je vader heeft veel voor mijn betekend’

Seif, Rana, Dina en Kallista van het Mundus college in Amsterdam Nieuw-West interviewen mevrouw Josine Taus. Mevrouw Taus is opgegroeid in Suriname en ze vertelt hoe het daar was en hoe het voor haar was om naar Nederland te komen. Na het gesprek zegt ze dat ze aan de leerlingen nu al meer heeft verteld, dan ze ooit aan haar eigen kinderen heeft verteld.

Wat herinnert u zich van Suriname?
‘Mijn vader was directeur op een schooltje in een klein dorp. In dat dorp, kwamen kinderen zonder ontbijt op school, dus uit zijn eigen zak betaalde hij brood voor de kinderen. Daarom heeft de school de naam van mijn vader gekregen, de Tausschool, omdat hij zoveel heeft betekend voor die kinderen.’
‘Toen er een keer een feest was op de school, kwam er een dame met een eend onder haar arm op me af, ze zei: ‘Ik heb geen cadeautje kunnen kopen, maar ik heb wel een eend’. Ik kreeg gewoon tranen in mijn ogen. Ik zei: ‘Ah, dat hoeft niet’, maar ze zei: ‘Nee, je vader heeft veel voor mij betekend, neem het mee, ik geef het!’. Dus ik ging met een eend naar huis, ik vond het zo leuk.’

Merkte u dat Suriname een kolonie van Nederland was?
‘Op school hesen we elke dag de Nederlandse vlag en we moesten ook het Nederlandse volkslied zingen. Daar snapten we geen ene hol van. Maar mijn vader was directeur van die school en op zijn school hesen ze twee vlaggen; de Nederlandse en de Surinaamse vlag. En omdat ik zijn dochter was, mocht ik hem vaak helpen met het hijsen, dat vond ik leuk. Ik was nog jong en vond het gezellig. Eigenlijk pas toen ik in Nederland kwam en naar school ging, dacht ik pas ‘Shit, de Nederlandse vlag werd daar gehesen’ en toen pas werd ik bewust ervan dat dat vreemd was.’
‘In 1975 werd Suriname onafhankelijk en toen vroeg mijn vader of we Nederlander wilde worden of Surinamers blijven. We mochten kiezen van hem. Wij kozen ervoor om Surinamer te blijven. En die mensen die Nederland kozen, die vertrokken. Er was een soort leegloop uit Suriname. Mijn vader is altijd in Suriname gebleven, hij hield van zijn land. Ik ben toen ook gebleven, ik kwam wel later gegaan om te studeren.’

Waar kwamen uw grootouders vandaan?
‘Mijn overgrootouders kwamen uit India en Afghanistan, zij waren contractarbeiders. Mensen uit India werden na de afschaffing van de slavernij naar Suriname gebracht en werden geplaatst voor het werk dat de slaven deden. Ze kregen een contract en mochten na afloop van het contract terug naar India, maar mijn familie is in Suriname gebleven.’
‘In India werden ze geronseld. Er werd tegen hun gezegd: “Ga mee naar het land van paradijs, daar is alles geweldig en goed”. Mijn overgrootmoeder was gewoon met haar kind aan het winkelen en toen ze zo’n ronselaar tegenkwam had ze dat kind gewoon daar achtergelaten en  ging ze op de boot naar Suriname. Mijn overgrootvader was gevlucht voor de oorlog in Afghanistan en kwam in India aan. Hij zag een boot em daar is hij gewoon op gestapt. Hij wist niet wat voor boot het was, maar zo kwam hij in Suriname, daar komt mijn naam Taus vandaan. Ik heb dus ook Afganistaanse roots’
‘Mijn vader is grootgebracht door zijn grootmoeder, die uit India kwam. Wanneer die boot uit India aankwam, stonden er aan de kade allemaal mannen de boot op te wachten, die een vrouw uitzochten. Zo is mijn overgrootmoeder ook door een man uitgezocht en die man was rijk, hij had een hele boerderij waar ze gingen wonen. Mijn grootmoeder was kastelein, dus ze schonk drankjes in. Nadat de mannen hadden gewerkt, kwamen ze ‘s avonds bij haar een drankje doen. Het was niet echt een café, maar gewoon een balkonnetje van het huis met wat stoeltjes en krukjes.’

Wanneer bent u naar Nederland gekomen?
‘Ik ben op mijn 18de naar Nederland gekomen om te studeren. De eerste dag in Nederland heb ik veel gehuild, ik dacht: ‘Waar ben ik terecht gekomen?’ In Suriname hadden we een heel groot huis en toen kwam ik hier aanrijden en toen zag ik het appartement, waar ik zou gaan wonen en dacht; ‘Wauw, dit hele pand is voor mij’, maar toen bleek het dat maar twee venstertjes voor mij waren. Toen was ik echt in shock en heb gehuild, maar gaandeweg ben ik er wel aan gewend.’

 

Archieven: Verhalen

‘Nederlanders zijn niet echt gastvrij’

Meneer John Rade is geboren in Nederlands-Indië en was 5 jaar oud toen hij naar Nederland kwam. Vandaag komt hij op de fiets naar het Munduscollege in Amsterdam Nieuw-West met een tas vol boeken over de geschiedenis en foto’s van zijn familie. Leerlingen Akeisha, Boutaina en Bartinia interviewen hem over zijn leven.

Hoe was het leven van uw ouders in Nederlands-Indie voordat de oorlog begon?
‘De moeder van mijn moeder, dus mijn oma, was schatrijk. Dat kwam door de plantages, die ze altijd in de familie hadden gehad. Mijn oma trouwde met een militair, op gegeven moment ging hij er met het geld van door en ging hij in Zuid-Frankrijk wonen. Mijn oma ging toen met haar kinderen bij haar zus wonen en haar zus was getrouwd met de resident van Bantam. Zij woonde in een paleis, dus mijn moeder heeft als kind ook in dat paleis gewoond.’
‘Later, toen de Japanners in Nederlands-Indië waren, moesten mijn moeder en oma in een interneringskamp. Mijn moeder heeft drie jaar opgesloten gezeten. Ze moest elke dag in de brandende zon buiten staan en het was bloedheet. En ze moest gebogen staan in de richting van Japan. Als ze niet goed stond, kreeg ze een slag met bamboe. Het voedsel was heel slecht, veel mensen werden ziek. Mijn oma is overleden in het kamp.’

Wist u als kind wat er was gebeurd?
Nee, als kind wist dat ik niet. Ik ben later geboren en we werden heel beschermd opgevoed in een mooi huis. Ik heb als kind niks van de problemen gemerkt. Ik heb er ook helemaal geen trauma aan overgehouden, maar ik herinner me eigenlijk bijna niets van mijn kindertijd in Indonesië. Ook later hebben mijn ouders er niets over verteld, ze spraken er niet over. Toen we in Nederland woonden, spraken mijn ouders soms Indonesisch met elkaar, zodat wij het niet konden verstaan.’

Waarom zijn jullie naar Nederland verhuisd?
‘Vlak na de Tweede Wereldoorlog, ging Nederland oorlog voeren tegen Indonesië, want Indonesië wilde toen onafhankelijk zijn van Nederland. Nou, dat was een heel gedoe. Op een gegeven moment zei Soekarno: ‘Jullie moeten allemaal het land uit. Of je wordt indonesiër of je vertrekt naar Nederland.’ Dan moest je alles achterlaten; je huis, je spullen en je moest zelfs je eigen bootreis ticket betalen. Mijn vader wilde niet naar Nederland, hij wilde het liefst naar Californië, maar een zus van mijn moeder woonde al in Nederland, dus toen hebben ze toch daarvoor gekozen.’
‘Mijn vader was architect en had in Indonesië veel huizen in zijn bezit. Hij heeft die verkocht en het geld omgezet naar goud. Toen we op de boot naar Nederland gingen, verstopte hij dat goud in de wieg van mijn zusje. Daardoor kon hij in Nederland een huis kopen.’

Voelt u zich meer Indonesiër of Nederlander?
‘Ik was 5 toen ik hier kwam en ik ben nier opgegroeid, maar ik persoonlijk, ik voel me meer Indonesiër dan Nederlander. Ik ben misschien meer een Europeaan. De Indonesiërs werden niet gastvrij ontvangen in Nederland.’
‘Gelukkig konden mijn ouders hier een bestaan opbouwen. Voor onze familie was het niet slecht, omdat mijn vader dat goud had meegesmokkeld, maar andere mensen uit Indonesië werden in kampen opgevangen en ze mochten niet hun eigen Indonesische eten koken, want dat vonden de Nederlanders stinken. Ook kregen de Indonesische mannen die in het Nederlandse leger hadden gevochten hun salaris niet uitbetaald. En zo waren er nog veel meer dingen. Ik ben nog steeds beledigd dat Nederland, mijn familie en alle Nederlanders uit Indonesië zo ongastvrij behandeld heeft.’
‘Mijn grootouders woonden in Zuid-Frankrijk, daar ben ik toen ook even gebleven. Ja, ik zou het liefst in Zuid-Frankrijk zijn, zonnetje, palmbomen. Ik mis dat klimaat wel. Lekker, heerlijk, maar de Fransen zijn ook weer niet zo gastvrij.’

 

 

Archieven: Verhalen

‘Ik zag vliegtuigen neergeschoten worden, de rook zag je naar beneden komen’

Jari, Naïm, Aafke en Juliane van de Twiskeschool in Amsterdam-Noord verheugen zich om Jan  Jansen te interviewen. Meneer Jansen is geboren in december 1940. Hij komt uit een grote familie met negen zussen en één broer. Ondanks dat hij nog een baby was in de oorlog kan hij goed vertellen hoe het thuis was tijdens de oorlog. Hij woonde achteraan in de polders net buiten Tuindorp naast de Duitsers. Zijn vader verbouwde voedsel rond het huis dus ze hadden ze zelf geen honger.

Waar woonden jullie tijdens de oorlog?
Wij woonden in Amsterdam-Noord in de Noorder IJpolder, in een huis op een erf met kruidmagazijnen, waar munitie en kruid werden bewaard. Op het erf mochten geen andere mensen komen. Dit werd bewaakt door een fortwachter. Wij woonden naast hem in een twee-onder-een-kap. Toen de oorlog begon, moest de fortwachter weg omdat het huis door de Duitsers werd overgenomen. Ze kwamen naast ons wonen, maar ze deden ons geen kwaad. De meeste waren jonge mannen, sommige hadden kinderen, en werden naar de oorlog gestuurd. Als ze mij zagen moesten ze aan hun eigen kinderen denken. Waardoor sommige mannen wel eens huilden. Ondanks alles waren ze vriendelijk. Wij hebben de oorlog zonder veel problemen doorstaan. Ik was blij dat ik zusjes en een broer had. Die zorgden goed voor me en dat vond ik leuk. Ik had negen zusjes en één broer. Nu heb ik nog vijf zusjes.’

Zijn er wel eens spannende dingen gebeurd?
Mijn vader werkte als landbouwer en had een jachtvergunning. Toen moesten de Duitsers alle geweren invorderen. Maar mijn zus had de twee buksen van mijn vader gepakt en in het kanaal gegooid. Mijn vader merkte op een dag dat zijn geweren verdwenen waren en vroeg zich af waar ze waren. Hij was in paniek en vroeg wie ze had meegenomen. Toen zei mijn zus dat ze de geweren in het kanaal had gegooid. Dat was natuurlijk niet fijn. Dus gingen ze de geweren uit het water vissen, schoonmaken en uiteindelijk alsnog inleveren.

Hadden jullie een radio?
Alle radio’s moesten ingeleverd worden. Wij hadden zo’n klein radiootje en die hadden mijn ouders verstopt in een wasketel. Vroeger werd de was in een grote ketel gedaan. En daar gingen alle vieze luiers van mij bovenop. Dat rook niet zo lekker. Toen ze gingen zoeken of er een radio was, konden ze niets vinden. Want die ketel met die stinkende luiers, die lieten ze maar staan. Daar stapten ze overheen. Dus zo hebben wij onze radio behouden. Mijn ouders luisterden in de kast naar de radio, heel zacht, zodat de Duitsers het niet zouden merken. Zo konden ze luisteren naar koningin Wilhelmina die Radio Oranje aan het uitzenden was vanuit Engeland.

Hadden jullie genoeg eten?
De Duitsers kochten wel eens vlees en vroegen mijn moeder of ze het voor hen wilde braden. Ze deed dat graag, maar wij hadden zelf bijna niets te eten. Mijn moeder sneed dan stiekem een stuk van het vlees af en bewaarde het voor ons, zodat we af en toe een klein stukje vlees kregen. Als de Duitsers vroegen waarom het vlees kleiner was, zei mijn moeder dat het door het bakken gekrompen was. Zo kwam ze er goed mee weg, want als ze betrapt was, had ze straf kunnen krijgen.
We verbouwden zelf ook veel groenten in onze moestuin, waardoor we zelf voorziend konden zijn. Mijn moeder bakte ook altijd brood. De Duitse soldaten kwamen ook wel eens bij ons thuis voor een kopje thee. Koffie hadden we niet, maar ze brachten dat zelf mee. Ze namen mij op schoot, omdat ze zelf ook kinderen hadden. Niet alle soldaten waren slecht; het waren jonge mannen die gewoon gestuurd waren.’

Heeft u ooit bommen gehoord?
Zo klein als ik was, kan ik mij dat nog goed herinneren. Ik zag vliegtuigen neergeschoten worden, de rook zag je naar beneden komen. Het was niet vlak bij ons, maar in Tuindorp gebeurde dat. Twee vliegtuigen en een bom zijn daar gevallen. Er waren ook volkstuintjes bij Tuindorp-Oostzaan, en daar viel nog een bom. In Landsmeer, verderop, is een bommenwerper neergestort. Daar is ook een monument met een propeller ter herinnering.

Wat is het ergste dat u gegeten heeft wat u nooit meer wilt eten?
Mensen aten tulpenbollen, dat is bijna niet te geloven. Ook suikerbieten, die normaal aan de koeien gegeven worden. Suikerbieten werden gemalen en aan het voer van de koeien toegevoegd. Ik heb het wel eens geproefd, omdat het op het land groeide. Ik haalde de bieten, sneed er plakjes uit en proefde of ze zoet waren. Maar het was niet lekker, zeker niet echt zoet. Tulpenbollen heb ik nooit gegeten, maar sommige mensen hadden geen andere keuze’.

Hoe was de bevrijding?
De bevrijding was een prachtig moment. Ik was een klein jongetje en zat in de polder. Opeens hoorde ik een verschrikkelijk gebrom in de lucht. Het waren honderden vliegtuigen die heel laag overkwamen en voedselpakketten lieten vallen. In die pakketten zaten heerlijke dingen zoals chocolade, die ik nog nooit had gehad, Zweeds brood, blikken biscuit en ‘corned beef’ uit Amerika. Het was heerlijk en ik zal het nooit vergeten.’

 

Archieven: Verhalen

‘Het meisje op school had zo’n gele ster op haar jas en ineens was ze verdwenen’

Sam, Seppe, Benne en Jovany lopen van de Twiskeschool naar het huis van 93-jarige Evert van Voorst. Zijn creativiteit is overal in het huis terug te zien: zelfgemaakte schilderijen sieren de muren, een drumstel staat in de kamer en bovendien heeft hij het huis waarin hij woont zelf gebouwd. Na het interview geeft hij een rondleiding.

Hoe wist u dat de oorlog begonnen was?
‘Ik was zes jaar oud toen de oorlog uitbrak. Echt begrijpen deed ik het toen nog niet, maar het was al een tijd onrustig. Op 10 mei 1940, de ochtend dat de Duitsers Nederland binnenvielen, gingen overal de sirenes af. Het was niet helemaal onverwacht, want sinds Hitler aan de macht was in Duitsland, dreigde er al oorlog. In het begin merkte ik er niet zoveel van. Pas later begon de ellende, vooral toen voedsel op de bon ging. Je kon niet zomaar iets kopen, je had distributiebonnen nodig. Maar zelfs met een bon moest je nog betalen. En het duurde jaren na de oorlog voordat sommige dingen, zoals fietsbanden, weer gewoon te koop waren.’

Hoe was het op school tijdens de oorlog?
‘Op mijn school in Tuindorp-Oostzaan zat maar één Joods meisje. Op een dag was ze er gewoon niet meer. Eerst zie je dat misschien nog niet echt, maar later besef je pas wat dat betekende. Ze had zo’n gele ster op haar jas en ineens was ze verdwenen. Niemand wist wat er met haar gebeurd was. Op school mochten we ook geen Engels meer leren, want dat was de taal van de vijand. Duits leren was niet verplicht, maar luisteren naar Engelse radiozenders was verboden. Als je een radio had, moest je die verbergen, anders kon je flink in de problemen komen.’

Wat deden jullie als het luchtalarm afging?
‘Als het luchtalarm ging en je was buiten, dan moest je zo snel mogelijk een winkel in of naar huis rennen. Op straat blijven was te gevaarlijk. Wij hadden thuis geen speciale schuilplek. We bleven gewoon binnen en hoopten dat het goed zou gaan. Het was een beetje zoals een lockdown, maar dan met echte dreiging. Er is een keer een bom gevallen op het Polluxplein, hier in Tuindorp. Ook hebben we een keer gezien hoe een Engelse piloot met een parachute naar beneden kwam. De Duitsers probeerden hem te pakken te krijgen. Hier in de buurt stonden ook zoeklichten en luchtafweergeschut. Als er vliegtuigen laag overkwamen, schenen ze die zoeklichten erop en dan begonnen de kanonnen te schieten.’

Hoe was het leven in de Hongerwinter?
‘In de Hongerwinter hadden we bijna niks meer te eten. We kregen suikerbieten, maar dat is eigenlijk geen eten. Je kon ze raspen en koken, maar het bleef vies. Iedereen kreeg drie kilo per week. Wij waren met vijf mensen thuis, dus dat was 15 kilo. Probeer dat maar eens thuis te krijgen zonder fiets, want de Duitsers hadden alle fietsen ingenomen.
Mijn moeder is lopend helemaal naar Hoorn en Medemblik geweest om eten te zoeken. Ze nam lakens en andere spullen mee om te ruilen voor aardappelen of graan. Maar dan moest je nog maar zien of je er echt mee thuis kwam. Soms namen de Duitsers het bij de pont gewoon in beslag.
Om een beetje te kunnen koken, hebben we alle deuren van de slaapkamers in stukken gezaagd. Er was amper gas of elektriciteit, dus we maakten kleine kacheltjes waarop we konden koken. Sommige mensen zetten hun fiets op z’n kop, hingen een fietslampje aan het plafond en lieten iemand trappen, zodat er een beetje licht was. Dat was onze verlichting in huis.’

Heeft u mensen gekend die in het verzet zaten?
‘Ja, de broers van mijn moeder zaten in het verzet. Ze hielpen bij het droppen van wapens uit Engeland en deden andere verzetsdingen. Maar na de oorlog waren er ook veel mensen die beweerden dat ze in het verzet hadden gezeten, terwijl dat helemaal niet waar was.
Bij ons in de buurt werden ook razzia’s gehouden. De Duitsers en de Nederlandse politie kwamen dan huizen doorzoeken, op zoek naar onderduikers of mannen die naar Duitsland gestuurd konden worden om in fabrieken te werken. Ze schreeuwden: ‘Kom naar beneden, anders schieten we door het plafond’. Mensen moesten zich verstoppen op zolders en vlieringen, maar als je goed luisterde, kon je hun ademhaling horen. Het was levensgevaarlijk.’

Wat deed u toen de oorlog voorbij was?
‘Toen de oorlog was afgelopen, ben ik meteen de straat op gegaan. Op het Zonneplein werd een groot bevrijdingsfeest gehouden. Iedereen ging de straat op, we hoefden nergens meer op te letten.Maar op de Dam in Amsterdam werd nog geschoten door een groep Duitse soldaten die zich in een gebouw hadden verschanst. Ze wilden zich niet overgeven en schoten op mensen die op straat feestvierden. Na de oorlog bleef distributie nog lang doorgaan. Niet alles was meteen weer te koop. Brood kon je sneller krijgen, maar groente en andere dingen duurden langer, want dat moest eerst weer groeien. Het duurde zeker drie jaar voordat het normale leven weer een beetje op gang kwam.’

Archieven: Verhalen

‘Na de oorlog zag je pas weer lachende gezichten en lichtere kleren’

Met handenvol spullen komt de 83-jarige  Els Burger de Twiskeschool binnen. Ze heeft een map met foto’s en voedselbonnen bij zich en zelfs een kogelhuls.  In een knusse ruimte op school interviewen Louann, Marnix, Sixten en Tycho haar.

Hoe was het om als kind in de oorlog op te groeien?
‘Ik ben geboren in Amsterdam-Noord in de Spechtstraat. Mijn jeugd speelde zich af in de oorlog en dat was helemaal niet makkelijk. Mijn vader moest naar Duitsland om te werken, maar op een gegeven moment hoorden we niks meer van hem. Mijn oom, die was pas 19, is hem achterna gegaan om hem te zoeken, maar hij werd opgepakt en moest werken in een munitiefabriek. Hij probeerde daar te saboteren, maar dat werd ontdekt. Hij werd gevangengezet en mishandeld.’

Heeft u een bombardement meegemaakt?
In 1943 werd onze straat gebombardeerd. Mijn moeder was op de fiets eten aan het halen, dus mijn oma was bij ons. Mijn zusje en ik kropen onder de tafel en daarna naar de wc, want dat was het veiligste plekje. De deur zat helemaal vast, overal lag puin. Op een gegeven moment kwamen er mannen, arbeiders uit de buurt, en die trokken ons eruit. De helft van onze straat was gewoon weg.

Ging u naar school in de oorlog?
‘Op school zaten we met 41 kinderen in een klas, op houten banken. Er stond een kolenkachel in het lokaal en iedere dag kregen we een klein flesje melk om aan te sterken, want we hadden allemaal honger. Op foto’s uit die tijd zie je het goed: de kinderen droegen donkere kleren, afgetrapte schoenen en keken somber. Na de oorlog zag je pas weer lachende gezichten en lichtere kleren.’

Wat aten jullie tijdens de oorlog?
‘Eten was er bijna niet. Mijn moeder moest vaak op de fiets naar boeren om eten te ruilen. Soms gaf ze zeep of sieraden in ruil voor aardappelen of brood. Maar sommige boeren vroegen veel te veel. Uiteindelijk heeft ze ons naar Blijham gebracht, een dorp bij Winschoten, zodat we daar beter te eten hadden. Daar woonden we bij een vreemde familie. Het was even wennen, maar we kwamen er tenminste weer een beetje bovenop.
Na de oorlog kregen we voedselhulp van de geallieerden. Ik weet nog dat we blikken biscuit kregen, en melkpoeder. Mijn tante bewaarde álles, zelfs een blik smeerkaas uit de oorlog. Ik zei eens tegen haar: ‘Gooi dat toch weg!’ Maar nee hoor, ze draaide zich om en stopte me zomaar een hap in mijn mond. Afschuwelijk! Maar ja, die generatie bewaarde alles.’

Had je familie onderduikers of geheimen?
‘We hadden geen onderduikers, maar mijn Joodse vriendinnetje Marleen had een moeder die zich verstopte in een linnenkast. De eerste keer dat ik daar kwam, riep Marleen: ‘Mama, ik ben thuis!’ en toen ging de kastdeur open en kwam haar moeder eruit. Ze was doodsbang, want haar man en zoon waren al weggevoerd en vermoord. Dat maakte veel indruk op mij.
Mijn opa had een radio verstopt achter het bad. Dat was heel gevaarlijk, want je moest alle radio’s inleveren. Hij liet me een keer luisteren naar Radio Oranje en zei: ‘Hier mag je nooit over praten.’ En dat heb ik ook niet gedaan, veertig jaar lang. In onze familie hadden we ook een tante en een oom die bij de NSB zaten. Daar werd nooit over gepraat. ‘Politiek, dat hou je maar voor jezelf’, zei mijn opa altijd.’

Hoe ging het na de oorlog?
’Mijn vader kwam na de oorlog lopend terug uit Duitsland, in een Russische militaire jas. Mijn oom had het zwaar te verduren gehad in de gevangenis. Hij probeerde te ontsnappen, maar werd gepakt. Na de oorlog kreeg hij 8000 gulden omdat hij politiek gevangene was. Mijn vader en moeder kregen niks. Mijn moeder werd zo boos dat ze alle papieren verscheurde.
We leefden nog jaren op voedselbonnen. Ik weet nog dat we tot 1949 bonnen moesten gebruiken om eten te krijgen. Mijn moeder bleef altijd alles bewaren, bang dat er weer een tijd zou komen waarin we niks hadden.
In 1985 hoorde ik een vliegtuig overvliegen, net als vroeger en ineens kwam alles terug. De bommen, de angst, de honger. Dingen die ik eigenlijk naar de achtergrond had geduwd. Ik heb mijn hele leven herinneringen bewaard, foto’s verzameld, want veel mensen weten niet meer hoe het echt was. En ik vertel het graag, want het is belangrijk om niet te vergeten.’

Archieven: Verhalen

‘Als pastoor kan ik niet zomaar om babyspullen bedelen’

Oscar, Siep, Leena en Bo  van De Twiskeschool interviewen Wil Sartorius. Ze is geboren in 1942 in Durgerdam en heeft vier jongere broers. In de oorlog was ze nog een baby, maar ze kan veel over de oorlog in Durgerdam vertellen. Ze kwam niet uit een rijk gezin, maar er werd veel gedeeld en geruild. Mevrouw Sartorius is altijd in Durgerdam blijven wonen in een dijkwoning met uitzicht over het IJsselmeer.

Hadden jullie ruimte voor veel onderduikers?
‘Ze kwamen niet tegelijk, hoor. Er was een jongen die lange tijd bij ons was. Hij zat ondergedoken bij een buurman verderop en toen werd hij verraden. Hij was een Joodse Duitse jongen die voor de oorlog uit Duitsland gevlucht was. Toen hij bij ons kwam, was hij al zeventien, maar hij was veertien toen hij in de Achterhoek ondergedoken was. We woonden in een klein huis met veel mensen en hij wilde graag naar buiten. Om hem niet op te laten vallen, werd gezegd dat hij onze doofstomme neef was. Hij sprak een beetje Nederlands en Duits. Op straat mocht hij niet praten, omdat dat zou opvallen. Maar thuis probeerde hij met mij zo goed mogelijk Nederlands te praten en met mijn jongere broertje zong hij Duitse kinderliedjes.
Verder waren er overdag mensen die bij de buren sliepen, maar die buren wilden ze overdag niet in huis hebben, omdat het te druk werd en dan kwamen ze bij ons.

Hadden jullie genoeg eten?
Mijn vader was tuinman en omdat hij voor de voedselvoorziening zorgde werd hij vrijgesteld om in Duitsland te moeten werken. Hij huurden twee weilanden om groente en fruit te verbouwen en had hierdoor het geluk dat hij veel kon ruilen en delen. Overdag gingen we hout sprokkelen voor de kachel en probeerden we overal wat van te maken. Ik herinner mij nog goed dat er een bakker bij ons ondergedoken was. We hadden wat meel. Met Pasen kreeg ik een grote paashaas van brooddeeg, met een kalkei; een nep-ei erin; dat vond ik zo bijzonder. Het voelde als een echt cadeau.’

Waarom namen uw ouders zoveel risico om al die mensen in huis te nemen?
‘Mijn moeder zei altijd: ‘Daar kies je helemaal niet voor. Ze staan ineens bij je op de stoep, en dan kun je niet zeggen: ‘Dit wil ik niet.’
Het zijn mensen die groot gevaar lopen. Er waren mensen die wisten dat wij onderduikers hadden, zoals de buren en zij stuurden de mensen dan door naar ons.’

Hadden jullie genoeg kleding?
‘Mijn moeder kon heel goed naaien, maar stof was moeilijk te krijgen. En als je bijna niet kunt wassen en kleine kinderen hebt, is het niet handig om kleren te maken van witte oude lakens of tafelkleden. Ik herinner mij dat mijn broertje en ik vaak een soort bolbroekje droegen, vaag oranje met een groen bloemetje. Een buurjongetje waarmee ik in de zandbak speelde, had altijd een rood geruit broekje aan. Mijn moeder zei later dat die kleren ooit keukengordijntjes waren geweest.  En ik kan mij nog de wollen onderbroekjes herinneren die mijn moeder maakte. Die kriebelde ontzettend. Waarschijnlijk ben ik daardoor heel snel zindelijk geworden.’

Heeft u nog een mooie herinnering uit de oorlog?
‘Boeken waren haast niet te krijgen te krijgen in de oorlog. ’s Avonds ging mijn moeder ons voorlezen. Bijvoorbeeld uit Piggelmee, een bekend kinderboek. Je mocht ’s avonds geen licht aan hebben. Ze had het verhaal al zoveel keer had verteld, dus kende ze het gewoon uit haar hoofd. Wij intussen ook en verbeterden we haar: ‘Nee, dat stond er niet hoor.’ Dat waren grappige momenten.’

Hoe wisten jullie dat er onderduikers waren in de kerk?
‘De soldaten hadden de school van Durgerdam ingenomen, daarom gingen lessen tijdelijk door in de kerk. In de buurt waren ook kerken met kelders waar onderduikers verstopt zaten, maar daar praatte natuurlijk niemand over. Een ondergedoken vrouw die in de kelder van de kerk op de Nieuwendammerdijk zat, was zwanger. De pastoor  fietste naar ons dorp, omdat hij via een verloskundige wist waar mensen met baby’s woonden. Hij bracht lakens mee om te ruilen voor babyspullen, en zei: ‘Ik kan wel om eten of andere dingen vragen, maar als pastoor kan ik niet zomaar om babyspullen bedelen, want dan zou ik de onderduikers verraden.’

Archieven: Verhalen

‘De pistooltasjes werden onder het matrasje gedaan’

Met de auto rijden Sam, Finn en Yvonne van de Twiskeschool naar de gezellige flat in Noord waar de 81-jarige Anneke Koehof woont. Er hangen wel zes klokken en ze houdt ook heel veel van honden; overal hangen foto’s en plaatjes van honden. Mevrouw Koehof is geboren in 1943 in Amsterdam- Oost. Haar moeder stierf tijdens de geboorte. Ze vertelt het verhaal van de jongere zus van haar vader: tante Roos. Zij was 20 jaar toen de oorlog uitbrak en werkte in Amsterdam Noord bij de Hollandia Kattenburg fabriek.

Had uw tante veel Joodse vriendinnen?
‘Ja, er werkten heel veel joodse mensen in de fabriek. In die fabriek maakten ze regenjassen. Ik denk dat wel de helft Joods was. Veel van die joodse collega’s waren ook haar vriendinnen. Ze had ook een beginnende verkering. Meier Papegaai heette hij en hij was Joods. Hij was stapelverliefd op haar. Hij woonde bij haar in de buurt en samen fietsten ze naar Noord iedere dag. Maar al op de eerste dag dat het dragen van een ster verplicht was, werd hij opgepakt. Zijn broer werkte als kelner in de Hollandsche Schouwburg, maar hij was zijn witte kelner jasje met de ster erop vergeten. Meier holde achter hem aan zonder zijn jas, waarop de gele ster nog maar net was aangebracht, aan te doen. Hij werd meteen gearresteerd en via de gevangenis in Amstelveen naar Amersfoort vervoerd. Roos heeft hem nooit meer terug gezien.

Op woensdag 11 november 1942 vielen de Duitsers ineens de fabriek binnen. De Joodse mensen moesten aan de ene kant staan en de niet- Joodse aan de andere kant. Ze hadden lijsten met namen bij zich en de Joodse mensen werden één voor één afgeroepen. Ze hebben uren zo gestaan. Roos had een Joods vriendinnetje maar die zag er helemaal niet Joods uit, ze was blond en had blauwe ogen. Ze stootte haar aan en zei dat ze bij mij moest komen staan, niemand zou het zien. Maar ze durfde het niet…Alle Joodse collega’s werden weggevoerd in vrachtauto’s. Ze zijn geen van allen terug gekomen.’

Waar woonde uw tante Roos?
‘Ze woonde in een huisje op driehoog aan de Kastanjeweg in de Oosterparkbuurt. Mijn oma en opa hadden 6 kinderen, waaronder dus mijn vader en tante Roos was een soort nakomertje. Toen mijn moeder in 1943 overleed bij mijn geboorte ging mijn broertje ook bij mijn opa en oma en tante Roos wonen, ‘want mijn vader kon niet voor ons zorgen. Ik ben van hot naar her gegaan. Van een andere mevrouw in het ziekenhuis kreeg ik moedermelk. Dankzij haar melk ben ik blijven leven. Uiteindelijk kwam ik terecht bij de melkboer op de hoek van onze straat. Daar woonde de familie van der Vecht. Ik noemde ze ome en tante Vechie en ik was dol op ze.  Daar ben ik ontzettend goed verzorgd, tot ik een jaar of 4 was.’

Zaten familieleden van u in het verzet?
‘Een oom van mij zat in het verzet. Hij had een leerbedrijf. Hij maakte tassen en zadels. In zijn kelder had hij allemaal wapens verborgen voor het verzet. Dus ze kwamen weleens wapens halen. Hij moest ook pistooltasjes maken voor de Duitsers en dan maakte hij ze ook gelijk voor het verzet. En weet je hoe die werden opgehaald? Een van die mannen die voor hem werkten had pas een baby gekregen. Dan kwam zijn vrouw met de kinderwagen zogenaamd om de baby te laten zien en dan werden de pistooltasjes onder het matrasje gedaan en brachten ze ze naar iemand, die ze weer naar het verzet bracht.
Na de oorlog kreeg mijn vader een nieuwe vrouw. Maar ik kon niet goed opschieten met mijn stiefmoeder. Ze was altijd jaloers. Omdat ons huis in Oost maar twee slaapkamers had en ik te groot werd om met mijn twee broers op een kamer te slapen, had mijn stiefmoeder een zolderkamertje gehuurd voor mij bij mevrouw De Hooijer, de Duitse buurvrouw van twee hoog. Op een avond lag ik in het opklapbed en zag ik boven mijn hoofd ineens een groot donker gat dat er nooit eerder had gezeten. Ik keek ineens tegen de dakpannen aan. Door de storm eerder die dag is er door een windvlaag een verborgen luik zichtbaar geworden. Later ben ik te weten gekomen dat er op mijn zolderkamer in de oorlog drie mannen ondergedoken hebben gezeten. Ze kregen hun eten en drinken door het luik. Bij een razzia zouden ze zo ook over het dak weg kunnen vluchten. Eén ding was zeker; mevrouw de Hooijer deugde!

 

 

Archieven: Verhalen

‘Ik wist heus wel dat jullie een Joods kind als onderduiker in huis hadden’.

We gaan met de fiets van de Twiskeschool naar Tuindorp Oostzaan waar Marian Schaap woont. Het is heel koud dus Elliot, Sophian, Isis, en Milou zijn blij met haar warme huis en zelfgebakken brownies en chocolademelk. In de gezellige woonkamer hangen foto’s van haar familie aan de muur. Wat opvalt is de foto van mevrouw Schaap met haar zusje; over haar gaat dit gesprek.

Hoe is uw zusje bij uw familie terechtgekomen?
Mijn ouders hadden bij de kerk in Zaandam aangegeven dat ze open stonden om een kind op te vangen. Na enige tijd kregen ze bericht dat er een baby ondergebracht moest worden. De ouders waren weggevoerd voor de Duitsers. Op het laatste moment heeft de moeder van de baby kans gezien om de baby van 10 maanden bij de bovenburen te brengen, waarmee ze haar leven hebben gered. De ouders zijn naar Sobibor vervoerd, waar ze na aankomst zijn vermoord. Mijn ouders hebben deze foto van mijn zus laten maken toen ze nog maar net bij hen woonde, omdat ze dachten: ‘stel je voor, haar ouders komen over een paar jaar terug, dan herkennen ze hun eigen kind vast niet meer!’ Zoals je kunt zien op die foto’s had mijn zus pikzwart haar. Gelukkig had mijn vader ook zwart haar, want mijn moeder, mijn broer en ik waren blond. Ze hadden het volgende verhaal bedacht: toen mijn zusje bij mijn ouders werd ondergebracht stond Zeeland onder water, er woonde familie in Zeeland en dus kwam het goed uit om te zeggen dat het kind bij ons werd ondergebracht. Maar toch moesten mijn ouders enorm uitkijken. Er woonde een NSB-er bij ons in de straat. Na de oorlog zei hij tegen mijn vader: ‘ik wist heus wel dat jullie een Joods kind als onderduiker in huis hadden’. Maar toch heeft deze buurman zijn mond gehouden. Daarom zeg ik altijd: je moet mensen niet gelijk veroordelen, iemand kan toch een goed hart hebben.’

Hoe kwam uw zus achter het echte verhaal?
‘Mijn ouders wilden aan mijn pleegzus het echte verhaal vertellen zodra ze groot genoeg was. Alleen wat is oud genoeg? Ze moesten alles op gevoel doen, want ze kregen geen begeleiding van een psycholoog, of iets dergelijks. Toen ze een keer op straat speelde was er een kinderruzie en zei een meisje tegen haar: ‘jij woont toch niet bij je eigen vader en moeder’. Toen is ze naar huis gegaan en heeft ze aan mijn moeder gevraagd hoe het zat. Ze was nog maar 6, maar ze kan het zich nog glashelder voor de geest halen. Het was, geloof ik, een verschrikkelijk moment voor haar. Ikzelf ontdekte het toen ik een jaar of 12 was en er een formulier op tafel lag, waarop haar echte naam stond. Ik heb stukje bij beetje het verhaal van mijn moeder gehoord, daar moest ik echt moeite voor doen, want mijn moeder vond het lastig om erover te praten. Ik heb veel aan mijn zus verteld, zij vond het moeilijk om hierover te praten met mijn moeder.
Van de familie van mijn zus heeft één oom de oorlog overleefd. Hij wilde haar laten adopteren door een joodse familie, maar mijn ouders wilden haar niet kwijt. Na de oorlog is er nog een broertje geboren en wij waren een hecht gezin. Er is in 1948 een rechtszaak gekomen voor de voogdij en de foto van ons drieën, waarbij mijn broertje de hand van mijn zusje vasthield, was belangrijk. Ook zijn wij geobserveerd tijdens het spelen met elkaar en daaruit bleek dat wij heel vertrouwd waren en heeft de rechter besloten dat het in het belang van het kind was dat ze bij ons bleef.’

Had u huisdieren in de oorlog?
Nee, niet dat ik weet en in de hongerwinter zijn er veel huisdieren opgegeten. Dieren hadden toen ook niet dezelfde betekenis voor mensen zoals nu. Ik moet er niet aan denken dat ik mijn poes op zou moeten eten van de honger! Veel mensen gingen op voedseltochten met de fiets om bij boerderijen eten te kopen in ruil voor linnengoed of kleding. Eten was heel schaars. Je kreeg een beetje eten van de gaarkeuken maar daar vulde je je maag niet mee.’

Hoe vierden jullie de Bevrijding?
Iedereen was ongelooflijk blij. Er werd volop feestgevierd. In september 1944 was het zuiden van Nederland al bevrijd en dachten de mensen dat de oorlog niet meer lang zou duren. Maar in plaats daarvan kwam de Hongerwinter. Veel mensen zijn van de honger doodgegaan.’

Hoe was het na de Bevrijding voor uw familie?
‘Het was letterlijk een bevrijding, je hoefde niets meer stiekem te doen of op je woorden te letten. Het is zo geweldig om weer vrij te zijn. Na de oorlog kregen we van de Fokkerfabriek speelgoed. Er werd een Sinterklaasfeest georganiseerd met een echter Sinterklaas en Pieten en kregen we cadeautjes, geweldig! Dat is een hele fijne herinnering.’

 

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892