Erfgoeddrager: Zoë

‘Het duurt even voordat je doorhebt wat er met je is gebeurd’

Het gesprek met Simon Italiaander vindt plaats in een knus hoekje van de lerarenkamer in de Boomgaard in Amsterdam-West. Fosse, Zoë, Santu en Samiyah hebben hun vragen goed voorbereid en nemen die vooraf nog even door. Dan stellen ze zich netjes voor aan Simon, die af en toe nog langs gaat bij zijn ouderlijk huis, waar twee kleine steentjes voor de deur de namen van zijn ouders dragen.

Hoe was het om geboren te worden in oorlog?
‘Dat weet ik niet meer. Ik ben aan het prille begin van de oorlog geboren. Mijn vader had met zijn vader een groothandel in groente op de Centrale Markthallen aan de Jan van Galenstraat. In het begin van de oorlog kregen zij nog een ‘sper’ van de Duitsers. Daardoor mochten zij tot 1942 blijven doorwerken. Toen ik twee jaar oud was, werden mijn ouders opgeroepen, omdat ze Joods waren. Ze zijn voor zevenenhalve gulden per persoon verraden door een bekende NSB’er. Vlak daarvoor hebben ze mij in paniek bij bevriende buren op de Admiraal de Ruijterweg ondergebracht. Wat er daarna precies met mij als kleine jongen is gebeurd, is heel lang niet duidelijk geweest. In Amsterdam werd het te gevaarlijk voor me, omdat er NSB’ers in hetzelfde pand woonden. Ze hebben mij toen eerst naar een huis in Haarlem en daarna naar Alkmaar gebracht. Het gezin in Alkmaar voelt nog steeds als familie voor me.’

Heeft uw familie de oorlog overleefd?
‘Van de familie van mijn moeders kant heeft ongeveer de helft het overleefd. De rest is vermoord in vernietigingskampen. Mijn grootouders van vaders kant hebben met z’n zessen tweeënhalf jaar ondergedoken gezeten bij een afgelegen molen in Noord-Holland. Mijn ouders zijn in de zomer van 1943 afgevoerd. Mijn moeder is bij aankomst in Auschwitz meteen vermoord. Mijn vader hebben ze zo hard laten werken dat hij in januari 1944 is bezweken. Dit was na de oorlog niet meteen bekend, maar heb ik later allemaal kunnen terugvinden in de goed bijgehouden administratie van de Duitsers. Na de Bevrijding ben ik nog een tijdje bij mijn onderduikfamilie in Alkmaar gebleven. Daarna ging ik bij mijn tante en oom, de broer van mijn vader, in de Witte de Withstraat wonen. Zij hadden een ongelukkig huwelijk. Er was veel spanning en ruzie. Terugkijkend was het best een rotjeugd. Het duurt even voordat je doorhebt wat er allemaal met je is gebeurd en hoe idioot het allemaal is.’

Werd er over de oorlog gesproken?
‘Nee, helemaal niet. Er is iets door de oorlog met deze mensen gebeurd, een soort koudheid, verdriet en trauma, waardoor het onderwerp nooit besproken werd. Ze wilden hun kinderen er niet mee lastig vallen. Maar de spanning en verdriet waren altijd te voelen. Ik heb vrij recent het dagboek van mijn grootvader van moeders kant gekregen. Door het lezen van dit dagboek ben ik veel meer te weten gekomen. Ik ben er nu veel meer mee bezig dan vroeger. Inmiddels is het een onderwerp dat ik ook met mijn dertienjarige kleinzoon kan bespreken. Maar de periode rond 4 mei is nog steeds zwaar voor me.’

Erfgoeddrager: Zoë

‘Terwijl de volwassenen luisterden, stond ik op de uitkijk’

Kiki, Saar en Zoë van basisschool De Trinoom bereiden online het interview met Ria van der Waals voor, achter de laptop in een leegstaande klas op school. Helaas is een gewone ontmoeting door de pandemie niet mogelijk en vindt het interview plaats. De kinderen kennen de buurt waar Ria is opgegroeid, hun school is daar niet ver vandaan. Ria was acht jaar oud toen de oorlog voorbij was, iets jonger dan de kinderen nu zijn. Ze vragen zich af hoe groot de verschillen zijn tussen toen en nu.

Hoe wist je wanneer je moest schuilen tijdens de oorlog?
‘Als het luchtalarm afging, dan moest je zo snel mogelijk naar een veilige plek. In onze straat waren drie schuilkelders. Die zagen er aan de buitenkant uit als heuvels met een trapje en zo ging je naar binnen. Daar stonden wat bankjes in om op te zitten. Er was plaats voor ongeveer twintig tot dertig personen. Als het luchtalarm afging, dan rende je zo hard als je kon via de achtertuin naar de schuilkelder. Daarbinnen wachtte je totdat het luchtalarm wéér afging; dat was het teken dat het weer veilig was en je naar buiten kon. Vaak gingen volwassenen bidden in de schuilkelder. Bidden dat de oorlog snel voorbij zou zijn en onze huizen niet geraakt zouden worden door de bommen. Gelukkig is ons huis niet geraakt. Wel de Philipsfabriek waar mijn vader werkte en waar wij vlakbij woonden. En ook de kerk waar wij altijd naartoe gingen, is geraakt. ’s Avonds mocht je in de oorlog niet naar buiten, dat was de avondklok. En die hebben we nu weer.’

Hadden jullie genoeg te eten en kon u uw verjaardag wel vieren?
‘Tijdens de oorlog hadden wij genoeg te eten. Dat was wel anders in het noorden van Nederland. Dat kwam ook omdat wij eerder bevrijd zijn. Je kreeg eten op de bon en met bonnen, een soort zegels, kon je dan het eten kopen wat op die bon stond, bijvoorbeeld meel. Ook haalden we brood bij de boer. Dat zag er een beetje grijsbruin uit. En dat deelden we dan met onze familie. We hadden niet zoveel geld vroeger, maar als er iemand jarig was, vierden we dat wel. We kregen dan lekkere limonade en een koek. Dat doen we nu nog steeds, dus dat is al die jaren hetzelfde gebleven. Ook kregen we cadeautjes met Sinterklaas. Ik had een hele mooie pop gekregen op Sinterklaasavond. Juist die avond ging het luchtalarm af en renden we ons huis uit om te gaan schuilen. Ik was toen in de haast mijn pop vergeten en kon niet meer ophouden met huilen, zo erg vond ik het dat ik mijn mooie pop was vergeten. Uiteindelijk is mijn moeder mijn pop thuis gaan halen.’

Wat merkte u van de Duitse soldaten?
‘Die hebben de radio’s afgepakt, zodat we geen dingen te weten kwamen waarvan ze niet wilden dat wij dat zouden weten. Bijvoorbeeld wanneer er gebombardeerd werd. Soms lukte het iemand om zijn radio voor de Duitsers te verstoppen. Zo gingen we bij de fietsenmaker stiekem luisteren naar Radio Oranje, de stem van strijdend Nederland. De volwassenen gingen binnen luisteren, ik bleef buiten op de uitkijk staan. Zodra ik Duitsers zag, waarschuwde ik mijn vader en werd de radio snel verstopt. Ook moesten we uitkijken voor de NSB’ers. Die woonden ook bij ons in de buurt. Zij verraadden aan de Duitsers bijvoorbeeld wie er een radio had. Het was niet zo moeilijk om een NSB’er te herkennen; daar kwamen de Duitsers over de vloer. Ook hebben Duitsers onze school een tijdje bezet. We konden wel naar school, maar kregen toen steeds ergens anders les. Bijvoorbeeld op een zolder of in een café. We zaten dan met alleen meisjes bij elkaar, jongens hadden we niet in de klas want die zaten op de jongensschool. Dat is natuurlijk wel anders dan nu! Ook voetballen mocht je niet als meisje, dat was een sport voor jongens.’

         

Erfgoeddrager: Zoë

‘Ik zie zijn smalle gezicht onder de grote pet nog voor me’

De 83-jarige Nellie de Vet zit al klaar voor het interview met Imme, Zoe en Nienke van basisschool ’t Karregat in Eindhoven. Ze heeft net een koffie gekregen van gastheer Henri van buurthuis ‘t Oude Raadhuis. Mevrouw De Vet verheugt zich op het interview, maar is wel bang dat ze vooral ‘kleine’ herinneringen heeft: ze was nog zo jong in de oorlog. Maar als de kinderen haar vragen stellen, komen de oorlogsherinneringen bovendrijven. Vooral het verhaal over haar zusje die even ‘vergeten was’ en over haar vader die was opgepakt, maken indruk.

 

Hoe was het om zoveel broertjes en zusjes te hebben in de oorlog?
‘Ik was drie jaar toen de oorlog begon. Wij waren een braaf katholiek gezin. Mijn vader was incasseerder en ging langs de deuren op de premies op te halen. Vroeger kwam iedereen aan huis. Mijn ouders hadden zeven kinderen in de oorlog en we hadden bijna niets. Elke veertien maanden kwam er weer een kind. Als er iemand jarig was kregen we geen cadeautjes, hoogstens wat snoepjes. Mijn ouders sliepen beneden in de voorkamer. Boven waren drie slaapkamers en voor mijn broers had mijn vader een extra kamer getimmerd. Mijn kleine broertje wilde heel graag een trommel en elke keer was hij teleurgesteld als hij die niet kreeg. Tot op een dag dat hij er één kreeg. Wat was die jongen blij! Hij is later drummer geworden in een band.’

Heeft u ook wel eens een bombardement meegemaakt?
‘Op een dag kwamen de bommenwerpers kwamen vlak over ons huis gevlogen.Dat was heel beangstigend, dat geluid van de motoren. We lagen met vader, moeder en zes kinderen in de schuur, dat was onze schuilplek, half ingebouwd in het zand en ook wat zand op het dak. Het rook er niet fijn. Maar het ergste was dat mijn jongste zusje nog in de huiskamer stond in de kinderwagen!’

We hoorden dat uw vader een week opgesloten is geweest. Hoe kwam het dat?
’Vanuit Duitsland kwamen regelmatig treinwagons met kolen. Die waren helemaal vol geladen en soms vielen daar kolen vanaf. Op een dag ging mijn vader met twee buurvrouwen de kolen rapen voor de kachel. Dat was verboden en ze werden gesnapt. De vrouwen mochten naar huis, want die moesten het huishouden gaande houden. Mijn vader werd een week lang opgesloten op het politiebureau. Ik zie zijn smalle gezicht onder de grote pet nog voor me toen hij weer plotseling thuis was. Dat heeft indruk op mij gemaakt. Hij heeft daarna nooit iets over zijn opsluiting verteld.’

Hoe kwamen jullie aan eten?
‘Mijn vader ging op de fiets naar de boer voor eten, onder andere voor brood, vlees en groenten. Hij had een biggetje gekocht, dat achterin de tuin werd het grootgebracht. Het moest op een zeker moment geslacht worden en de slager kwam. Wij kinderen werden in de voorkamer gezet zodat we niets konden zien. Het varken kreeg een kogel en de slager heeft het doormidden gezaagd. Het hing daarna te drogen in de schuur met een laken eroverheen.Niet lang daarna werd er gebeld, we waren verklapt en het varken werd ingenomen. Mijn moeder stond klaar om het vlees in te gaan wecken, maar begon nu te huilen en zei: daar gaat ons eten.’

Wat was uw gevoel bij de bevrijding?
‘Dat was erg leuk! Mijn moeder had van rood, wit en blauw crêpepapier rokjes en sjerpen gemaakt. De Engelsen die ons bevrijd hebben zaten ingekwartierd in de nieuwe huizen vlakbij. Deze huizen waren nog niet af en misten ramen en deuren. Daar gingen we naartoe. We kregen chocola, biscuit en sneeuwwit brood. Dat was een unicum en een feest voor mij: ik had nog nooit wit brood gezien. Chocola had ik ook nog nooit gehad en het was heerlijk.’

Erfgoeddrager: Zoë

‘Ze hadden afgesproken elkaar daar na de oorlog weer te zien ’

Sylvia Polak is de dochter van de Joodse Harrie Polak. Hij is in 1925 geboren en was vijftien jaar toen de oorlog begon. Omdat hij al is overleden, vertelt Sylvia zijn verhaal aan Mirna, Noah, Zoë en Hannah van basisschool De Kraal. Na het interview nemen de leerlingen een kijkje bij het huis gelopen waar Harrie destijds woonde.

Heeft uw vader ondergedoken gezeten?
‘Nee. Zijn familie werd opgeroepen om naar het Muiderpoortstation te komen, net als alle Joodse mensen uit deze buurt. Vanaf daar zijn ze naar kamp Westerbork gebracht en daarna naar andere kampen. Dus ze hebben niet ondergedoken gezeten. Niemand van het gezin van mijn vader heeft de oorlog overleefd. Alleen hij en van de rest van de familie één tante en één oom. Zij zijn de enige drie die uit concentratiekampen en van onderduikadressen zijn teruggekomen.’

Hoe heeft hij de kampen overleefd?
Hij was een jonge, sterke man. Hij heeft ook veel gesport in zijn leven. En hij heeft zich in kampen elke keer aangemeld om te werken. Als je werkte, had je een grotere kans om het te overleven. Dan kreeg je ook vaak iets meer te eten. Mijn vader is in dertien verschillende werkkampen geweest. Hij overleefde dat slim. Hij verzorgde bijvoorbeeld zijn tanden heel goed. Want hij wist dat je infecties kon oplopen als je niet genoeg vitamines binnenkreeg en je tanden niet goed verzorgde. Dat deed met hij takjes en stokjes, niet met een tandenborstel. Op school had hij leren stofferen. In het kamp maakte hij van zijn rugzak een regencape. Daardoor bleef hij droger en werd hij minder snel ziek. Ook droeg hij in het kamp foto’s van zijn vader, moeder en broertje bij zich. Die liet hij altijd aan de vrouwen die aan het koken waren zien. Dat vonden ze zo geweldig dat hij aan het einde van de dag altijd in die ketels mocht klimmen om uit het onderste nog wat eten te schrapen. Ook waren in de kampen veel bewakers die hun eigen barak hadden. Mijn vader bood dan aan om hun barak schoon te maken voor een extra boterham. Hij was een brutale, slimme jongen. Hij durfde veel.’

Hoe was het bij terugkomst?
‘Dat was natuurlijk heel verdrietig, want er was helemaal niemand meer. Hij had met zijn familie afgesproken dat ze elkaar weer zouden zien in de Retiefstraat. Maar ze waren er niet. Hij is toen wekenlang elke dag naar het Centraal Station gegaan om te kijken of er familie terugkwam, maar helaas, dat is nooit gebeurd. Er is nog een zielig verhaal. Toen het gezin van mijn vader weg moest van huis, mochten ze niets meenemen, alleen een koffertje. Toen heeft mijn grootvader waardevolle spulletjes – een zilveren beker, een armbandje en nog wat sieraden – in een kistje in de tuin begraven. Na de oorlog heeft mijn vader bij zijn oude huis aangebeld en gevraagd of hij in de tuin dat kistje mocht opgraven. De vrouw die er woonde, zei dat het niet uitkwam en dat hij over een maand maar terug moest komen. Toen hij de volgende maand terugkwam, was het huis leeg en was de tuin omgespit. Wat er met het sierradenkistje is gebeurd, zullen we nooit weten.’

       

Erfgoeddrager: Zoë

‘Ik vind hoe nu de oorlog wordt herdacht een goede manier’

Wij (Ryva, Marit, Rosa, Dominique en Zoë) hebben met het project Oorlog in mijn buurt voor het vak geschiedenis een interview met mevrouw Ditty Han (1939) gehouden. We gingen naar haar appartement in Zaandam toe voor het interview. Wij vonden haar een hele aardige en spontane mevrouw.  Het fijne was dat ze nog veel wist te vertellen over haar levensverhaal in de Tweede Wereldoorlog. 

Had u broertjes of zusjes in de oorlog?
‘Ik was één jaar toen de oorlog begon. Ik was de oudste van een gezin met drie kinderen. In de oorlog was mijn moeder zwanger van een jongen. We woonden met mijn vader, moeder, broertje en zusje in de Oranjestraat. Deze straat lag in een oude buurt in de buurt van het spoor, waar vele oude huizen stonden. Ik was zes jaar oud toen de oorlog eindigde.’
 
Hoe maakte u de oorlog mee? 
‘De meeste verhalen die ik nog weet, zijn de verhalen die mijn moeder mij vertelde. Overdag ging ik als de meeste jonge kinderen naar de kleuterschool. Daar bleef ik de hele ochtend en de middag. Mijn moeder deed overdag het huishouden en regelde de boodschappen. Mijn vader ging elke dag naar de Verkadefabriek om te kijken of er voor die dag werk beschikbaar is. Als hij de ochtend weg bleef, wist mijn moeder dat hij voor die dag werk had. Van dit geld kochten we alleen de benodigde producten zoals avondeten en ontbijt.
We hadden nooit geld voor leuke dingen, maar op een verjaardag of feestdag waren er altijd cadeaus voor mij, mijn broertje en mijn zusje. In het begin merkte ik er vrij weinig van de oorlog, maar in der loop van de tijd merkte ik wel dat mijn vader soms niet thuiskwam. Dat was omdat de Duitsers hem zochten.’ 
 

Wat had de Bevrijding voor een impact op u en uw familie? 
‘Ik was bezig met het helpen van me moeder met de was ophangen, toen opeens veel kabaal van buiten kwam. Mijn moeder rende naar buiten toe en ik rende zo snel als ik kon achter haar aan. Iedereen juichte en vierde feest. Mijn moeder had een rokje van oranje crêpepapier voor mij gemaakt en die droeg ik net zoals de meeste mensen in mijn buurt met volle trots, omdat de oorlog voorbij was.’
 
Hoe zou u willen dat 100 jaar Bevrijding wordt gevierd? 
‘Ik heb het idee dat het dan niet meer gevierd zal worden. Ik hoop het natuurlijk wel, want ik vind dat iedereen moet weten wat er gebeurd is. Als ik zou mogen kiezen hoe het gevierd zou worden, zou ik niet veel willen veranderen. Ryva, Marit, Rosa, Dominique en Zoë Ik hoop dat deze traditie om de oorlog te herdenken nog voor een lange tijd blijft bestaan.’  

Erfgoeddrager: Zoë

‘Ons huis was onbewoonbaar’

Noortje, Zoë en Bram hoeven maar een paar minuten te fietsen van hun school Het Wespennest in Amsterdam-Noord naar het huis van Els Burger. Ze woont dichtbij. Ook als kind woonde mevrouw Burger al in Noord, maar dan iets verderop: in de Spechtstraat in de Vogelbuurt. Ze is geboren in 1941, maar kan nog veel vertellen over de oorlog.

Wat gebeurde er met u in de oorlog?
‘Ik woonde met mijn moeder en zusje in de Spechtstraat. Mijn vader was in Duitsland, waar hij moest werken voor de Duitsers. Mijn moeder zorgde voor ons. Ze haalde eten uit Waterland of van de volkstuin van mijn opa, ergens buiten Amsterdam. Ze ging er altijd lopend naartoe. We kregen ook bonnen om eten te halen want er was heel weinig, iedereen had honger. Ik ben wel eens beschuldigd van het jatten van kaas van de buurjongen. Die moest van zijn moeder kaas halen maar toen hij thuiskwam, vroeg zijn moeder: is dit alles? De buurjongen antwoordde dat hij was overvallen door het meisje van de hoek. Hij had waarschijnlijk zo’n honger dat hij wat plakken kaas had opgegeten. Maar dat durfde hij niet te vertellen.’

Wat weet u nog van het bombardement op Noord waarbij ook uw huis werd geraakt?
‘De Fokkerfabriek, die dichtbij ons huis stond, werd gebombardeerd maar de bommen kwamen verkeerd terecht, op huizen van burgers. Tijdens het bombarderen zat ik met mijn oma en zusje onder de tafel want daar waren we veilig. We konden ons huis niet meer uit omdat de buitendeur niet meer open kon. Alle ramen waren gesprongen en ons huis was onbewoonbaar. Gelukkig hielpen veel mensen ons, ook Duitsers.’

Wat herinnert u zich van de oorlog?
‘Mijn eerste echte herinneringen zijn van na de oorlog: in 1985. Toen bommenwerpers tijdens een herdenking overvlogen, moest ik ineens weer terugdenken aan de oorlog. Ik werd heel erg bang. Ik herinnerde me later ook nog dat we in 1944 naar Blijham gingen, een klein dorpje in Groningen. Mijn vader had tijdens het werken in Duitsland mensen ontmoet die hier vandaan kwamen, en zij hadden hem gezegd dat we bij hen mochten aansterken. We gingen in een trein met houten coupés. Mijn vader en oom zijn pas na de oorlog naar Blijham gekomen. Mijn oom zat gevangen in Duitsland. Na de bevrijding heeft mijn vader hem uit de gevangenis gehaald en zijn ze samen naar ons gekomen. Ik heb lang contact gehouden met de familie in Blijham, ook na de oorlog ging ik hier vaak naartoe.’

Erfgoeddrager: Zoë

‘Vlakbij ons huis stond een luchtdoelgeschut’

Lasse, Silas, Zara en Zoe van de Twiskeschool in Amsterdam-Noord worden warm ontvangen door Koos Jongert en zijn vrouw in Oostzaan. In een gezellig ingerichte woonkamer staan de stoelen al voor de kinderen klaar. Op tafel zijn schaaltjes met allerlei lekkers… Meneer Jongert, die 4 jaar was toen de oorlog begon, kan zich nog best veel herinneren uit die tijd. Zijn vrouw was nog wat jonger, maar weet ook nog veel.

Wanneer was u het meest bang?
‘Als de vliegtuigen overkwamen. Want dan was ik bang dat er een bom zou vallen. Vlakbij ons huis stond een luchtdoelgeschut, waar de Duitsers op vliegtuigen schoten. En die konden zomaar uit de lucht vallen. De hele nacht vlogen bij ons de vliegtuigen over, op weg naar Duitsland. Het geluid was beangstigend. Een neef van mij, Jan, lag op een nacht in zijn zolderkamer te slapen toen er boven hun huis een stuk van een vliegtuig afbrak. Dat kwam precies in Jans bed terecht en hij kwam daarbij om het leven. Ik weet nog dat ik bij mijn moeder op de fiets zat toen ze dit hoorde. En ik weet ook nog dat ik met mijn vader aan het roeien was, het was prachtig mooi weer, toen twee vliegtuigen werden beschoten. Die vliegtuigen vielen zo naar beneden. Dat donderende geluid, dat vergeet ik nooit meer. Als ik een propellervliegtuig hoor, moet ik er altijd weer aan denken.’

Hoe was de Hongerwinter voor u?
‘Die was behoorlijk zwaar. Een oom van mij werkte in de melkfabriek en had daarom nog wel eens melk voor ons. Mijn vader ging ook wel op de fiets naar familie in Schagen om voedsel te halen. Het was zo’n fiets met houten banden…nou, dat was een eind weg hoor. Kwam hij terug met muffe tarwe, waar mijn moeder een beetje brood van kon bakken. In de Hongerwinter was er geen groenteboer meer, geen bakker, er was helemaal niks meer. Fietsen werden ingepikt. Je kon op de weg voetballen want er was geen verkeer. Ik heb ook nog wel suikerbieten gegeten. En als je nog een klein beetje kool had of aardappelen, maakte je moeder stamppot, dat vulde goed. Tulpenbollen en brandennetelsoep hebben we ook nog gegeten. Als kind had je er niet zo’n erg in dat je niks te eten had. Voor je ouders was het veel erger, die wilden dat je wat kon eten.’

Hoe was de bevrijding voor u?
‘Het was echt feest. Iedereen vertelde het aan elkaar door, en je hoorde het op de radio. Vlakbij ons huis was een stenen muur, waarop mensen vlaggen schilderden want echte vlaggen waren er niet meer. Bij buurtverengingen werd op alle avonden feest gevierd. En ook buiten dansten de mensen. Mijn broer ging naar de Dam om de bevrijding te vieren, maar daar begon een groepje SS’ers ineens te schieten op het publiek. Dat maakte wel indruk. Na de oorlog sprak niemand er meer over. Het was zo vers nog, iedereen wilde het vergeten. En ook na de oorlog moest je nog alles met bonnetjes kopen. Het geld werd gesaneerd. Mensen die heel veel geld hadden, bijvoorbeeld omdat ze dat hadden verdiend met zwartgeld, moesten het inleveren. Die hadden wel pech.’

Erfgoeddrager: Zoë

‘Mijn vader had een Duitser in huis genomen’

Jan Vonk woont met zijn vrouw op de Haal in Oostzaan, in het huis waar hij heel zijn leven al heeft gewoond. Zijn vader was pluimveeboer. Ze hadden wel een paar honderd eenden en kippen achter het huis in hokken. Die eenden hielden ze voor de eieren, die gingen naar de beschuitfabriek. De hokken zijn nu leeg. De tuin is nog wel heel groot. Amber, Smail en Zoë van OBS De Kweekvijver die meneer Vonk kwamen interviewen, mochten er lekker van de aardbeien en de bessen snoepen.

Weet u nog dat de oorlog uitbrak?
‘Toen de oorlog uitbrak, was ik heel kwaad. Er waren vliegtuigen en er werd geschoten… het was heel spannend maar ik lag te slapen! En ik bleef rustig slapen, terwijl iedereen stond te kijken. De volgende dag was ik boos op mijn moeder omdat ze mij niet wakker had gemaakt.’

Had u ook onderduikers in huis?
‘Er zaten twee Duitse soldaten op een schuit in de Twiskepolder. Ze waren gedeserteerd. Dat betekent dat ze niet meer voor de Duitsers wilden vechten en dus moesten onderduiken. Ze kregen stiekem te eten van een overbuurman. Maar de schuit kwam onder water te staan. Mijn vader heeft toen één van de Duitsers in huis genomen. Erich heette hij. Hij kwam uit Bremen. Het was een hele aardige man. Hij had aanvankelijk een revolver, maar hij heeft alles ingeleverd voordat hij bij ons introk. Erich sliep in bed bij mijn broer. Mijn moeder had veel steun aan hem want hij deed allerlei huishoudelijk werk. In de oorlog moesten we alle ramen afplakken met zwart papier zodat er geen licht meer door de ramen kwam. Want de vliegtuigen mochten geen licht zien. Niemand had meer elektra maar wij hadden hier voor ons huis een electrapaal staan. Die Duitse soldaat klom zo in de paal en heeft toen een of ander ding aangesloten zodat wij illegaal elektra af konden tappen. Wij hadden dus stiekem wel licht. Maar als er visite kwam, moesten we snel het licht uitdoen. Het mocht niet natuurlijk. Soms waren we het vergeten en dan zeiden ze: ‘Verrek, jullie hebben stroom!’ Die andere Duitser was niet zo goed als Erich, hij ging overvallen plegen en werd daarbij neergeschoten. Met Erich hebben we nog lang contact gehouden, ook na de oorlog. Hij is wel eens langsgekomen met zijn vrouw en hij schreef veel brieven.’

Heeft u ook honger gehad?
‘Wij hebben nooit honger gehad. We hadden een heel stuk land hierachter ons huis. Daar stonden de hokken waar de eenden zaten. En in de sloten ertussen moesten ze drinken. Maar in de winter was het zwaar. Dan was er maar een klein baantje in de sloot nog open. De eenden werden dan sneller vies en als ze vies waren, verdronken ze. Ik moest daarom in de winter als ik uit school kwam met mijn broers ervoor zorgen dat die smalle baantjes niet bevroren. We moesten het ijs stuk slaan en met onze handen eruit halen. Dat was heel zwaar werk. Ik heb in de oorlog genoeg wintersport gedaan! Er werden in Oostzaan ook veel clandestien koeien geslacht. Mijn vader deed dat dan niet zelf, maar het gebeurde wel in het kippenhok achter ons huis. We hebben een keer in één nacht acht koeien geslacht. Dat vlees werd weer verkocht en wij kregen ook wat. Op zolder vermaalde mijn vader de tong en de lever en wat er nog uit de koeienkoppen kwam in een gehaktmolentje en dat verkocht ie. Het gebeurde allemaal stiekem. Ik weet nog dat op een dag burgemeester De Bree, een echte NSB’er, samen met de politie ons huis binnenviel. Dat was heel eng. Ze hadden gehoord dat er geslacht was en volgens een man verderop was de slager een blonde man. Gelukkig had mijn vader zwart haar. Hij is niet opgepakt. Die politieman is later mijn schoonvader geworden.’

Erfgoeddrager: Zoë

‘Wij, Indische Nederlanders, werden na de onafhankelijkheid gezien als een soort verraders.’

Paul Koster (1935) ontvangt Zoë, Tzippy, Melissa en Alessio in zijn woning in Zaandam. Hij is geboren in Semarang, midden Java, aan de zuidkust van Indonesië. Vanaf het moment dat het interview van start gaat hangen de leerlingen aan zijn lippen. Paul kan erg beeldend vertellen. 

Kunt u zich herinneren van uw kindertijd in Nederlands-Indië?

‘Het was niet mooi wat er gebeurde toen het oorlog werd. Er ontstonden in de avond allemaal vechtpartijen en bloedbaden. Het was ook een rare situatie, gezien de bevolkingssamenstelling. Toen de Nederlanders in de zeventiende eeuw naar Indië kwamen, waren dat allemaal mannen. Alleen de stuurman en de kaptein mochten hun vrouw meenemen; Jan met de pet zal ik maar zeggen; die mocht zijn vrouw niet meenemen, al ging hij weg voor jaren. De mannen trouwden Indonesische vrouwen. Zo kreeg je een subgroep halfbloeden, de Indische Nederlanders en dat zijn wij. Mijn vader was een Nederlander, die was rijker in vergelijking met de Indonesiërs. Maar vrouwen zoals mijn moeder die iets met een Hollander kregen, werden een beetje uitgestoten door de eigen bevolking.

Kunt u aangeven wat de verschillen zijn tussen de Nederlanders en Indonesiërs?

‘De Nederlandse groep mensen in Indië was beter opgeleid dan de rest van de bevolking. Ze vormden op een bepaald ogenblik een bestuur en veel gebieden werden bezet. Er waren veel militairen bij, dus er kwamen ook veel afstammelingen van wie de vader militair is geweest. Na 1930 begon Nederland pas scholen te bouwen, eigenlijk te laat. Toen de VOC-handelaren in de achttiende eeuw het land innamen als Nederlandse kolonie, stelden zij alleen de Indonesische adel (de sultan) gelijk aan de Nederlander. Ze maakten slimme afspraken met de sultans daar. Er was dus een elite Indonesiërs, vaak van adel, die hoogopgeleid werd. De rest van de bevolking leefde in armoede in de kampongs. ‘Gemengdbloedigen’ zoals ik, die zowel Nederlands als Indonesisch bloed hadden, kwamen in de knel te zitten tussen de Nederlanders en de Indonesiërs. Toen al die scholen en universiteiten werden gebouwd was het al te laat. En toen kreeg je ook nog de Tweede Wereldoorlog en daarna werd het onderscheid tussen de Nederlanders en de Indonesiërs alleen maar groter. Na de onafhankelijkheid van Indonesië werden wij gezien als een soort verraders.’

Bent u later nog wel eens terug geweest naar Indonesië?

‘Ja hoor! Ik heb mijn vrouw laten zien waar ik vroeger buiten speelde. Het raakt me wel keer op keer als ik terugkom. Bij ons werd altijd gezegd: je hebt een vaderland én een moederland. Mijn vaderland is Indonesië en mijn moederland is Nederland. Ik zal een voorbeeld noemen: in de oorlog werden veel mannen vanaf zestien jaar tijdens de oorlog in een kamp gestopt door de Japanners, om te voorkomen dat er onderling gevochten zou worden. Het was voor mij als kind geen vervelende tijd. Ik hoefde bijvoorbeeld niet naar school. Ik had toen het besef nog niet wat er allemaal gaande was. Toen het besef kwam, kreeg ik dubbele gevoelens, dat bedoel ik ermee te zeggen.’

 

Erfgoeddrager: Zoë

‘Maagvulling, dat was het!’

Lieve, Anas, Rob en Zoe van de Twiskeschool interviewen Ria Faber-Bakker die hen vertelt over haar jeugd in Amsterdam tijdens de Tweede Wereldoorlog. Mevrouw Faber-Bakker was ongeveer even oud als Lieve, Anas, Rob en Zoe toen de oorlog eindigde. Op de vraag of ze later nog bang was dat er opnieuw oorlog zou uitbreken, antwoordt ze dat ze destijds banger was voor de Koude Oorlog, tussen Rusland en het Westen.


Wat vond u het ergste aan de oorlog?

‘Het ergste wat me is bijgebleven is de Hongerwinter, het dieptepunt van de oorlog, en vooral in Amsterdam. Er was echt niets meer te eten. We moesten naar de gaarkeuken, zoals dat heette, met van die grote gamellen. We zouden het eten dat ze daar klaarmaakten, nu onze beesten niet eens geven. Er zat ook totaal geen voeding in. Maagvulling, dat was het. Het heette aardappelsoep, maar het was water met hier en daar een stukje aardappel. Er was geen brandstof meer en het was ontzettend koud. We mochten wel naar school en daar kregen we wat te eten. Ik kan me nog herinneren dat we suikerbieten en andijvie kregen. De andijvie zat in een groot vat, met veel zout om het goed te houden. Hele zoute andijvie met hele zoete suikerbieten… niet te eten! We kregen ook een keer een blik sardientjes. Mijn moeder heeft ons, heel verstandig, ze in kleine stukjes laten opeten. Sardientjes in olijfolie is vet en dat waren we helemaal niet meer gewend. Dan gaat het helemaal fout. Zoiets blijft je bij.’

Hoe konden onderduikers in leven blijven?
‘Dat deden ze onder anderen door het maken van lepeltjes van geldstukken. Je had toen nog een tweeënhalf cent stuk en een halve cent, en kijk, hier hebben we een gulden. Hier heb je een dubbeltje waarvan het hoofd is uitgezaagd. De onderduikers vermaakten deze munten in speldjes en theelepels. Het was voor hen tijdverdrijf en ze konden er ook wat mee verdienen. Deze hebben mijn ouders gekocht.’

Hoe wist u eigenlijk zeker dat de oorlog voorbij was?
‘Je mocht in de oorlog geen radio meer hebben, maar mijn vader had er een verstopt. En zo waren er veel meer mensen die een radio hadden verstopt. Op 5 mei wisten we daarom vrijwel zeker dat we bevrijd waren.’

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892