Erfgoeddrager: Thomas

‘We zaten nog maar net in het klompenhok toen de bommen vielen’

Op een stralende winterdag gaan Mano, Tjebbe en Thomas langs bij Jaap en Corrie van den Boogaard. Jaap is al 92 jaar – wat reacties als ‘whoaaaaah’ oplevert – en Corrie is maar een jaartje jonger. Iets eerder dan gepland bellen ze aan, maar ze worden met open armen ontvangen. Foto’s worden van de muur en uit de kast gehaald en het stel vertelt de verhalen van toen zij als jonge boerenkinderen in de polders rondom de stad woonden. Op de plek waar nu Nieuw-West is gebouwd, en waar de school (Spring High) van de kinderen staat.

Wat weet u nog van de oorlog? 
Jaap: ‘De oorlogsjaren hebben we heel bewust meegemaakt. Toen de oorlog uitbrak in 1940 was mijn vrouw elf jaar, ik was een jaar of twaalf. Onze ouders kenden elkaar – al die boeren kenden elkaar – dus je hoorde wel eens wat over de ander. Vroeger stonden hier in Nieuw-West helemaal nog geen huizen, er waren weilanden en boerderijen. Wij woonden op de Uitweg, op een boerderij met koeien.
Ik weet nog goed dat we achter de boerderij stonden te kijken naar de bombardementen op Schiphol en toen zagen we Eskadrille vliegtuigen vanaf Amstelveen komen. Eén zeker, maar misschien waren het er twee; die kregen een voltreffer van het afweergeschut dat vlak achter onze boerderij stond. We dachten dat ze naar Schiphol draaiden, maar opeens draaiden ze om. Toen riep mijn vader dat we naar binnen moesten. We zaten amper in het klompenhok, de ingang van de keuken, toen de bommen vielen. Eén bom viel in de boomgaard achter onze boerderij. Een meter of tien, misschien twintig, bij ons vandaan. Alles stortte naar voren, tegen de bomen. Van het achterhuis, de keuken en de slaapkamer van m’n broer en mij was níets over. Alles was weg. Mijn zusje had twee scherfjes in d’r hoofd. Ze had een hele grote wond, en ze heeft toen drie maanden in het Wilhelmina Gasthuis gelegen. De dokters dorsten het niet eruit te halen. Ze heeft op het kantje gelegen, maar met de rest is het gelukkig goed afgelopen.’

Hoe was het voor de boeren tijdens de Hongerwinter?
Corrie: ‘Echte honger hebben wij nooit gehad, want we hadden van alles wel wat. Thuis maakten we ook wel kaas. Gewoon voor ons eigen [gezin], hoor. En boter karnen, dat moest ik altijd doen. Ook slachtten we wel eens wat, maar alles ging stiekem. Wij hadden ook bonnen. Als we moesten schuilen voor de bommen, dan had mijn moeder altijd d’r tassie bij zich, want daar zaten de bonnen in. Bonnen om bijvoorbeeld brood, suiker en schoenen mee te mogen kopen. Want je kon het niet zomaar meer kopen met geld, je had daar bonnen voor nodig.
De mensen uit de stad pikten soms schapen van het land, omdat ze zo’n ontzettende honger hadden. In de laatste maanden van de oorlog fietste Jaap met een vriend, ook een boerenjongen, over de Uitweg om een oogje in het zeil te houden. Daar moesten we wel toestemming voor vragen aan de Duitsers – allemaal gedoe – in verband met de avondklok.
Onze boerderij was de eerste boerderij van Sloterdijk af. Mensen kwamen vaak bij ons om melk vragen. Dat moesten we stiekem geven, want ook dat mocht niet; we moesten de melk afleveren. Omdat sommige mensen meerdere keren per dag kwamen, hadden we een lijstje. Dan schreven we op ‘juffrouw met wit hondje’. We kenden die mensen niet bij naam, maar zo wisten we wie er die dag al was geweest.’

Hebben jullie wel eens mensen doodgeschoten zien worden?
Corrie: ‘Voor onze boerderij op de Haarlemmerweg liep een trambaan. Mensen hadden daar een trein laten ontsporen. Als straf hebben de Duitsers toen drie onschuldige gevangenen, die er niets mee te maken hadden, doodgeschoten op die trambaan. Van mijn vader moesten we naar achteren, want hij wilde niet dat we zouden zien wat er ging gebeuren. Maar mijn zus en ik zijn stiekem naar boven gegaan en hebben vanuit het slaapkamerraam alles gezien.’
Jaap: ‘Dat was de Duitse gewoonte toen, in het laatste oorlogsjaar, om mensen die in de gevangenis zaten te fusilleren. Punt komma uit.
Toen we in mei 1945 waren bevrijd, ging er op 7 mei het verhaal rond dat de Canadezen op de Dam zouden zijn. Mijn broer en ik zijn toen naar de Dam gegaan. Daar waren een hele, heeeleboel mensen en op een gegeven moment begonnen de Duitsers te schieten. Op de mensen. Wij stonden gelukkig helemaal aan de andere kant van de Dam en zijn in de richting van Krasnapolsky gevlucht, richting de Warmoesstraat. Dat was wel even een heel eng moment, hoor. En dan te bedenken dat we er kwamen om feest te vieren.’

Erfgoeddrager: Thomas

‘Het is niet voor te stellen wat mensen elkaar kunnen aandoen’

Aan de ronde tafel in de woonkamer praten Kasper, Jurre, Thomas en Jurriaan met Ab Hopman. Tijdens de oorlog woonde meneer Hopman op het Westerhoutpark. Samen praten ze over de honger en de spanningen van de oorlog, ’Wat mensen elkaar kunnen aandoen is niet voor te stellen.’

Waar zag u de eerste Duitsers in Haarlem?
‘De eerste Duitsers zag ik hier bij smederij Felix op de Wagenweg. Ze hadden de smid nodig voor de verzorging van de paardenhoeven. Ik liep erlangs op weg naar de Dreefschool. In het begin van de oorlog ging het nog wel, maar in de loop van de tijd werd het terreur. Je moest in de oorlog gauw opgroeien.
Wij hadden thuis zeven kinderen, ik had twee broers die moesten onderduiken. Mijn oudste broer zat in het verzet en mijn andere broer moest zich verstoppen voor de ‘Arbeitseinszats’. Ze werden achtervolgt, ik weet nog dat mijn broer als vrouw verkleed de straat opging.
Bij ons in de straat, naast het huis van Harry Mulisch, woonde de familie Pollatz. Zij hebben wel 40 joodse kinderen opgevangen. Pas na de oorlog wist ik dat. Tijdens de oorlog wilde je niet zien en niet horen, je was aan het overleven.’

Hoe kwam u aan eten?
‘Er was honger en samen met mijn broers pakten we een hert uit het hertenkamp in de Hout om op te eten. We zijn gesnapt. Ik werd meegenomen door de Duitse politie. Ik kreeg een pak rammel en als plagerijtje werd het mes me op de keel gezet en werd overgeleverd aan de Nederlandse politie, drie dagen zat ik in de cel. Ze lieten me toch weer gaan gelukkig.
Stiekem gingen we op school naar de gymzaal, ik klom in de touwen en sneed het los. Mijn broers vingen me op. Dat touw konden de boeren in het Noorden goed gebruiken, we ruilden het voor eten.
De Duitsers gooiden een stukje brood op straat en de mensen vochten erom. Die Duitsers lachen, alsof het geen mensen waren. Het was wreed. Iedereen was op zoek naar eten, mensen konden niet meer lopen van honger en slapte. Honger deed zo’n pijn. Het verbaasde niemand meer, maar de doden lagen in de portieken op de Wagenweg. Een mensenleven telde niet meer.’

Hoe heeft u de bevrijding gevierd?
‘Die laatste dagen van de oorlog waren juist het gevaarlijkst. Er was een totale anarchie. Wie is hier de baas? De Binnenlandse Strijdkrachten, de politie of de Sicherheitsdienst? Het was een rotzooi. Pas later kwamen de Canadese tanks de Wagenweg binnenrijden. Feest! en ik klom op een tank. De Canadese officier vroeg, ‘Waar zitten de Duitsers verstopt? Ik wees ze de weg naar het pand op de Zandvoortselaan. Daar moest ik afstappen, de tank draaide en reed zo door de voortuin het pand binnen. De verstopte Duitsers renden eruit. Ik liep alleen terug naar huis.’

 

  

 

 

 

 

Social Media


Meer zien van onze programma's en op de hoogte blijven van het laatste nieuws?
Volg ons op social media:

Contact


Heb je een vraag aan ons? Wilt u meedoen als verteller, als basisschool, of een bijdrage leveren door een interview te begeleiden? Neem contact op, we helpen graag verder.

+31 6 816 834 18

NL41 TRIO 0254 753892