Erfgoeddrager: Zoë

‘Ik heb me hier nooit gediscrimineerd gevoeld, mensen waren eerder nieuwsgierig’

Een beetje spannend vinden Boaz, Cas en Zoë van basisschool de Talisman in Eindhoven het wel als ze met hun interviewvragen aanbellen bij het huis van Evelyne Marti. Zij begroet de kinderen hartelijk en nadat ze drinken en wat lekkers hebben gekregen starten ze het interview. Mevrouw Marti werd geboren op 8 maart 1952 op Curaçao. Ze groeide daar op samen met haar ouders, twee zussen en twee broers. Haar vader werkte bij de Shell en haar moeder zorgde voor het gezin.

Hoe was het voor u om met vijf kinderen in huis op te groeien?
‘Ik kom uit een gezin met vijf kinderen, en wij hadden het thuis niet breed. Mijn vader vertrok en betaalde geen alimentatie, waardoor mijn moeder alleen voor ons moest zorgen. Zij werkte heel hard, eerst in de huishouding en later in een winkel waar gordijnen werden genaaid. Ondanks dat we weinig geld hadden, wist mijn moeder ervoor te zorgen dat we er netjes uitzagen, vaak in jurkjes die ze zelf maakte van restjes stof.’

Hoe vond u het dat u op school geen Papiaments mocht spreken?
‘Wij moesten op school verplicht Nederlands spreken, zelfs op het schoolplein. Als je Papiaments sprak en werd betrapt, kreeg je straf. Pas later is het Papiaments, onze eigen taal, op school ingevoerd. Het duurde lang voordat onze taal officieel werd erkend. Toen voelde ik daar niet veel bij, maar later besefte ik hoe vreemd en oneerlijk dat eigenlijk was. Het liet duidelijk zien dat Curaçao een kolonie van Nederland was, want alles draaide om de Nederlandse taal.’

Heeft u ooit discriminatie ervaren toen u in Nederland ging studeren?
‘Toen ik in 1970 in Groningen ging studeren, waren wij als Antilliaanse studenten een bezienswaardigheid. Ik heb me in al die jaren in Nederland nooit gediscrimineerd gevoeld. Mensen waren eerder nieuwsgierig. In Groningen werkte ik ook naast mijn studie. Mijn eerste bijbaan was in een fabriek waar we wortels schoonmaakten. Mensen hadden mijn huidskleur daar nog nooit gezien. Ik herinner me dat iemand eens vroeg of hij mij even mocht aanraken, omdat hij nog nooit iemand van mijn kleur had gezien. Het was geen belediging, maar pure nieuwsgierigheid.’

Wat maakte het meeste indruk op u in uw leven?
‘De armoede waarin wij leefden en hoe hard mijn moeder werkte om ons groot te brengen, heeft veel indruk gemaakt. Ook het koloniale stempel, verplicht Nederlands spreken en het verschil tussen wit en zwart, heeft mijn identiteit gevormd. Later leerde ik dat mijn taal, mijn opvoeding en zelfs hoe mensen naar mijn haar keken, allemaal beïnvloed zijn door dat verleden.’

Wat wilt u dat wij onthouden van uw verhaal?
‘Dat het belangrijk is om trots te zijn op je achtergrond, ondanks moeilijke omstandigheden. En dat het koloniale verleden invloed heeft gehad op ons leven, zelfs op hoe we onszelf zagen. Maar je kunt, met doorzettingsvermogen en studie, je eigen weg vinden, net zoals ik dat heb gedaan.’

Erfgoeddrager: Zoë

‘Ik dacht: ik ga een paar jaar naar het buitenland en dan word ik rijk!’

Francesco, Noah, Zoe en Claire van basisschool Philipsdorp in Eindhoven mogen mee in de auto naar Angelines Castro om haar te interviewen. Mevrouw Castro is geboren in een klein dorpje vlakbij León in Spanje. Zij kreeg een relatie met een jongen die naar Nederland ging voor werk. Toen hij een vast contract kreeg, trouwden ze en ging ze op 19-jarige leeftijd ook naar Nederland. Het interview verloopt voorspoedig, de kinderen vragen veel door, vooral over de Spaanse munt, de peseta, die mevrouw Castro ook laat zien. Aan het einde van het interview krijgen de kinderen allemaal nog iets lekkers.

Hoe was het eigenlijk om in Spanje te wonen?
‘Leuk, maar keihard werken. Mijn vader was een boer, dus wij moesten op het land werken. Nu heb je daar machines voor, maar wij deden het met de hand. We hadden suikerbieten, boontjes en aardappels. Er was een groothandel, die nam het allemaal mee. We aten er zelf ook een beetje van. We hadden twee koeien, daar dronken we de melk van, wat over was verkochten we weer.

Ons pap had een café, dat hielden we ‘s avonds bij. Er kwamen dan mannen kaarten of een bakje koffie drinken. We hadden ook een tv, er was alleen een televisie in het café. Als er stierenvechten waren of een voetbalwedstrijd, kwam het hele dorp kijken.

We moesten ook naar school, van 9 tot 1 en dan van 3 tot 5. Als ik terugkwam van school, moest ik de vaat doen. Kwam ik te laat thuis dan kreeg ik straf, dan mocht ik bijvoorbeeld niet naar buiten. Tot 14 jaar was school verplicht, daarna ben ik ook van school afgegaan om te werken.

Mijn moeder kocht koekjes voor ons winkeltje, in een doos van drie kilo. Die mocht ik niet opeten, want die waren om te verkopen. Als mijn moeder een dutje deed, ging ik stiekem naar het winkeltje en at ik snel een paar koekjes. Maar ons mam was slim! Ik kon het alleen doen als de doos nog vol zat, anders had ze het door.’

Hoe kwam u hier?
‘Phillips ging mensen halen in Spanje. Mijn man kwam daarom in Nederland, maar hij moest eerst een vast contract krijgen anders kon hij zijn vrouw niet meenemen. Hij is 1,5 jaar alleen geweest in Nederland, toen kreeg hij een vast contract. Hij is naar Spanje gegaan en toen zijn we getrouwd en ik kwam met hem mee. Het was een grote bruiloft van twee dagen, zo ging dat in Spanje. We zijn 28 december getrouwd en 6 januari waren we samen in Nederland. De eerste keer zijn we met de trein gekomen, van Spanje naar Frankrijk en verder naar Nederland. Maar we zijn later ook nog wel eens met de bus gegaan en met het vliegtuig en sinds mijn man een rijbewijs heeft komen we met de auto.’

Hoe was het om weg te gaan?
‘De eerste keer dat ik naar Nederland ging, vond ik het niet zo eng. Toen hoefde ik niets te doen, alleen het huishouden. Het was net alsof ik vakantie had. Toen begon ik bij Phillips te werken, maar dat was ook niet zwaar. Ik dacht: ik ga een paar jaar naar het buitenland en dan word ik rijk! Ons mam had wel verdriet.

Toen ik voor het eerst weer in de vakantie naar Spanje kwam en daarna weer terug moest, was ik verdrietig. Ik was daarvoor ook nooit weggeweest. De eerste jaren zijn ook best moeilijk geweest, maar als je jong bent kun je de hele wereld aan.

We hadden vroeger nog geen telefoon om naar huis te bellen. Alles moest met brieven. Het kon wel tien dagen duren voordat die aankwamen. Mijn vader had mij een brief gestuurd in september. Toen de brief bij mij aankwam, was mijn vader al gestorven. Toen we thuis kwamen van de begravenis lag daar die brief. Die heb ik heel lang bewaard. Ons mam kon niet schrijven, ik kreeg alleen brieven van mijn vader. Mijn moeder is nooit naar school geweest, zij is toen ze 10 was bij rijke mensen gaan werken.’

Waar woonde u toen u hier kwam?
‘Ik heb eerst in Woensel gewoond. We konden daar huren van mensen die ik nog nooit had ontmoet. Toch hebben we het goed getroffen bij hen. Wij hebben nog steeds contact. Als zij in het weekend bij iemand op visite gingen, dan mochten wij mee, want we kenden nog niemand. Daarna hebben we op Strijp een huurhuis gekregen van Phillips. Daar hebben we tot 1987 gewoond. Daarna hebben we ons eigen huis gekocht.’

Was het moeilijk met de taalbarrière?
‘Ja, het was heel moeilijk. Ik kwam hier in januari en in maart ben ik bij Phillips begonnen, maar ik verstond helemaal niets. We hadden wel een tolk, maar die bleef maar een half uurtje en dan was hij weer weg. Gelukkig heb je hier overal goede mensen, en met handen en voeten kom je een heel eind. Toen ik bij Philips begon, volgde ik daar een cursus Nederlands, daar ben ik drie jaar gebleven. Ik heb tegen mijn man gezegd: als ik hier de taal niet leer, dan ben ik weg.

In het begin durfde ik niet te praten. Ik dacht dat mensen me zouden uitlachen.Toen zei een collega tegen mij, praat maar tegen mij. Wat als ik het niet goed zeg?, vroeg ik. Dan zeg je het maar twee keer, zei hij, zo moet je het leren. De buurvrouw hielp mij ook. Ik kan nu Nederlands praten en lezen, maar schrijven vind ik nog steeds moeilijk. Met mijn telefoon gaat het wel.

Door Phillips waren er veel Spaanse mensen in Eindhoven. We hadden hier een Spaans centrum. We gingen daar in het weekend allemaal naar toe. Ik kende hier niemand en zo begon ik mensen voor het eerst een beetje te leren kennen.’

Was het uurloon goed?
‘Het eerste loon wat ik heb gekregen weet ik nog goed, dat was 560 gulden. Dat was voor die tijd een heel redelijk loon. Toen ik op het land werkte kon mijn loon onzeker zijn. In Nederland was ik iedere maand zeker van loon. Dat vond ik heel fijn. Ik kon in de supermarkt altijd kopen wat ik wilde.

We hadden niet veel in Spanje. In het eerste jaar dat ik in Nederland was, kocht ik alles wanneer ik in de winkel was. Ik vond frikandellen ook heel lekker. Ik ben het eerste jaar 8 kilo aangekomen. Het was echt vakantie. ‘Is dat jullie Angelines?’, vroegen de mensen toen ik terug was in Spanje.’

Mist u Spanje?
‘Spanje is mijn land. Mijn familie zat daar. Toen ik voor het eerst naar Nederland ging waren ons pap en ons mam in Spanje, en de moeder van mijn man ook nog. Inmiddels leven die niet meer. We waren vroeger met zes man thuis, maar ik heb alleen nog meer één broer en één zus over. Nu heb ik hier 3 kinderen en 2 kleinkinderen, als ik nu naar Spanje zou gaan zou ik die missen. Ik heb zelfs een kleinkindje op komst! Mijn kleinkinderen komen iedere week eten. Dan kook ik. We waren eigenlijk van plan terug te gaan naar Spanje als we met pensioen waren, maar ik heb nu mijn kinderen hier en mijn kleinkinderen. Dus ik ga niet meer weg. In de zomer gaan we nog wel naar de familie.’

Erfgoeddrager: Zoë

‘Ik kwam uit Marokko en nu kom ik uit Nederland’

Ahmed El-Farah zit met zijn vrouw en dochter te wachten op de kinderen die hem komen interviewen, Amani, Zoë, Diya en Elisa. Amani kent hij erg goed, dat is zijn achterkleindochter, hij vindt het leuk dat hij een stukje familiegeschiedenis met haar kan delen. Hij heeft wat dingen klaarliggen die hij de kinderen wil laten zien. Zo heeft hij een oude identiteitskaart van Marokko en zijn eerste Nederlandse verblijfsdocumenten. Ook heeft hij de blouse die hij aanhad tijdens zijn reis naar Nederland, erbij gepakt, dit alles laat hij trots zien.

Waar komt u vandaan uit Marokko?
‘Ik kom uit Beni Said in Marokko, maar nu kom ik uit Nederland.’

Had u moeite in Marokko met het leven?
‘Ja het was moeilijk in Marokko. Er was niet altijd werk. Wanneer er wel werk was, konden we redelijk goed leven maar op momenten dat er geen werk was, hadden we veel moeite met rondkomen. Wanneer je in Marokko ontslag kreeg, was er niet iets zoals de sociale dienst of een uitkering waardoor je nog wat inkomen had.

Wij hebben gelukkig nooit honger geleden. Omdat iedereen een stuk land had en iedereen wat eten verbouwde, was er altijd wel iets te eten. Vaak woonden families dicht bij elkaar en hielpen we elkaar ook waar het nodig is. We moesten er wel hard voor werken.

Wij hadden een mooi en ruim huis in Marokko. Ons huis stond hoog in de bergen en we hadden een mooi stuk land waar wij ook eten op verbouwden. Vanuit de berg waar wij op woonden, konden we zo naar de zee kijken. Helaas staat het huis er nu niet meer.’

Waar werkte u in Marokko?
‘Ik had allerlei baantjes. Ik heb bij boeren op het land gewerkt, maar ook banen gehad in de bouw. In Marokko kon je niet altijd kiezen voor het werk dat je leuk vond. Omdat er zo weinig werk was pakte je alles aan wat je kon krijgen.

Wij maakten lange dagen. In Marokko werkte ik soms van zonsopgang tot zonsondergang. In de zomermaanden werkten we niet in de middagen, dan hadden we een siësta. Tijdens de drie heetste uren van de dag konden we even gaan rusten, vaak van twaalf tot drie uur. Het was dan te warm om te werken.

We verdienden weinig. Bij licht werk verdiende ik 8 dirham per dag en bij zwaar werk 10 dirham per dag. Omgerekend naar euro’s is dat 0,80 eurocent tot 1 euro per dag. Dit is natuurlijk wel al zestig jaar geleden. Nu verdienen ze in Marokko ook meer, maar nog niet zoveel als in Nederland.’

Had u veel vrienden in Marokko?
‘Ik had wel wat vrienden, maar ik had nooit veel vrienden. Ik vond een klein groepje vrienden altijd veel fijner. Ik deed ook veel leuke dingen met familie. In Marokko is familie heel belangrijk.’

In 1966 kwam u naar Nederland. Waarom?
‘Ik moest gaan werken. Ik wilde een beter leven voor mijn familie en kinderen. Toen hoorde ik dat ik dit kon waarmaken door te gaan werken in Nederland. Toen ik naar Nederland vertrok, mochten de gastarbeiders hun vrouwen nog niet meenemen. Zij moesten achterblijven, dat was moeilijk maar ik ben toch gegaan. Ik liet alles achter wat ik had: mijn vrouw en dochter die pas 9 maanden oud was, mijn moeder en de rest van familie. Mijn thuis liet ik achter en daar was ik erg verdrietig om. In de jaren dat ik in Nederland was, heb ik ook nog drie andere kinderen gekregen.

Ieder jaar ging ik vier weken op vakantie naar Marokko. Ieder jaar dat ik weer terug moest om te werken, was het moeilijk. Ik was 11 jaar alleen.Toen er steeds meer mensen terug wilden naar Marokko om bij hun gezinnen te zijn, mochten wij uiteindelijk onze gezinnen hierheen halen. Mijn gezin is naar Nederland gekomen in 1977.’

Hoe was het om hier te komen?
‘Het was vooral moeilijk omdat de reis naar Nederland veel geld koste, wat ik niet had. Ik kreeg hulp van anderen om dit te betalen. Toen ik in Nederland was, was het ook moeilijk om te communiceren en alles geregeld te krijgen. Gelukkig kende ik al mensen die mij daarbij geholpen hebben, ook heb ik het geluk dat ik al wat Frans sprak en daarmee kwam ik ook ver.

Het leven nu is gelukkig goed. Ik heb mijn kinderen de kansen kunnen geven die ik ze wilde geven en we zijn allemaal dicht bij elkaar. Het kan natuurlijk nooit honderd procent goed gaan, maar redelijk goed is ook al goed genoeg.’

Is Nederland anders dan Marokko?
‘Ja zeker, Nederland is plat en koud. In Marokko hebben we heel veel bergen en is het vaak warm. Maar als we kijken naar hoe het land geregeld is, vind ik Nederland het beste land ter wereld.’

Erfgoeddrager: Zoë

‘Waarschijnlijk hebben die knuffels toch een beetje mijn leven gered’

Edmé Bruijn-Strauss heeft bijzondere spulletjes klaargelegd voor het interview dat bijna gaat beginnen, namelijk een hondenknuffel uit haar kindertijd met een aangrijpend verhaal en de dagboeken van haar ouders die zij schreven tijdens de Japanse bezetting in 1942-1945. Mevrouw Bruijn-Strauss ontmoet Seth, Louise, Yaden en Zoë, Haarlemse leerlingen van het Rudolf Steiner College, in ‘Lieflijk Indië’. Dat is een Indische woongroep vlakbij school waar mevrouw Bruijn-Strauss veel mensen kent en graag komt. Mevrouw Bruijn-Strauss is in 1941 geboren in Yogjakarta op het Indonesische eiland Java. Ze heeft Nederlandse ouders, een oudere zus en een jonger broertje.

Hoe begon de oorlog in Nederlands-Indië voor jullie?
‘Eind 1941 viel Japan Pearl Harbor aan. Mijn vader werd opgeroepen om te vechten in het Koninklijk Nederlands-Indische Leger. Japan bezette in 1942 Nederlands-Indië en mijn vader werd door de Japanners opgepakt. Hij moest aan de Birmaspoorlijn werken, een spoorweg in Thailand. Dat was vreselijk. Er overleden zoveel mannen dat het de Dodenspoorlijn genoemd werd. Mijn vader hield in deze periode een klein dagboekje bij dat ik nog steeds heb.’

Hoe was die tijd voor uw vader?
‘Mijn vader overleefde het werk aan de Birmaspoorlijn en vertelde daar niet veel over. Hij vertelde wel dit verhaal: de Japanse kommandant miste één van zijn kippen en vroeg aan de gevangenen wie de kip gestolen had. Niemand gaf antwoord. Er werd een persoon uit de groep gehaald en vastgebonden aan een paal in de brandende zon. Ze goten water over zijn hoofd en die man was ‘s avonds dood. De volgende dag gebeurde hetzelfde en de derde dag ook. Toen kwam een Japanner met een hele grote slang in zijn handen en zei: ‘dit is de dader.’ Intussen waren er wel drie mensen dood.’

Heeft u met uw familie in een kamp gezeten?
‘Ik heb niet in een Jappenkamp gezeten omdat mijn beide ouders en ook mijn grootouders in Indonesië geboren zijn. Wij hoefden dus niet naar een kamp. Mijn zus en ik hadden allebei een knuffel en dat hondje heb ik nog! Mijn moeder bewaarde hierin het geld dat ze had. Altijd liep ik met het hondje. Ik mocht het nooit aan iemand afgeven. Kijk, dit is dat hondje en dat koester ik nog steeds. Waarschijnlijk hebben die knuffels toch een beetje mijn leven gered.’

Wat gebeurde er met jullie na de Japanse bezetting?
‘Japan gaf zich over in 1945 na de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki. De Indonesiërs wilde onafhankelijk van Nederland worden en kwamen in opstand. Het was toen voor ons Nederlanders niet meer veilig. Het was een moeilijke tijd. Als ik naar school ging, ging ik expres tussen de Indonesische kinderen lopen. Zo viel ik minder op. Als boze Indonesiërs mij zagen, gooiden ze steentjes naar mij of ze riepen: ‘ga naar je eigen land!’ Maar wij kenden Nederland helemaal niet. Toen werden we in een zogeheten Bersiap-kamp gezet met andere Nederlanders. Dat was een hele nare tijd. Ik heb daar bijna een jaar in gezeten met alleen maar vrouwen, kinderen en oude mensen. Onder vreselijke omstandigheden, want we hadden ook geen eten. Ik herinner me nog de wc, achter een rivier. Je stond dan op bamboe latjes en mijn oma was doodsbang dat we uitgeleden en ertussen zouden vallen.’

Hoe was het leven na die tijd in dat kamp?
‘Na de onafhankelijkheid in 1949 gingen we in Semarang wonen. We kregen een groot huis toegewezen, omdat mijn vader in het leger zat. We woonden daar met meerdere familieleden, maar het werd te gevaarlijk om er te blijven. Ook werden spullen gestolen. Onze wasmeid bleef bij de lakens als ze aan de lijn hingen, anders waren ze weg. Uiteindelijk hebben we alles verkocht om de bootreis naar Nederland te kunnen betalen.’

Hoe was het in Nederland?
‘In 1953 vertrokken we naar Nederland. De bootreis duurde drie weken. We hadden niets toen we aankwamen. In een bus reden we door Nederland. Ik vond het zo’n koud en saai land. We gingen naar een pension in Bloemendaal, waar we een jaar woonden. Ik was gewend drie keer per dag warme nasi te eten. Hier kregen we aardappels, stamppot en brood. Ik vond het zo vies! Mijn ouders waren doorzetters en hebben hier uiteindelijk alles opnieuw opgebouwd.’

 

 

 

Erfgoeddrager: Zoë

‘Wij woonden in de Dintelstraat, en daar zijn 135 Joden opgepakt’

Benjamin, Bram, Eva, en Zoë gaan Arend Meijer (1946) op school interviewen. Meneer Meijer vindt het leuk om naar de Dongeschool in Amsterdam-Zuid te komen, want vanuit het kamertje waarin hij wordt geïnterviewd, kijkt hij uit op de school waar hij zelf vroeger zat. Dat was de gereformeerde kweekschool. De leerlingen maakten zich nog eerst even wat zorgen of hij wel genoeg te vertellen zou hebben, omdat hij na de oorlog is geboren. Maar dat bleek al snel wel goed te zitten.

Wat weet u van uw vader over hoe hij de oorlog is doorgekomen?
‘Mijn vader was gymleraar, maar toen de oorlog begon had hij dienstplicht, dus hij was opgeroepen om te gaan vechten tegen de Duitsers. Je moet je realiseren, je leeft in vredestijd en opeens is het oorlog. Hij had geen tijd om te wennen aan dat idee, maar moest wel ook al wilde hij dat niet. Hij zat bij de marine. Op een nacht werden ze al om 4 uur gewekt. Niemand zei wat er aan hand was. Ze trokken hun uniform aan en hoorden toen dat de Duitsers hadden aangevallen. Ieder kreeg een geweer en vijf kogels. Toen heeft mijn vader het Rotterdamse bombardement gezien.

Opeens was hij weer thuis. De kinderen mochten hem niet zien. Hij lag in de slaapkamer, de deur was dicht. Mijn broer weet niet hoelang dat geduurd heeft, maar toen hij kennelijk weer een beetje was gekalmeerd, mochten ze hem zien. Hij was helemaal overstuur. Hysterisch. Na de oorlog kon hij er niet over praten. En iedere keer als de oorlog op televisie voorbijkwam, dan schoot ie weer in een astma-aanval. Ik kende hem niet anders dan als iemand die heel moeilijk ademhaalt. Hij heeft dus nooit verteld wat ‘ie daar meegemaakt heeft. Later hebben mijn broers en tante mij dit verteld.’

Waar woonden jullie toen?
‘Hier in de Dintelstraat. In het stukje Dintelstraat waar wij woonden, tussen de Geleenstraat en de Nieuwstraat, daar woonden 151 Joden, van wie er 135 zijn opgepakt. Twintig hebben de oorlog overleefd. Van dat ene kleine stukje straat zijn meer dan honderd mensen opgepakt en weggevoerd. Mijn broers en zussen wisten dat die huizen werden leeggehaald als die mensen eruit waren.’

Heeft uw hele gezin de oorlog overleefd?
‘Ja, ik heb twee broers en drie zusters en ze hebben het allemaal overleefd. Alleen een neef van mij niet. Zijn vader had een boekhandel en hij zelf zat in het verzet; hij bracht krantjes rond en regelde voedselbonnen. Die neef is verraden en opgepakt. Eerst is hij naar Scheveningen gebracht, daar zat een grote gevangenis. Toen is hij in Kamp Amersfoort terechtgekomen, en vandaaruit in Neuengamme, een concentratiekamp in Duitsland, vlakbij Hamburg. En daar is hij vermoord. Naar hem ben ik genoemd. Hij heette ook Arend.’

Weet u ook wie de persoon was die uw neef heeft verraden?
‘Ja, dat was Miep Oranje. Zij zat eerst bij het verzet, maar werd opgepakt door de Duitsers en gemarteld, en toen is ze doorgeslagen. Ze is een spion voor de Duitsers geworden. Ze is teruggegaan naar haar groep en heeft ze allemaal verraden.’

Heeft ze na de oorlog nog straf gekregen?
‘Niemand kon haar meer vinden. Ze hebben overal gezocht, maar ze is gewoon verdwenen. Er zijn verschillende theorieën over haar verdwijning: ze zou door het verzet zijn doodgeschoten op een plek waar ze nooit is gevonden. Of ze zou met een Amerikaanse officier getrouwd en naar Amerika verdwenen, of met een Britse militair naar Afrika zijn gegaan. Ze hebben haar in ieder geval nooit meer gevonden.

Ik had een nichtje, een zus van oom Arend, die heel haar leven naar haar heeft gezocht. Toen ze nog niet waren opgepakt, was ze ook een vriendin van haar. Ja wás. Nadat ze iedereen had verraden, natuurlijk niet meer.’

Waar denkt u aan tijdens de 2 minuten stilte?
‘Aan mijn neef, die ik nooit gekend heb. In januari 1945 is hij overleden. Hij was 20 jaar.’

Erfgoeddrager: Zoë

‘We woonden met tachtig kinderen op een trap’

Chris, Ramses, Deliya, Zoe en Mea van IKC De Boomgaard in Amsterdam Nieuw-West gaan bij mevrouw Stien de Koning op bezoek. Zij woont na vele omzwervingen weer in dezelfde buurt, waar ze in de oorlog ook woonde.

Hoe oud was u toen de oorlog begon?
‘Ik was drie jaar toen de oorlog uitbrak. Tijdens de oorlog woonde ik samen met mijn tien broers en zussen en mijn ouders in de Van Hallstraat. Ik was de jongste van het gezin. Wij woonden met tachtig kinderen op een trap. Acht buren, een gezien had zesentwintig kinderen. Ik had vier broers en zes zussen. We sliepen allemaal in stapelbedden. Het was wel veel gezelliger dan nu, veel kaarten met elkaar en zo. Ze zijn nu allemaal dood, ik ben de enige nog.’
‘We hadden wel weinig eten in de oorlog. Het eten was op de bon. Je kreeg een half brood per week dat we met z’n allen moesten delen. Je was de hele dag bezig om aan eten te komen. Er was een gaarkeuken hier in de buurt maar dat wat je daar kreeg, was niet te eten. In de Hongerwinter aten we tulpenbollen of suikerbieten. Na acht uur ’s avonds mochten we niet meer op straat zijn. Waar wij woonden, stond naast de deur een schildwacht die alles in de gaten hield. Er werd ook geschoten als je op straat was. Er was vaak luchtalarm, dan vlogen er vliegtuigen over. Als het een rustige was, wist je dat was er een van de Engelsen, want de Duitsers vlogen altijd heel hard over. In de avond was alles verduisterd zodat de vliegtuigen je niet konden zien. Je had ook geen elektriciteit, soms een kaars als je geluk had.’

Moest u moeilijke beslissingen nemen in de oorlog?
‘Ik was nog kind, mijn vader was ziekelijk. Hij is een week voor de bevrijding gestorven.  Mijn moeder moest elf kinderen verzorgen. We hadden een buurman boven, als we die niet hadden gehad. Hij ging helemaal naar de boeren wandelen in Alkmaar en ruilde al zijn kostbare spullen voor eten. Wij kregen ook eten van hem. Alle elf kinderen kregen iedere dag twee boterhammen van die buurman. Dat was geweldig.
Ik hoorde gisteren bij het kaarten, van een man, net zo oud als ik, dat zijn vader naar Duitsland was gegaan om te werken. Dat moest toen. Zijn moeder had ondertussen een andere man genomen. Dus toen zijn vader terugkwam, belde hij aan, maar hij mocht niet meer naar binnen. Ik vroeg: ‘Hoe kan dat dan?’ Hij zegt: ‘Ja, die andere man had voor ons gezorgd. Mijn moeder had drie kinderen, ze moest wel.’ Dat was nog eens een beslissing.’

Kende u iemand uit het verzet?
‘Er waren veel mensen in het verzet. Dat wist je niet, want die hielden hun mond. De vader van mijn man zat in het verzet. En we hebben het nooit geweten. Hij ging s ’avonds weg en niemand had het door. Dus na de oorlog hoorde je pas wie in het verzet zat. Je had ook weinig informatie, want alle radio’s moesten ingeleverd worden. Er was geen informatie van buitenaf. Er waren mensen die luisterden stiekem naar de radio. Op die radio hoorde je dan of de Duitsers gewonnen hadden op een bepaalde plaats of dat ze juist verslagen waren. Het waren onze buren die stiekem een radio hadden. Toen kwamen ze ook een keer bij ons kijken met zo een schijnwerper. Dat was heel eng.’

Woonden er in de straat NSB’ers?
In de straat was een NSB’er die zelfs zijn eigen moeder had verraden, zo gehersenspoeld was hij. Mijn buurmeisje ging met een Duitse soldaat. Dat mocht ze niet. Een ander buurmeisje werd na de oorlog kaalgeschoren. Er werd een hakenkruis op haar hoofd getekend en ze werd verderop in de straat op de piesbak gezet.’
‘5 mei waren we bevrijd. Er werd gedanst op straat met de bevrijding. Bij de bevrijding heeft Zweden brood uit vliegtuigen naar beneden gegooid boven het Westerpark en dat was mooi wit brood. Net cake. Iedereen hoorde het en ging er heen. Het was het recht van de sterkste, maar ik heb toen een brood gehad, heerlijk!’
‘Omdat de Duitsers verloren hadden gingen ze toch nog even schieten op de dam dat was 7 mei 2 dagen na de bevrijding. Ze schoten vanaf het balkon Naast de Bijenkorf had je een club en toen hebben de Duitsers op alle mensen geschoten. Ik was daar ook in de buurt samen met mijn zus, ik hoorde alles. Er was paniek. We renden maar weg.’

 

 

 

 

Erfgoeddrager: Zoë

‘Aardige Duitsers waren er natuurlijk ook’

Hein, Sven, Zoe en Olivia van IKC De Boomgaard in Amsterdam Nieuw-West gaan op bezoek bij mevrouw Frederica de Boer. Ze woont in een gezellig heel dichtbij de school. De kinderen krijgen een schaal vol met lekkers. Mevrouw De Boer was drie jaar toen de oorlog begon.

 

Woonde u in de oorlog ook in Amsterdam-West?
‘Ik ben geboren in Amsterdam-West en wij verhuisden tijdens de oorlog naar Amsterdam-Oost. Ik was 3 toen de oorlog begon. Wij woonden eerst dus hier in de buurt in West, maar toen de oorlog uitbrak, zei mijn moeder dat we misschien wel zonder eten zouden kunnen komen te zitten. Mijn moeder had familie buiten Amsterdam wonen en daarom wilde ze verhuizen naar oost want dat ligt dichter bij haar familie. Zij hadden land om eten te verbouwen. Uiteindelijk woonden we toen net aan de rand van Oost. Er waren geen auto’s en bussen. Dus lopend met de handkar kwamen de broers van mijn moeder groente brengen naar mijn ouders in Oost. Het huis in West was veel mooier. We hadden daar zelfs een bad. In Oost hadden we maar een kamer, maar eten was belangrijker.’

Ging u de stad wel eens uit?
‘Wij hadden dus familie buiten wonen. In Nes aan de Amstel. Het was ongeveer twaalf kilometer bij ons huis vandaan. Dus mijn vader had een fiets bemachtigd om daar heen te gaan en toen fietsten mijn vader en ik langs Zorgvliet, de begraafplaats, en in een inham daar stonden Duitse soldaten met allemaal mensen met fietsen. Wij moesten ook stoppen. Je moest je fiets afgeven. Mijn vader sprak een beetje Duits. Wat hij allemaal zei, weet ik niet.  Ik stond daar te huilen en een soldaat keek naar mij. Op een gegeven moment zei hij: ‘Gehen Sie fahren.’ We mochten dus weg met de fiets. We waren de enigen die weg mochten. Ik denk dat ze medelijden hadden met mij. We zijn gered door mijn tranen. Het waaide nogal en toen hebben we onze fiets verstopt en een paar dagen bij de familie gelogeerd. We hebben toen de fiets daar gelaten en weer 12 kilometer terug gelopen naar huis.’
‘Toen we een keer bij mijn opoe logeerden in Nes aan de Amstel was opeens iedereen wakker midden in de nacht. Het bleek dat er een bom was gevallen in het weiland. Met mijn vader ben ik de volgende dag gaan kijken. Het was een heel groot gat in de grond, maar gelukkig was er geen mens of dier geraakt. Mijn opoe was heel gelovig. Haar slaapkamer stond vol met Mariabeeldjes Dat stelde mij gerust. Met zoveel beeldjes kan er niks gebeuren. Als kind geloof je dat. En er gebeurde ook niks. Alleen die bom.’

Was u bang van de Duitse soldaten?
‘Wij woonden in de oorlog dus in Amsterdam-Oost en dat was vlak bij het treinspoor.  In de oorlog reden er meestal geen passagierstreinen, maar wel veel goederenwagens met voedsel. En waar wij woonden, stonden die treinen wel eens stil. Dan was er altijd wel iemand die ging kijken wat erin zat en vaak was het eten. Als dat bekend werd, stonden er binnen enkele seconden heel veel mensen. Iedereen ging stelen. Als je niks hebt, doe je dat. Ik was met mijn broer want die was twee jaar jonger. Ik was toen 6 jaar en hij was 4 jaar. Het was wel omgeven met prikkeldraad dus je moest heel voorzichtig zijn anders viel je erin. Mijn broertje viel dus en haalde zijn hele been open. Er was heel veel bloed. Er liep een Duitse soldaat en die zag ons. Toen moesten we met hem meelopen. Opeens gaf hij ons een grote verbanddoos van het rode kruis. Die zat vol met pleisters en die mochten we meenemen. Mijn moeder heeft die doos nog heel lang bewaard. Aardige Duitsers waren er natuurlijk ook.’

Kende u Joodse mensen?
‘Wij woonden vlakbij een plek waar de Joodse mensen die uit hun huis gehaald waren bij elkaar werden gebracht; het Muiderpoort station. Daar vandaan werden ze naar een kamp gebracht. Eerst naar Westerbork en dan naar Auschwitz, naar de gaskamers. In het museum zag ik later de foto hangen van dat plein met Joden. Dat had ik in het echt had gezien. Ik zag het aan de toren. Daar hebben mijn vader en ik gestaan. Daar waren de mensen die werden weggehaald. Heel eng eigenlijk achteraf. Ze zijn nooit meer thuisgekomen. Een enkeling misschien wel.’

Was u vaak bang?
‘Ik speelde op straat met een vriendinnetje en opeens werd er geschoten vanuit een vliegtuig. De kogels vlogen om onze oren heen, mijn vriendinnetje is heel snel naar huis gelopen en ik ben doorgelopen en ik werd bij een fietsenstalling naar binnen getrokken. De kogelgaten zaten in de voordeuren. Het is allemaal goed gegaan, maar ik heb wel in mijn broek geplast van angst. Het gebeurde wel meer dat er geschoten werd. Je mocht nooit voor het raam staan. Wij hadden in huis een lange gang met een dikke muur. Daar gingen we altijd achter staan. Er kwamen ook vliegtuigen heel laag overvliegen. Ik ben heel lang bang geweest voor vliegtuigen. Zelfs na de bevrijding.’

 

 

 

 

 

 

 

 

Erfgoeddrager: Zoë

‘We kregen één ei voor een heel gezin, dat was heel speciaal’

Het is prachtig weer, wanneer Kenean, Safa, Haazhen en Zoë worden opgehaald voor een ontmoeting met Ria Faber-Bakker. De kinderen zijn een tikje nerveus en hebben ontzettend serieus tientallen vragen voorbereid. Ze hebben de vragen onderling verdeeld met vrolijke stiften. Gastvrij als mevrouw Bakker is opent ze haar voordeur en lacht ze de kinderen tegemoet. Binnen staan pakjes drinken en snoepjes klaar en het viertal neemt plaats aan de keukentafel. Daar heeft mevrouw Bakker allerlei spulletjes klaar gelegd, uit de oorlog.

Hoe maakten jullie eten tijdens de oorlog?
‘Nou, dat stelde niet veel voor. We kookten op een noodkacheltje. In het laatste oorlogsjaar, tijdens de Hongerwinter, was er geen gas en elektriciteit meer, maar op den duur ook geen kolen meer. Het was verschrikkelijk koud, er was weinig eten en we hadden honger. Daarom gebruikten we dat noodkacheltje. Deze vulden we met kolengruis, dat we vonden langs het spoor; of sprietjes hout, van deuren of omgezaagde bomen. Het duurde een eeuwigheid, dus je moest erg veel geduld hebben. We kookten daarop ui of aardappelen. Heel af en toe gaf mijn moeder ons sardientjes. Of één ei, voor een gezin. Dat was heel speciaal, kan je je dat voorstellen?’

Waar haalden jullie eten vandaan?
‘In de oorlog moest men voedselbonnen gebruiken, omdat er weinig eten was en alles gelijk verdeeld moest worden. Het probleem was alleen dat veel Nederlandse mannen onderdoken omdat ze niet in militaire dienst wilden werken voor de Duitsers. Alleen, voor onderduikers kreeg je uiteraard geen voedselbonnen, want die moesten immers geheim blijven. Daardoor werd alles nog schaarser dan het al was. Om toch een beetje geld te kunnen verdienen, maakten deze mannen lepeltjes van centen. Die verkochten anderen voor hen en zo verdiende de familie iets extra’s. Dit zijn een soort oorlogssouvenirs. Mooi hè?’

Waarom stuurde uw ouders u naar Breda?
‘Na de oorlog waren wij kinderen natuurlijk behoorlijk mager. We kregen weinig voedingsstoffen en vitaminen binnen, omdat we enkel aardappels en ui aten. Om aan te sterken mochten we bij een gezin verblijven in Breda. Daar hebben we het heel goed gehad. We kregen genoeg eten en veel verse groenten. Ik kwam in een gezin terecht met drie jongens, nou, die vonden het reuze interessant, zo’n meisje te logeren…’

Erfgoeddrager: Zoë

‘In Nederland is het minder vrij dan in Suriname’

Zoë, Lotus, Yara en Bodine zitten in de tweede klas van het Montessori Lyceum. Zij interviewden Irving Gill, die dan wel tachtig is, maar volgens hen er niet zo uitziet. Meneer Gill is in Suriname geboren en kwam op 27-jarige leeftijd naar Nederland.

Tot welke bevolkingsgroep behoorde u in Suriname?
‘Je had in Suriname verschillende nationaliteiten. Het was een mengelmoes en je moest elkaars gewoontes leren kennen. Dat was leuk. Er waren Hindoestanen, Chinezen, Javanen, Joden, Libanezen en nog wat kleinere bevolkingsgroepen. Wij waren van Creoolse afkomst en waren wat vrijer dan andere bevolkingsgroepen. Ook omdat ik nog veel te jong was om aan de toekomst te denken, groeide ik heel vrij op. We zagen niet de problemen die er in de wereld waren. We leefden allemaal door elkaar en met elkaar. Wij woonden in een groot huis en hadden veel planten en vruchtenbomen in de tuin. Ook verbouwden we geneeskrachtige kruiden. Mijn ouders wisten welke kruiden ze konden gebruiken, bijvoorbeeld tegen buikpijn of hoofdpijn. Ze gingen niet vaak naar de dokter.’

Hoe was het om op te groeien in een kolonie?
‘Het was de beste tijd om op te groeien. Ik had geen verplichtingen. Mijn moeder kwam uit Suriname en mijn vader van Barbados, een Engelse kolonie. Ik sprak thuis met mijn vader Engels. Nederlands was de taal die je verder bracht in de maatschappij en Surinaams de straattaal. Ik sprak allebei. Suriname is een mooi land. Het is heel kleurrijk. Je mocht er alles, mits je je aan een paar basisregels hield. Mensen straalden vrijheid uit. Mijn vader was koetsier en mijn moeder was huisvrouw. Zij had geen tijd om te werken, want wij waren thuis met zijn vijftienen! Het was heel gezellig, hoor. Ik had veel vrienden uit alle bevolkingsgroepen. Daar waren we vrij in de zin van: we keken niet naar rijkdom. Hier in Nederland is het minder vrij dan in Suriname. Hier is het leven meer gericht op materiële dingen. Hier word je opgevoed om te werken en een beroep te vinden. Als kind zag ik het nut niet in van school, van een baan vinden. Maar dat kwam later goed. Ik ging in de binnenlanden werken als landmeter. Ik moest het land in kaart brengen en terrein klaar maken voor als er iets gebouwd ging worden, of voor bosontginning. Ik bracht in kaart hoe de waterloop was, van een kleine rivier naar een grote rivier.’

Waarom bent u naar Nederland gekomen?
‘Dat kwam door mijn militaire vrienden. Ik werkte bij de Koninklijke Marine. Zij hebben mij overgehaald om naar Nederland te komen. Ze zeiden dat ik dan mijn horizon kon verbreden, dat ik meer van de wereld kon zien dan alleen maar het kleine Suriname. We waren vrienden dus ik ging hen achterna. En ik bleef. Ik hoef niet terug naar Suriname. Ik voel mij niet alleen maar Nederlander, ik zie mijzelf als wereldburger. Ik kan overal wonen.’

Wilt u nog iets meegeven aan ons?
‘Het stoplicht is een van de mooiste uitvindingen, want het is ook hoe het leven is. Je hebt groen, dan mag je doorrijden. Je hebt rood, dan moet je stoppen. En bij oranje moet je zelf nadenken wat het risico is. We zijn allemaal gebonden aan oranje. Als je je aan die regels houdt dan kan ons niets overkomen. Oranje ben je zelf. Als ik door rood rij kan ik iemand anders schaden. Mijn vader was rood en had strenge regels. Ik wist met mijn vader waar ik aan toe was. Mijn moeder was groen en oranje. Mijn moeder was van: doe maar, maar let op.’

Erfgoeddrager: Zoë

‘Mijn ouders kwamen niet terug, werd me verteld’

Simon Italiaander werd in de zomer van het eerste oorlogsjaar geboren als zoon van Jacob Italiaander en Rosine Italiaander-Blitz. Hun namen staan op de Stolpersteine voor zijn ouderlijk huis aan de Admiraal de Ruijterweg 181. Met een fotoboek op tafel vertelt Simon aan Daniël, Freddie, Beaulisse en Zoë van de Annie M.G. Schmidtschool in Amsterdam-West zijn verhaal.

Waar heeft u ondergedoken gezeten?
‘Op drie verschillende adressen. Dat is een ingewikkeld verhaal. Eind mei 1943 was er een razzia, bijna alle Joden in de buurt werden opgepakt. Mijn ouders raakten in paniek en hebben mij snel aan bevriende buren gegeven. Zij gingen onderduiken en zouden me later ophalen. Ze kwamen nooit meer terug en zijn vermoord in concentratiekamp Auschwitz. Die buren waar ik was, waren helemaal niet voorbereid op een jongetje van bijna drie. Ook hadden ze NSB’ers als buren. Ze zochten een betere oplossing voor mij. Zo ging ik in de zomer van 1943 naar Haarlem, naar een kinderloos stel. Toen zij zelf een kind kregen, was ik teveel en het werd gevaarlijk voor hen. Achter op de fiets werd ik naar Alkmaar gebracht. Daar ben ik tot na de Bevrijding gebleven. Ik wist niet veel van mijn situatie en hoe minder je wist in die tijd hoe beter. Het verbaast mij nog altijd hoeveel mensen over zichzelf vertellen op Facebook.’

Hoe was het voor u zonder uw ouders?
‘Het gemis van ouders had ik zo jong nog niet. Ik ben in de oorlog geboren, voor mij was de situatie normaal. Kinderen die in Syrië op de puinhopen spelen, zien dat als hun speeltuin. Ze weten niet hoe het was. Zij en ik zijn oorlogskinderen. Het gemis en het besef dat je iets is afgepakt, komt pas later. Door erover te praten, zoals nu met jullie, besef ik wat ik niet heb gehad. En wat wel: een rotjeugd. Ik ging na de oorlog bij mijn oom en tante in de Witte de Withstraat wonen. Zij kregen nog een kind, dat als een zusje voor me werd. Ze gingen scheiden in 1952; dat was in die tijd heel bijzonder nog. Over de oorlog werd niet gepraat. Ik herinner me ook niet dat me is verteld wat er met mijn ouders was gebeurd. Ze ‘kwamen niet terug’ kreeg je te horen. Nu zou je zeggen dat ze gruwelijk zijn vermoord.’

Wat staat er op de struikelsteentjes?
‘Toen ik hoorde dat iemand in Duitsland van die ‘Stolpersteine’ laat plaatsen voor mensen die in de oorlog vermoord zijn, heb ik geregeld dat er twee voor mijn ouders kwamen. Op de stoep voor het huis waar ik met hen heb gewoond. Erop staan hun namen en ook hun geboorte- en sterftedatum. Mijn vader is later doodgegaan dan mijn moeder. Kennelijk konden ze hem nog ergens voor gebruiken. Ik weet het niet. Hij is 31 januari 1944 overleden, maar later hoorde ik dat de Duitsers die datum invulden in hun administratie als ze de exacte datum niet wisten.’

Hoe was de Bevrijding voor u?
‘De laatste dagen van de oorlog waren er voedseldroppings om de mensen aan eten te helpen. Vliegtuigen waren we gewend, maar die dag, eind april, gooiden ze pakketten met meel en suiker aan parachutes naar beneden. Het witbrood dat daarvan werd gebakken, met daarop dik suiker, dat smaakte als taart! Bij een herdenking jaren later zijn die voedseldroppings nagespeeld. Ik moest toen een beetje huilen. Mensen hebben zo’n honger gehad. Ook ik kwam met een opgeblazen hongerbuik uit de Hongerwinter. Aan de Bevrijding zelf heb ik geen herinnering, maar het was feest. De mensen waren blij. Of wij ervoor kunnen zorgen dat er geen Derde Wereldoorlog komt? Mooie vraag is dat, maar daar hebben wij niks over te vertellen. We kunnen wel denken: we wonen in een stad met 140 nationaliteiten. We zijn allemaal migranten. We moeten het hier samen doen.’

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892