Erfgoeddrager: Vera

‘Ik keek vanachter de boom en zag iemand die op mijn vader leek’

Vera, Julian en Alicia worden hartelijk ontvangen bij Tineke van der Woude-Zulver. Ze heeft een tradionele delicatesse mee, spekkoek, voor de leerlingen van De Talisman in Eindhoven en vraagt meteen of ze het kennen.

Mevrouw Van der Woude-Zulver (1926) is geboren in Indonesië. Op haar twaalfde kwam ze terecht in een Japans interneringskamp. En toen ze 20 jaar oud was kwam ze naar Nederland. Nu nog als ze beelden op televisie ziet van oorlogen, dan heeft ze daar heel veel moeite mee.

Had u veel vrienden in het kamp?
‘Ja, maar ik had alleen niet veel tijd om mijn vrienden te zien. Er was weinig tijd om samen te komen. Ieder moest eerst op appel staan, en dan stonden de anderen in een ander straatje en was het moeilijk om samen te komen. Mijn moeder was uitgesloten van corvee omdat ze drie kleine kinderen had, maar ik moest allerlei klusjes doen doen zoals een beerput leeghalen. Als het appel was afgelopen en het werk gedaan was dan kon ik ze wel zien. Nu zie ik deze vrienden nog steeds, tijdens de reünies.’

Wat is uw mooiste herinnering aan het kamp?
‘Aan het eind van de oorlog waren er continu geruchten over dat we vrij zouden zijn. Als ik daar naar zou luisteren, dan zou ik er kapot aan zijn gegaan. Op een dag was er weer een gerucht dat we vrij zouden zijn. Toen heb ik dit aan mijn Engelse leraares mevrouw Cornelissen gevraagd en zij vertelde dat dit honderd procent zeker was. Mijn moeder was destijds zo mager dat ik niet wist of ze het ging halen, maar gelukkig heeft ze het gered.’

Heeft u ooit nog iets van uw vader gehoord?
‘Na de oorlog werkte ik op een kantoor. Elke dag werden er lijsten gepubliceerd wie wie zocht. Op een dag zeiden ze dat mijn vader mij zocht. Ik keek vanachter de boom en zag iemand die op mijn vader leek. Maar ik herkende hem bijna niet meer, mijn vader was zo mager geworden. Ik kwam dichterbij en mijn vader tilde me op de vrachtwagen.

Het eerste wat hij vroeg was: waar is je moeder? Maar omdat het zo slecht ging met mijn moeder, moest ik haar daar op voorbereiden. Ook omdat hij moeilijk te herkennen was. Ik ben toen naar huis gegaan en heb gezegd dat er mannen terug waren, misschien is mijn vader er wel bij. Mijn moeder was buiten aan het breien. Ik ging daarna terug naar mijn vader toe. En ik nam hem mee naar mijn moeder. Ze vlogen elkaar niet in de armen omdat ze allebei zo beschadigd waren. Als kind was dat niet zo fijn om te zien.’

Erfgoeddrager: Vera

‘Ik mis het weer en de warmte van Brazilië, de mensen zijn er vrolijker’

Op hun school, Het Karregat in Eindhoven, bereiden Jesse, Inez en Vera het interview voor. Gabi Lodewijks (45 jaar) komt zelf naar Het Karregat. In de koffiekamer halen de kinderen thee voor haar en daarna lopen ze samen naar de directeurskamer om haar te interviewen. Ze vertelt dat ze in 2010 van Brazilië naar Nederland is gekomen voor haar grote liefde.

Hoe was het in Brazilië?
‘Brazilië is een heel mooi en groot land. Ik had daar veel vriendinnen, familie en werk. Ik kende de weg en voelde me daar thuis. We leven daar heel veel buiten en voelen ons erg betrokken bij anderen.

In mijn jongere jaren heb ik het moeilijk gehad omdat mijn moeder overleed toen ik 9 jaar was. Zij was toen 44 jaar. We hadden een auto-ongeluk en daarna kreeg mijn moeder complicaties na een operatie en stierf. Daarna heb ik een moeilijke tijd gehad. Mijn vader was arts en werkte veel en daarom hadden we een oppas. Mensen in onze omgeving hebben ons veel gesteund, we waren met iedereen erg hecht. Mijn oudste zus was voor mij als een moeder en gaf mij veel steun en de liefde die ik nodig had.

Ik heb haar dood verwerkt door een jaar naar Japan te gaan om te studeren. Ik leerde hier hoe ik voor mezelf kon zorgen en het was voor mij ook een andere land, andere sfeer, andere cultuur en een nieuwe uitdaging waar ik mij mee bezig kon houden. Maar het verdriet heb ik nooit kunnen verwerken, het gemis van verlies van je moeder of ouder zal altijd blijven.

Op mijn dertigste besloot ik naar Nederland te komen vanwege de liefde. Dat is nu ongeveer 15 jaar geleden.’

Hoe leerde u uw man kennen?
‘Ik leerde mijn man kennen in 2006 op een feestje. Hij droeg een hele lelijke blouse met oranje bloemen. We maakten grapjes en raakten aan de praat. Uiteindelijk werd hij mijn man.

In 2010 besloten we samen naar Nederland te verhuizen. Voor mijn man was het moeilijk om in Brazilië te wonen, omdat de cultuur anders is en mensen zich niet altijd aan de afspraken houden. In Brazilië gebeurt het vaak dat je lang moet wachten op een afspraak. Soms bestaat een afspraak daar bijna niet, bijvoorbeeld bij de dokter.

We hadden een restaurant, maar daar werd veel gestolen. We werden meerdere keren bestolen en mijn man wilde zo niet verder. Daarom zijn we naar Nederland gekomen. Ik moest in Brazilië een inburgeringscursus voor de Nederlandse taal doen.

Tijdens het examen zei ik losse Nederlandse woorden, terwijl ik eigenlijk geen Nederlands sprak. Ik was verbaasd dat ik toch werd toegelaten.’

Hoe heeft u Nederlands geleerd?
‘Dat ging op een bijzondere manier. Mijn dochter ging naar een Wereldwijzer-school om Nederlands te leren. Toen kreeg ik de kans om daar ook Nederlands te leren. Ik leerde de taal samen met kinderen van 6 tot 9 jaar uit andere landen. Dat hielp mij heel erg.’

Denkt u nog veel aan uw land?
‘Ja, heel veel. Ik werk ook veel met Braziliaanse vrouwen en thuis kook ik Braziliaans eten. Dat zorgt ervoor dat ik me verbonden blijf voelen met mijn land. Ik mis het weer en de warmte. In Brazilië leef je veel buiten: ontbijten, lunchen en samen zijn. Mensen zijn daar vrolijker.’

Erfgoeddrager: Vera

‘Mijn vader wilde niet onderduiken en werd in 1941 gearresteerd’

Vera, Mirentxu, Sam, David, Bibi en Charlie lopen van de Asvo-school in Amsterdam naar het huis van Tinie IJsberg. Onderweg komen ze een aantal stolpersteine tegen. Aandachtig lezen ze de namen, en zien ook de plek waar deze mensen zijn vermoord. Er blijkt ook een steen te liggen van iemand die het heeft overleefd. Dan arriveren ze bij mevrouw IJsberg en gaan ze rond de tafel zitten met een drankje en wat lekkers.

Hoe oud was u toen de oorlog begon?
‘Ik was een baby, kijk maar op deze foto zie je mij. Ik was een nakomertje. Ik had twee zussen en een broer. Duitsland bezette Nederland in 1940. In het begin ging het leven gewoon door. Je moet weten dat de Duitsers toen dachten dat het Arische ras het beste was. Dat wil zeggen: blond haar en blauwe ogen. Ze vonden dat Nederlanders ook tot dat ras behoorden. Anderen, zoals Joden, zigeuners en gekleurde mensen, waren fout. In Amsterdam woonden toen ongeveer 80.000 Joden. Er kwamen allerlei regels. Joden mochten niet meer naar de bios, parken of dierentuin.’

Wat deed uw vader?
‘Mijn vader was conducteur op de tram. Soms rijdt er in Amsterdam nog zo’n oude blauwe tram rond, daar zat hij op. In februari 1941 werd Amsterdam opgeschrikt door een razzia. 425 Jonge Joodse mannen werden door de Duitsers opgepakt op het Jonas Daniel Meijerplein en afgevoerd. Veel mensen hadden het zien gebeuren en waren ontzettend boos. ‘Dat kunnen we niet laten gebeuren in onze stad!’, vonden ze. Op 25 en 26 februari werd er gestaakt. Mijn vader was een van de leiders van de trambestuurders die meededen. De Duitsers hebben de staking met geweld beëindigd. En mijn vader ging naar huis.’

En hoe ging het verder?
‘Van alle kanten werd hem aangeraden om onder te duiken om maar niet te worden gearresteerd. Maar mijn vader dacht: ik houd me gewoon rustig, dan trekt de bui wel over. Hij ging niet in de onderduik. Maar in november 1941 werd hij midden in de nacht gearresteerd en naar het Huis van Bewaring aan het Leidseplein gebracht. Mijn moeder kreeg een briefkaart waarop stond dat hij vastzat. Het was de bedoeling dat zij voor zijn was zou zorgen. Daar kom ik straks nog op terug. Mijn vader kreeg de doodstraf met nog veertien andere mannen. Ze zijn op vliegveld Soesterberg gefusilleerd.’

Wat was er met de was?
‘Pas in 1980 kwam ik erachter dat mijn ouders via de was een tijdlang met elkaar in contact bleven. Ze schreven elkaar korte kleine briefjes en verstopten die in de was. Ik heb dat nooit geweten, ze lagen jaren opgeborgen in een kast. Pas in 1980 kreeg ik de doos en heb de moed gehad om ze te lezen, dat was heel moeilijk voor mij. Je moet weten dat er thuis wel over de oorlog werd gepraat, maar eigenlijk nooit over mijn vader. Het idee was dat als je er niet over sprak, het er ook niet was. Kinderen vergeten snel, was de gedachte. Maar zo heb ik dat niet ervaren. Ik had eigenlijk graag met mijn moeder gesproken over die tijd en wat ons was overkomen. Ik raad jullie aan om met mensen te praten als er iets rottigs gebeurt.’

Mist u uw vader?
‘Ik wist dat hij dood was, maar toch heb ik hem jaren gezocht. Wat ik van hem heb is zijn afscheidsbrief. Een kopie hoor, het origineel is in het Verzetsmuseum. Zal ik hem voorlezen? We kregen allemaal een soort persoonlijk bericht. We moesten flink, sterk en moedig zijn en goed voor elkaar zorgen. En allemaal krijgen we duizend kussen. Na drie of vier weken kreeg moeder zijn persoonlijke eigendommen opgestuurd. Zij heeft een rouwkaart laten maken. Daarop staat niet dat hij is doodgeschoten, maar dat hij is weggenomen.’

Hoe ging het na de oorlog?
‘Ik had een hele goede band met mijn moeder, het is echt jammer dat we ons verdriet niet hebben kunnen delen. Na 1980 ben ik wel gaan praten, ook al omdat ik vond dat mijn dochters het verleden niet als een geheim zouden ervaren. Verdriet hoort niet in een kast. Er is een filmopname waarin ik in de tram mijn verhaal vertel. Elk jaar ga ik naar de herdenking van de Februaristaking en ontmoet daar nabestaanden van de mannen die samen met mijn vader zijn doodgeschoten.

Erfgoeddrager: Vera

‘Ik was pas geboren dus ik was bij mijn moeder in het vrouwenkamp’

Ab Alexandre werd geboren in 1942, tijdens de Tweede Wereldoorlog, in een krijgsgevangenkamp op Midden-Java. Inmiddels woont hij al ruim 70 jaar in Nederland. Vandaag komt hij speciaal voor Luke, Fae, Vera, Jacopo, Jay van de Lidwanaschool vanuit Purmerend naar Amsterdam-Oost. Hij heeft een stoffen tasje bij zich met zelfgemaakte tekeningen, van internet geprinte afbeeldingen en een heel bijzonder, oud pannetje van zijn vader.

Hoe was de oorlog voor uw ouders?
‘Mijn ouders spraken niet over wat ze hadden meegemaakt. Mijn moeder en zussen zaten in een vrouwenkamp, terwijl mijn vader in een mannenkamp zat. Ik was pas geboren dus ik was bij mijn moeder in het vrouwenkamp. Mijn vader wist helemaal niet dat hij een zoon gekregen had, want toen was de oorlog al uitgebroken en moest hij aan het werk voor het Japanse leger. Hij werd van kamp naar kamp gestuurd om daar heel zwaar werk te verrichten, zoals het aanleggen van een spoorlijn waar de Japanners olie over wilden vervoeren. Mijn vader wist niet of mijn moeder nog leefde en mijn moeder wist ook niets van hem. Toen ik drie jaar was, kwam er ineens een vreemde man aan de deur, een soldaat in mijn ogen, en dat bleek mijn vader te zijn, die ik toen voor het eerst ontmoette.’

Wat was het ergste aan de oorlog?
‘Zelf was ik nog te klein om me er echt iets van te herinneren, maar wat mijn zussen het ergst vonden was de honger. In het vrouwenkamp waar zij zaten was een beetje pap, en verder moest je zelf wat regelen, maar eigenlijk was er niks. Mensen bakten weleens ratten, die gevangen werden in de rijstvelden. Een vies idee misschien, maar deze ratten waren heel schoon omdat ze in de schone rijstvelden liepen. Ik heb later zelf ook wel eens rat gegeten en het is best lekker, smaakt een beetje naar kip!
Toen een oude vriend eens bij mijn vader op bezoek was en ze samen in de woonkamer zaten, heb ik mijn oor tegen de deur gelegd en toen hoorde ik me vader aan die vriend vragen: ‘Heb jij ook al die lichaamsdelen moeten begraven?’ Dat vond ik wel erg heftig. Mijn vader heeft erg geleden, dat weet ik wel. Maar zowel mijn vader als mijn moeder hebben nooit over de oorlog en wat er in die tijd gebeurd is, willen praten.’

Hoe was het op de boot naar Nederland?
‘De bootreis duurde een maand, dat is een lange tijd. Het was geen leuk snoepreisje. Het was een hele spannende onderneming. Terwijl we op de boot zaten, zagen we het land waar we geboren waren steeds verder verdwijnen. En ondertussen hadden we geen idee wat ons te wachten stond. Gelukkig deden we erg veel spelletjes op de boot. Mijn lievelingsspelletje was: samen met een vriendje onze benen aan elkaar knopen en dan samen hinkelen.’

Waarom was u bang voor de sneeuw in Nederland?
‘Ik had nog nooit sneeuw gezien. Het enige dat ik kende was ijs, want in ons thuisland gebruikten mensen enorme blokken ijs om hun voedsel goed te houden. Die blokken waren een soort koelkast. Toen er mensen over sneeuw in Nederland spraken en ik zei dat ik dat nog nooit had gezien, zei iemand dat sneeuw een beetje op ijs lijkt. Ik kende alleen die enorme blokken ijs, dus ik was bang dat die enorme blokken op m’n hoofd zouden vallen… Gelukkig zag ik al snel dat sneeuw best wel mee valt.’

Erfgoeddrager: Vera

‘We hadden daar geen bescherming meer en waren op onszelf aangewezen’

Vasthi Kramer-Dickmann is in juni 1943 geboren in Soerabaja, een grote havenstad op het Indonesische eiland Java. Ze was de jongste in een Indisch gezin van vijf meiden en één jongen. Al vanaf haar jonge jaren heeft ze veel meegemaakt. Nu is ze samen met haar dochter haar familiegeschiedenis aan het uitzoeken en vertelt haar levensverhaal graag aan Vera, Emie en Destiny, leerlingen van het Rudolf Steiner College. Ze ontmoeten elkaar op een zomerse dag in het Balinese huisje in de tuin van ‘Lieflijk Indië’, een Indische woongroep in Haarlem. Mevrouw Kramer-Dickmann komt daar graag en kent er veel mensen. Ze woont in Lisse met haar man.

Kunt u iets over uw familie vertellen?
Mijn vader was voetballer. Hij werd vlak na mijn geboorte door de Japanners opgepakt. Japan bezette toen namelijk Nederlands-Indië. Hij overleed in de gevangenis van de honger. Mijn moeder stond er toen alleen voor met zes kinderen. Het werden moeilijke jaren voor ons gezin.

Wat hebben jullie in die jaren meegemaakt?
‘Na de oorlog met Japan begon de onafhankelijkheidsstrijd. Indonesië wilde onafhankelijk van Nederland zijn en in 1945 werd de onafhankelijkheid uitgeroepen. De vrijheidsstrijders waren heel fel en vijandig, vooral tegen alles wat Nederlands was. Zij beschouwden Nederland als de bezetter die alles van hun heeft afgepakt. Dat was ook wel zo. Het was echt een oorlog. Er waren kampen voor Nederlanders en Indische Nederlanders die beschermd werden door de Japanners. Eerst waren de Japanners de bezetter en later de beschermer. Dat was heel gek. Wij zaten kort in zo’n kamp. Het was vreselijk. Veel mensen waren ziek en er werd van elkaar gestolen. Mijn moeder besloot met ons naar een ‘kampong’ te gaan. Dat is een soort wijk waar vooral Indonesische mensen wonen. We hadden daar geen bescherming meer en waren op onszelf aangewezen. Dat was heel moeilijk. Het huis is weleens bekogeld met stenen terwijl er ‘Belanda’ werd geroepen. Dat betekent ‘Nederlander’.

Hoe was die tijd voor u en uw familie?
‘Ik heb ook mooie herinneringen aan deze tijd. Ik had veel Indonesische vriendinnen. Dat was heel gezellig. Ik leerde van hen Indonesisch koken en Indonesisch dansen. Als mijn zussen ons zagen, moest ik stoppen. Ze vonden het te ‘inlands’. Ik stond daar niet bij stil, voor mij was het leuk en mooi. Ik kook nog steeds heel veel Indonesisch. Met deze gerechten heb ik mijn twee kinderen grootgebracht. Nasi goreng is mijn specialiteit.’

Wanneer bent u naar Nederland gekomen?
‘In 1955 gingen we naar Nederland. De aankomst in IJmuiden vond ik heel vreemd. Er hing mist, de meeuwen schreeuwden en het was heel koud. Wij hadden nog onze kleren uit Indonesië aan. We kwamen in Hoenderloo terecht in barakken. Ik zat op een dorpsschool waar de andere kinderen me vreemd aankeken. In de klas zat ik naast Dinie, een Hollands meisje met rode appelwangen. Ze zat altijd te snoepen en was heel stout.’

Hoe werden jullie ontvangen in Nederland?
‘Toen we een eigen huis kregen, zei de huurbaas tegen mijn moeder: ‘Je moet terug naar je eigen land, want je vreet hier de boel kaal.’ En mijn oudste zus trakteerde op haar verjaardag op gebak, zoals we ook deden in Indonesië. Toen zei iemand tegen haar: ‘Jullie aten vast nooit gebak in Indonesië?’ Ze antwoordde uit boosheid dat we daar alleen maar grote keien aten. Ik heb nog veel meer voorbeelden van discriminatie, maar dan ben ik morgen nog niet klaar.’

Bij welke cultuur voelt u zich het meeste thuis?
‘Ik heb twee culturen in mij verenigd: Oosters en Westers. Een voorbeeld is dat ik onbekenden niet zal tutoyeren. Dat betekent voor mij dat ik respect toon. In Nederland wordt al heel snel ‘jij en jou’ gezegd. Ik vind dat niet netjes. Ik wil graag weten wat mijn familiegeschiedenis is. Ik ben dat nu met mijn dochter aan het uitzoeken. Dan kom je heel wat te weten! Onze stamboom loopt nu terug tot 1876.’

 

 

 

 

Erfgoeddrager: Vera

‘In Eindhoven was er destijds bijna niemand die Spaans sprak’

Dylana, Just en Vera hebben een lokaal van hun school, obs Strijp Dorp, een beetje huiselijk ingericht. Enrique Fernandez (77 jaar) komt namelijk langs om zijn verhaal te vertellen. Hij is in 1964 vanuit Spanje naar Nederland gekomen om hier te werken, hij was toen 18 jaar. De drie kinderen gaan hem vandaag interviewen. Ze zijn benieuwd wat hij ervan vond om zijn land te verlaten en naar Nederland te gaan.

Hoe voelde u zich toen u uit Spanje wegging?
‘Verdrietig, omdat ik mijn vaderland verliet en ook mijn familie. Omdat ik alles verliet wat ik had. En je hebt een onzekere toekomst, je weet niet waar je terechtkomt. Maar vooral het verlaten van mijn familie was zwaar. Stel je voor dat je nu zou vertrekken en je vader en moeder hier zouden blijven…’

Hoe was de reis hierheen?
‘Ik ben eerst naar België gegaan. We konden daar alleen geen werk vinden. De Spaanse en Belgische regering hadden namelijk de afspraak gemaakt dat mensen die kwamen werken, een werkcontract moesten hebben. Dat hadden we niet want wij kwamen als toeristen. Op een gegeven moment ontmoetten we een Spanjaard die een taxibedrijf had. Hij zei tegen ons: ‘Als jullie werk willen, in Eindhoven bij Philips kun je zoveel werk vinden als je maar wilt. Ik breng jullie ernaartoe. Als je geen geld hebt, hoef je de rit niet te betalen. Als je dan eenmaal bij Phillips geld verdiend hebt, kom je een keer terug en betaal je mij.’ Het was een aardige man. We zijn toen hier bij Phillips terechtgekomen, en het bedrijf heeft voor ons werk en een pensioen geregeld. Later hoorden wij dat die taxichauffeur door Phillips was ingehuurd om mensen naar hier te halen. Vanuit Luxemburg, België of waar dan ook… Hij kreeg geld van Phillips voor elke persoon die hij aandroeg, dus hij heeft dubbel betaald gekregen. Wij hebben hem betaald en Phillips dus ook.’

Hoe voelde u zich toen u in Nederland aankwam?
‘Vreemd. Ik kon geen Engels, en de mensen spraken hier geen Spaans. In Eindhoven was er destijds bijna niemand die Spaans kon. Ik kon dus met niemand praten. Verder waren er niet echt moeilijke dingen. De Nederlandse cultuur verschilt niet zo van de Spaanse. Toen ik voor het eerst naar de markt ging, vond ik het wel heel vreemd dat mensen met hun vingers rauwe vis gingen eten. In het begin vond ik het smerig, maar nu vind ik het superlekker. Verder vind ik de bergen in Spanje heel mooi. Dus ik vond het maar niks dat hier alles zo vlak was. Het is ook wel fijn dat het vlak is, maar in de bergen lopen is heel mooi.

In 1969 heb ik samen met andere jongens een Spaans centrum opgericht. Er werkten zo veel Spanjaarden bij Phillips. We draaiden elke maand een Spaanse film en we hadden een dansavond. Verder hadden we een voetbalclub. We speelden in een competitie tegen andere Spaanse clubs van over heel Nederland. We waren zo goed dat we ook speelden tegen PSV in het PSV-stadion. Dat soort dingen zijn er nu niet meer, het is nu veel beperkter.’

Gaat u nog wel eens naar Spanje?
‘We gaan nog een of twee keer per jaar terug. In Spanje hebben we een huis. We bezoeken dan wel familie, maar het is niet speciaal voor familiebezoek. We nemen altijd veel Spaans eten mee terug. We bestellen in Nederland ook eten uit Spanje dat je hier niet kunt krijgen. Spaanse worst bijvoorbeeld, dat vinden we lekker, of Spaanse ham.’

Bent u nu gelukkig?
‘Ik ben altijd een gelukkig mens geweest. Ik heb een geweldige vrouw en hele leuke kinderen. Ze hebben allebei gestudeerd, gebruiken geen drugs, geen rotzooi. Dus ik heb geen reden om ongelukkig te zijn.’

Erfgoeddrager: Vera

‘Als kind wist ik niet beter dan dat mijn zus gewoon mijn zus was’

Jake, Dean, Alyssa en Vera van Basisschool Tamarinde vinden het huis in Amsterdam- Noord waar Marian Schaap woont, echt een gezellig ‘oma-huis.’ Er hangen allemaal zwart-wit foto’s aan de muur en mevrouw heeft heerlijke brownies gebakken. Mevrouw Schaap is in maart 1944 geboren, dus van de oorlog herinnert ze zich natuurlijk niks. Ze heeft een Joodse pleegzus die vorig jaar 80 jaar geworden is en daar gaat haar verhaal over.

Hoe is uw zus bij uw ouders terechtgekomen?
‘Mijn zus is in een Joodse buurt in Amsterdam geboren. Haar ouders kregen in juni 1943 een oproep dat ze zich moesten klaarmaken omdat ze naar een kamp moesten. Voordat ze werden opgehaald heeft haar moeder mijn zus in een dekentje gewikkeld met het trouwboekje en één foto erbij. Zo hebben ze haar naar de buren gebracht, dat vind ik wel heel dapper. De buren hadden contact met het verzet. Mijn ouders hadden via de kerk laten weten dat ze wel een onderduiker in huis wilden nemen, wat ik ook heel knap van ze vind. Dus zo is mijn zusje als baby’tje van tien maanden als eerste kindje bij mijn ouders in Zaandam terechtgekomen. Mijn moeder was toen net zwanger van mij. We schelen maar anderhalf jaar. Haar ouders zijn via Kamp Westerbork naar Sobibor gestuurd. Daar zijn ze vrijwel direct vermoord in de gaskamers. Haar moeder heeft nog wel een briefje uit de trein gegooid. Dat is via het Rode Kruis bij mij ouders beland. In het briefje stond dat ze ‘het liefste wat ze had.. niet bij zich had’. Daar bedoelde ze natuurlijk mijn zusje mee.’

Wat voor werk deed uw vader?
‘Mijn vader werkte bij de Fokkerfabriek in Amsterdam-Noord. Die was overgenomen door de Duitsers. Er waren wel eens mensen die vroegen: ‘waarom ga je nou daar nog werken voor de Duitsers?’ Maar vader had een kantoorbaan daar en dan zag hij wel eens een lijst voorbijkomen waarop stond welke werknemers naar Duitsland zouden worden gestuurd om als dwangarbeider te gaan werken. Dan lichtte mijn vader die mannen in: ‘denk erom, je staat op die lijst dus als het even kan, duik onder.’ Dat vond ik ook dapper van hem, want hij had ook verraden kunnen worden natuurlijk.’

 Is hij ook verraden?
‘Nee, want anders had ik hier misschien niet gezeten. Mijn ouders dachten daar wel over na. Toen mijn zus een paar maanden bij mijn ouders was, hebben ze een foto van haar laten maken. Want stel dat haar vader en moeder pas over een paar jaar weer terug zouden komen, dan zouden ze haar via die foto kunnen herkennen. Dat vond ik wel slim van ze.’

Hoe bent u er achter gekomen dat uw zus niet uw echte zus was?
Als kind wist ik niet beter dan dat mijn zus gewoon mijn zus was. Toen ik een jaar of twaalf was, zag ik een papier op tafel liggen met de naam van mijn zus erop, maar met een andere achternaam. Ik schrok en ben vragen gaan stellen aan mijn moeder en zij vertelde in stukjes uiteindelijk het hele verhaal. Het was te veel om in één keer te vertellen. Ik vond het onvoorstelbaar dat haar ouders niet meer terug zouden komen om haar weer op te halen. Ik kon het maar niet begrijpen dat mensen zomaar werden weggehaald en vermoord. Dat baby’tjes werden weggeven. Ik bleef maar vragen stellen en wilde alles weten, waarschijnlijk werd mijn moeder daar ook wel een beetje gek van.’

 

 

 

 

Erfgoeddrager: Vera

‘Ich will zu meiner Mutti,” huilde de soldaat

Ytje de Vries was de één na jongste thuis. Ze had twee zussen, een broer en een jonger zusje. Het gezin woonde op een boerderij net buiten Tytsjerk, voorbij het bruggetje bij de Woelwijk. De bungalows die er nu staan, waren er toen nog niet. De weg naar Leeuwarden door de Groene Ster ook niet. Ze woonden aan it ein fan ‘e reed (aan het eind van de weg). Ytje was graag bij haar vader in de stal, tussen de varkens, de koeien en de paarden. Ze was bijna drie jaar toen de oorlog begon. Aan Mila, Lútzen en Vera van OS de Romte vertelt ze haar verhaal.

Bent u wel eens bang geweest in de oorlog?
‘Op een ochtend liep ik hand in hand met mijn heit uit de stal, toen ineens twee Duitse soldaten in groen uniform en met een hoge hoed op voor ons stonden. Ze zaten op hele grote paarden; veel grotere paarden dan die wij hadden. We schrokken. Mijn heit kneep in mijn hand van angst. Ik voel het nog. Ook ik was bang. En die mannen praatten heel gek, vond ik. Dat Duits klonk maar wat raar, alsof ze blaften. De Duitsers eisten voor de nacht de schuur op, voor veertig soldaten en veertig paarden. Mijn heit mocht blijven om op de koeien te passen. De rest van het gezin moest weg. We gingen naar mijn pake en beppe in Suwâld.’

Is er ook een razzia bij jullie thuis geweest?
‘Op een zondag, we kwamen net uit de kerk, zat er bij ons huis een jonge man onder de perenboom op het bankje. Hij huilde en was smerig. Mijn mem vroeg hem wat er was. “Laat mij maar,” zei hij, “ze pakken mij toch wel.” Dat vond ik heel erg. Toen zei mem: “Eerst maar eens een bakje koffie!” Hij vertelde dat hij vanwege een razzia uit Leeuwarden gevlucht was. Hij was door de weilanden en sloten weggerend en kwam zo helemaal uitgeput bij ons huis aan. Hij is heel lang bij ons gebleven. Hennie Boelens was zijn naam, het was een aardige jongen. Na hem kwamen er meer onderduikers bij ons thuis. Ik mocht niet weten waar ze verstopt zaten, dan kon ik het ook niet vertellen als de Duitsers ernaar vroegen. Er kwamen onder andere twee kinderen uit Rotterdam, hongervluchtelingen, net zo oud als wij. En een evacué uit Limburg; een jongen van ongeveer elf, die onder de luizen en vlooien zat. Dat vond mijn moeder heel erg, ze was er zelf altijd heel precies in. Maar er was ook geen zeep of shampoo in de oorlog. En zo kwamen er steeds meer onderduikers bij. Op een gegeven moment waren we met zestien mensen in huis, waarvan negen onderduikers. Mijn zusje en ik waren de kleinsten en moesten tijdens het eten op de drempel zitten, omdat er geen ruimte meer aan tafel was.’

Hadden jullie ook last van de Hongerwinter?

‘Nee, want we woonden op een boerderij. We hadden altijd wel melk, daar maakten we ook boter van. En we hadden perenbomen, bessenstruiken en een groentetuin en aardappelen van Klaas de Graaf. Soms kwam er in het geheim ‘s nachts een slager bij ons thuis om een varken te slachten. Het vlees werd snel gebakken en in weckflessen gedaan. Dat was veel werk op een dag, maar het moest zo snel mogelijk gebeuren, want de Duitsers mochten er niet achter komen. Toen de oorlog bijna voorbij was, kwamen er nog twee jonge Duitse soldaten bij ons. Ze waren net iets ouder dan jullie, een jaar vijftien. Ze huilden van de honger, want ze kregen aan het eind van de oorlog bijna niks meer. “Ich will zu meiner Mutti,” zei de een. Natuurlijk kregen ze te eten. Bij ons ging er nooit iemand weg zonder eten. Mijn ouders hielpen iedereen. Er waren ook wel NSB’ers in het dorp, die kenden wij en zij kenden ons. Maar ze hebben nooit verraden dat wij onderduikers hadden. Ik denk omdat mijn heit en mem altijd heel goed waren voor anderen.’

   

Erfgoeddrager: Vera

‘Bij de slager mocht ik even in de koelcel’

Rupino Griffioen is in 1940 geboren op Java en groeide op in een gezin met nog drie broers. . Zijn vader was tamboer in het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL) en was geboren in Amsterdam. Op Java ontmoette hij zijn vrouw, Rupino’s moeder. Aan Whitney, Vera, Midya en Dounia, leerlingen van ROC TOP in Amsterdam-Zuid, vertelt hij aan de hand van hun vragen zijn verhaal. Als eerste toont hij hen een foto.

Wie zijn die vier kinderen en vrouw op de foto?
‘Dat ben ik met mijn broers en moeder. Daar is ze al weduwe. Mijn vader is overleden tijdens het werken aan de Birma-spoorlijn. Hij werkte daarvoor bij het KNIL, het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger. Hij kon in Nederland geen werk vinden, was avontuurlijk en ging daarom bij het leger. Hij dacht het daar goed te hebben. Maar toen kwamen de Japanners. Die hebben hem gevangengenomen en dus te werk gesteld bij de spoorweg. Hij kreeg weinig te eten en werd ziek; uiteindelijk is hij op 29-jarige leeftijd overleden. Ik was toen drie. Mijn moeder heeft ons niet veel verteld over die tijd. Uit de verhalen weet ik wel dat ze elkaar op Bandung hebben leren kennen.’

Moesten jullie naar een kamp?
‘Mijn moeder komt van de Banda-eilanden en was donker; daarom hoefde ze niet in een kamp. Ze heeft ervoor gezorgd dat ook wij buiten het kamp bleven. Ik was – als een mix van mijn Javaanse moeder en Nederlandse vader – een beetje te wit voor Indonesië, wat een risico met zich meebracht. Ik bleef daarom binnen in die tijd. Gelukkig was ik dol op lezen. We waren best arm, maar daar is dat minder moeilijk. Het is er warmer en je kunt het fruit van de bomen plukken. Elke dag kookte mijn moeder een grote pan pap. Na de oorlog is ze hertrouwd met een wit uitziende man die in het verzet zat. Ik heb met hem geboft, hij was als een vader voor ons. Hij is 94 geworden.’

Voelt u zich meer Hollands dan Indonesisch?
‘In Indonesië leerde ik op school over de treinen in Nederland, over sneeuw en kou. Daar kon ik me niks bij voorstellen. Toen ben ik een keer, ik was een jaar of negen, naar de slager gegaan met de vraag of ik in zijn koelcel mocht staan. Al na een paar minuten begreep ik wat kou was. Eenmaal in Nederlands was ik niet wit, maar zwart! Ik voel me Nederlander. Ik ben nooit meer teruggekeerd naar Indonesië. Daar had ik geen behoefte aan. Wel heb ik veel over deze geschiedenis gelezen.’

    

Erfgoeddrager: Vera

‘Als witste kind kon ik maar beter binnenblijven’

Met A4’tjes vol vragen in hun hand begroeten Aya, Vera en Sile van het MLA in Amsterdam-Zuid meneer Rupino Griffioen in de aula van hun school. Hij groeide op in voormalig Nederlands-Indië en kwam op zijn zestiende naar Nederland. Hier verbaasde hij zich over de totaal andere positie van ‘de witte man’.

Kunt u iets vertellen over uw familie?
‘Mijn vader werkte bij het KNIL, het Koninklijk Nederlandsch-Indisch leger. Hij werd gevangengenomen door de Japanners en tewerkgesteld bij de Birmaspoorweg. Daar is hij op 29-jarige leeftijd overleden door een combinatie van ziekte, verdriet, uithongering en uitputting. Mijn moeder kreeg dit bericht pas veel later te horen. Het was toen niet zoals nu dat alle berichten binnen een seconde bij de ontvanger zijn. Mijn moeder bleef achter met vier kinderen. De oudste twee kinderen hielpen mee geld verdienen; zij verkochten lekkernijen op straat. Daar ontmoetten ze een olieman, die gecharmeerd van hen was en zo onze moeder ontmoette. En met haar trouwde. Wij kregen er nog een halfzusje bij en hij zorgde voor ons alsof we zijn eigen kinderen waren.’

Kunt u iets vertellen over de Bersiap-periode?
‘Na de Tweede Wereldoorlog wilde Nederland de macht weer herpakken. Maar toen brak de Bersiap-periode aan, dat van het verzet van de Indonesiërs. Een jongeman genaamd Soekarno kwam in opstand; hij begon rechten te eisen voor het hele volk. Hij werd toentertijd door Nederland als terrorist beschouwd. Nederland ondernam toen politionele actie, omdat men vond dat men recht had op Indië. Voor Nederlanders werd het daar toen gevaarlijk. Er zijn daar over en weer veel gruweldaden gepleegd. Het grootste gelijk lag bij de Indonesiërs. Mede door die periode kwam het land tot ontwikkeling.’

Kon u na de oorlog naar school?
‘Na de oorlog werkte mijn moeder veel op de markt om ons van eten te voorzien. Ze had aanleg voor talen en leerde er zeven dialecten spreken, ondanks het feit dat ze alleen de lagere school had afgemaakt. Dat was handig, omdat ze zo met de verschillende koopmannen kon onderhandelen. Ik moest veel binnenblijven aangezien ik de witste was van alle vier de kinderen. Men keek toen ook al naar kleur; van discriminatie was toen ook al sprake. Kinderen met een wit uiterlijk konden beter niet te veel buiten komen. Ik was graag binnen en hield van lezen. Mijn moeder had al gauw in de gaten dat ik wat slimmer was. Toen ik uiteindelijk naar school ging, had ik door het lezen een voorsprong. Met vier jaar ging ik al naar de eerste klas. Maar door de omstandigheden waren er veel onderbrekingen. In Indonesië ben ik ook gedeeltelijk naar de middelbare school geweest, in Siri Bong en Bandung, op Jakarta. Dat onderwijs was niet erg goed door de vele wisselingen van leraren. In 1956 kreeg mijn familie de keuze om naar Nederland te gaan of om in Indonesië te blijven. We gingen weg. En zo kwam ik op zestienjarige leeftijd in Nederland. Ik bleek een enorme achterstand opgelopen te hebben in Indonesië. Gelukkig is dat goedgekomen.’

Hoe was het in Nederland?
‘In Nederland woonden we eerst in een pension. We moesten nog wachten op huisvesting. Er zaten daar meer gezinnen, allemaal uit verschillende streken van Indonesië. In één kamer woonden soms wel zeven mensen. Ook hadden we het er erg koud.
Ik wist trouwens meer van Nederland dan van Indonesië, omdat we daar alleen maar les over Nederland hadden gekregen. Dat was wel vreemd, dat je meer leert over een ander land dan het land waar je woont. Op school bleek ik een grote achterstand te hebben ondanks het vele lezen. Het advies was om opnieuw, vanaf de eerste klas, aan de middelbare school te beginnen. Dat wilde ik niet, dus kreeg ik boeken mee naar huis om te leren. Voor mij geen probleem, want ik hield van lezen. Wat ik in die periode zo wonderlijk vond van Nederland was dat er in de klas totaal geen orde was! Ik verbaasde mij daar erg over. In Indonesië was het de witte man die jaren onderdrukking op het volk had uitgeoefend. Op school waren we altijd bang voor de witte leraar geweest; er heerste een strikt regiem. We zaten altijd stil en spraken enkel als er toestemming voor werd gegeven. Ik heb me dus lang verwonderd dat het hier zo anders was, omdat ik altijd had opgekeken naar ‘de witte man’. Zijn positie was hier niet zoals daar. Uiteindelijk bewees ik de leraar dat ik de beste van de klas was. Op eigen houtje had ik mijn niveau bijgewerkt en ik haalde als enige van de klas een 10.  Zo zie je maar hoe belangrijk lezen is!’

 

 

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

Christine: +31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892