Archieven: Verhalen

‘Het was veilig, er waren geen dieven’

Lola, Emma, Jay en Natalie uit groep 8 van de Admiraal de Ruyterschool in Amsterdam-West interviewen mevrouw Martha Sabajo.  Mevrouw Sabajo is naar de school gekomen en heeft spulletjes om te laten zien: een mini-hangmat, trommel, een kalebas, een zeef, wat foto’s en sieraden. Deze spullen komen allemaal uit Suriname. Mevrouw Sabajo hoort bij de stam van de Arowakken, één van groepen mensen die al in Suriname woonden, voordat de Nederlanders er kwamen.

Kunt u iets vertellen over uw volk?
‘Ik heet Martha Sabajo, in de Arowakse taal betekent Sabajo ‘moeder van de steen’. Ik woonde in een klein dorp in het bos van Suriname, mijn ouders hadden twaalf kinderen, ik was de op-een-na jongste. We hadden altijd eten, omdat mijn vader jaagde en viste. Het bos was onze slagerij. De rivier was onze viswinkel. We aten ook veel soep gemaakt van cassave-wortel. De cassave werd geraspt en dan gezeefd, dan werd het vocht eruit geperst, want dat was heel giftig! Als je dat vocht kookt, dan wordt het oranje-bruinachtig, dan gaat het gif weg en kun je het drinken. We deden er dan vlees of vis bij om er soep van te maken. Soms stond er wel eens een bakje van het vocht wat nog niet was gekookt op de grond. De jonge honden waren nieuwsgierig en gingen ervan drinken, maar dan waren ze meteen dood. Daarom zei mijn moeder altijd dat we de honden weg moesten jagen, maar soms hadden we niet goed opgelet en dan was er toch een hondje dood.’

Was er een school in uw dorp?
‘Mijn opa was geneesheer, volgens de cultuur van de Arowakken. Maar er waren paters van de katholieke kerk naar het dorp gekomen. Zij kwamen uit Nederland en gingen ons over de bijbel leren en ze doopten ons, zodat we katholiek werden. Mijn opa mocht toen niet meer, volgens zijn eigen cultuur, de dingen doen die hij altijd deed. Dat heeft hem heel erg gekwetst en niet veel later is hij ziek geworden en overleden.’
‘De paters hadden ook een school opgezet in ons dorp. Dat was één lokaal, waar alle kinderen van klein tot groot, in zaten. Er waren twee meesters; een voor de kleintjes en een voor de groteren. De meesters waren heel streng, we kregen vaak een pak slaag. Mijn grote broers werden heel vaak geslagen. Dat vond ik heel erg om te zien.’

Waren uw ouders arm?
‘Mijn ouders hadden bijna geen geld, maar we hadden altijd goede kleren, daar zorgden ze voor. Mijn moeder had een naaimachine gekocht, die je zo draait, en daar samen zaten mijn vader en moeder samen achter. Mijn vader zat achter de machine en mijn moeder hield de stof vast om te zomen. Dat vond ik heel schattig, dat ze dat samen deden. We maakten ook zelf onze hangmatten, die weven we met de hand. Als kind heb ik ook mijn eigen hangmat gemaakt, daar sliepen we in. Dat sliep echt lekker. Voor iedere leeftijd was er een hangmat. Als je klein was sliep je in een kleine hangmat en als je groter werd, kreeg je een grotere hangmat. De hangmat kon je buiten of binnen hangen. De huizen in ons dorp hadden geen deuren, iedereen kon naar binnen lopen. Het was veilig, er waren geen dieven. Voor mijn huwelijk heeft mijn moeder mij een tweepersoonshangmat gegeven, maar ik slaap hier in Nederland nu in een bed. In de zomer zullen we de hangmat in de tuin hangen.’

Waarom bent u naar Paramaribo verhuisd?
‘Toen ik 7 was, hebben mijn ouders me naar de stad gestuurd om naar school te gaan. Om naar de stad te gaan, moest je heel lang met de boot reizen. Er waren geen wegen of niks, dat vond ik als kind zijnde erg spannend. Dan moest je ‘s morgens om vier uur opstaan en dan moest je via de bossen naar de rivier lopen, waar de boot lag. Omdat mijn ouders erbij waren, was ik niet bang, want we moesten best ver door het bos lopen. Met de boot moest je een hele dag reizen om in de stad te komen, het waren veel avonturen. In de stad had je televisie en kamers met muren en deuren en telefoon. Al heel snel vond ik dat normaal. Eigenlijk vind ik dat vreemd van mezelf, dat ik dat gewoon vond. Ik was gewend om buiten te spelen, maar dat miste ik dus niet. Ik ging op het balkon zitten, zo kon ik naar buiten kijken en daar paste ik me makkelijk aan.’

Wanneer bent u naar Nederland gekomen?
‘Mijn ouders zijn ook verhuisd, naar een groter dorp dichter bij de stad, vlakbij het vliegveld. Toen ik 9 was, kwam ik daar ook wonen. Mijn vader kon daar niet meer goed jagen, omdat er weinig dieren waren, die waren allemaal weggevlucht voor de vliegtuigen. En mensen spraken daar niet meer de Arowakse taal. Iedereen sprak Sranantongo, dat is Surinaams. Ik kon wel Nederlands, want dat had ik op school geleerd. Dat was een verplichte taal in Suriname, maar we spraken toch het liefst onze eigen taal. We hebben daar wel armoede gekend, dan hadden we soms ook honger, dat was zwaar. In dat dorp heb ik een hele lieve man ontmoet, hij kwam uit Nederland en was daar op vakantie. Ik kwam hem tegen en het was liefde. Dus binnen een paar maanden was ik hier in Nederland. Toen was ik 17 jaar, dat ging heel snel. Ja, als je iemand tegenkomt, die bij je past en je voelt je er goed bij, dan is het oké.’

Wat deed u toen u in Nederland kwam?
‘In Nederland ben ik meteen gaan studeren, want in Suriname kon ik dat niet, omdat mijn ouders daar geen geld voor hadden. Dat vond ik heel erg, want leren is mijn hobby. In Nederland zag ik de bibliotheek en ik vind dat zo’n rijkdom! Je kunt zoveel kiezen! Ik ben in de ouderenzorg gaan werken, want ik heb altijd van oude mensen gehouden. Als kind ging ik vaak op bezoek bij oude mensen. Mijn moeder vroeg wat ik daar deed, maar ik vond het gezellig. Die ouderen gingen dan verhalen vertellen over vroeger. Daar zat ik dan als kind te luisteren en zij vonden het hartstikke leuk. Dus mijn moeder was me altijd kwijt, omdat ik altijd weg was. En toen gaf ze me een bijnaam, ze zei: ‘Waar is dat wilde varken?’ Ik was heel ondeugend.’
Omdat ik het hier in Nederland zo goed had, heb ik mijn zusje en twee broers hier naartoe gehaald. En mijn moeder is ook een paar keer geweest. Ik wilde heel graag dat mijn moeder zag hoe ik het hier in Nederland had. Ik voel me hier niet alleen, ik heb twee dochters en vijf kleinkinderen. Mijn oudste dochter is 50 en we geven samen workshops. Dan maken we kettingen en armbanden met kralen, volgens onze Arowakse cultuur. Er komen allemaal vrouwen. We gaan schouderdoeken maken om te dragen op 1 juli, de viering van de afschaffing van de slavernij. Volgend jaar beginnen we met hangmatten weven.’

Archieven: Verhalen

‘Mijn tante heeft geen geboorteplaats in haar paspoort’

Djess, Yassin, David en Semih uit groep 8 van de Admiraal de Ruyterschool in Amsterdam-West interviewen meneer Randy Schoemaker. Meneer Schoemaker is conciërge op de school, dus ze kennen hem al een beetje, maar de kinderen weten niets over zijn familiegeschiedenis. De moeder van meneer Schoemaker moeder komt uit Indonesië, dus ze heeft daar het koloniale verleden meegemaakt.

Waar zijn uw ouders geboren?
‘Mijn moeder is geboren in Indonesië, in Bandoeng, op West-Java en daar is ze ook naar school geweest. Toen ze zes of zeven jaar was, is ze met haar ouders met de boot naar Nederland gekomen. Op de boot is nog een zusje van haar geboren, dat is dus mijn tante. Mijn tante heeft geen geboorteplaats in haar paspoort staan, maar de cijfers van een lengte en breedtegraad.’

Heeft u ook de moeder van uw moeder nog gekend?
‘Ja, dat was dus mijn oma, zij was Australisch. Haar moeder was vanuit Engeland naar Australië verhuisd. Australië werd in die tijd door de Engelsen gebruikt als een soort openlucht gevangenis, met werkkolonies voor criminelen. Maar na een tijdje werden er dorpen gesticht en de vader van mijn oma was apotheker in een dorp. Ze hadden het wel armoedig, geen elektriciteit en eens in de week kwam er iemand grote blokken ijs brengen, die in een kist gingen en dat was dan de koelkast.’

Wanneer is uw oma van Australië naar Indonesië verhuisd?
‘Mijn oma was verpleegster en werkte in een ziekenhuis, dat naast een vliegbasis stond. De vliegbasis was Indonesisch, maar lag in Australië. Mijn opa was half Indonesisch, half Nederlands en zat bij de Koninklijke Luchtmacht, hij moest in de oorlog bommen gooien op Indonesië. Daar bij de vliegbasis hebben ze elkaar ontmoet. Ze gaven briefjes aan elkaar door het hek en wilden allebei weg van daar. Toen zijn ze samen op Java gaan wonen, en daar is mijn moeder geboren.’

Waarom kwam uw moeder en haar gezin naar Nederland?
‘Ze zijn eigenlijk gevlucht, want ze waren geen volbloed Indonesiërs en als je ook een beetje Nederlands of Europees was, dan werd je weggepest, omdat Indonesië toen een zelfstandig land wilde worden en geen kolonie meer wilde zijn. Nederland had vierhonderd jaar Indonesië leeggeroofd met alle kruiden, de koffie en de thee. Indonesië werd onafhankelijk in 1949.’

Hoe vond uw moeder het in Nederland?
‘Ze was dus nog klein, 7 jaar, en ze kon niet goed wennen in Nederland. Ze vond het koud en de mensen niet gastvrij. Je moest een afspraak maken om een kopje koffie te drinken met elkaar. Mijn moeder had wel een beetje heimwee, denk ik. Toen ze wat ouder werd, ontmoette ze mijn vader. Mijn moeder had een beetje bruinige huid en wat sproetjes en dat vond mijn vader wel leuk. Ze zullen elkaar wel bij de ijssalon gezien hebben.’

Leven uw ouders nog?

‘Ja, ze wonen nu op Aruba. Toen ik achttien was, kreeg mijn vader daar een baan aangeboden. Ze zijn nu allebei in de tachtig en meer dan vijftig jaar getrouwd. Ik ga wel eens naar hen toe.’

Bent u wel eens naar Indonesie geweest?
‘Mijn opa wilde wel met me naar Indonesië toen ik 18 werd en als ik goede cijfers zou halen. Ik had wel goede cijfers op mijn achttiende, maar toen wilde hij niet meer. Je hoort vaak van mensen die iets met Indonesië hebben, dat ze zich er vertrouwd voelen. Dus ik ben daar wel benieuwd naar of ik dat ook heb, dus ik moet nog wel een keer gaan.’

Archieven: Verhalen

‘Woensdag was het gehaktballendag’

Yassin, Hidde, Rowen en Roudaina uit groep 8 van de Admiraal de Ruyterschool in Amsterdam-West interviewen mevrouw Wieneke van Stenis. Mevrouw van Stenis is geboren in Indonesië. Haar ouders waren Nederlanders en hebben in interneringskampen gezeten. Ze was naar school gekomen met wat boekjes en foto’s om te laten zien.

Wat is een interneringskamp?
‘Heel vroeger gingen de Nederlanders naar Indnonesië, in die grote schepen, die reis duurde maanden. Toen hebben wij Indonesië ons eigen gemaakt. Niet helemaal eerlijk. We hebben de Portugezen en de Engelsen weggejaagd en toen is er een hele handel ontstaan, waar Nederland rijk van werd. Veel later kwamen de Japanners en die gingen Zuidoost-Azië veroveren. En Japanners zeiden gewoon: ‘Indonesië is nu van ons.’ En toen hebben ze mijn vader en mijn moeder en alle andere Nederlanders in interneringskampen gezet. Het wordt ook wel Jappenkamp genoemd. Daar kreeg je vies eten en je had je niks, je mocht niks, er was geen onderwijs, je mocht niet zingen, niks. En als je niet diep genoeg boog voor de Japanners dan werd je geslagen. Heel veel mensen overleefden het niet.’

Waar moest u naartoe toen uw ouders naar die interneringskampen gingen?
‘Ik was toen nog niet geboren. Ik ben later geboren, toen de Japanners al weg waren uit Indonesië. Toen woonden mijn ouders in een groot huis. Het was een beetje koloniaal, want we hadden ook een kok, een chauffeur en iemand voor de tuin. Maar toen kwam er een andere oorlog. Dat was de onafhankelijkheidsoorlog. Jonge jongens, iets ouder dan jullie, begonnen zich heel stoer te gedragen, speren te maken van bamboe. Die wilden, nadat de Japanners weg waren, zelf de baas worden in hun land en wilden dus ook de Nederlanders weg hebben. Om dat tegen te gaan, stuurde de Nederland 3000 militairen daar naartoe. Dat was een hele nare, felle oorlog. Indonesië won en toen zei Soekarno: ‘Alles eruit!’. Alles wat Nederlands was, moest weg. Toen moesten mijn vader, moeder, ik en mijn broers en zus dus naar Nederland. We gingen op een hele grote boot. Dat schip heette de Oranje. Op het schip deed je als kind allemaal spelletjes. En toen het schip over de evenaar ging, was het feest. Er was iemand, die had zich verkleed als Neptunus, met die grote drietand en dan werd je als kind gedoopt. En we kregen limonade en gingen zaklopen en koekhappen en dat soort dingen.’

Hoe was het toen u aankwam in Nederland?
‘Ik vond het vreselijk, ik vond de mensen hier niet leuk, niet aardig. Ze hadden hier zelf net oorlog gehad, dus ze waren nog een beetje arm. Dus toen kwamen al die mensen uit Indonesië erbij en dan dachten ze: ‘Die gaan ons eten opeten en ons werk inpikken.’ Dus misschien waren ze een beetje bang. En in Indonesië eet je rijst en in Nederland moest je ineens aardappelen en andijviestamppot eten. Woensdag was het gehaktballendag. En mijn moeder kon niet koken, dat had ze al een hele tijd niet gedaan, want in Indonesië had ze een kok. Dus ze gooide een keer per ongeluk soda over de aardappels, in plaats van zout. Toen hadden we blauwe aardappels. Soda was om schoon te maken. Dat is maar een keer gebeurd, maar ik herinner me het nog goed. Ik vond het niet leuk, maar ik zei niks. Het was koud en ik miste mijn vriendjes en we spraken een beetje anders.’

Bent u nog wel eens teruggegaan?
‘Ik ben twee jaar geleden een keer teruggegaan met mijn broer. We zijn naar mijn oude school geweest. Als kind herinner ik me een grote tuin, dat was nu een sportveld geworden. Maar de oude stoelen en tafels waren er nog, die hebben ze niet vernieuwd. En er hing een hele grote foto van president Obama. Hij heeft een jaar in Jakarta gewoond en hij heeft op die lagere school gezeten.’

Hoe oud was u toen uw ouders voor het eerst vertelden over die interneringskampen?
‘Er werd niet over gesproken. Dat is het Indisch zwijgen. Later in Nederland, als ik mijn eten niet op wilde eten, zei mijn vader: ‘Als jij in het kamp gezeten had, dan had je wel anders gepiept.’ Ze hebben zo’n nare tijd gehad, dat ze er niet over spraken. Ik heb er wel spijt van dat ik mijn moeder nooit heb gevraagd: ‘Vertel eens over het interneringskamp. Hoe was het eigenlijk?’ Ik weet helemaal niets, ik weet ook niet hoe ze elkaar daarna weer hebben ontmoet. Als kind voelde je dat ze er liever niet over spraken en dus vroeg je niets. Maar misschien had ik het wel moeten vragen. Als ze gaan praten vinden ze het misschien toch fijn om te vertellen.’

Archieven: Verhalen

‘Op de bovenste verdieping woonden soldaten, geen Duitsers maar Polen’

Truus van Bokhoven woont vlakbij basisschool De Handreiking in Eindhoven. Melek, Mason, Finn en Quinn zijn daarom in een paar minuten lopen bij haar huis. Ze wacht ze op en heeft al sap voor ze klaargezet op het aanrecht. Op tafel liggen rantsoenbonnen uit de oorlog. Ze zien er nog heel netjes uit, en lijken helemaal niet oud. Mevrouw Van Bokhoven komt uit een gezin van twaalf kinderen, volgende week wordt ze 88 jaar.

Hoe was de oorlog voor u?
‘We zijn in de oorlog van Amsterdam naar Zeeland verhuisd en woonden in het buitenhuis van een deftige dame, zij woonde toen in Brussel. Op de bovenste verdieping verbleven soldaten, maar het waren geen Duitsers, het waren jonge Poolse mannen. De Duitsers hadden ze krijgsgevangen gemaakt toen ze Polen als eerste land binnenvielen. Ze kregen de keuze: krijgsgevangenschap of vechten voor Duitsland. We hadden geen last van ze.

Echt gevochten werd er bij ons niet. We hoorden regelmatig de vliegtuigen en bommen overkomen. Dat was een zwaar en beangstigend gebrom. De V1 was een rare bom, een soort raket die op een doel werd afgeschoten, die bestuurden ze dus op afstand. 
Aan het einde van de oorlog had je nog de V2-raketten. Ze werden ‘vliegende bommen’ genoemd en waren bestemd voor Engeland.’

Hoe was het leven daar?
‘Het leven op het platteland was heel vrij. Ik hielp graag mee bij de boeren in de buurt, vooral met de koeien. Ik mocht met een stok op de billen slaan om ze de weg te wijzen. Ook blies ik wel eens kikkers op met een rietje.

De Duitsers pikten van alles in, zoals fietsen en karren. Het mooie huis waar we woonden, lag aan een oprijlaan en had een grote blinde muur. Op een dag sloeg een boerenkar met twee paarden op hol. Een Duitse soldaat probeerde de kar tegen te houden, maar werd tegen die blinde muur geslingerd. De paal zat tussen zijn benen en hij had vreselijke pijn. Zoiets vergeet je als kind niet meer.’

Hoe was de bevrijding voor u?
‘De dag voor de bevrijding zaten we met de hele familie te schuilen onder de trap, terwijl buiten het schieten maar doorging. De Canadese soldaten waren in de buurt. Twee Duitse soldaten hadden aan mijn vader gevraagd of ze in het schuurtje mochten slapen en drie Canadese soldaten kwamen ze de volgende morgen halen. Maar ze verstonden elkaar niet.
 De Duitsers snapten niet dat ze hun helm af moesten doen. De Canadezen schoten toen vlak bij hen op de grond om ze dat duidelijk te maken. Als klein kindje is dat best spannend.
’

Archieven: Verhalen

‘De Duitsers waren de baas, wij hadden niets te vertellen’

Het is maar een klein stukje lopen naar de woning van Jan van Heur, na een paar minuten staan Suze, Amina, Tobias en Jeevan al voor zijn deur. De leerlingen van basisschool De Handreiking in Eindhoven zijn bepakt en bezakt met interviewvragen, werkboekje en een lekkere verassing voor meneer Van Heur. Die is voor naderhand natuurlijk, wanneer ze al hun vragen hebben mogen stellen. Tijdens zijn verhaal laat hij een oude lamp zien, een kast en een echte Weckketel.

Wat is uw eerste herinnering aan de oorlog?
‘In mei toen ik jarig was, kwamen de Duitsers binnen. Op mijn verjaardag! Dat vond ik helemaal niet leuk en toen begonnen ze ook nog te schieten. Niet op mij, maar in de lucht. Wij wisten van toeten noch blazen toen de Duitsers binnenkwamen. Ze kwamen gewoon. Leuk was het niet, maar ze deden mij geen kwaad en mijn ouders ook niet. Op dat moment.’

Kwamen er ook Duitsers in uw huis?
‘Wij hadden ook inkwartiering van Duitsers. Ze hadden allemaal zo’n groen pak. Mijn ouders moesten hun kamer afstaan, zodat de soldaten in hun bed konden slapen. Zij moesten maar de zolder op, waar ik en mijn zusjes ook sliepen. De Duitsers waren de baas. Wij hadden niets te vertellen.

De Engelsen waren niet anders hoor! Toen ze met de bevrijders kwamen, stonden ze met honderd man in de werkplaats van mijn vader. Hij had er allemaal triplexplaten staan, en daar gingen ze op liggen. Mijn vader had allemaal planken om huizen mee te bouwen en die hebben ze allemaal opgestookt.’

Had u een schuilkelder?
‘Wij hadden een kelder, ja. Mijn vader heeft hem gebouwd. In de kelder stonden glazen flessen met een deksel erop. Daar weckten we allerlei eten in om het te bewaren. Dat was van belang, want in de winkels was niet alles te krijgen. Van boeren moest je het hebben. In een boerendorp heb je niet snel honger.

Ik heb gelukkig niet één bom zien vallen tijdens de oorlog. Zo rustig was het in mijn dorp. Ik heb wel eens een knal gehoord als we in de schuilkelder lagen. Je hoorde eerst ‘boem’ en dan ‘ieeeeeuw’. Er is een granaatstukje door ons dak gedaan, dat is het enige wat er aan ons huis beschadigd was. We hadden geluk dat we daar woonden.’

Wat was uw eerste reactie toen de oorlog voorbij was?
‘We waren heel blij. We hoorden de geallieerden al aankomen door het geluid van de motoren waarmee ze kwamen. Bij de overbuurman waren ze vergeten een Duitse soldaat wakker te maken. Die vroeg waar zijn kameraden waren. Die zijn allemaal die kant opgelopen, zeiden wij. Hij moest hard lopen om de geallieerden te vermijden. Als die hem zouden vinden, zou hij worden doodgeschoten of hij moest de gevangenis in.

Mijn vader was timmerman en aannemer. Na de oorlog ging hij huizen die schade hadden opgelopen in de oorlog, herstellen. En als het een pannendak was, dan ging ik mee om de pannen aan te geven. Er waren geen liften. Op een dag was ik met een vriend op de hooizolder gaan spelen, terwijl mijn vader aan het werk was. Het stro hing ver over de ladder dus ik ging te ver… en daar lag ik, op de vloer. Ik had een hersenschudding en heb een week lang bij die mensen in bed moeten blijven liggen. Vroeger mocht je niet getransporteerd worden als je een zware hersenschudding had. De huisarts heeft me uiteindelijk met een autootje naar mijn eigen huis gebracht.’

Archieven: Verhalen

‘We zagen Engelse voertuigen over de Stratumsedijk Eindhoven inrijden’

Joos, Laris, Sarah en Noëmi van De Handreiking in Eindhoven interviewen de 91-jarigige Lou Jansen. Het zonnetje schijnt lekker naar binnen en meneer Jansen heeft genoeg te vertellen. Ze vragen van alles over wat hij als jongetje heeft meegemaakt in de oorlog.

Vond u het een spannende tijd?

‘Als kind kreeg je weinig mee van de oorlog. Wij konden nog gewoon buitenspelen maar we moesten wel improviseren. Van natte proppen papier en dikke elastieken maakten wij zelf een voetbal. We deden landje pik en knikkerden. Maar we hadden geen glazen knikkers, die waren er bijna niet meer. We maakten zelf knikkers van klei en die schilderden we. En hoepelen met een velg van de fiets zonder spaken erin. We deden het met wat er was. Wij speelden op straat en hebben ons best wel vermaakt.’

U vertelde dat de ramen eruit gingen door de bombardementen.

‘We zijn in 1943 verhuisd op doktersadvies omdat bij ons steeds de ramen eruit vlogen. We hebben geen bommen op het huis gehad, maar door de luchtdruk van de bommen dichtbij vlogen de ramen eruit. Wij woonden vlakbij de Philipsfabrieken die het doelwit waren van de bommenwerpers. We zijn toen naar Stratum verhuisd en bij een tante gaan wonen, totdat we in mei 1945 een eigen huis kregen.’

Heeft u het 50-jarig jubileum van Philips gevierd?

‘Ja, dat was in 1941 en dat was prachtig. Om 12.00 uur ging de hele fabriek uit. Iedereen droeg een oranje bloemetje. De Duitse schildwachten kregen een bloemetje in de loop van het geweer en die dachten dat de oorlog voorbij is en gingen mee. Maar ’s avonds kregen we de Duitse politie op onze nek want het kon niet dat er feest gevierd werd in Eindhoven. Ze reden met overvalwagens in colonne door de stad en keken of er nog onruststokers op straat waren.’

Hoe was de bevrijding?

‘Vanuit het zuiden kwamen de Engelsen, vanuit het noorden de Amerikanen. We zagen de Engelse voertuigen over de Stratumsedijk Eindhoven in komen en zagen mensen juichen. Ik was 10 dus ik had het nog niet meteen in de gaten. ’s Avonds werden vanuit vliegtuigen lichtkogels afgevuurd. Mijn vader had zes weken in Berlijn gewerkt voor Philips en wist daardoor wat lichtkogels waren. Iedereen dacht dat het vuurwerk was voor de bevrijding, maar mijn vader stuurde ons zo snel mogelijk naar binnen. Wij waren net binnen en toen viel de eerste bom al. Lichtkogels zorgden ervoor dat de stad werd verlicht en de bommenwerpers hun doelen konden zien.’

Archieven: Verhalen

‘Pas na de oorlog ontdekten we dat in ons huis geweren lagen verborgen’

De conciërge van hun school, de Handreiking in Eindhoven, brengt Samuel, Djuun, Eduan en Noah met de auto naar het huis Herbert Rutgers. Meneer Rutgers was twee jaar oud toen de oorlog begon en woonde destijds in een bovenwoning aan de Witte de Withstraat in Amsterdam. Hij staat al voor de deur om de kinderen te begroeten. Ze krijgen allemaal een glaasje fris in de moderne lichte woonkamer. De jongens hebben zich goed voorbereid en hebben er zin in.

Heeft u Joden gekend?
‘Wij woonden in een bovenwoning en hebben daar een Joods echtpaar, de familie Zurel, in onderduik gehad. Zij zaten eerst bij een boer, maar hun kleine kindje huilde te veel, waardoor ze daar niet langer konden blijven. Een koerierster heeft hun zoontje Robby meegenomen en ergens ondergebracht. Ze is later opgepakt en waarschijnlijk geëxecuteerd, waardoor alle contact met Robby verloren ging.

Mijn moeder ging samen met een vriendin op de fiets op etensjacht. Een neef van mijn vader had een boerderij in Varsseveld, in het oosten van het land, en daar konden we soms eten krijgen. Mijn opa was hoofd van een school en woonde in Vroomshoop. In zijn onderwijzerswoning waren Duitse soldaten ingekwartierd. Toen mijn moeder bij opa langsging, zag ze een jongetje met zwarte haren bij oma staan. Omdat oma ook donker was, leek het net haar kleinzoon uit Amsterdam, maar het was een Joods jongetje dat ze in huis hadden genomen.

Alles wat hij nog had van voor de onderduik was een klein zakje met zijn tandenborstel erin. Mijn moeder herinnerde zich het verhaal over Robby en nam het zakje mee naar huis. Wat bleek? Het jongetje was inderdaad Robby, de zoon van het echtpaar Zurel.Robby leeft nog, hij woont in Thailand, en we hebben nog steeds contact.’

Kende u iemand in het verzet?
‘De halfbroers van mijn vader zaten allemaal in het verzet. Ze hielpen gestrande geallieerde vliegeniers die terug moesten naar Engeland. Die zaten onder de grond in een bunker, vlak bij een Duitse kazerne – zo viel het minder op.

Mijn vader was ondergedoken omdat hij niet tewerkgesteld wilde worden, maar hij was wel vaak in Amsterdam. Hij zat in een knokploegje en stal bonkaarten, met een geweer onder zijn arm. Mijn moeder verspreidde de bonkaarten; ze werden in de voering van haar jas genaaid. Ze was een kleine, stevige vrouw, en Duitse officieren lonkten naar haar, daardoor kwam ze er steeds mee weg.

In huis hadden we een afgesloten plek met een gordijn ervoor. We wisten niet precies wat daarachter lag. Pas na de oorlog ontdekten we dat er een heleboel geweren verborgen lagen…’

Hoe was het in de Hongerwinter voor u?
‘Het ergste van de hongerwinter vond ik de kou. Soms waren mijn handen zo blauw van de kou dat ik ze onder de oksels van mijn vader moest opwarmen. We sliepen met de hele familie in één bed om warm te blijven.

Boven hadden we een klein potkacheltje. Daar poften we soms bruine bonen in de as, als een soort tussendoortje. Ook stukjes tulpenbol legden we op de rand van het kacheltje om te roosteren. Er was bijna niets om mee te stoken. Het ijs stond aan de binnenkant op de ramen. Sindsdien kan ik er niet tegen als het ergens binnen koud is.’

Heeft u angst gehad?
‘Soms werd ik wakkergemaakt door een verzetsjongen die bij ons in huis verbleef. Hij vroeg dan: ‘Wo ist dein Vater? (Waar is je vader). ‘In Duitsland’, antwoordde ik. Ze trainden me zo, zodat ik bij een Duitse inval hetzelfde zou zeggen als de soldaten het mij zouden vragen.

Op een dag stond mijn zus voor het raam en riep: ‘Mam, Duitsers!’ Mijn vader was thuis en kon niet meer weg, het was te laat. Het Joodse echtpaar was gelukkig al vertrokken. We moesten wel open doen. Ik was bruine bonen aan het poffen in de kachel toen de Duitsers binnenkwamen. ‘Wo ist Herr Rutgers?’, vroegen ze. Ze waren via opa gekomen en hadden een zak aardappels voor ons meegenomen. Het was heel griezelig, maar het liep goed af.’

Archieven: Verhalen

‘De Duitsers marcheerden door de straten en zongen heel hard liedjes’

Nikki, Ralf, Sophie en Mirac van basisschool De Handreiking in Eindhoven mogen met de auto naar Aky Kruis. Ze woont op de negende verdieping en staat al klaar in de deuropening. Achter haar hangt een oude schoolplaat met een tafereel uit oud Amsterdam. Mevrouw Kruis begint meteen enthousiast: ‘Wat zijn jullie vragen?’ Het drankje is ze even vergeten, maar dat krijgen de kinderen aan het eind alsnog. Aky Kruis was 4 jaar toen de oorlog begon.

Was u bang voor de Duitsers?
‘Ze marcheerden door de straten; vijf naast elkaar en acht achterelkaar en zongen heel hard liedjes. ‘Wij gaan naar Engeland.’ 
Ik vond het heel eng als dat voorbijkwam. Maar ik was niet echt bang voor de Duitsers. Soms kreeg ik zelfs snoep van hen.

Mijn broertje was eens vreselijk gevallen op zijn hoofd. Mijn vader bracht hem naar het Duitse ziekenhuis aan het einde van de straat. Daar werd hij heel goed geholpen. Ze kregen van alles mee. Maar hoe behulpzaam ze ook waren, het bleven toch de vijanden.’

Hadden jullie genoeg te eten?
‘Er was weinig te eten, mijn moeder kreeg elke 14 dagen bonkaarten, voor brood, boter, suiker, noem maar op. Mijn vader werkte als broodbezorger bij de Etos, een onderneming van Philips. Als de bakfiets leeg was, veegde hij de kruimels bij elkaar en mijn moeder maakte dan broodpap en zo hadden we weer te eten. Ook kregen we via moeders familie ingemaakt voedsel, en omdat haar vader van een boerderij kwam, hadden ze boter en karnemelk. Maar daarover mochten ze tegen niemand iets zeggen.

Verder hadden we klein tuintje met tabaksplanten want mijn vader rookte. Hij plukte de bladeren, maakte ze klein en droogde ze in een blikje op de kachel. En zomers liet hij ze gewoon in de zon drogen.’

Hoe was de bevrijding?
‘Op 18 september zag ik voor het eerst van mijn leven een muziekkorps door de straat trekken, en ik mocht van mijn moeder meelopen. Maar toen kwamen de Duitsers terug en begonnen te bombarderen. Ik belandde in een schuilkelder bij een familie thuis. De vader en moeder van dat gezin hadden niet eens door dat ik daar was.

Later kwam er een vader binnen die vroeg of zijn kinderen hier waren. Ik was zó opgelucht toen hij me meenam en naar huis bracht. Ik was pas zes jaar oud.’

Archieven: Verhalen

‘Tijdens de bevrijding hebben twee Engelse soldaten bij ons gewoond’

Nino, Thomas en Feline van basisschool De Handreiking in Eindhoven wonen in hetzelfde stadsdeel als waar het ouderlijk huis van Paul Weijts (87) vroeger stond. Tegenwoordig woont meneer Weijts vlakbij hun basisschool. Zijn Engelse vrouw Ann, dochter van een Engelse bevrijder, serveert een glaasje prik en koekjes. De kinderen stellen meteen allerlei vragen over de oorlog, die Paul als kleuter meemaakte. Hij heeft nog spullen en foto’s van destijds.

Wat gebeurde er tijdens het Sinterklaasbombardement?
‘In 1942 gingen we met het gezin naar de Sinterklaasviering in het Rembrandt Theater in het centrum van Eindhoven. Net toen we wilden vertrekken, schoten alle knopen van de jas van mijn zus Annelies eraf. Mijn moeder vond dat die er eerst weer aangezet moesten worden.

Ik liep alvast met mijn vader en broer naar de stad. Vlakbij het centrum ging ineens het luchtalarm af. We moesten snel schuilen. We renden een tuin in en doken achter de bosjes. We hoorden explosies en zagen even later dat de Philipsfabrieken in brand stonden. Mijn vader, broer en ik renden terug naar huis. Onderweg kwamen we mijn moeder en zus tegen. Door het aanzetten van de knopen, waren we vertraagd en nog niet in het theater aangekomen. Daardoor hebben we het overleefd. Bij dat Sinterklaasbombardement zijn 140 burgers omgekomen.’

Wat weet u nog van de Tommies die bij jullie woonden?
Tijdens de bevrijding hebben twee Engelse soldaten, Tommies, een tijdje bij ons ingewoond. Ze waren aardig en rustig. Maar op een keer begon onze hond te blaffen omdat hij iets hoorde. De Tommies schrokken en doken meteen onder de tafel om te schuilen, gewend als ze waren aan luchtalarmen. Even later klonk een luide, doffe knal. Later bleek dat er een Duitse V1-bom in de Kruisstraat in het centrum was gevallen.

Ik vond het prachtig om Engels te horen en probeerde een beetje met ze te praten. Op een dag zat ik stoer op onze schutting en vroeg of ik een Engelse boterham van ze mocht. Ik had een zilveren dubbeltje, en misschien wilde ik daarmee betalen. De Tommies lachten en smeerden een hele grote boterham met dikke roomboter en zoete jam. Het was het lekkerste wat ik ooit had geproefd. En tot op de dag van vandaag kan ik me nog precies voor de geest halen hoe het smaakte: heerlijk!

Bent u ooit geraakt tijdens de oorlog?
‘Ik zat eerst op de kleuterschool, of bewaarschool zoals ze dat toen noemden. Dat was een school voor jonge kinderen, waar een non als juf ons bezighield met tekenen of kleien. Maar tijdens het begin van de oorlog werden er Duitse soldaten in mijn kleuterschool ondergebracht. Daarom moest ik naar een nieuwe school op de Barrierweg.

Ik herinner me dat die Duitse soldaten jonge mannen waren, Hitler Jugend, van een jaar of 16, 17. Ze marcheerden vaak door de straat, soms wel met 200 man tegelijk. Gekleed in grauwe uniformen. Ze keken heel streng. En ze stonken naar zuur zweet en het leer van hun laarzen. Die geur kan ik me nog steeds goed herinneren. Best eng vond ik dat, en zeker niet leuk.

Een non liep altijd met ons mee naar school. Tijdens een van die ochtenden, ik was toen vier jaar oud, hoorden we een luchtgevecht boven het centrum van Eindhoven. De non riep dat we snel moesten schuilen in de sloot langs de weg. Iedereen kon gelukkig op tijd dekking zoeken. Maar ik bleek al geraakt te zijn door een granaatscherf, recht in mijn been. Het bloedde hevig, maar deed niet veel pijn. Last heb ik er gelukkig nooit van gehad, en het litteken is maar heel klein. Willen jullie het zien? Ja? Nou, ik was toen de held van de dag!

We hadden thuis geen schuilkelder. Wel een kast onder de trap, waar we in kropen en hoopten dat er geen bom vlakbij zou vallen. Ik heb zelfs munitie gevonden. Panzerfausten, die waren bedoeld om tanks uit te schakelen. We vonden ze in het bos in Best, waar we speelden. Bommen heb ik nooit zien vallen. Maar ’s nachts kon je de lichtsporen van het afweergeschut in de lucht zien. Dat was indrukwekkend.’

 

Archieven: Verhalen

‘Ik ben naar de toespraak van veldmaarschalk Montgomery geweest’

Dex, Mats en Vince van De Handreiking in Eindhoven interviewen de 89-jarige Elly van Wijk over haar herinneringen aan de oorlog. Als ze haar huis binnenkomen, liggen er al allerlei spullen klaar uit de oorlog, zoals een echte Duitse helm. Maar ook een blik met marsen, dat ze heeft gekregen bij de viering van de 50-jarige bevrijding van Eindhoven.

Heeft u iets bijzonders meegemaakt in de familie?
‘Mijn vader zat bij de luchtbescherming, bood eerste hulp en hielp bij het blussen. We hadden ook een radio in huis. De kast werd opzijgeschoven, want daar zat de radio verstopt, en dan luisterde hij berichten af. Wij mochten niets weten, zodat we niets verkeerds konden doorgeven. Hij zei alleen maar dat hij even weg was. Mijn oudste broer deed hier ook aan mee. Na de oorlog hebben we er nooit meer naar gevraagd.

Mijn vader werkte voor Philips, net als velen in Eindhoven. Tijdens de oorlog is hij in de liftkoker gevallen bij Philips. Hij lag daarna in het oude Binnenziekenhuis op de Vestdijk, met zijn been in een schraag. Er lag een schaar naast hem, zodat hij het verband kon doorknippen en kon vluchten. Hij is altijd mank blijven lopen.

Mijn oom was fout in de oorlog. Toen mijn vader dat te weten kwam, hebben ze elkaar nooit meer aangekeken. Dat kan gebeuren.’

Zat u wel eens in een schuilkelder?
‘Aan de overkant was een groot veld, en de mannen uit de buurt hebben daar een schuilkelder gegraven. Het was helemaal van zand, en als er veel mensen in zaten, werd het benauwd en begon het te ruiken. Op een gegeven moment moesten we eruit, want het stond op instorten. Dus gingen we bij een volgende bommelding maar naar de Stratumse Heide en zochten droge sloten. Daar lagen we en wachtten tot het over was. Soms sliepen we ‘s nachts in de bossen… dat was niet leuk.

Ik moest ook wel mee met mijn moeder naar Lieshout, waar mijn tante woonde die ons eten gaf. Daarom hebben we geen honger geleden. We namen de bus tot Gerwen en moesten vanaf daar lopen. Als er weer iets gebeurde, moesten we in de sloot gaan liggen.’

Hoe was het na de oorlog?
‘Het was geweldig! Ik ben naar de toespraak van veldmaarschalk Montgomery geweest, met de school ernaartoe. Dat was echt een feest. Op de markt, in de stad, op het podium… Mijn vader had van witte parachutestof een plooirokje voor mij gemaakt en in elke plooi een lint van rood en blauw genaaid.

We hadden twee Engelse koks op de binnenplaats, zij kookten voor de andere soldaten en wij kregen ook eten. Dat was geweldig, vooral de biscuits waren een traktatie. Ze woonden ook bij ons in huis, er werd een kamer voor ze vrijgemaakt. Mijn vader vond dat maar niets omdat ik een meisje was en nog heel klein was.’

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892