Archieven: Verhalen

‘Ik vond het heel erg om te zien hoe mijn neven werden afgevoerd’

Jeen, Sido en Doortje van basischool De Romte uit Tytsjerk gaan bij meneer Goos Postma op bezoek om hem te interviewen. In de oorlog woonde meneer Postma in een boerderij op de Súderein in Tytsjerk, samen met zijn ouders en drie oudere broers. Hij was twee jaar toen de oorlog begon.

Heeft u ook spannende dingen beleefd in de oorlog?
‘Ik ben van 1938, dus ik heb het begin van de oorlog niet bewust meegemaakt. Maar ik kan me zeker nog wel spannende momenten herinneren. Op een nacht is er een Engels of Canadees vliegtuig rakelings over onze boerderij gegaan. Die was neergeschoten door de Duitsers. Verderop in een poel is het vliegtuig neergestort, dat was wel eng. Mijn ouders gingen ernaartoe, maar het vliegtuig was al weggezakt. Een koe van ons is wel geraakt door een stuk blik van dat vliegtuig, zijn buik was helemaal open. Ik zie haar nog staan bij ons achter, ze moesten haar afmaken.’

‘Een andere keer waren we ook wel erg bang. Er was een bataljon van zo’n twaalf Duitse soldaten. Ze stopten aan de overkant van de straat, daar was een brede berm. Het was rond etenstijd, ze gingen zitten en wat eten. Als kinderen wilden we daarbij kijken. Ze hadden brood bij zich. Onze buurman had een hond en die liep ook langs die soldaten en de hond pakte ineens een brood. Eén van die Duitsers pakte toen zijn geweer om op de hond te schieten, maar die kon net op tijd bij ons achter het huis komen, dus hij heeft hem gelukkig niet geraakt. Maar het was wel even spannend.’

Heeft u geheime dingen gedaan in de oorlog?
‘Nee, ik was nog heel jong. Maar we hebben wel eens stiekem een varken geslacht bij ons thuis. Dat mocht toen niet. De Duitsers wilden dat al het vee geregistreerd werd en je mocht zeker niet dieren slachten zonder toestemming. Mijn heit had dan van de twaalf biggetjes stiekem maar elf geregistreerd en die twaalfde hield hij wat apart en die werd na een poosje geslacht. Het was november, de slachtmaand. Mijn mem bereidde dat vlees dan en dan kwam het spek op zolder te hangen. De rook van de kachel ging door het spekhok en dan werd het spek gerookt. En als het helemaal gaar was, dan mochten wij er een stukje van hebben. Dat was zó lekker. Maar het was wel gevaarlijk, je kon ervoor opgepakt worden. Later in de oorlog hadden we stiekem een radio. Dat mocht natuurlijk ook niet van de Duitsers.’

Heeft u wel eens een razzia meegemaakt?
‘Er woonden bij ons op de buurt allemaal Postma’s, dat was allemaal familie. Mijn oom had vier zoons, dat waren mijn neven dus. In die tijd werden jonge mannen opgepakt om in Duitsland te gaan werken. En daarom hadden mijn neven een hol gemaakt in de hooischuur en daar konden ze zich dan in verstoppen. Op een keer kwamen er Duitsers aan de deur en mijn oudste drie neven hadden zich verborgen in het hooi, de jongste niet, want die was te jong om in Duitsland te gaan werken. Maar de Duitsers hebben mijn jongste neef toen geschopt en geslagen, want ze wilden dat hij vertelde waar zijn broers waren. Hij schreeuwde het uit en uiteindelijk heeft hij verteld dat zijn broers in het hooi zaten. Toen zijn de jongens afgevoerd. Dat vond ik echt heel erg, dat was heel spannend allemaal.’

‘Eerst kwam er één neef terug. Je herkende hem bijna niet, hij was zo vermagerd. Zijn hoed bleef niet meer op zijn hoofd zitten, maar zakte helemaal over zijn oren. Hij had in een Duits kamp gewerkt. De Duitsers hadden de gevangenen op een schip in Emden gezet om naar de Oostzee te brengen om het daar te laten zinken. Dat was het verhaal tenminste. Uiteindelijk kwamen alle drie neven terug gelukkig, maar niet tegelijk.’

 

 

 

Archieven: Verhalen

‘Ik was een baby en heb mijn heit nooit gekend’

Myrthe, Andries en Fenna van basisschool De Romte in Tytsjerk reizen naar Bakkeveen, een half uur met de auto van hun school. Ze bezoeken mevrouw Anneke van der Schaaf-Santema (85). Zij was een jaar toen de oorlog begon en woonde op een boerderij op de Lytse Geast in Tytsjerk. Het interview is in de ochtend, maar ze krijgen chips van mevrouw Van der Schaaf en haar man.

Wat is er in de oorlog met uw heit gebeurd?
‘Het was in de begindagen van de oorlog, mei 1940. In Friesland zaten de Duitsers al, Noord-Holland was nog vrij. De Nederlandse militairen verdedigden de afsluitdijk en de Friese kust om te voorkomen dat de Duitsers over de afsluitdijk verder konden trekken naar Noord-Holland. Mijn heit vocht bij de Wonsstelling. De stelling bestond uit met hout en modder gemaakte versterkingen, die ook wel molshopen werden genoemd. Er waren geen kuilen en loopgraven en de grote bulten waren goed zichtbaar voor de Duitsers. De Nederlandse militairen hadden weinig bescherming en waren een makkelijk doelwit. Het is daar dat mijn heit werd neergeschoten. Hij is toen naar het ziekenhuis van Alkmaar gebracht, daar heeft hij nog een paar dagen geleefd. Mijn mem is daar nog één keer bij hem geweest, maar het was een hele reis om daar te komen, omdat de Duitsers net ons land bezet hadden. Mijn heit, Pier Santema, is op 1 juni 1940 overleden. Hij was nog maar 30 jaar. Ik was een baby van 1 jaar en heb hem nooit gekend.’

Wat weet u nog van uw heit?
‘Eigenlijk weet ik heel weinig van mijn heit. Er werd vroeger bijna niet over gepraat. Ik heb alleen foto’s van hem. Ik weet niet eens hoe zijn stem klonk of hoe hij was. Hoe het verder is gegaan met de begrafenis en zo, weet ik niet. We waren nog zo verschrikkelijk klein. Ik was 1 jaar, bijna anderhalf jaar, toen hij overleed. Mijn broertje was een half jaar oud en mijn grote broer was drie. Mijn mem had het ook erg druk; drie kleine kinderen en een grote boerderij. Gelukkig hadden we wel boerenhulp, maar er moest nog steeds veel gebeuren.’
‘Mijn heit zijn naam staat op het oorlogsmonument bij Kornwerderzand. Elk jaar gaan we naar de herdenking, die begint daar al om 18.00 uur in plaats van 20.00 uur. Er worden dan kransen gelegd. Dat is een erg belangrijk moment voor mij. Het is toch daar waar mijn vader heeft gevochten voor Nederland. Het graf van mijn heit was eerst in Tytsjerk en is later verplaatst naar het Militair Ereveld Grebbeberg in Rhenen. Zijn botjes kwamen in een kistje.’
‘We hebben na het overlijden van mijn heit nog negen jaar op de boerderij gewoond. Mijn mem werd toen ziek en kon niet meer beter worden. Ze is op een Sinterklaasavond overleden, ik was tien jaar. Ik heb toen een kleedje voor haar geborduurd. Dat kwam in de kist. Onze mem wilde graag dat mijn broertjes en ik bij elkaar bleven en daarom gingen we met z’n drieën naar het weeshuis. Het Old Burger Weeshuis in Leeuwarden. Voordat we daarnaartoe gingen was er nog ‘boelguod’ (boelgoed) waarbij al ons vee en de inboedel werd verkocht.’

Hoe was het in het weeshuis?
‘We zaten in een mooi, groot herenhuis. Het was een heel rijk weeshuis, ze hadden wel vijftien boerderijen. Mevrouw Van Harinxma thoe Slooten zat in het bestuur, ze was van adel. Wel heel aardige mensen. Eens per jaar was er een groot feest van het bestuur en hun gevolg. Dan was er een groot diner en mochten wij bij de tafels langs om te kijken hoe mooi het was. We hadden het er goed. Twee of drie keer per jaar kwam de tandarts. Ook de huisarts kwam regelmatig langs voor onderzoek. Er was een naaiwinkel en een keukenmeid. En we hadden er een ‘vader’ en een ‘moeder’, die hadden daar de leiding.  Moeder was een erg leuke vrouw, ze was heel lief. We sliepen met zo’n vijf meisjes op een kamer. Het was anders dan bij ons thuis in het gezin, maar ik heb het er wel fijn gehad. Mijn oudere broer Rienk moest er wel erg wennen, want hij wilde graag de boerderij overnemen en dat kon nu niet meer. Op zondagmiddag gingen we altijd naar mijn pake en beppe in Goutum, ze waren voogd over ons. Het waren de ouders van mijn mem.’

 

Archieven: Verhalen

‘Ik moest als jongen bij operaties van gewonde soldaten aanwezig zijn’

Evan, Luna, Petra, Myrthe en Thijs van basisschool De Romte in Tytsjerk interviewen meneer Adri Pietersen (97). In de oorlog woonde meneer Pietersen op Schenkenschans, een  buurtschap in Leeuwarden, waar nu een industrieterrein zit. Hij woonde er met zijn ouders en zijn twee jongere broertjes aan het kanaal. Hij was 13 jaar toen de oorlog begon.

Hoe wist u dat het oorlog was?
‘Op vrijdag 10 mei 1940 vielen de Duitsers het land binnen. Het was een zonnige dag. Boven Leeuwarden waren er ineens vliegtuigen, die rondjes vlogen boven het vliegveld van Leeuwarden. We deden de radio aan en we hoorden dat er bevriende naties boven ons land vlogen. Dat vonden we vreemd, maar we hoorden ook dat we in oorlog waren met de Duitsers. Die vliegtuigen boven ons hadden een kruis op hun vliegtuigen. In een blad, de Panorama, hadden we gezien wat de kenmerken waren van alle vliegtuigen. Toen wisten we dat het Duitse vliegtuigen waren. Toen was er veel paniek. De Duitse vliegtuigen vlogen boven vliegveld Leeuwarden om te zien of er Nederlandse jagers opstegen.’

‘De eerste Duitsers waren op 13 mei 1940 in Leeuwarden. Op Schenkenschans, waar ik woonde, waren ineens ook Duitse soldaten. Jonge mannen van 18, 19 jaar, een stuk of tien, dat noemde je een staffel. Ze gingen de spoorbrug dichtbij ons huis bewaken, zodat die niet gesaboteerd kon worden. Er was ook een boerderij bij die spoorbrug, die werd in beslag genomen door de Duitsers. Deze Duitsers waren wel aardig, heel correct. Maar ook fanatiek. Ze zongen: ‘Und wir fahren gegen Engeland.’ Ze dachten dat ze vanuit Nederland heel snel door zouden gaan naar Engeland om ook dat land te bezetten. Het postkantoor, de telefooncentrales en elektriciteitscentrales werden in Leeuwarden ook door de Duitsers bezet.’

Moest u ook onderduiken?
‘Om te voorkomen dat ik naar een werkkamp moest of voor de Duitsers moest werken, ben ik vanaf 1943 ondergedoken. De mensen die namelijk in 1926, ’27 en ’28 geboren waren, zoals ik, werden tegen het eind van de oorlog 17, 18, 19 jaar. Toen ik 16 jaar was, kreeg ik een oproep voor de keuring van de arbeidsdienst, maar ik ging niet. Ik kreeg een waarschuwing en ik kreeg een nieuwe oproep, maar ik ging weer niet. Toen moest ik onderduiken, want de Duitsers hielden razzia’s. Ze gingen huis voor huis zoeken naar onderduikers en naar mensen die de arbeidsdienst weigerden. We hadden een groot huis en we hadden het geluk dat we op een plek woonden waar mensen ons niet direct konden overvallen, want we woonden aardig geïsoleerd. We hadden dus een geschikt huis om in onder te duiken. Dus ik dook thuis onder. We hadden eerder al twee mannen in huis, ze hadden in Duitsland gewerkt en waren thuis op verlof en doken toen onder, zodat ze niet terug hoefden. Er kwam een derde onderduiker bij, een brugwachter die meedeed aan de staking, zodat de treinen niet meer konden rijden.’

Bent u uiteindelijk ook opgepakt?
‘Op een gegeven moment stond mijn naam bovenaan de lijst van de gemeente met mensen die opgepakt moesten worden, omdat ik al een paar keer een oproep voor de keuring van de arbeidsdienst had geweigerd. Het werd te gevaarlijk voor mij om thuis onder te duiken en dus moest ik een andere plek zoeken. Er was toen een plekje bij het Kriegslazaret, het oorlogshospitaal in de kazerne in Leeuwarden, waar Duitse gewonde soldaten lagen. Daar zochten ze een elektricien en daar deed ik een opleiding voor. Ik moest aanwezig zijn bij de operaties in de kazerne. De ruimtes waren niet heel geschikt voor een operatie, maar er waren wel kundige Duitse chirurgen. Het steriel houden van de operatie-instrumenten gebeurde in snelkokers, maar soms raakte het elektriciteitsnet overbelast en moest ik dat oplossen als elektricien. Ik was dus als 18-jarige jongen bij operaties van zwaargewonde soldaten, sommigen hadden geen benen of armen meer of ze hadden een grote hoofwond. Dat was wel een schok voor mij, zoiets had ik nog nooit gezien.’

‘Op een gegeven moment hoorde ik ook dat er Engels werd gesproken. Er bleek een afdeling te zijn met Engelse vliegeniers, die neergeschoten waren. Ik ging ernaartoe om met ze te praten en ze stiekem op de hoogte te houden van de ontwikkelingen van de bevrijding. Met de bevrijding op 15 april kwam ik een aantal van deze vliegeniers, die in dat oorlogshospitaal lagen, tegen op de Nieuwstad: een Engelse, Amerikaanse en Nieuw-Zeelandse vliegenier.’

‘De oorlog was voorbij, maar er was ook veel verdriet. Een neef van mij zat in West-Capelle in Zeeland als militair en is daar doodgeschoten. Er kwam bericht van de gemeente dat hij was gered. Mijn oom en tante gingen toen gebak halen en een dag later kwam het bericht dat het een vergissing was, dat mijn neef was gesneuveld. En er is ook een jongen van Schenkenschans, een buurjongen van mij, gefusilleerd. En in 1944 is mijn kleine broertje verdronken bij ons in de vaart. Hij was nog maar 4 jaar. Mijn vader volgde het nieuws van de bevrijding altijd op de voet, maar vanaf toen deed dat er voor hem niet meer toe.’

 

 

Archieven: Verhalen

‘Ik keek naar mijn vader en zag dat hij huilde’

In Oostzaan worden Deya, Masario, Tijs en Woodie van de Twiskeschool warm ontvangen door Jan van der Linden, zijn vrouw en kleinzoon. Het is een bijzondere ontmoeting: niet alleen omdat Jan als kind de oorlog meemaakte, maar ook omdat de kinderen onder de indruk waren van zijn mooie huis en gastvrijheid. Terwijl ze genoten van makarons in hartvorm – speciaal voor Valentijnsdag – roomsoesjes, stukjes kaas en snacktomaatjes, luisterden ze aandachtig naar zijn verhalen. Over de dag dat de Duitsers binnenvielen, de bommenwerpers en zijn oma die de bevrijding vierde op maar één schoen.

Verwachtte u de oorlog?
‘Ik ben geboren in 1936 en toen de oorlog begon in mei 1940, was ik nog net geen vier jaar oud. Maar eigenlijk begon de oorlog voor mij al eerder, in het najaar van 1939. De Nederlandse regering wist dat de kans groot was, dat de Duitsers Nederland zouden binnenvallen. Daarom werden alle mannen opgeroepen die geschikt waren voor het leger. Mijn vader werd met zijn regiment naar Velsen gestuurd. Samen met mijn moeder ging ik hem regelmatig opzoeken. We reisden met de trein en de bus. Voor mij als klein kind was dat een avontuur, maar ik begreep natuurlijk niet wat er echt aan de hand was. Op 15 mei 1940, vlak na de Duitse inval, was ik met mijn ouders in IJmuiden. We stonden op een heuvel en keken uit over de stad, toen we de Duitse soldaten zagen binnenmarcheren. Dat is mijn allereerste echte herinnering aan de oorlog. Ik keek opzij naar mijn vader en zag dat hij huilde. Dat beeld is me altijd bijgebleven. Het is bijzonder hoe sommige herinneringen blijven hangen, terwijl ik me veel andere dingen uit die tijd niet meer voor de geest kan halen.’

Zag u soms vliegtuigen met bommen overvliegen?
‘Ja, heel vaak. In het begin van de oorlog vlogen ze vooral ’s nachts en niet zo hoog. Later kwamen de Amerikaanse bommenwerpers en die vlogen hoger en ook overdag. Soms waren er zoveel vliegtuigen dat je ze aan alle kanten kon zien, het leek wel een hele zwerm. De eerste bom die ik echt zag vallen, was in september 1940. Ik was met mijn moeder naar de stad geweest en we stonden op de pont achter het Centraal Station. Opeens ging het luchtalarm af. De pont voer zo snel mogelijk naar de overkant, naar het Tolhuis, waar een schuilkelder stond. Het was een houten constructie bedekt met zand, waar mensen konden schuilen als ze niet thuis waren. Mijn moeder en ik renden ernaartoe. We stonden daarbinnen en keken even naar buiten. Op dat moment zag ik een vliegtuig laag over het Centraal Station vliegen. Plotseling viel er een bom uit. Dat was de eerste keer dat ik met eigen ogen zag hoe zo’n bom naar beneden kwam. Hij kwam ergens in Amsterdam terecht. Dat moment staat nog altijd op mijn netvlies.’

Heeft u iemand verloren in de oorlog?
‘Ja, mijn oom. Tijdens de oorlog was er een groot tekort aan alles: eten, kleding, brandstof. Alles ging op de bon en iedereen kreeg hetzelfde, of je nu arm of rijk was. Maar sommige mensen probeerden op andere manieren aan extra eten te komen. Zo ontstond er een zwarte markt, waar bijvoorbeeld vlees illegaal werd verhandeld. In Oostzaan werden koeien in het geheim geslacht en dat vlees werd dan verkocht. Mijn oom bracht dat vlees naar familie op de Veluwe, maar op een dag werd hij opgepakt door de Duitsers. Hij werd naar Kamp Vught gestuurd, een beruchte gevangenis. Daar werd hij ernstig ziek en uiteindelijk is hij daar overleden. Mijn familie heeft hem nooit meer teruggezien.’

Hoe was Bevrijdingsdag?
‘De bevrijding voelde alsof die langzaam naderde. Je hoorde steeds meer geruchten dat de oorlog bijna voorbij was. Maar het moment zelf zal ik nooit vergeten. Op de dag dat we écht bevrijd waren, vloog er een vliegtuig over. Eerst schrok ik, want ik dacht meteen aan bommen. Maar in plaats daarvan dwarrelden er pamfletten naar beneden. Op die papieren stond dat we vrij waren. Ik was negen jaar oud en wist: de oorlog is voorbij.Mijn oma, mijn tante en mijn neef waren die dag op de Dam in Amsterdam. Daar was een enorme menigte bijeengekomen om de bevrijding te vieren. Maar ineens ontstond er paniek: er werd geschoten. Mensen renden alle kanten op. Mijn oma kwam later thuis met maar één schoen. In de chaos had ze de andere verloren. Gelukkig was haar niets overkomen.’

Archieven: Verhalen

‘Als mijn moeder je iets aanbood, moest je altijd ja zeggen’

Sandra Felter (60 jaar) heeft haar angisa die ze draagt, zelf gemaakt. Imogen, Nora, Marisol en Raffi kijken mee in de tas, naar wat mevrouw Felter nog meer heeft meegenomen voor het interview op het Montessori Lyceum Amsterdam. Bij het zien van een foto van toen ze jong was, zeggen ze hard: ‘Oh, wat bent u mooi!’

Hoe oud was u toen u naar Nederland migreerde?
Ik was 7 jaar toen mijn ouders besloten om naar Nederland te komen. Het leven in Suriname was niet zo goed in de jaren zestig. Mijn vader had verschillende broers, ze hadden niet allemaal geld om apart met hun gezinnen te komen. Dus hadden ze besloten dat de oudste broer van mijn vader als eerste naar Nederland ging. Ze hebben met z’n allen geld gespaard en een ticket voor hem geboekt.

Die oom heeft in Nederland een plek geregeld, maar ook meteen een plek voor zijn broers. Weer hard werken en sparen, en toen konden de andere broers en hun gezinnen ook overkomen, telkens een voor een. En zo woonden we met z’n allen in de binnenstad van Amsterdam, in een pension. In Suriname zat ik al in de tweede, maar in Nederland dacht de juf dat het beter was als ik de eerste en tweede hier overdeed. En mijn ouders spraken haar niet tegen want ‘de juffrouw weet het beter’.’

Hoe was het om in Nederland een nieuw leven op te bouwen?
‘We kwamen aan in februari, hartje winter, er lag een dik pak sneeuw. Na twee weken kregen mijn zusje en ik heimwee. We wilden naar onze nichtjes en neefjes waar we zo vaak mee speelden in Suriname. Bij onze aankomst waren we vanaf het Centraal Station naar ons huis gelopen. Dus ik zei tegen mijn zusje: we gaan naar Suriname. Dan gaan we eventjes spelen en dan komen we daarna weer terug.

Dus we gingen naar het station want daar ligt Suriname, dacht ik! En daar gingen we, zonder jas, maar we kwamen niet verder dan de hoek, want toen rende een mevrouw uit het café en die vroeg: ‘Waar gaan jullie heen?’ We vielen wel op natuurlijk, twee donkere kinderen zonder jas in de sneeuw. ‘Nou, we gaan naar Suriname.’ Die mevrouw bracht ons naar het politiebureau in de Warmoesstraat, en daar haalde mijn vader ons op.’

Voelde u zich weleens buitengesloten?
‘Nee, eigenlijk niet. Er waren maar twee Surinaamse families in de straat, dus wij waren heel bijzonder en iedereen wilde graag met ons spelen. Op de middelbare school veranderde dat. Toen wist ik: van oktober tot december moet ik geen ruzie maken of in een strijd terecht komen, want dan word ik uitgescholden voor zwarte piet. Ja, dan voel je je wel buitengesloten. Van oktober tot december moest ik op mijn tenen lopen. Maar voor de rest, eigenlijk niet.

Ze zagen ons ook als voorbeeld, als nette kinderen. Want in Suriname moet je echt met ‘u’ en ‘meneer’ en ‘mevrouw’ spreken. Je kan in Suriname niet bij iemand binnen komen en zeggen: hoi. In Nederland kan dat wel, maar bij mijn ouders moest je zeggen ‘dag mevrouw’ en ‘dag meneer’. Ik heb weleens gehad dat ik een Nederlands vriendinnetje meenam, Els, en die zei wel ‘hoi’. En toen zei mijn vader dat ze weer naar buiten moest, en opnieuw naar binnen moest komen met ‘dag meneer’. Daarna, als ik vriendinnen meenam naar huis, dan zei ik al op de trap je moet wel ‘dag mevrouw’ en ‘dag meneer’ zeggen.

En als mijn moeder je iets aanbiedt, of je iets wil drinken dan moet je altijd ja zeggen! Want als je nee zegt ziet mijn moeder het als een belediging. Dan zei ze, waarom willen ze mijn eten niet? Bij Surinamers is het zo, je mag iedereen mee naar huis nemen. En mijn moeder kookte voor iedereen die thuis kwam. Dus soms op de woensdag zat de halve straat bij ons thuis. Als ik soms bij iemand anders thuis kwam, dan kreeg ik een koekje, of ranja. Maar kwamen ze bij ons thuis, dan werd er gegeten, en spelletjes gespeeld.’

 

Archieven: Verhalen

‘Ik zocht vooral veel contact met andere Spaanse mensen’

Kian, Maureen, Phillipe en Serhan van het Montessori Lyceum Amsterdam spreken met de Spaanse Rosario Bueno. Vanwege de liefde kwam ze naar Nederland, maar nu mist ze nog wel eens de leuke Spaanse feestjes waar iedereen danst.

Waarom bent u naar Nederland gekomen?
‘Ik ben in Spanje geboren en ontmoette er 38 jaar geleden mijn man. Nadat we 6 jaar samen waren, ben ik in 1993 naar Nederland gekomen. Mijn moeder was ertegen, zij wilde niet dat ik weg zou gaan en we hebben toen ook nog gekeken naar mogelijkheden om in Spanje samen te wonen. Omdat mijn man hier een baan had hebben we toch voor Amsterdam gekozen. Ik ben bij hem gaan wonen en we wonen nog altijd in dezelfde woning in de Pijp. In het begin had ik veel heimwee. Gelukkig kon ik vaak terug. Mijn ouders zijn inmiddels overleden, maar we gaan nog steeds geregeld naar Spanje. We hebben een huis in het dorp waar ik opgegroeid ben.’

Wat deed u om u hier toch thuis te voelen?
‘Ik zocht vooral veel contact met andere Spaanse mensen. Die ontmoette ik in Casa Migrante, een ontmoetingsplek voor Spaanstalige migranten. Ik deed er ook vrijwilligerswerk en Nederlandse taalles volgde ik er. De eerste drie jaar heb ik alleen Engels gesproken met Nederlanders en nog vind ik gesprekken in het Nederlands best moeilijk. Terwijl ik best veel Nederlandse taalcursussen heb gevolgd. Met onze dochter heb ik ook altijd Spaans gesproken, gelukkig maar want zij kon daarom altijd met haar familie in Spanje praten. Van Nederlands eten zoals stamppot met worst houd ik niet zo en ik kook thuis nog altijd graag Spaanse gerechten. Iets wat ik heel leuk heb gevonden van Spanje is dat er altijd leuke feestjes zijn met veel dansen. Dat is hier een stuk minder.’

Heeft u een studie gedaan?
‘Ik wilde graag naar de universiteit, maar mijn ouders en broers vonden dat geen goed idee. Zij vonden dat vrouwen thuis het huishouden moesten doen. Ik heb wel een administratieve opleiding in Sevilla gedaan en werkte voor een makelaar. Toen ik in Amsterdam was, waren alle deuren voor een administratieve baan dicht voor mij. Ik kon niet in het Nederlands schrijven. Ik heb een tijdje als datatypiste gewerkt. Aan de lange werkdagen van 9 tot 17 uur, met pauzes in een kantine, heb ik nooit kunnen wennen. Ik vind het veel beter zoals we het in Spanje doen. We werken van 8 tot 14 uur en gaan dan een paar uur naar huis om te eten en te rusten en dan werken we weer van 17 tot 20 uur.’

Wat waren uw verwachtingen en zijn ze uitgekomen?
‘Eigenlijk was mijn wens: een huis kopen, kinderen krijgen en werken. Een huis hebben we in Spanje en we hebben een dochter gekregen. Zij is nu 22 en studeert in Utrecht. Alleen met werk is het niet zo gegaan zoals ik graag zou willen. Dat komt niet alleen door de taal, maar ook omdat ik na de geboorte van onze dochter niemand had die op haar kon passen. De creche was destijds te duur en daarom geen optie, en mijn schoonouders konden niet helpen want zij werkten allebei. Dus aan de ene kant vind ik dat jammer, maar aan de andere kant was het mijn keus om bij haar te zijn en dat was ook goed.’

Archieven: Verhalen

‘Ik ben er nu achter: je moet vanaf de eerste dag Nederlands praten’

Simten Kalayci (1962) is grootgebracht in Istanbul. Zij had nooit de behoefte om Turkije te verlaten, maar voor de liefde vertrok zij op zevenentwintigjarige leeftijd naar Amsterdam. In Nederland ging zij verder met studeren, bouwde een carrière op en kreeg een zoon. Vanuit haar woonplaats Den Haag komt ze nu naar het MLA in Amsterdam om met leerlingen Firdouss, Lena en Kees te praten over de moeilijkheden van het leren van de Nederlandse taal, gemis, geloof en de liefde.

Vond u het leuk toen u in Amsterdam kwam wonen?
‘Ik kom uit een hele grote stad – Istanbul had zo’n 3 tot 4 miljoen inwoners – en vergeleken daarbij voelde Amsterdam als een klein dorpje. Het viel me op dat er veel vrijheid was bij de mensen en dat je makkelijk al lopend kon navigeren door de stad. Het voelde alsof ik in een vertraagde film terecht was gekomen, heerlijk.

Als je ergens wil leven, moet je de taal leren en beheersen. Anders heb je niet veel contact met mensen. Ik volgde taalles aan de universiteit die gericht was op het voorbereiden op een academische studie. Het begon vooral met het leren van hele moeilijke teksten en het spreken zou later komen.

Ik ben er nu achter: je moet vanaf de eerste dag beginnen met praten. In de eerste drie jaar dat ik in Nederlands was, sprak ik geen woord Nederlands, alleen Engels. In het Nederlands schaamde ik me voor de fouten en het accent. Het voelde fijn en gelijkwaardig om Engels te spreken, omdat degene met wie ik sprak ook Engels als tweede taal heeft. Het gevolg was dat ik niet genoeg oefende om Nederlands te spreken.

Taal is niet alleen praten: het is ook denken, inzicht hebben in een ander, literatuur en muziek. Nu heb ik een haat-liefde verhouding met de Nederlandse taal. Er zijn dagen dat ik bijvoorbeeld Nederlandse stand-up comedy kan volgen en daar ben ik trots op. Maar soms sta ik voor een klas van dertig studenten en dan voel ik een handicap omdat ik me niet goed kan uiten. Ik voel dan een vertraging in mijn hoofd en heb moeite om de juiste woorden te vinden. Ik heb niet een hele grote woordenschat om te nuanceren: iets is goed of slecht of bijna goed. Maar in de taal zijn er veel meer manieren van je uit te drukken en dat vind ik soms moeilijk.’

Wat vonden uw ouders ervan dat u wegging?
‘Mijn moeder had het er ongelofelijk moeilijk mee. Ze had het nooit gedacht dat ik zou emigreren en ikzelf ook niet eigenlijk. Ik had de studie diergeneeskunde afgerond en had een goede baan als dierenarts.

Vijfendertig jaar geleden werd ik verliefd op een Israëlische man die in Amsterdam woonde en voor de liefde ben ik vertrokken. Het was een hele andere tijd, je had geen internet of mobiele telefoons om te beeldbellen. De vaste telefoon was erg duur, ongeveer 2 euro per minuut, dus je ging niet 100 uur met elkaar over van alles en nog wat praten. Het waren korte gesprekken en we schreven vooral brieven.

Achteraf gezien is dit erg leuk, want je zit en neemt de tijd om na te denken over wat je gaat schrijven. Iemand wacht vervolgens tien dagen tot de brief is aangekomen.

De eerste twee jaar ben ik vier tot vijf keer per jaar terug gegaan naar Turkije. Dat was niet goed voor het klimaat, maar de enige manier om te overleven en met het gemis om te gaan. Nu kan ik dagelijks met mijn moeder videobellen.

Ik begon in Nederland te studeren en maakte vrienden waardoor alles wat dragelijker werd. Vooral de eerste jaren waren niet makkelijk. Mijn zoon studeert nu voor zes maanden in Tokyo en nu besef ik beter hoe mijn moeder zich toen voelde. Het is een ervaring om te voelen hoe het is om zo’n afstand van elkaar te hebben en dat is niet makkelijk.’

Zou u blijer zijn geweest als u nu nog met familie en vrienden in Istanbul woonde of bent u wel blij dat u naar Nederland bent gekomen?
‘Dat weet je nooit. In het leven heb je keuzes en die kan je maar één keer maken. Ik heb deze weg genomen en hoe de andere weg eruit zou hebben gezien weet je niet. Hoe dan ook maakt deze ervaring een mens rijker. Ik ben opener en heb veel meer kennis over de wereld. Het is rijkdom, maar je betaalt een boete want je moet veel doen om er te komen. Als ik mezelf nu zou vragen: zou je het nog een keer doen, dan zou ik ja zeggen.’

Heeft u nog contact met oude vrienden uit Istanbul?
‘Ja, zeker! Ik ga nog steeds twee tot drie keer per jaar naar Istanbul. Dan bezoek ik vijf hele goede vrienden. Mijn echte vrienden zijn in Nederland, want in de jaren bouw je hier ook veel contacten op. In Nederland heb ik vrienden van verschillende nationaliteiten. Een deel ken ik van de cursus Nederlands als tweede taal; we zaten allemaal in een nieuwe situatie. Dat schept en band en het zijn relaties die voor het leven zijn.’

Archieven: Verhalen

‘Op mijn 17de kwam ik in mijn eentje naar Nederland’

Joli, Aurélie, Meis en Carmelio van het Montessori Lyceum Amsterdam hebben afgesproken met Abdou Menebhi. Hij is geboren in Marokko en vertelt de kinderen over zijn leven. Ze hebben zich goed voorbereid op dit gesprek en stellen hem allerlei vragen.

Hoe zag uw leven eruit in Marokko?
‘In Marokko groeide ik op in een groot gezin van vier dochters en vier zonen. Marokko is een mooi land met veel verschillende culturen, oude steden en een brede geschiedenis. Het is niet zozeer een arm land, maar er is wel veel armoede. Ook is er maar weinig toekomstperspectief voor de jeugd. Dat komt voornamelijk door een tekort aan werk, in combinatie met een corrupte overheid. Mensen voelen zich er over het algemeen niet vrij. Enkel voor de rijken is Marokko een prachtig land om in te wonen.

Rond de jaren zeventig, toen ik nog in Marokko woonde, was het nog slechter gesteld met de vrijheid in het land. Marokko was toen een soort dictatuur. Als je kritiek had op de koning, kon je in de gevangenis belanden. Vooral studenten accepteerden deze onderdrukking niet en lieten hun stem horen. Marokko heeft veel studentenbewegingen gekend die streden voor hun vrijheid.’

Waarom verliet u Marokko?
‘Ik emigreerde zelfstandig in 1974 naar Nederland, ik was toen ongeveer 17 jaar oud. Om verschillende redenen verliet ik Marokko. Ik zocht naar werk en in Marokko werd dat lastig. Ook zocht ik naar een plek waar ik meer vrijheid had. Ik had al een kennis in Nederland en had wel al het een en ander over het land gehoord, maar was er nooit eerder geweest. Ik heb anderhalve dag gereisd. Eerst ging ik via Marokko met de boot naar Spanje. Vanuit Spanje heb ik de trein gepakt naar Frankrijk en vervolgens ben ik doorgereisd naar Amsterdam.’

Hoe was het leven in Amsterdam?
‘Ik kwam illegaal aan in Amsterdam en had dus geen papieren. Actiegroepen in Amsterdam hebben mij en andere migranten opgevangen. We kregen onderdak, eten, kleding en spullen. Iedereen was solidair. Nederland was heel anders dan Marokko. Het was nieuw voor me. Ik vond Nederland meteen al heel mooi! Er waren veel bloemen, een heleboel fietsen en de mensen waren hier over het algemeen vriendelijk tegen migranten.

Ik heb in het begin zwart werk gedaan om aan geld te komen. Ook was ik een van de oprichters van actiegroepen die streden voor de legalisering van Marokkaanse migranten in Nederland. Nadat ik met andere migranten in de krant had gestaan met een foto, kregen we allemaal een verblijfsvergunning en hoefde ik ook niet langer zwart werk te doen.

Ik woon hier ondertussen al lang en voel me erg verbonden met het land. Ik dacht altijd nog eens definitief terug te keren naar Marokko als er daar sprake zou zijn van vrijheid en een eerlijke democratie, maar dat is nooit het geval geweest. Momenteel ben ik vader van twee dochters en heb ik hier in Nederland een grote familie. Ik mis Marokko ook wel, vooral de cultuur, maar ik ga er af en toe nog naartoe op vakantie.’

Archieven: Verhalen

‘Ik heb Nederlands geleerd door veel naar ‘Sesamstraat’ te kijken’

De thee en de pepernoten staan klaar als Flore, Gigi en Giuliana van het Montessori Lyceum Amsterdam kennismaken met Afifa Tadmine. Mevrouw Tadmine kwam in 1974 vanuit Marokko naar Nederland. De leerlingen zijn benieuwd naar haar verhaal.

Hoe kwam u in Nederland terecht?
‘In Marokko had ik Frans en Arabisch gestudeerd en de nonnen leerden mij borduren. Mijn vader was in Marokko werkzaam in de rechterlijke macht en kwam vaak jonge mannen tegen die veel problemen veroorzaakten, zoals slaan, vechten en drankgebruik. Dit wilde hij beslist niet voor zijn dochter en toen besloten mijn ouders dat ik moest trouwen met een twintig jaar oudere man. Ik was 19 jaar en had hier weinig over te zeggen, het gebeurde gewoon.

Met deze man ben ik naar Nederland gekomen. Hier was ik niet gelukkig, ik voelde me als een gevangene. Mij was beloofd dat ik mocht studeren, maar die belofte werd niet nagekomen. Eigenlijk was het de bedoeling dat ik met deze man kinderen zou krijgen, maar dat is niet gebeurd. Uiteindelijk voelde ik me zo ongelukkig dat ik dit niet meer wilde. Ik mocht bijna niets, want mijn man was erg jaloers.

Ik heb Nederlands geleerd door veel naar Sesamstraat te kijken. Na zeven jaar ben ik van hem in Marokko gescheiden. Mijn moeder, die erg ziek was, wilde graag dat ik terug naar Nederland zou gaan, want zij dacht dat ik na haar overlijden misschien alleen als werkster voor het gezin in Marokko zou moeten werken. En dat wilde ze zeker niet voor haar dochter.’

Hoe was het om in Nederland te zijn?
‘Toen ik hier aankwam in 1974 vond ik Nederland ontzettend groen, echt heel anders dan Marokko. De mensen waren gastvrij en aardig. Het leek wel een paradijs. Na de jaren negentig is dat wel veranderd, er zijn veel culturen die eigenlijk niks met elkaar te maken willen hebben. Over en weer wordt er gediscrimineerd. Het is een harde wereld geworden.

Na mijn scheiding heb ik kookles en Arabisch gegeven bij de Rooie Vrouwen in de Indische buurt. Ik was voorleesmoeder in de bieb en regelde de overblijf van een basisschool. Ook heb ik de stichting ‘de Bloem’ opgericht, een multiculturele instelling voor vrouwen. Door al dit werk kreeg ik de mogelijkheid om een studie maatschappelijk werk te volgen. In 1985-1986 voltooide ik die met een scriptie.

Ik heb twee dochters en een kleindochter en ben daar erg gelukkig mee.’

Archieven: Verhalen

‘We hadden zoveel heimwee dat we wegliepen, zonder jas in de sneeuw’

Sandra Felter is geboren in Suriname. In de jaren zeventig verhuisde ze naar Nederland. Aan Arjen, Lucas, Maximilian, Valentijn, Willem en Xavier van de Hildebrand van Loonschool in Amsterdam-Zuid vertelt ze over haar leven.

Hoe was het voor u om naar Nederland te komen?
‘Ik ben in 1971 naar Nederland verhuisd. We gingen wonen in een rijtjeshuis, drie hoog, bij het centraal station. In Suriname woonden we in Beekhuizen en speelden we op het erf met neefjes en nichtjes. In Nederland mochten we niet buitenspelen omdat er geen erf was.

We hadden heel erg heimwee naar Suriname, dus na twee weken gingen wij, twee donkere kinderen zonder jas aan terwijl er sneeuw lag, weglopen. Mensen vroegen ons waar we naartoe gingen en we antwoordden dat we teruggingen naar Suriname. Ze brachten ons naar het politiebureau en we werden door mijn vader opgehaald.

In Nederland mocht iedereen bij ons pannenkoeken komen eten en we keken samen tv. Zo kreeg ik gelukkig veel vrienden, en had ik geen last van pestkoppen.’

Kwamen er nog familieleden naar Nederland?
‘Mijn opa was ook meegekomen. We noemde ‘opa Mattie’ (vriend), hij was een vriend voor iedereen. Mijn opa kon alleen niet lezen en schrijven want hij was nooit naar school geweest. Toen ik eens op mijn negende schooltje met een lei speelde, vroeg mijn opa of ik hem wilde leren zijn naam te schrijven. In plaats van een handtekening te zetten, plaatste hij altijd een kruis. Dat vond hij heel vernederend. Mijn zusje en ik hebben het hem toen geleerd.

De grootouders van mijn opa leefden aan het eind van de slavernij en als slaaf gemaakte mocht je niet leren lezen en schrijven. Zijn ouders vonden het daarom niet belangrijk dat hij het leerde. Maar mijn opa zag wel het belang ervan, en bracht later zijn dochters naar school. En daarom werk ik nu in de bibliotheek en ben ik geen schoonmaker. Mijn kinderen gaan naar de universiteit.’

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892