Archieven: Verhalen

‘Ik werkte niet alleen om geld te verdienen, maar ook om mensen te ontmoeten’

Zuheira, Kyzaino, Lina en Freek van basisschool Rapenland kijken nieuwsgierig rond zodra ze de voordeur binnenstappen. Rabah Salhi maakt grapjes met ze, waardoor de kinderen zich direct op hun gemak voelen, ook dankzij al het lekkers dat ze zien én later lekker op mogen eten. Meneer Salhi was 22 jaar toen hij vanuit het warme Marokko naar het koude natte Nederland kwam. Hij woont nu in Venray en is speciaal voor het interview naar Eindhoven gekomen.

Hoe was de reis van Algerije naar Marokko?
‘Ik ben geboren in Algerije, in een tijd dat Algerije onafhankelijk wilde worden van Frankrijk, het was oorlog. Het stadje Terga waar we woonden ligt aan zee en is heel mooi. Mijn ouders waren Marokkaans en besloten terug te gaan naar Marokko, daar was het rustiger.

Ik was nog klein, maar ik herinner me de soldaten en tanks, het was verschrikkelijk. We konden weinig meenemen. ’s Avonds zagen we de bommen en vliegtuigen, dat beeld blijft me bij. We waren op de vlucht. We liepen wel 30 kilometer, daarna nog 40 kilometer met de trein, verder met de bus, en weer een stuk te voet.’

Hoe was het leven daar?
‘Het leven in Marokko was eenvoudig. We woonden op het platteland en in de bergen. Er was armoede en er waren niet veel mogelijkheden. Ik begon al met werken toen ik zeven of acht jaar oud was. Dat was normaal in die tijd. Nu is het in Marokko strenger: kinderen mogen geen zwaar werk meer doen.

We werkten hard. Het leven was niet makkelijk, maar mensen hielpen elkaar. Er was veel verbondenheid in de buurt en binnen de familie. Er waren weinig kansen om echt vooruit te komen, daarom keken veel mensen naar het buitenland, om werk te zoeken en een betere toekomst op te bouwen.’

Hoe was het in Nederland voor u?
‘In Nederland ging het in het begin niet makkelijk. Ik kwam in oktober 1975 aan, op 15 oktober om precies te zijn, die datum vergeet ik nooit. Ik was 22 jaar en had van mijn ouders de vrijheid gekregen om te vertrekken. Mijn broer woonde al in Weert, en ik mocht bij hem en zijn vrouw logeren.
Ik sprak geen Nederlands en dat maakte het lastig. Alles was anders dan in Marokko. Ik moest eerst een visum regelen en dat duurde even. Pas na 3 maanden kreeg ik het, en toen mocht ik op zoek naar werk.

Ik meldde me bij het Arbeidsbureau en kon aan de slag. In het weekend ging ik vaak op pad. Zo leerde ik een Belg kennen. Hij wilde Frans leren, en ik wilde Nederlands leren, zo hielpen we elkaar. Langzaam maar zeker begon ik mijn plek te vinden. Ik geloof dat het mijn lot was om hier te zijn.’

Wat voor werk heeft u gedaan?
‘Ik heb in Nederland veel verschillende soorten werk gedaan. Mijn eerste baan was bij een schoonmaakbedrijf, Lelie, waar ik ramen waste. Het was zwaar werk, vooral in de winter, maar ik was blij dat ik kon beginnen.

Daarna heb ik in een ijzergieterij gewerkt, drie of vier jaar lang. Er was genoeg werk en ik vond het prettig. Ik stond bij machines en moest veel tillen. Tegenwoordig gebruiken ze daar heftrucks voor, maar toen moest alles met de hand. Ik heb ook op plekken gewerkt waar schepen werden gelost, en op landbouwplaatsen.

In Nederland heb ik mezelf verder ontwikkeld. Ik heb altijd geprobeerd om mijn werk goed te doen. Het was voor mij niet alleen een manier om geld te verdienen, maar ook om mensen te ontmoeten, de taal te leren en onderdeel te worden van de samenleving. Dankzij het werk kon ik hier een leven opbouwen.

Nederland had mogelijkheden voor me en dat was er destijds in Marokko niet. Er was armoede en in Nederland kreeg ik vrijheid. Het was niet altijd makkelijk, maar Nederland gaf me de kans om een toekomst op te bouwen. Mijn kinderen zijn hier opgegroeid, hebben een opleiding en een baan. Ik voel me hier thuis, maar ik vergeet Marokko nooit. Ik hou van het leven en lachen. En als het met mijn familie en andere mensen goed gaat, ben ik gelukkig.’

Archieven: Verhalen

‘Als kind droomde ik over ‘de wereld achter de bergen’ waar mijn vader werkte’

Op een vroege ochtend staan Emirhan, Lucas, Kayleigh en Sara van basisschool Rapenland voor de deur bij Miguel Tarrero, ook wel Yiyi genoemd. Met spanning wachten ze af: wie zou hij zijn? Sara belt aan en meneer Tarrero (61) opent met een brede glimlach direct de deur. In een felrood-geel Spaans T-shirt verwelkomt hij ze, gevolgd door een vrolijk hondje van zijn dochter. Binnen valt meteen een kast vol hoeden op. ‘Ik hou van hoeden’, zegt hij lachend. Meneer Tarrero is op 14-jarige leeftijd vertrokken uit Spanje, uit het plaatsje Extremadura. Voordat het interview begint, verrast hij de kinderen met warme, zelfgebakken Spaanse churros en chocolademelk. Op de achtergrond klinkt rustige Spaanse muziek.

Hoe voelt het om hier te zijn?
‘Nederland is een mooi land. Ik wist niet dat het zo ver weg was. Ik kom uit een dorp dat omringd is door bergen. Toen ik klein was, vroeg ik eens aan mijn opa: waar is papa? Hij wees dan naar de bergen en zei: daar, achter de bergen. Als kind dacht ik dat als ik die berg zou beklimmen, ik mijn vader zou kunnen zien werken. Ik wist niet dat ‘achter de bergen’ eigenlijk een heel ander land, namelijk Nederland betekende.

Toen ik uiteindelijk in Nederland aankwam, was ik verwonderd. De groene parken vond ik prachtig, en wat me meteen opviel waren de grote ramen van de huizen. In Spanje zijn de ramen klein, hier leek het alsof je overal naar binnen kon kijken.’

Was het salaris voldoende toen u hier werkte?
‘Ik was 14 jaar oud toen ik naar Nederland kwam. Dat was eigenlijk een onhandige leeftijd: te oud voor de basisschool en te jong om te mogen werken. Gelukkig bestond er in Eindhoven een internationale school, Floor Everts, speciaal voor kinderen van migranten. Daar leerden we de Nederlandse taal.

Op mijn achttiende ben ik gaan werken bij Philips, het bedrijf waar ook mijn ouders werkten. In die tijd was het vanzelfsprekend dat je daar als kind van migranten ook aan de slag ging. Ik heb bij Philips op verschillende afdelingen gewerkt: van het maken van camerabuizen tot de chemische afdeling, en tot een televisieproject in de jaren negentig. Daar heb ik uiteindelijk gewerkt tot aan mijn pensioen.

Als ik terugkijk op mijn werkzame leven, kijk ik daar met plezier op terug. Het was fijn werken bij Philips. En ja, het salaris was heel goed.’

Wat herinnert u zich nog goed van toen u in Nederland aankwam?
Wat mij het meest is bijgebleven, is het vloerbedekking bij ons thuis in Lievendaal. Overal in huis lag vloerbedekking, iets wat ik nog nooit eerder had gezien. Wij speelden als kinderen vaak op de grond, en dat voelde zo zacht en warm aan.

Ook herinner ik me het Nederlandse leger. De soldaten hadden lang haar en waren opvallend vriendelijk, heel anders dan het Spaanse leger dat ik kende. Als de mannen in Spanje ook zo waren geweest, had ik misschien wel graag in het leger willen werken.

En dan het zoute dropje! Dat was echt een smaakontploffing in mijn mond. Ik had nog nooit zoiets geproefd. Als ik terugdenk aan mijn jeugd in Nederland, denk ik meteen aan dat eerste dropje.

Er zijn zoveel herinneringen en verhalen die ik zou kunnen vertellen. Zoals ik altijd zeg: wij zijn vertrokken uit ons land, maar ons land vertrekt nooit uit ons. Heimwee blijft altijd bestaan. Het is en blijft het land waar je geboren bent, en waar je bent opgegroeid.’

Wilt u weer terug naar Spanje?
‘Nee, Spanje is niet hier ver vandaan. Mijn kinderen en kleinkinderen wonen hier, ik kan ze niet meer hier alleen laten, Toen mijn vader naar Nederland vertrok was ik een baby. Ik leerde mijn vader alleen kennen in de vakantieperiodes, dit was één keer per jaar en dat 14 jaar lang. Ik miste hem. Die fout wil ik niet maken. Als mijn kinderen in Nederland zijn, dan wil ik er hier voor hen zijn. Dus voorlopig blijf ik hier bij mijn kinderen.’

Archieven: Verhalen

‘Ik was 21 jaar en droomde ervan om kapster te worden en weg te gaan’

Gijs, Isabella, Aboedi en Sofie van de Eindhovense basisschool Rapenland worden hartelijk verwelkomd, in zowel het Engels als Nederlands, door Cindy Dawkins. Op de salontafel staat allerlei lekkers en de kinderen kijken hun ogen uit in het moderne, lichte huis. Mevrouw Dawkins, van oorsprong uit Londen, kwam via Spanje naar Nederland toen ze 21 was. Ze ontmoette haar man in de tijd dat ze bij Philips werkte, maar daar ging veel aan vooraf.

Hoe kwam het dat u naar Spanje wilde?
‘We woonden in Londen toen mijn ouders besloten te verhuizen naar een dorpje. Ik was 16, 17 jaar en vond dat best lastig, want ik had het erg naar mijn zin in Londen. Mijn vader wilde niet dat ik kapster werd, hij vond het geen goed beroep. Volgens hem was werken op kantoor beter en verdiende je daar meer. Maar ik was jong, 21 jaar, en droomde ervan om kapster te worden en weg te gaan. Ik droomde er van om als kapster op een groot schip met een kapitein te werken.

We waren thuis niet erg rijk, zo vlak na de oorlog. Het leven was grijs. We droegen grijze uniformen, er was veel smog en op school moesten we soms maskers dragen. Mijn ouders hadden het zwaar. Toen ik de bingo won, wilde ik mijn ouders graag wat geld geven voor mooie meubels en een fijner leven. Ze hebben veel voor mij gedaan, en ik voelde dat ik iets terug moest doen. Daardoor kon ik met een gerust hart alles afsluiten en naar Spanje gaan.

Mijn zus was vijf jaar jonger, ze was 17 jaar toen ik de bingo won. Ik kocht nieuwe kleren voor haar en wilde haar ook een vakantie geven in Spanje en dat mocht van mijn ouders.’

Hoe kwam het dat u ging werken in Spanje?
‘Tijdens de vakantie in Spanje ging ik zelf naar de kapper en het viel me op dat daar een Engelse kapster werkte. We raakten aan de praat. De bazin bood me een baan aan. Ik heb toen alles in Engeland geregeld en ben teruggegaan. Ik werkte als kapster keihard: zeven dagen per week, en in één maand had ik maar een halve dag vrij. Dat was best lastig, want iedereen had vakantie behalve ik. Later ben ik in een bar gaan werken, dat was leuker. Ik had toen meer vrije tijd en veel plezier.

Na de vakantieperiode veranderde Spanje in een soort ‘ghost town’. Alles voelde anders. Ik dacht: hier blijf ik niet. Na drie maanden besloot ik terug te gaan naar Engeland. Ik wilde wel weer terugkomen in Spanje als de vakantieperiode weer zou beginnen.’

U ging uiteindelijk naar Nederland, hoe was dat?
‘Op mijn terugreis naar Engeland kreeg ik de kans om Nederland te bezoeken. Ik vond dat Nederlandse mensen zo open waren, ze praatten veel vrijer. Ook kinderen kregen hier meer aandacht en ruimte, dat was in Engeland heel anders. Ik dacht echt: wow, wat een leuke mensen!

Met vrienden gingen we een borreltje doen in een restaurant in Veghel. We raakten aan de praat met de eigenaar en ik kreeg meteen een baan aangeboden want ze zochten iemand achter de bar. Uiteindelijk kon ik er ook op kamers wonen, het was ideaal.’

Vertel eens over uw eerste carnaval?
‘En toen werd het carnaval. Ik wist helemaal niet wat dat was. Iedereen had het erover, en ik dacht: wat gebeurt me nou? Maar het bleek een ontzettend leuk feest te zijn, al moest ik hard werken. Er kwam een man aan de bar die honderd pilsjes bestelde – ik dacht: jaja, dat zal wel. Maar het was zo’n leuk feest dat ik tegen mezelf zei: volgend jaar sta ik aan de andere kant van de bar.

Door eczeem moest ik stoppen als thuis-kapster en met het barwerk, en ik kon via een uitzendbureau aan de slag bij Philips. Ik had verschillende banen. Eén daarvan was bij Data Systems, op kantoor, waar ik teksten corrigeerde. Dat was een hele nieuwe wereld, opeens werkte ik tussen de mannen, terwijl de kapperswereld juist vol vrouwen was. Spannend, maar ook interessant. Ik leerde snel. De computer was toen nog zo groot als een muur!

Ik werkte op de 13e etage van het Hertoghof in de binnenstad, en mijn toekomstige man Trevor zat op de eerste. Hij kwam me telkens opzoeken, hij had duidelijk een oogje op me maar ik was helemaal niet op zoek naar een Engelse man. We hadden een gezamenlijke vriendengroep, en zij wilden wel terugkeren naar Engeland. Ik waarschuwde Trevor dat ik nooit meer terug wilde. Nu zijn we al 48 jaar samen, en we hebben één zoon, die tweetalig is opgevoed. Dat vond ik belangrijk. Al jong corrigeerde mijn zoon míj als ik Nederlands en Engels door elkaar haalde.’

 

Archieven: Verhalen

‘Het was wennen, maar we hebben hier alleen maar goede mensen ontmoet’

Deniz, Mohammed, Nadim en Aysa van het Rapenland in Eindhoven hebben zich goed voorbereid op hun interview met Ayse Eren, maar toch voelt het nog even onwennig. Mevrouw Eren (69) is geboren in Turkije. Maar toen er te weinig werk en daardoor ook te weinig geld was, kwam haar vader naar Nederland. Drie jaar later, ze was toen 16 jaar, volgde ze haar vader, samen met haar moeder en jongere zusje. Niet veel later kwamen ook haar twee jongere broertjes en was het gezin Eren weer compleet.

Hoe was het om uw vader te moeten missen?
‘Het was vreselijk. Niet alleen omdat hij wegging maar ook omdat we toen in Turkije ons huis, dat redelijk afgezonderd lag, moesten verlaten. We verhuisden naar de tweelingzus van mijn moeder want het was veiliger om als moeder met vier kinderen niet alleen te wonen. In de grote tuin van mijn tante stond een huisje met twee kamers, waar wij woonden. Met onze vader schreven we brieven.’

Hoe voelde het om hier in Nederland aan te komen?
‘Het was koud, glad en donker. We zagen geen zon, die scheen hier niet. Het was ook moeilijk om alles achter te laten in Turkije en dan hier in Nederland met je vader, moeder en zusje bij andere mensen te gaan wonen. We huurden bij hen twee kamers. Na acht maanden kregen we gelukkig een huis. Toen mijn broers ook naar Nederland kwamen hadden de mensen waar wij woonden nog een kamer over, maar die konden wij niet huren. Dus toen hebben mijn broers eerst nog enkele weken in een schuur van de buren gewoond. Buiten was het erg koud, het sneeuwde en in de schuur was geen kookplaat of wc.

Voor mij als oudste kind was het zwaar. Als je de oudste bent, ben je eigenlijk ook een soort moeder. Dan zorg je ook voor iedereen. Ik werkte dus van de ochtend tot de avond, dan maakte ik eten voor iedereen en ging ik in de avond naar school. Het wennen was moeilijk, maar met de mensen hier hebben we nooit moeite gehad, eigenlijk hebben we vooral goede mensen ontmoet. Ook nu nog, de mensen hier in de straat zijn lief voor mij.’

Waar werkten jullie?
‘Mijn vader heeft op verschillende plaatsen gewerkt. Eerst bij Bata Best, daarna bij de Daf en vervolgens ging hij aan de slag in een slachthuis voor kippen. Toen is hij helaas ziek geworden. Mijn moeder werkte ook, niet zo lang want zij moest voor vier kinderen zorgen en later dus ook voor mijn vader.

Zelf heb ik 1,5 jaar bij een Amerikaans bedrijf gewerkt vanaf dat ik 16 jaar oud was. Toen ben ik getrouwd en heb ik een half jaar in Frankrijk gewoond. Daarna ben ik weer teruggekomen naar Nederland, waar ik bij mijn oude bedrijf weer mijn werk kon doen. Dat deed ik 34 jaar lang bij dezelfde baas.

Door een reorganisatie verloren veel mensen hun baan en ook ik werd ontslagen. Ik vond het erg jammer dat ik weg moest. Het was echt een goed bedrijf, met een fijne baas en ik had leuk werk waarbij ik schakelaars monteerde. En het waren ook goede mensen waarmee ik werkte van veel verschillende nationaliteiten. Na verloop van tijd gingen we samen eten, het voelde echt als een familie. Nu werk ik bij Stichting Ik Wil, dat doe ik al acht jaar en hierbij kook ik voor veel mensen.’

Archieven: Verhalen

‘Ik kwam de liefde tegen, en die nam mij mee naar Nederland’

Nicolas, Amina, Sarah, Marcello en Priya zien door het raam van hun klas al Angelica Goyenechea-Jaramillo aankomen. Ze moet even zoeken waar ze naar binnen moet in het Rapenland in Eindhoven. De leerlingen brengen haar naar het interviewlokaal en Amina en Marcello zorgen voor koffie. De 52-jarige mevrouw Goyenechea-Jaramillo heeft een vrolijke en kleurrijke uitstraling. Ze was 25 jaar toen ze vanuit Mexico naar Nederland kwam, vertelt ze aan de kinderen.

Hoe was het in Mexico?
‘Het was er heel zonnig. Het was het hele jaar door warm, maar in de winter kon het heel koud zijn. We hadden geen verwarming in huis en dan was het ’s avonds heel koud. Je had veel bergen en je kon niet verder kijken dan de horizon. We woonden in een oude stad, Mexico-Stad, met een koloniaal centrum en ook moderne gebouwen. Het was een drukke stad met wel 20 miljoen bewoners. Ik woonde in een dorp aan de rand van de stad. Tot de middelbare school liep ik naar school, daarna moest ik lange afstanden reizen met bus of metro. Alles was ver weg.

In Mexico heb je scholen met beveiliging en kun je er niet zomaar in en uit. Het is daar niet veilig zoals hier. Kinderen kunnen daar ook niet alleen naar school. Ik bescherm mijn familie voor het land waar ik vandaan kom, omdat ik hun niet wil pijn doen. Ik ben blij dat het hier in Nederland veilig is.‘

Hoe bent u naar Nederland gekomen?
‘Een vriend van mijn zwager, mijn zus was ook getrouwd met een Nederlander, kwam naar Mexico voor een feest. Tijdens dat feest heb ik mijn liefde leren kennen. Door die liefde ben ik naar Nederland gekomen. Ik was toen 25 jaar, nog jong.

Na een paar jaar zijn we uit elkaar gegaan, omdat de relatie niet meer werkte. Ik had toen een baan genomen om zelfstandig te kunnen zijn. Ik dacht: ik ga werken en blijf hier even om te kijken of het leven in Nederland mij bevalt. Later heb ik een appartement gekocht. En daarna ontmoette ik mijn nieuwe liefde.’

Hoe was het om uw familie achter te laten voor uw liefde?
‘Het was moeilijk, vooral om mijn moeder en zus achter te laten. Ik liet mijn vertrouwde omgeving achter en ging naar een plek waar ik niemand kende. Mijn ouders waren erg boos dat ik ongetrouwd het huis uit ging. Dat hoorde volgens de traditie niet. Maar ik trok me daar niks van aan. Ik wilde voor mijn liefde kiezen, ik had een sterke wil. Mensen mogen denken wat ze willen, maar ik volg mijn eigen pad. In onze cultuur hoor je pas uit huis te gaan als je getrouwd bent.

Vorig jaar kwamen mijn tantes op bezoek. Dat was heel gezellig. We maakten samen uitstapjes naar België, Duitsland en verschillende plekken in Nederland.’

Was het moeilijk om aan een baan te komen?
‘In het begin moest ik werken bij een callcenter. Daar kreeg ik veel boze telefoontjes die ik moest oplossen, dat was niet altijd makkelijk. Mijn ex-vriend werkte bij ASML. Ik vroeg hem of hij misschien iets voor mij kon regelen bij de afdeling marketing en communicatie, omdat ik daar graag wilde werken. Via hem heb ik er een baan gekregen.

Ik heb vier jaar bij ASML gewerkt. Ik verdiende genoeg om mijn vaste lasten te betalen, en daardoor kon ik ook een hypotheek aanvragen en uiteindelijk een huis kopen voor mijzelf.’

Heeft u alles alleen gedaan?
‘In het leven doe je niets alleen. Dat betekent dat je altijd mensen om je heen hebt. Je moet gebruik maken van je wilskracht, doorzetten en bij je eigen wil blijven, en niet opgeven. Zo kom je bij mensen die je ook kunnen helpen. Soms heb je pech in het leven, en niet iedereen heeft meteen geluk.’

Archieven: Verhalen

In 1944 heeft de buurvrouw ons verraden en moesten we naar Westerbork’

Kees, Anna, Kiki en Isa van de Amsterdamse Asvo-school maken kennis met Wil Erents. Ze kijken nog even snel naar hun vragen en overleggen over de volgorde. Dan stellen ze hun eerste vraag. Mevrouw Erents (1944) was nog maar een baby in de oorlog en woonde met haar familie in het centrum van Amsterdam. Aan de kinderen vertelt ze haar aangrijpende verhaal.

Hoe was het leven voor de oorlog voor uw familie?
‘Mijn familie woonde midden van de Jodenbuurt op de Zwanenburgstraat. Die bestaat niet meer, maar mijn wiegje stond ongeveer op de plek waar nu de ingang is van de Stopera. Wij deden niet veel aan het joodse geloof, maar we waren Joods.

Over de oorlog weet ik vrij weinig, ik was nog een baby. Eigenlijk heb ik pas veel later van mijn oudere broer en zus dingen gehoord. Zo zijn wij door de buurvrouw in februari 1944 verraden, en toen via de Hollandsche Schouwburg naar Westerbork getransporteerd.’

Hoe was het leven in Westerbork?
‘Omdat ik natuurlijk nog maar een baby was, weet ik zelf niet wat daar is gebeurd. Maar ik heb begrepen dat het met mij niet al te best ging, ik moest echt worden verzorgd in het ziekenhuis. Ik heb gehoord dat mijn familie toch ook een soort mazzel had, we werden niet op de trein naar Auschwitz gezet. Mijn vader was vrachtwagenchauffeur en monteur. De Duitsers konden hem goed gebruiken. Hoe mijn ouders het leven daar hebben ervaren, daar is nooit over gesproken. Toen de oorlog was afgelopen, moest ik naar Schiermonnikoog om aan te sterken. Ook daar weet ik niets meer van.’

Hoe was het leven na de oorlog?
‘In het huis aan de Zwanenburgstraat konden wij niet meer terecht. De Transvaalbuurt was voor de oorlog een wijk waar veel Joodse mensen woonden. Maar die kwamen niet meer terug. Er waren daardoor veel lege huizen. Ik kwam op de Louis Bothastraat 29 II te wonen. Ik ging met ontzettend veel plezier naar school, dat was een echte veilige plek. Soms werd ik uitgescholden voor vuile Jood, maar dan timmerde ik de pestkoppen op hun gezicht.

Ik woon nog steeds met ontzettend veel plezier in de wijk en ik ben elk jaar op 4 mei aanwezig op de herdenking van het ‘Buikschot’. In de oorlog was er een aanslag gepleegd aan het spoor. Ter vergelding werden er drie mannen uit de Transvaalbuurt uit de Leidsepleingevangenis gehaald en die werden neergeschoten met een buikschot op de Tugelaweg. De mensen uit de buurt moesten verplicht kijken.’

Wat doet een oorlog met een mens?
‘De oorlog geeft emoties. Ik heb nooit met mijn familie gesproken over alles wat er toen is gebeurd. Eigenlijk vind ik dat ik wel moet gaan onderzoeken, maar dat is moeilijk en emotioneel. De sfeer na de oorlog thuis was niet erg vrolijk. Mijn vader overleed al snel en met mijn moeder had ik geen fijne band. Ik vond haar chagrijnig.

Het gemis van mijn familie en vooral van mijn grootouders speelt ook een grote rol in mijn leven. Nu ben ik (over) grootmoeder en ik ben ontzettend trots op mijn nageslacht. Ik hoop ooit met een van mijn kleinkinderen mijn geschiedenis te gaan onderzoeken.’

 

Archieven: Verhalen

‘Lang hoopte mijn vader dat zijn broertje terug zou komen, maar dat gebeurde nooit’

Selena, Alice, Abel en Oscar gaan in de bibliotheek van de Amsterdamse Asvo-school zitten om hun vragen aan Sylvia Veffer-Polak te stellen. Het gesprek gaat over haar vader Hartog (Harrie) Polak. Mevrouw Veffer is in 1954 geboren, dus na de oorlog.

Hoe was het leven van uw vader voor de oorlog?
‘Mijn vader woonde toen in Amsterdam in de Retiefstraat met zijn ouders en zijn broertje Maupie. De familie was Joods. Mijn vader was in de leer om stoffeerder te worden, net als zijn vader en grootvader. Al vanaf 1800 was de woninginrichting in onze familie. Op school werd hij er eens uitgepikt door een docent omdat hij Joods was. Deze man, een NSB’er, zei hem dat hij een stoeltje opnieuw moest bekleden omdat zijn eerste versie zogenaamd niet goed was.’

Hoe kwam uw vader in het concentratiekamp?
‘Joodse mensen kregen vanaf 1942 een oproep thuis om zich te melden voor werkkampen in het oosten. Ook mijn vader kreeg zo’n oproep. Toen sprak een agent mijn grootvader aan en zei dat als hij 100 gulden zou betalen dat hij dan thuis kon blijven. Maar dat was niet waar. Twee dagen later werd hij alsnog gepakt en in een vrachtwagen geslagen en naar Westerbork vervoerd. Van daaruit ging hij met de trein naar Auschwitz. Mijn vader was niet alleen sterk en slim, hij had zo nu en dan ook geluk. De naam Polak kwam te pas toen er een trein met Polen moest vertrekken. Hij zei: Ik ga mee, want een Polak is een Pool. Dat heeft hem het leven gered. Hij heeft in vele subkampen van Auschwitz gezeten.’

Hoe was het leven in het concentratiekamp?
‘Mijn vader wilde daar niet graag over vertellen. Hij zei dat je moest vechten om te overleven. Hij probeerde dat door slim te zijn. Zo moest hij vaak in de regen werken. Om niet al te nat te worden, maakte hij van zijn rugzak een soort poncho. Er was bijna geen eten in het kamp. Mijn vader kreeg slechts één boterham voor de hele week. Hij maakte er zeven blokjes van zodat hij elke dag iets binnenkreeg. Hij deed allerlei klusjes die soms ook wat eten opleverden. Hij zorgde, voor zover dat kon, goed voor zichzelf. Zo poetste hij elke dag zijn tanden met zand want het was levensgevaarlijk om een ontsteking op te lopen.

In 1945 was de oorlog voorbij en mijn vader wilde graag naar huis. Hij is toen langs de spoorrails gaan lopen richting het westen. Zo kwam hij lopend en liftend weer in Amsterdam.’

En hoe ging het leven na de oorlog?
‘De familie had afgesproken om na de oorlog elkaar weer te ontmoeten op de Retiefstraat, dus ging mijn vader daarnaartoe. Er woonden andere mensen in het huis. Mijn vader wist dat er een kistje met waardevolle spullen in de tuin door zijn vader was begraven. Toen hij aanbelde, vroeg hij of hij even mocht kijken en graven in de tuin. Hij vond niets, maar wilde graag nog eens komen. De bewoonster zei dat hij wel een maandje moest wachten tot haar man er weer was. Op de afgesproken datum was het huis leeg en de hele tuin omgespit. Het kistje was verdwenen. Het enige wat hij nog had was een klein roze theeserviesje, dat nu bij mij staat.

De hele familie van mijn vader is vermoord, het was een hele grote familie. Eén tante heeft het overleefd. Mijn vader heeft lang gehoopt dat zijn broertje Maupie nog terug zou komen. Maar nadat mijn vader zes weken op het centraal station van Amsterdam had gebivakkeerd, was het duidelijk dat ook hij niet meer terugkwam. Ik ben er trots op dat hij zijn leven weer oppakte als stoffeerder en dat hij veel plezier heeft beleefd aan de sport. Hij was gek op voetbal en was tot op hoge leeftijd scheidsrechter bij voetbal en handbal.

Met mij heeft hij niet veel over de oorlog gesproken en ik wilde pas dingen weten toen ik zelf oma werd. Gelukkig vond ik papieren en een filmpje zodat ik zijn verhaal kan doorgeven.’

Archieven: Verhalen

‘De Joodse kinderen moesten aan de achterkant van de school zitten’

Noa, Anna en Catelijne komen binnen in het kleurrijke appartement van Mirjam Elias in Amsterdam-West. Ze heeft een prachtige, gele outfit aan, van top tot teen. De meiden zien een flipperkast in haar appartement en rennen er enthousiast heen. ‘Van Ronny geweest’, zegt mevrouw Elias (1950) lachend, en ze zet het oude apparaat aan. Even wordt er geflipperd, maar dan is het tijd om aan tafel te schuiven voor het interview, want ze heeft de leerlingen van de Amsterdamse Asvo-school veel te vertellen over het oorlogsverleden van haar man Ronny.

Wie was Ronny?
‘Ronny was mijn man, die helaas veel te vroeg is overleden. Ronny was niet Joods. Maar de meeste kinderen met wie hij speelde, bleken wel Joods te zijn, en toen mocht hij ineens niet meer met ze omgaan. Hij zat op de school waar vroeger de Asvo zat.

Die school is in de oorlog in tweeën verdeeld, met een muur er dwars doorheen. De Joodse kinderen moesten naar de achterkant en de niet-Joodse kinderen naar de voorkant: de achterkanters en de voorkanters. Ze gooiden briefjes naar elkaar en zongen liedjes over de muur heen. En de juffen bleven met elkaar kletsen door een deur, tot ze werden verraden en dat niet meer mocht. Toen was het echt afgesloten.

Steeds meer kinderen verdwenen van de achterkant. Ze waren ondergedoken of weggehaald met een vrachtwagen. Ronny zag dan wel eens na afloop een verhuiswagen hun huis leeghalen. De achterkanters werden na school vaak opgewacht door kinderen van de Jeugdstorm. Zij kwamen met stokken en kettingen over de brug van de Reguliersgracht de Joodse kinderen opwachten. Ronny en de andere voorkanters gingen de achterkanters helpen, en zo ontstond er een grote vechtpartij tussen de achterkanters en voorkanters tegen de kinderen van de Jeugdstorm. De voorkanters hadden allemaal stenen en takken uit het plantsoen mee. Ronny was een dromerig jongetje, maar toen was hij zo kwaad dat hij heel erg sterk werd.’

Wie was Louisa?
‘Louisa was een hele dappere vrouw, die, toen de Joden verplicht werden een ster te dragen, iets heel bijzonders heeft gedaan. Ze heeft namelijk een jurk genaaid die volledig uit Jodensterren bestond. Ze was een hele mooie, charmante vrouw, ik heb haar later zelf ook leren kennen. Tijdens een belangrijke bijeenkomst, had ze die sterrenjurk aan onder een lange jas, en toen ze op het podium stond, knoopte ze die jas heel langzaam open. Het leek bijna een striptease, en toen ineens kwam daar die jurk met ik weet niet hoeveel Jodensterren onder te voorschijn… Een ontzettend dappere daad, want ze kon zo vermoord worden. Maar ze deed het met zo veel geestkracht, het was zo’n creatieve daad van verzet, dat haar niets is aangedaan.

Iets anders wat Louisa heeft gedaan en wat heel dapper was: ze verzamelde documenten van de Duitsers die verboden waren op te rapen. Bijvoorbeeld: formulieren aan Joodse mensen, waarop stond dat ze alles moesten inleveren bij de Duitsers, en ook briefjes aan Joodse mensen waarop stond dat ze met de trein ‘mochten’ gaan. Ik zeg ‘mochten’ met nadruk, omdat het zo wreed is: ze kregen toestemming om met de trein te reizen, iets wat hen inmiddels verboden was, maar ze kregen ‘toestemming’, om vervolgens de dood te worden ingejaagd.

Omdat Louisa dit soort documenten stiekem verzamelde, is later bewezen wat er gebeurd is. Want heel veel mensen ontkenden het gewoon na de oorlog en zeiden dat het allemaal wel meeviel. Maar dankzij mensen als Louisa staat zwart op wit wat Hitler en zijn gevolg heeft gedaan.’

Wie was Willy?
‘Ronny vertelde me ooit over een jongetje in de kelder, waar hij vroeger elke dag mee speelde. Ik begreep niet wat hij bedoelde. ‘Wat deed dat jongetje in die kelder?’, vroeg ik hem. Eerst wuifde Ronnie dat weg, maar toen ik aan bleef houden viel hij op gegeven moment tegen me uit: ‘Dat jongetje was Willy en Willy zat daar ondergedoken natuurlijk!’ Toen moest ik wel even slikken.

Ronnie heeft Willy heel lang in het geheim opgezocht om samen te spelen. Ook bracht hij hem twee konijntjes, zodat Willy niet alleen zou zijn als Ronnie weer weg moest. Ze waren dikke vrienden. Het is vreselijk dat Willy uiteindelijk is vermoord, en ook nog eens op zijn eigen verjaardag. Sindsdien heeft Ronny zijn eigen verjaardag nooit meer willen vieren. Ook heeft hij heel lang niet over Willy willen praten, zo pijnlijk was het.

Toen ik mijn boek ging schrijven is hij meer gaan praten, en hebben we ook samen onderzoek gedaan. Willy bleek Willy van Biene te heten. We hebben een mooi filmpje over hem gemaakt, als een soort eerbetoon, dat staat op YouTube.’

Archieven: Verhalen

‘Van de zenuwen moest ik in de schuilkelder telkens plassen’

Kit, Charlie, Beatrijs en Amy Bo worden binnengelaten via de nooduitgang, door de schoondochter van Marian Smook. De lift is kapot. Fit lopen ze de drie trappen op naar boven, waar mevrouw Smook ze opwacht in de deuropening van haar appartement in het centrum van Amsterdam, dat volgens haar door een ‘niet zo slimme architect’ ontworpen is. Ze kan niet eens vanuit binnen de deur opendoen, en dat zou toch wel handig zijn als je 93 jaar oud bent. De leerlingen van de Amsterdamse Asvo-school nemen plaats en krijgen een verfrissend glas icetea.

Heeft u ondergedoken gezeten?
‘Ik heb niet echt ondergedoken gezeten, maar ik ben wel uit huis geplaatst. Dat had de volgende reden. Tijdens de oorlog hadden wij thuis verschrikkelijke honger. Jullie kennen trek, maar wij hadden honger, vreselijke honger. Ik heb een keer dertien kilometer heen en terug gelopen om suikerbieten te halen. Onderweg had ik zo’n honger dat ik rauwe suikerbiet heb gegeten. Ongelooflijk ziek geworden. Suikerbiet kun je helemaal niet rauw eten, maar zo veel honger had ik.

Tijdens de oorlog gingen veel kinderen ‘s nachts de straat op om de houten blokjes die het metaal in de tramrails op hun plaats houden, eruit te hakken, voor in de kachel. Dat was vreselijk gevaarlijk, maar je moest wel… Wij verbrandden onze mooie boeken om op vuur te stoken, maar dat hield natuurlijk maar kort aan want papier brandt zo op. We lagen hele dagen met onze moeder in het grote bed om elkaar warm te houden… We hadden maar één klein sneetje brood te eten per dag, met z’n vieren.

Een medewerker van mijn school, mevrouw Cuperus, zag wel dat het helemaal niet goed ging bij ons. Op een dag zei ze: ‘Ik heb contact opgenomen met het Rode Kruis. Jullie kunnen naar Overijssel, want daar hebben mensen wel te eten, daar gaan jullie aansterken.’ Toen zijn mijn zusje, mijn broertje en ik ‘s nachts met een dekschuit naar Kampen gevaren. Zonder licht, want dan zouden de Duitsers ons kunnen aanvallen. De dekschuit lag helemaal vol met stro, en daar lagen wij in, tegen elkaar aangekropen. Aangekomen in Kampen, kregen we voor het eerst een hompje brood en wat water.’

En wat gebeurde er toen?
‘Vervolgens werden we in militaire jeeps naar Ommen gebracht. Daar was een school met een gymlokaal, waar ook weer stro lag. Er kwamen mensen langs om kinderen uit te kiezen voor wie ze voor zouden gaan zorgen. Omdat ze een kind wilden dat goed bij hun gezin paste, werden sommige kinderen wel direct gekozen en andere kinderen niet, die moesten dan naar een volgend dorp.

Mijn zusje en ik werden gekozen, maar mijn broertje niet. Toen ze zeiden dat hij naar een volgend dorp zou gaan heb ik hem vastgepakt en ben ik heel hard gaan gillen. Het was mijn broertje, ik moest voor hem zorgen! Ik krijg nog steeds kippenvel als ik aan dat moment denk. De mensen noemden me ondankbaar, maar ik was niet van plan om op te geven. Toen kwam er een man in een zwart uniform binnen. Geen Duits uniform, het bleek de postbode te zijn. Hij zei: ‘Jouw broertje blijft bij ons, wij wonen ook in dit dorp. En dan mag jij elke dag komen kijken of het wel goed met hem gaat.’ Dat was een geluk bij een ongeluk.

Ik kwam terecht bij een gezin met drie grote boerenjongens, in mijn ogen waren dat reuzen, en een meisje, Dika. Zij had het Syndroom van Down. Die ouders van die reuzen en Dika hoopten dat Dika aan mij eindelijk een vriendinnetje zou hebben. Maar ik was zelf al niet zo vrolijk en had behoefte aan afleiding, waardoor ik niet met haar ging spelen. Soms heb ik nachtmerries en dan zie ik Dika in haar eentje tegen de kerk aan staan, terwijl ik met de andere kinderen speel. Daarover voel ik me ontzettend schuldig.’

Hoe ging de bevrijding?
‘Ommen, waar ik dus in deze periode woonde, is op 11 april bevrijd. Amsterdam pas op 5 mei. Het zuiden werd dus eerder bevrijd, door de Canadezen. Maar de Duitsers wilden de Canadezen tegenhouden. Ze zaagden bomen om en legden die op de weg, zodat de Canadezen er niet door konden. Ook bliezen ze de brug op die vanaf het oosten over de IJssel loopt. De vader van het gezin waar ik als laatste verbleef, had een schuilkelder in de tuin gemaakt. Daar zaten we met z’n allen in. Van de zenuwen moesten ik en de andere kinderen steeds plassen. Toen werd die vader heel boos en zei: ‘Hou op met jullie geplas!’ We mochten ook niet in de schuilkelder plassen want dan zou het gaan stinken. Toch is het goed dat we toen niet naar buiten zijn gegaan, want later zagen we de kogelgaten zitten in onze slaapkamers.

Ik wist niet of mijn moeder nog leefde… Pas in augustus is mijn moeder ons komen halen. Waarom? Ze had niets meer. En het erge was, ik had mijn moeder in mijn hoofd steeds mooier gemaakt. Hoe meer ik naar haar verlangde, hoe mooier ik haar maakte in mijn fantasie. Maar toen ze kwam zag ik een heel oud, vermagerd, gebogen, grijs vrouwtje. Ik schrok van haar en had helemaal geen zin om met haar mee te gaan. Dat is voor mijn moeder vast heel erg geweest.’

En hoe was uw leven vanaf dat moment?
‘Niet vrolijk. Mijn moeder had 2,5 jaar ondergedoken gezeten in een heel klein huisje, samen met andere Joodse mensen. Een lange tijd hebben we bij het treinstation staan kijken naar de namen die op een groot bord verschenen van mensen die terugkeerden naar Amsterdam, maar daar stond onze familie nooit bij. Ondertussen moest ik naar school en werd er van mij verwacht dat ik me daar voorbeeldig gedroeg.

Maar stel je voor, bijna je hele familie is uitgemoord… en jij moet je ondertussen bezighouden met het leren van Franse woordjes? Dat ging gewoon niet. Ik heb dan ook geen glansrijke schoolcarrière gemaakt. Maar later, toen ik 50 was, heb ik het volwassenen-vwo gedaan. Ik heb zelf kinderen en kleinkinderen gekregen, daar ben ik erg trots op. Mijn hoop is dat jullie door dit verhaal te horen, een beetje beter begrijpen hoe verschrikkelijk oorlog is en dat jullie in de toekomst lief zullen zijn voor kinderen die een oorlog hebben meegemaakt.’

Archieven: Verhalen

‘Ik ben geboren in Kamp Westerbork, dat staat zelfs in mijn paspoort’

Joop Waterman (1943) heet eigenlijk Joseph. Hij heeft een waanzinnige map bij zich vol foto’s, persoonsbewijzen, stambomen en andere documenten van en over zijn familie. Dit alles ligt voor hem op tafel in de bibliotheek van de ASVO-school in het centrum van Amsterdam, waar Eloisa, Julia, Elisa en Rigt een beetje verlegen plaatsnemen. Toch is het contact snel gelegd en kan het interview van start.

Wie was Samuel Waterman?
‘Samuel Waterman was mijn opa. Ik heb hem helaas nooit ontmoet, want net als bijna mijn hele familie, is hij om het leven gebracht in de kampen. De familie die er niet meer is, is omgekomen in de gaskamers van Auschwitz. Mijn vaders broer is van een muur geduwd en vermoord, al zeiden ze dat hij zelf was gesprongen.

Ik heb een enorme stamboom, zowel van mijn vaders kant als van mijn moeders kant. Alle namen die groen gekleurd zijn, zijn namen van familieleden die tijdens de oorlog zijn gedood. Als je naar die stamboom kijkt, dan zie je dat ze bijna allemaal vermoord zijn, aan beide zijden van de familie. Ik heb dus wel geluk gehad dat ik er nog ben, maar tegelijkertijd is het natuurlijk vreselijk om te weten dat bijna je hele familie is uitgemoord.’

Hoe heeft u de oorlog overleefd?
‘Ik ben geboren in Kamp Westerbork. Dat staat zelfs in mijn paspoort. Mijn moeder had niet genoeg te eten voor mij, maar er was een andere vrouw die zelf een baby verloren was en aanbood mij bij te voeden. Dankzij deze vrouw heb ik het overleefd. Zij is zelf omgekomen, maar ze had ook nog een ander kind dat de oorlog wel overleefd heeft, en hem heb ik altijd gezien als mijn broer. Onze band is heel sterk geweest. Helaas is hij een paar maanden geleden overleden.’

Waarom zat u op boksen?
‘Mijn vader zat op boksen en was daar ontzettend goed in. Hij zat op een Joodse boksschool. Ik ben ook op boksen gegaan. Toen de oorlog was afgelopen, was het nog steeds helemaal geen pretje voor Joden. Joden werden uitgescholden alsof het de normaalste zaak van de wereld was om dat te doen. Maar toen ik volwassen was kon ik mezelf verdedigen, mede dankzij het boksen. Wie mij uitschold kwam van de koude kermis thuis, want ze kregen klappen.’

Bent u blij met uw leven als u er op terugkijkt?
‘Om heel eerlijk te zijn, op sommige dingen wel, en op sommige dingen niet. Ik denk dat jullie wel begrijpen waarom. Over het algemeen heb ik geen slecht leven gehad, en zelfs ook wel geluk gehad, anders had ik hier niet gezeten. Ik ben gastspreker geweest voor Kamp Westerbork. Toen mijn vrouw overleed had ik geen zin meer. Toen had ik gezegd: ik schei er mee uit.

Maar ik vind het ontzettend belangrijk dat jullie weten dat als er oorlog is, er geen enkele winnaar is. Iedereen is een verliezer. Je verliest alles, je gezin, je familie, alles waar je gewerkt voor hebt in je leven. Vreselijk. Ik ben zelf loodgieter geweest, 25 jaar lang. Ik had twee kinderen, mijn oudste, mijn zoon, is 29 geworden en overleden. Mijn dochter is nu 50 en ik heb twee kleinkinderen. Daar ben ik heel blij mee.’

 

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892